Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3282

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
LEE 15-3503
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom wegens constructieve gebreken van de woning. Rapportage commissie ARUP van de NAM. Aardbevingsschade? Verlaten van de woning. Handhaving is inmenging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, maar in dit geval gerechtvaardigd ingevolge artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Onderdeel aanschrijving is in strijd met de rechtszekerheid. In zoverre is het beroep gegrond en volgt herroeping van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/3503

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delfzijl, verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Visser).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een tweetal lasten onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 27 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard, in die zin dat de last om hekken rondom de woning op het perceel [adres] te [plaats] te plaatsen, is herroepen.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 2 juni 2016.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en D. Schipper.

Overwegingen

Feiten

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 11 november 2014 heeft er op verzoek van de schade-afhandelingsorganisatie van de besloten vennootschap Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: de NAM) een Extended Visual Screening en veiligheidsinspectie plaatsgevonden op het adres [adres] in [plaats] door ingenieursbureau ARUP. De bevindingen van voormeld ingenieursbureau zijn neergelegd in een brief van 12 december 2014 aan de NAM en een rapportage van 13 januari 2015. Naar aanleiding hiervan is geadviseerd dat het pand op het adres Schepperbuurt 14 in Termunterzijl in de huidige staat “Code Rood” moet krijgen (“Code Rood”: evacuatie van de bewoners totdat mitigerende maatregelen getroffen zijn, die de veiligheid van de constructie waarborgen).

1.2.

Op 16 december 2014 heeft er een bouwkundige inspectie plaatsgevonden door twee inspecteurs van de gemeente Delfzijl. De bevindingen van deze inspecteurs zijn neergelegd in een rapportage van 16 december 2014. Naar aanleiding van de bouwkundige inspectie wordt geadviseerd om de woning niet meer te laten bewonen.

1.3.

Op 19 december 2014 heeft de heer R. Bosscher van de gemeente Delfzijl eiser en zijn echtgenote verzocht de woning op voormeld perceel te verlaten. Zij hebben in eerste instantie hun intrek genomen in een pension. Op 20 december 2014 heeft de burgemeester hen bezocht in het pension.

1.4.

Bij primair besluit van 22 januari 2015 heeft verweerder eiser een tweetal lasten onder dwangsom opgelegd op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, de artikelen 1a en 1b van de Woningwet en de artikelen 5.1, 5.2 en 5.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met de artikelen 5:31d tot en met 5:32b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gelet op de acuut onveilige situatie en het gevaar voor omwonenden en voorbijgangers heeft verweerder de volgende last aan eiser opgelegd:

1. eiser en zijn echtgenote dienen hun woning aan de [adres] te [plaats] met onmiddellijke ingang te verlaten en verlaten te houden. Dit betekent dat eiser daar niet langer mag verblijven, behalve voor kortdurend verblijf om in de woning enkel de naar het oordeel van verweerder strikt noodzakelijke handelingen te verrichten;

2. eiser en zijn echtgenote dienen binnen een week na verzending van dit besluit om de woning een hekwerk of scheidingswand te plaatsen van tenminste 1,80 meter hoog aan de voor- en achterzijde van de woning.

Indien eiser hieraan niet voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 500,-- per vastgestelde overtreding van het bepaalde onder 1., met een maximum van één overtreding per dag en een (totaal) maximum van € 2.500,--. Verder verbeurt eiser een dwangsom ineens van € 1.000,-- na het verstrijken van de termijn en daarnaast € 100,-- per vastgestelde overtreding per dag en een (totaal) maximum van € 3.000,-- ten aanzien van het onder 2. bepaalde.

1.5.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 februari 2015 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

1.6.

Eiser heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op de hoorzitting van 18 mei 2015 van de commissie bezwaarschriften algemene zaken van de gemeente Delfzijl (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De commissie heeft verweerder bij brief van 7 juli 2015 geadviseerd het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond te verklaren en het primaire besluit van 22 januari 2015 te herroepen, voor zover het betrekking heeft op de last tot het plaatsen van een hekwerk alsmede het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

1.7.

Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit van 22 januari 2015 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de last tot het plaatsen van een hekwerk. Verder heeft verweerder met het bestreden besluit het verzoek om proceskostenvergoeding in de bezwaarfase afgewezen.

Toepasselijke regelgeving

2. In het eerste lid van artikel 8 van het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

In het tweede lid van artikel 8 van het EVRM is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.1.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Woningwet wordt, voor zover thans van belang, voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder bevoegd gezag verstaan: het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dat artikellid, college van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet draagt de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Ingevolge artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet is het verboden een bestaand bouwwerk, open erf of terrein in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, tweede lid, aanhef en onderdeel a, en vierde lid.

2.3.

Ingevolge artikel 1.1 van de Wabo wordt, voor zover thans van belang, in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder bevoegd gezag verstaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

2.4.

Ingevolge artikel 5.17 van de Wabo kan een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen.

2.5.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Awb strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Beoordeling

3. In procedureel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.

Eiser betoogt dat er in dit geval sprake is van een onbevoegd genomen besluit. In dit verband wijst eiser erop dat het, gelet op de ondertekening van het bestreden besluit, niet duidelijk is of het genomen is door verweerder of door de burgemeester.

3.2.1.

De rechtbank stelt vast dat het na bezwaar gehandhaafde besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom door verweerder gebaseerd is op artikel 1a en 1b van de Woningwet, in samenhang gelezen met artikel 5.17 van de Wabo. Hieruit volgt dat, indien er sprake is van het constateren van een overtreding door eiser, verweerder het bevoegd gezag is om handhavend op treden. Verder stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit, in navolging van het primaire besluit van 22 januari 2015, ondertekend is door de burgemeester en de gemeentesecretaris van de gemeente Delfzijl zonder de aanvulling dat dit namens verweerder is gedaan.

3.2.2.

Desgevraagd heeft verweerder bij brief van 11 mei 2015 aangegeven dat het bij de gemeente Delfzijl de gewoonte is dat brieven van verweerder worden ondertekend door de burgemeester en de secretaris zonder dat daarbij het bestuursorgaan expliciet wordt genoemd. Volgens verweerder is deze praktijk in overeenstemming met artikel 59a, eerste lid, van de Gemeentewet. Een dergelijke bepaling ontbreekt in hoofdstuk IV van de Gemeentewet, waarin de werkzaamheden van de burgemeester zijn vastgelegd. Om die reden kan volgens verweerder een door de burgemeester en de secretaris ondertekende brief niet anders worden opgevat dan als afkomstig van verweerder.

3.2.3.

Ingevolge artikel 59a, eerste lid, van de Gemeentewet worden de stukken die van het college van burgemeester en wethouders uitgaan door de burgemeester ondertekend en door de secretaris medeondertekend.

3.2.4.

Uit de besluitenlijst van 28 juli 2015 van verweerder blijkt dat verweerder tijdens de collegevergadering van 21 juli 2015 heeft beslist met betrekking tot het door eiser ingediende bezwaarschrift. Gelet hierop en het feit dat de ondertekening van het bestreden besluit in overeenstemming is met artikel 59a, eerste lid, van de Gemeentewet ziet de rechtbank geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat er in dit geval sprake is van een onbevoegd genomen besluit. Deze grond van eiser slaagt niet.

4.1.

Door eiser is gesteld dat verweerder op 19 december 2014 feitelijk spoedeisende bestuursdwang heeft uitgeoefend en dat hij dit in een besluit had moeten neerleggen in plaats van het nemen van een last onder dwangsom, zoals verweerder gedaan heeft.

4.2.

Door verweerder is gesteld dat er geen sprake is geweest van het uitoefenen van bestuursdwang, omdat eiser en zijn vrouw het betrokken pand vrijwillig hebben verlaten.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken, zoals die zijn opgenomen in het dossier, en hetgeen daarover op zitting is gezegd onvoldoende blijkt dat eiser en zijn vrouw hun woning onder dwang hebben verlaten.

5.1.

In dit geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht aan eiser een last onder dwangsom opgelegd heeft, strekkende tot het verlaten en het verlaten houden van zijn woning op voormeld perceel te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

5.2.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het in opdracht van de NAM verrichte onderzoek en de door medewerkers van de gemeente uitgevoerde onderzoek naar voren komt dat de bouwkundige staat van de woning niet in overeenstemming is met de eisen die op grond van artikel 1a en 1b van de Woningwet, het Bouwbesluit en NEN 8700 worden gesteld. Om die reden was verweerder bevoegd de last op te leggen, ook al hadden eiser en zijn vrouw de woning reeds verlaten.

5.3.

Eiser betoogt dat verweerder in de aanloop naar de totstandkoming van het bestreden besluit onzorgvuldig heeft gehandeld. In dit verband wijst eiser erop dat er een zeer summiere inspectie van zijn woning heeft plaatsgevonden en dat verweerder voornamelijk is afgegaan op bevindingen van derden, in dit geval de NAM. Verder wijst eiser erop dat de communicatie over het onderzoek van ARUP eind 2014 uitermate gebrekkig was. Pas na meerdere verzoeken ontving eiser een rapport in de Engelse taal, terwijl hij de Engelse taal, zeker op het vlak van technisch Engels, niet direct machtig is. Het is eiser niet bekend of verweerder zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op het desbetreffende rapport. Dit alles bij elkaar vergrootte de onzekerheid bij eiser.

5.4.

Uit een brief van 12 december 2014 van ARUP dient te worden afgeleid dat uit de bevindingen tijdens een veiligheidsinspectie van de woning van eiser is gebleken dat het een ernstige naar binnengaande kromming betreft met scheefstand van de voorgevel met diverse scheurvorming ter plaatse van de verdiepingsbalklaag. De achtergevel van de originele woning vertoont diverse scheurvorming ter plaatse van de verdiepingsbalklaag met hierbij weinig samenhang in het metselwerk. De achtergevel van de aanbouw bolt naar buiten. De binnenmuren, evenwijdig aan de voorgevel, ter plaatse van de slaapkamer hellen licht achterover in dezelfde richting als de voorgevel. In het plafond van zachtboard van de slaapkamer is een bolling waarneembaar ten gevolge van de scheefstand van de voorgevel. Vervolgens is geconcludeerd dat de woning op grond van de ATC-20 bevindingen niet voldoet aan de normale eisen voor statische belasting, waardoor het waarschijnlijk geacht moet worden dat bepaalde constructieonderdelen van het pand bij een lichte aardbeving met een geringe grondversnelling niet meer stabiel zijn en kunnen instorten. Aangegeven is dat de woning van eiser in de huidige staat “Code Rood” moet krijgen.

In een rapportage van 16 december 2014 hebben gemeentelijke toezichthouders naar aanleiding van een inspectie van de woning van eiser aangegeven dat de complete woning in zijn geheel achterover zakt (naar de weg toe). Verder is in deze rapportage aangegeven dat er voor wat betreft de voorgevel sprake is van ernstige naar binnengaande scheefstand/bolling naar buiten en dat de achtergevel van de aanbouw een scheefstand/bolling naar buiten heeft. Daarnaast vertonen de stabiliserende binnenwanden scheuren. Aangegeven is dat door de ongelijkmatige zakking van de ondergrond de woning een scheefstand bezit. Hierdoor krijgt de zwaartekracht een excentrische aangrijping op de voor- en achtergevelmuren. Door de scheefstand is de stabiliteit van de voor- en achtergevel ernstig verzwakt. De stabiliteit van de voor- en achtergevel wordt ontleend aan de zijmuren en twee binnenwanden. De, haaks op de voorgevel staande, binnenwanden vertonen meerdere scheuren. De constructieve verbinding met de buitenmuren is door de bolling niet meer deugdelijk. Hierbij hebben de gemeentelijke toezichthouders geconcludeerd dat het onduidelijk is in hoeverre de woning bestand is tegen de nieuwe belastingen voortkomend uit bevingen. Duidelijk is dat de woning in de huidige staat een ernstige constructieve verzwakking heeft. Naar de mening van de gemeentelijke toezichthouders voldoen de voor- en achtergevel niet meer aan de minimale eisen, zoals gesteld in NEN 8700 (levensduur korter dan één jaar).

5.5.

Uit het geheel van bevindingen, blijkend uit de brief van 12 december 2014 van ARUP en de rapportage van 16 december 2014 van de gemeentelijke toezichthouders, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de woning van eiser niet (langer) meer voldoet aan de normen van het Bouwbesluit en dat er om die reden sprake is van een overtreding van artikel 1a en 1b van de Woningwet. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat zijn woning in zijn beleving weliswaar beschadigd is, maar niet onveilig, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze opvatting niet onderbouwd door concrete verifieerbare gegevens, zoals bijvoorbeeld een bouwkundig rapport van een deskundige. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser te volgen in zijn stelling. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting aangegeven heeft dat uit een in opdracht van de NAM uitgevoerd onderzoek door ingenieursbureau Arcadis naar voren komt dat een volledig herstel van de woning, waarbij kan worden voldaan aan de geldende normen, circa € 243.000,-- zal kosten. Ook dit impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van serieuze gebreken in de constructie van de woning. Uit het voorgaande volgt dat er sprake was van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder bevoegd was tot handhavend optreden. De niet nader onderbouwde stelling dat er, gelet op het feit dat ten tijde van de inspectie van de woning door de gemeentelijke toezichthouders ook personen van de NAM aanwezig waren, sprake is van een onzorgvuldig onderzoek, leidt de rechtbank in dit geval niet tot de conclusie dat verweerder de rapportage van 16 december 2014 niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Deze grond van eiser slaagt niet.

6.1.

Eiser betoogt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke wettelijke grondslag berust. Naar de mening van eiser zijn de lasten onder dwangsom gebaseerd op artikel 1a en 1b van de Woningwet. Hieruit vloeit volgens eiser niet de bevoegdheid voort tot het opdragen om de woning te ontruimen. De betreffende artikelen hebben tot doel de bouw van goede woningen te bevorderen en bewoning van slechte woningen onmogelijk te maken. Volgens eiser ziet het primaire besluit van 22 januari 2015 echter niet op het herstel van de onroerende zaak, maar enkel op ‘ontruiming door de persoon Zwarberg en zijn echtgenote’ en ‘het plaatsen van een hekwerk’. Ter zitting heeft eiser nader uiteengezet dat het in dit geval gaat om een gedwongen ontruiming van een woning, hetgeen een aantasting is van een grondrecht, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europese Verdrag voor Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar de mening van eiser is er van een zorgvuldige afweging van belangen, als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb, bij verweerder geen sprake geweest, nu niet alle rechtstreeks betrokken belangen zijn afgewogen, terwijl de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Bouwbesluit de normen geeft in het kader van bestaande bouw en dat artikel 1b van de Woningwet ziet op veiligheid. Verder wijst verweerder erop dat artikel 5.17 van de Wabo de mogelijkheid geeft om het gebruik van het bouwwerk direct te laten staken. Naar de mening van verweerder voldoet de onderhavige situatie aan het gestelde in de Memorie van Toelichting (MvT) van artikel 5.17 van de Wabo.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit mede gebaseerd is op artikel 1a en 1b van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 5.17 van de Wabo. Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 5.17 van de Wabo de mogelijkheid om mogelijke calamiteiten te voorkomen dan wel te beheersen, waaronder het direct staken van het gebruik van een bouwwerk, waarbij dus ook geen begunstigingstermijn hoeft te worden opgelegd uit veiligheidsoverwegingen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat uit de MvT (Kamerstukken II, 2006/07, 30 844, blz. 139-140) dient te worden afgeleid dat het voorschrift van artikel 5.17 van de Wabo ertoe strekt om gemeenten bij overtreding van voorschriften ruimere mogelijkheden te geven voor een optreden gericht op het tegengaan van gevaar voor de veiligheid of de gezondheid. Een dergelijk optreden strekt er niet toe dat de overtreding ongedaan wordt gemaakt, maar is slechts bedoeld om eventuele schadelijke gevolgen van de regelovertreding te keren. Met dit artikel wordt een wettelijke basis voor dergelijke beheersmaatregelen geboden.

Zoals reeds eerder in rechtsoverweging 4.5. overwogen is, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de woning van eiser niet (langer) meer voldoet aan de normen van het Bouwbesluit en dat er om die reden sprake is van een overtreding van artikel 1a en 1b van de Woningwet. Van een ondeugdelijke grondslag van het bestreden besluit als gesteld door eiser is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In zoverre kan de grond van eiser niet slagen.

6.4.1.

Niet in geschil is dat het handhavend optreden door verweerder op grond van de Woningwet in dit geval een inmenging in het door artikel 8, eerste lid, van het EVRM beschermde recht oplevert. Een inmenging in het recht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM moet in overeenstemming zijn met de wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van één van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM neergelegde doelen.

6.4.2.

Het betoog van eiser dat de met het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom als een onevenredige inbreuk op de door het EVRM beschermde rechten moet worden beschouwd, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat, voor zover de in het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom neergelegde beperking van het gebruik van de woning van eiser als een inmenging in de rechten, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM dient te worden beschouwd, deze zijn grondslag vindt in artikel 1a en 1b van de Woningwet en artikel 5.17 van de Wabo. Hieruit volgt dat er sprake is van een gebod dat bij wet voorzien is en kan het worden aangemerkt als noodzakelijk in het belang van de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS, 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1531). Niet is gebleken van feiten en omstandig- heden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat geen billijke afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen van eiser enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat verweerder met zijn handhavingsmaatregel heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM. Evenmin kan gezegd worden dat de door verweerder verrichte belangenafweging, naar gesteld, in strijd komt met artikel 3:4 van de Awb. Ook in zoverre slaagt deze grond van eiser niet.

7.1.

Eiser betoogt verder dat het besluit geen betrekking kan hebben op “het bewonen of verblijven door eiser”, aangezien eiser ten tijde van de aanschrijving al niet meer in de woning verbleef.

7.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de overtreding die aanleiding was voor de oplegging van de lastgeving nog steeds bestaat in de bouwkundige staat van de woning. Naar de mening van verweerder is de woning van eiser niet in overeenstemming met de eisen die op grond van artikel 1a en 1b van de Woningwet, het Bouwbesluit en NEN 8700 worden gesteld. Op grond van de bevindingen van de toezichthouder en de adviseur constructieve veiligheid stond het volgens verweerder buiten twijfel dat de woning van eiser niet langer voldeed aan voormelde normen. Ook de rapportages van ARUP, die door verweerder zijn overgelegd, bevestigen die conclusie.

7.3.1.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011: BP7132, volgt dat een bestuursorgaan in de last nauwkeurig dient te omschrijven welke herstelmaatregelen of werkzaamheden door de aan te schrijven overtreder moeten worden verricht teneinde te voorkomen dat een betalingsverplichting ontstaat. De omschrijving dient zo nauwkeurig te zijn , zodat degenen tot wie de last is gericht niet in het duister hoeven te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen. Indien niet duidelijk uit de last kan worden afgeleid wanneer daaraan is voldaan, is de last in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

7.3.2.

De rechtbank stelt vast dat de in het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom deels betrekking heeft op het verlaten van de woning op voormeld perceel door eiser en zijn echtgenote. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat eiser en zijn echtgenote naar aanleiding van het mondelinge verzoek op 19 december 2014 door gemeentelijk medewerker R. Bosscher de woning op voormeld perceel hebben verlaten. Vast is komen te staan dat eiser en zijn echtgenote na het verlaten van hun woning, op kosten van de NAM, in een pension verblijven. Verder is naar aanleiding van het verhandelde ter zitting afdoende komen vast te staan dat eiser en zijn echtgenote niet meer in de woning op voormeld perceel hebben verbleven. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en het primaire besluit van 22 januari 2015 in zoverre geen sprake (meer) is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en dat eiser en zijn echtgenote in zoverre niet konden voldoen aan de door verweerder opgelegde, en nadien bij het bestreden besluit gehandhaafde, last onder dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank komt het bestreden besluit, voor zover daarbij de last onder dwangsom is gehandhaafd inhoudende dat eiser en zijn echtgenote de woning moeten verlaten, in zoverre voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Om die reden is het beroep van eiser gegrond. Nu voormeld gebrek in zoverre ook kleeft aan het primaire besluit van 22 januari 2015, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het besluit van 22 januari 2015 in zoverre herroepen.

8. Aangezien het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eiser te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten kunnen deze kosten worden begroot op € 992,-- in verband met verleende, professionele rechtshulp. Verder bestaat er aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,-- aan hem dient te vergoeden.

Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de rechtbank het primaire besluit deels herroept wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid bestaat er aanleiding verweerder op grond van artikel 7:15, gelezen in verbinding met artikel 8:75, van de Awb te veroordelen in de kosten van eiser in bezwaar. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 980,--, in verband met verleende, professionele rechtshulp.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de last onder dwangsom, inhoudende dat eiser en zijn echtgenote de woning aan de Schepperbuurt 14 te Termunterzijl moeten verlaten, is gehandhaafd;

- herroept het primaire besluit van 22 januari 2015 van verweerder in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.972,-- en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede het door eiser betaalde griffierecht ad

€ 167,-- aan hem dient te vergoeden.

Deze uitspaak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, mr. R.L. Vucsán en mr. E.M. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.

De griffier De voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: