Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:331

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2016
Datum publicatie
23-03-2016
Zaaknummer
LEE 16/318
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening. Aantreffen van niet nader aangeduide hennepresten is onvoldoende voor conclusie dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd is handhavend op te treden.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/207 met annotatie van J.G. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/318

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 februari 2016 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te Groningen, verzoeker

(gemachtigde: mr. R.P. Eefting),

en

de Burgemeester van de gemeente Tynaarlo, verweerder

(gemachtigde: F.J. Slieker).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het bedrijfspand (het pand) op het adres [adres] gesloten voor de duur van drie maanden. In het pand is het bedrijf van verzoeker gevestigd.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

  2. In het primaire besluit heeft verweerder gesteld dat de politie op 22 november 2015 in het pand een hennepkwekerij heeft aangetroffen. Verweerder verwijst daartoe naar bestuurlijke rapportage van de politie Eenheid Noord Nederland, Basisteam Noord Drenthe van 8 december 2015 en een aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie van 25 januari 2016. Verweerder heeft de sluiting gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.1.

In de bestuurlijke rapportages wordt uiteengezet dat in het pand een groot aantal voorwerpen is aangetroffen dat gebruikt kan worden bij het kweken van hennep. Hennepplanten zijn niet aangetroffen. Wel werden er, volgens de rapportage van 8 december 2015, resten van hennepplanten aangetroffen. In de aanvullende rapportage wordt hiervan geen melding gemaakt.

4.2.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het kennelijk aantreffen van niet nader aangeduide hennepresten onvoldoende om te concluderen dat in het pand een middel als bedoeld in lijst I of II, zoals hennep, verkocht, afgeleverd of verstrekt wordt dan wel daartoe aanwezig is. De voorzieningenrechter is geen lijn in de rechtspraak bekend die tot een andere conclusie zou kunnen leiden.

Dit betekent dat niet vast is komen te staan dat verweerder bevoegd was om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, handhavend op te treden.

5.1.

Gelet op het voorgaande maakt het bezwaar een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen en het primaire besluit schorsen.

5.2.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.3.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 992.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.