Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3322

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-06-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
18.830283-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wegens overtreding van artikel 6 van de Wvw 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet, meermalen gepleegd en overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wvw 1994 tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en OBM voor de tijd van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 176
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830283-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 mei 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 maart 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente De Marne,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, met welk

motorrijtuig 2 passagiers, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , werden vervoerd,

daarmede rijdende over de weg, de [pleegplaats] (welke weg in het verlengde lig

[pleegplaats] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van het gebruik van alcoholhoudende drank en/of

terwijl voornoemd motorrijtuig was geconstrueerd om 1 passagier te vervoeren,

met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor dat motorrijtuig geldende constructiesnelheid van 25 kilometer per uur,

met dat door hem bestuurde motorrijtuig, gekomen ter hoogte van een in die weg

gelegen kruising of splitsing van die weg met een weg, eveens genaamd de

[pleegplaats] , met de/het - gezien verdachtes rijrichting - linkerwiel(en)

van dat motorrijtuig door de linkerberm is gaan rijden en/of (vervolgens) dat

motorrijtuig (schuin) naar rechts heeft gestuurd en/of (vervolgens) met de/het

rechterwiel(en) van dat motorrijtuig door de rechterberm is gaan rijden en/of

(vervolgens) dat motorrijtuig (schuin) naar links heeft gestuurd, en/of (daarbij) de voortdurende controle over dat motorrijtuig heeft verloren, ten gevolge van welk handelen van verdachte een botsing/aanrijding is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en/of een in de linkerberm van die weg staande boom, waardoor

- aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer gebroken

ribben en/of wervels en/of een gekneusde long en/of een gekneusde nier en/of

een gescheurde lever en/of

- aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer breuken in de schedel en/of een of meer ribfracturen en/of een sleutelbeenfractuur werd toegebracht,

of bij die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zodanige lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit (bij beiden) tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in

artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet

heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 7 maart 2015, te [pleegplaats] , althans in de gemeente De Marne,

als bestuurder van een voertuig (een voertuig met beperkte snelheid), daarmee

rijdende op de weg, de [pleegplaats] (welke weg in het verlengde ligt van de

[pleegplaats] ),

- met een hoge snelheid, althans een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de

voor dat motorrijtuig, geldende constructiesnelheid van 25 kilometer per uur

en/of

- terwijl verdachte verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank met het door hem bereden motorrijtuig, welk voertuig was geconstrueerd voor vervoer van 1 passagier, terwijl hij, verdachte, toen aldaar 2 passagiers vervoerde,

gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen kruising of splitsing van die

weg en de [pleegplaats] , (deels) in de - gezien verdachtes rijrichting -

linkerberm en/of (vervolgens) (deels) in de rechterberm van die weg heeft

gereden, waarbij hij (vervolgens) de voortdurende controle over dat motorrijtuig heeft verloren, waardoor, althans mede waardoor hij, verdachte, met dat voertuig tegen een in

de linkerberm staande boom is gebotst of aangereden, althans aangegleden

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 07 maart 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Marne, als bestuurder

van een voertuig, (motorrijtuig met beperkte snelheid), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,84 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, in die zin dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De officier van justitie heeft eveneens gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het overschrijden van de constructiesnelheid niet redengevend is om tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde te komen, nu de constructiesnelheid van de auto van verdachte die van een normale auto betreft (hij kan wel 135 kilometer per uur) en verdachte deze snelheid niet heeft overschreden. Dat verdachte twee passagiers heeft vervoerd terwijl de auto was geconstrueerd om 1 passagier te vervoeren is eveneens niet redengevend om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsman heeft betoogd dat het enkele feit dat verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feiten 1 primair en 2

1. De door verdachte op de terechtzitting van 30 mei 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 7 maart 2015 was ik ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto. Het klopt dat ik die dag wel 12 biertjes had gedronken. We zaten met zijn drieën in de auto. Ik reed, [slachtoffer 2] zat op de bijrijdersstoel en [slachtoffer 1] zat op schoot bij [slachtoffer 2] . Ik reed op dat moment ongeveer 50 tot 55 kilometer per uur. Op een gegeven moment ben ik de macht over het stuur kwijtgeraakt. Ik ben niet in het bezit van een rijbewijs B.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 10 april 2015, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015066986 d.d. 10 maart 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 7 maart 2015 bracht [verdachte] mij samen met [slachtoffer 2] naar huis. Op een gegeven moment hoorde ik [verdachte] : "Hoo" zeggen. Hierop volgend voelde ik dat de auto begon te glijden. Ik hoorde een harde knal en het werd bij mij zwart. Ik ben naar het UMCG gebracht. Daar vertelden ze mij dat ik 10 gebroken ribben, 10 gebroken wervel uiteinden, 1 gebroken wervel, een zwaar gekneusde long, een zwaar gekneusde nier en een gekneusde en gescheurde lever had. We zijn nu 5 weken verder en ik lig op bed te revalideren en te herstellen.

3. Een geneeskundige verklaring met betrekking tot het letsel van [slachtoffer 2] , op 22 april 2015 opgemaakt en ondertekend door dr. E.F.M. Veldhuis, chirurg niet praktiserend, opgenomen op pagina 26 e.v. van voormeld dossier voor zover inhoudende, als zijn verklaring:

Welk(e) letsel(s) dan wel afwijkingen(en) - zowel in- als uitwendig - heeft u op 8 maart 2015 bij betrokkene geconstateerd.

- Hoofdletsel wond voorhoofd, breuken in skelet schedel;

- Sleutelbeenbreuk;

- Ribfractuur re 4+5

4. Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 08.03.2015.00.20.2169 d.d. 23 mei 2015, als los document gevoegd:

Oorzaak, toedracht en gevolg

De bestuurder reed met zijn voertuig over de [pleegplaats] in de richting van

[pleegplaats] . Bij de T-kruising met de [pleegplaats] kwam de bestuurder met het

voertuig in de linker berm terecht. Tijdens het uitsturen kwam het voertuig via de rijbaan met

de rechter wielen in de rechter berm terecht. In een poging weer op de rijbaan te komen

stuurde de bestuurder fors naar links. Hierbij verloor hij de controle over het voertuig. Het

voertuig kwam weliswaar weer op de rijbaan maar kwam als gevolg van het (te fors) uitsturen in een ongecontroleerde dwarsslip terecht. Het voertuig brak aan de achterzijde naar

rechts uit en schoof over de rijbaan de linker berm in. Daar kwam het voertuig met de rechter

zijkant in botsing met een boom. Als gevolg van het ongeval liepen de bestuurder en twee

passagiers letsel op. Gezien de afstand waarover slipsporen werden aangetroffen in combinatie met de aangetroffen schade aan het voertuig is het in ieder geval zeker dat de snelheid van het voertuig onmiddellijk voor het ontstaan van het ongeval (aanmerkelijk) hoger is geweest dan 25 km/h.

Conclusie/beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de Smart.

5. Een deskundigenrapport Alcohol in het verkeer afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2015.03.11.010 d.d. 17 maart 2015, opgemaakt door [verbalisant], opgenomen op pagina 24 van voormeld dossier:

Naam bloedgever [verdachte] , geb. datum: [geboortedatum]

Verbalisant [verbalisant]

De bepaling van het alcoholgehalte in het bloed geschiedde door twee onafhankelijk van elkaar werkende analisten volgens de ADH methode. Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie 1,84 milligram alcohol per milliliter bloed.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW 1994 moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.1

De rechtbank overweegt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende.

Verdachte heeft op 7 maart 2015 gereden als bestuurder van een motorrijtuig terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank. Verdachte was op dat moment niet in het bezit was van een rijbewijs B terwijl hij 50 kilometer per uur reed in een motorrijtuig waarmee maximaal 25 kilometer per uur mocht worden gereden. Op een splitsing heeft verdachte door een rij- c.q. beoordelingsfout te maken de controle over het motorvoertuig verloren ten gevolge waarvan het motorrijtuig tegen een boom is gebotst. Aldus heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden en is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Het door de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgelopen letsel kwalificeert de rechtbank, met name gelet op de verschillende botbreuken en orgaanbeschadigingen bij de beide slachtoffers en de daarmee gepaard gaande herstelperiode, als zwaar lichamelijk letsel.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 7 maart 2015 te Niekerk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, met welk motorrijtuig 2 passagiers, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , werden vervoerd, daarmede rijdende over de weg, de [pleegplaats] (welke weg in het verlengde ligt van de [pleegplaats] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van het gebruik van alcoholhoudende drank en met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur met dat door hem bestuurde motorrijtuig, gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen kruising of splitsing van die weg met een weg, eveneens genaamd de [pleegplaats] , met de - gezien verdachtes rijrichting - linkerwielen van dat motorrijtuig door de linkerberm is gaan rijden en vervolgens dat

motorrijtuig (schuin) naar rechts heeft gestuurd en vervolgens met de rechterwielen van dat motorrijtuig door de rechterberm is gaan rijden en vervolgens dat motorrijtuig (schuin) naar links heeft gestuurd, en daarbij de voortdurende controle over dat motorrijtuig heeft verloren, ten gevolge van welk handelen van verdachte een botsing/aanrijding is ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en een in de linkerberm van die weg staande boom, waardoor

- aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben en wervels en een gekneusde long en een gekneusde nier en een gescheurde lever en

- aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in de schedel en ribfracturen en een sleutelbeenfractuur werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 7 maart 2015 te [pleegplaats] , gemeente De Marne, als bestuurder van een voertuig, (motorrijtuig met beperkte snelheid), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,84 milligram.

De verdachte zal van het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet, meermalen gepleegd;

2. overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie heeft bij de formulering van de strafeis aanleiding gezien om af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS) gelet op de specifieke context en omstandigheden van de zaak. Zo wisten de slachtoffers dat verdachte onder invloed verkeerde van alcohol op het moment dat ze bij hem in de auto stapten. Gelet op het blanco strafblad van verdachte ziet de officier van justitie geen aanleiding een deels voorwaardelijke straf te vorderen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de zaak 14 maanden op de plank heeft gelegen en veel impact heeft gehad op verdachte. Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de raadsman betoogd dat verdachte al een jaar geen auto meer heeft, dat hij van plan is zijn rijbewijs B te gaan halen en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft wanneer hij weer gaat proberen een baan te krijgen, gezien de opleiding welke hij volgt.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een motorrijtuig schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Verdachte heeft onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en rijdend met een hogere snelheid dan met het hem bestuurde voertuig was toegestaan de controle over het motorrijtuig verloren ten gevolge waarvan verdachte met het motorrijtuig tegen een boom is gebotst waardoor de 2 passagiers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

De rechtbank heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 mei 2016, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank overweegt dat gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS ter

ter zake van overtreding van artikel 6 WVW 1994 waarbij sprake is van een alcoholgehalte van 1,84 milligram (verdachtes bloed) en een grove verkeersfout met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren geldt.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met het feit dat de slachtoffers zelf bij verdachte in de auto zijn gestapt terwijl zij wisten dat verdachte alcohol gedronken had. Tevens heeft de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de nadelige gevolgen die het ongeval voor hemzelf heeft gehad, het tijdsverloop en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Gelet op het bovenstaande en de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde taakstraf passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank, rekening houdend met het tijdsverloop tussen de pleegdatum en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting, een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte opleggen van na te noemen duur met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaren om uitdrukking te geven aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Feiten 1 primair en 2

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Feit 1 primair

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 18 maanden.

Bepaalt, dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. H.L. Stuiver en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juni 2016.

Mr. W.S. Sikkema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252