Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3246

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
4680731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

gewoon en buitengewoon onderhoud aan sloten, gewoon onderhoud komt voor rekening van pachter, buitengewoon onderhoud komt voor rekening van verpachter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4680731 \ CV EXPL 15-13579

vonnis van de pachtkamer d.d. 14 juni 2016

inzake

[A],

wonende te [woonplaats] ,

en

[B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gemachtigde: mr. P. Stehouwer,

tegen

het kerkgenootschap

DE KERKELIJKE RECHTSPERSOON, DE NEDERLANDSE HERVORMDE GEMEENTE TE BAARD, VERTEGENWOORDIGD DOOR HET COLLEGE VAN KERKRENTMEESTERS,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en

[C],

wonende te [woonplaats] ,

en

[D],

wonende te [woonplaats] ,

en

[E],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. E. Oostra.

Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie, zullen hierna gezamenlijk [A en B] en afzonderlijk [A] en [B] genoemd worden. Gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, zullen hierna gezamenlijk de NHG Baard worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 maart 2016, waarin de pachtkamer een comparitie van partijen heeft bevolen;

- de akte in conventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van de op 11 mei 2016 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A en B] exploiteert een melkveehouderijbedrijf.

2.2.

Sedert 5 maart 1974 pacht [A] ten behoeve van dit bedrijf landbouwgronden van NHG Baard, met een totale grootte van 20.10.00 hectare.

2.3.

Het gepachte landbouwareaal is gelegen in de [locatie] . De pachtovereenkomst is in het kader van voornoemde ruilverkaveling geregistreerd op 24 april 1996.

2.4.

In de pachtovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

"Art. 6 Onderhoud en gebruik

De pachter is verplicht de gepachte landerijen te gebruiken en te bemesten naar de eisen van een goede bedrijfsvoering. Hij is in het bijzonder verplicht de weilanden behoorlijk te greppelen, de sloten voldoende schoon te houden en de distels en russen tijdig te verwijderen. (…)

De pachter is voorts verplicht de tot het gepachte behorende gebouwen voor zijn rekening glas-, deur- en vensterdicht te houden. De kosten van het overige onderhoud aan de gebouwen worden door ieder der partijen voor de helft gedragen.

Belangrijke herstellingen en nieuwbouw komen voor rekening van de verpachter.

De op en in het gepachte zich bevindende molens, bruggen, zetten, tillen, barten, hekken, dammen, pompen, duikers, schuttingen, stekken en wat dies meer zij, moeten gedurende de pachttijd door en op kosten van de pachter in voldoende staat worden onderhouden."

2.5.

Ingevolge de pachtwijzigingsovereenkomst van 10 augustus 1996 bedraagt het pachtareaal 18.64.77 hectare. In deze overeenkomst is tevens bepaald dat [B] met ingang van 1 november 1996 als medepachter zal worden aangemerkt.

2.6.

Als gevolg van het plan van toedeling heeft er een wijziging plaatsgevonden in het pachtareaal. De akte van toedeling is op 8 november 2012 gepasseerd. [A en B] pacht thans 22.26.65 hectare van NHG Baard.

2.7.

Bij brief van 10 juli 2014 heeft het Wetterskip Fryslân (hierna te noemen: het Wetterskip) aan NHG Baard het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Wetterskip Fryslân heeft in oktober 2013 bekend gemaakt op 1 november 2013 te starten met de schouw. (…)

Schouw

Iedere eigenaar van een perceel dat grenst aan een schouwwater, moet voor die datum aan zijn onderhoudsplicht conform artikel 9 van de Keur hebben voldaan. Dit artikel bepaalt dat onderhoudsplichtigen de schouwwateren in een goede staat moeten hebben gebracht. Reden van deze onderhoudsplicht is een goede doorvoer van water te garanderen. Jaarlijks in november wordt hierop gecontroleerd door medewerkers van het waterschap. (…)

Diepteschouw

Een structurele controle op diepte is nieuw. Dit heet diepteschouw. Uit het verleden is namelijk gebleken dat er zonder diepteschouw te weinig wordt gebaggerd. Als waterschap vinden wij het baggeren erg belangrijk. Wij streven naar gezond water en een gezond watersysteem. (…). Daarom heeft het waterschap in 2008 de diepteschouw ook opgenomen in het schouwbeleid. Dit jaar wordt in een aantal delen van ons beheergebied (zgn. clusters) dan ook voor het eerst diepteschouw uitgevoerd. Dit zijn de clusters waarin het waterschap zelf volgend jaar ook de hoofdwateren gaat baggeren. Op deze wijze is het watersysteem volgend jaar weer helemaal op orde, wanneer in dit jaar eerst de schouwwateren op diepte zijn en in het volgende jaar de hoofdwateren. In de jaren daarna is controle op diepte in deze clusters niet meer nodig, tot het moment dat er weer meer bagger is aangegroeid (kleine 10 jaar).

Bij de onlangs uitgevoerde diepteschouw van de wateren is gebleken dat u niet of niet voldoende heeft voldaan aan uw verplichting tot onderhoud van de schouwsloot die grenst aan uw perceel. Het kaartje geeft aan waar de nalatigheid is geconstateerd.

Wij stellen u in de gelegenheid om vóór 1 oktober 2015 alsnog aan uw verplichting te voldoen om de watergang te baggeren tot een minimale waterdiepte van 50 cm beneden zomerpeil. Na deze datum zullen wij controleren of u het baggerwerk hebt uitgevoerd."

2.8.

In de "Keur Wetterskip Fryslân 2013" (hierna te noemen: de Keur) is het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"Hoofdstuk 2 Beheer en onderhoud van waterstaatswerken

§ 1 Onderhoud aan waterstaatswerken

Artikel 2.1 Onderhoudsplicht

1. Onderhoudsplichtig zijn diegenen die in de legger of in artikel 2.12 tot het verrichten van gewoon of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken zijn aangewezen.

2. Onderhoudsplichtigen van waterstaatswerken zijn verplicht tot instandhouding van het waterstaatswerk overeenkomstig zijn functie.

(…)

§ 3 Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.5 Gewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktelichamen zijn verplicht tot het daaruit verwijderen van begroeiingen en afval, tot het herstellen van beschadigingen aan oevers en tot het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies ervan.

Artikel 2.6 Buitengewoon onderhoud

De onderhoudsplichtigen van oppervlaktelichamen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie."

2.9.

In de "Algemene toelichting op de legger van Wetterskip Fryslân" (hierna te noemen: de toelichting) is het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"4. Wateren

4.1

Algemeen

Het waterschap heeft om uitvoering te kunnen geven aan de in het reglement opgedragen taak met betrekking tot de waterhuishouding de zorg voor de wateren die dienen tot afvoer, aanvoer en berging van water.

De wateren kunnen als volgt worden onderscheiden:

 hoofdwateren

 schouwwateren

 overige wateren

(…)

In zijn algemeenheid kan het begrip water als volgt worden omschreven: oppervlaktewateren met inbegrip van de waterbodems en de taluds en de daarin, daaronder of daarboven aangebrachte werken die een functie hebben of mede een functie hebben voor de af- en/of aanvoer en berging van het op de bodem vrij aanwezige water.

De eigendom van een water is niet bepalend voor de onderhoudsplicht. De onderhoudsplicht van hoofdwateren berust bij het waterschap en de onderhoudsplicht voor schouwwateren berust bij de eigenaar van het aan het water grenzende perceel. Voor de overige wateren geldt dat er geen onderhoudsplicht op rust maar dat zij wel vallen onder de verbodsbepalingen van de keur.

4.2

Hoofdwateren

(…)

4.2.2

Onderhoud

De onderhoudsplicht aan hoofdwateren bestaat uit:

 Het verwijderen van voorwerpen, materialen en stoffen, die de af- en/of aanvoer en/of de berging van water hinderen.

 Het schonen door het maaien en het verwijderen van begroeiingen, anders dan die dienen tot verdediging van de taluds.

 Het behoorlijk in stand houden van de oevers en taluds, alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, voorzover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd.

4.2.3

Buitengewoon onderhoud

Het buitengewoon onderhoud aan wateren bestaat uit het volgende:

De onderhoudsplichtigen zijn verplicht om deze in stand te houden overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm, afmeting en constructie van die wateren.

(…)

4.3

Schouwwateren

4.3.1

Algemeen

Schouwwateren zijn de wateren die onder de schouwplicht vallen. De onderhoudsplicht berust in zijn algemeenheid bij de eigenaren van de percelen aan weerszijden van het water. De eigenaren zijn ieder voor de halve breedte onderhoudsplichtig van de schouwsloot. Dit geldt ook voor het onderhoud van de eventueel in de schouwsloot gelegen dammen met duikers.

4.3.2

Onderhoud en buitengewoon onderhoud

Zie bij hoofdwateren

4.3.3

Afmetingen

De schouwsloten hebben in het algemeen de volgende afmetingen:

Bemalen gebieden:

 minimale bodembreedte 0,50 m

 taluds minimaal 1:1

 bodemhoogte minimaal 0,50 m beneden het aldaar te handhaven

zomerwaterpeil

Overige gebieden:

 bodembreedte 0,50 m

 taluds minimaal 1:1

 bodemhoogte minimaal 0,75 m beneden het gemiddelde van de

maaiveldhoogten direct aan weerszijden van de

schouwsloot.

(…)

5. Begrippenlijst

(…)

Schouwwateren de wateren in onderhoud bij de eigenaren van de aan die wateren grenzende percelen, zoals in de legger aangegeven. Voor deze wateren geldt de schouwplicht."

2.10.

[A en B] heeft een vergelijkbare brief als hiervoor genoemd onder 2.7. van het Wetterskip ontvangen.

2.11.

Op of omstreeks juli 2014 heeft NHG Baard de brief van 10 juli 2014 van het Wetterskip aan [A en B] gegeven.

2.12.

[A en B] heeft in januari 2015 zijn eigen schouwsloten en de schouwsloten van NHG Baard uitgediept tot een minimale waterdiepte van 50 centimeter beneden zomerpeil.

2.13.

Bij e-mailbericht van 5 mei 2015 heeft [A en B] NHG Baard geïnformeerd over het uitdiepen van de schouwsloten. [A en B] heeft in zijn bericht het volgende

- voor zover van belang - geschreven:

"De totale kosten voor het uitdiepen van de sloten aan de westzijde van de [straatnaam] zijn € 697,50 excl. BTW. Dit betekent derhalve dat het deel van de kerk (€ 697,50/1599 mtr) x 899 mtr = € 392,15 excl. BTW bedraagt en € 415,68 incl. B.T.W.

De € 415,68 zal in mindering worden gebracht op de eerste pachtbetaling.

Tevens is er door het loonbedrijf [F] een offerte opgesteld om de baggerspecie op de percelen 609 en 616 te verwijderen en de pachtgronden opnieuw in te zaaien. Deze werkzaamheden zijn nog niet uitgevoerd maar zullen in het loop der jaar ter hand worden genomen. De werkzaamheden zullen op de twee pachtbetaling in mindering worden gebracht. De offerte is bijgevoegd."

2.14.

In de offerte van 29 april 2015, waaraan [A en B] heeft gerefereerd in vorengenoemd bericht, heeft [F] aangegeven dat met het opruimen van de "slotmodder percelen 614 en 616" een bedrag van € 1.782,13 (inclusief BTW) gemoeid zal zijn.

2.15.

[A en B] heeft op de pacht ten bedrage van € 7.359,00 een bedrag van

€ 415,68 in mindering gebracht en een bedrag van € 6.943,40 aan NHG Baard betaald.

2.16.

Bij brief van 21 mei 2015 is namens NHG Baard gereageerd op de brief van 5 mei 2015 van [A en B] Voor zover van belang is in de brief het volgende geschreven:

"De kerk is ernstig verontwaardigd over uw handelwijze. U heeft geen enkel recht om eenzijdig kosten van een pachtnota te verrekenen, zonder daar vooroverleg omtrent te plegen. Het niet voldoen van de volledige pachtnota is een ernstige wanprestatie, die kan leiden tot een ontbinding van de pachtovereenkomst.

Voor zover nodig stel ik u thans reeds in gebreke en sommeer ik u om de volledige pachtnota voor

27 mei 2015 te voldoen. (…)

U wenst schijnbaar een standpunt te maken ten aanzien van de kosten van de diepteschouw. Dit standpunt is voor de kerk onbegrijpelijk daar de pachtovereenkomst duidelijk is voor wiens kosten het slootonderhoud komen."

2.17.

Op 22 mei 2015 heeft [A en B] een bedrag van € 415,68 aan NHG Baard overgemaakt.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[A en B] heeft in conventie gevorderd dat de pachtkamer bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat de kosten samenhangend met het uitdiepen van schouwwateren behorend tot het pachtareaal tot een minimale waterdiepte van 50 centimeter beneden zomerpeil voor rekening en risico van NHG Baard komen;

  2. voor recht verklaart dat de kosten samenhangend met het verwijderen van de bagger en het opnieuw inzaaien als onmiddellijk gevolg van het uitdiepen van de schouwwateren op het gepachte voor rekening en risico van NHG Baard komen;

  3. NHG Baard veroordeelt om aan [A en B] te betalen een bedrag van € 415,68 wegens het uitdiepen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 10 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. NHG Baard veroordeelt om aan [A en B] te betalen een bedrag van € 1.782,13, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. NHG Baard veroordeelt om aan [A en B] te betalen een bedrag van € 329,67 wegens kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte;

  6. NHG Baard veroordeelt in de kosten van de procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde;

  7. NHG Baard veroordeelt in de nakosten van dit geding ten bedrage van € 131,00, indien het vonnis niet behoeft te worden betekend, dan wel € 199,00, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt.

3.2.

NHG Baard heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen in conventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

NHG Baard heeft in reconventie gevorderd dat de pachtkamer - in het geval zij in conventie de vordering geheel of gedeeltelijk toewijst en/of afwijst - primair medepachter [B] als medepachter ontslaat en subsidiair de pachtovereenkomst in haar geheel ontbindt, met veroordeling van [A en B] in de kosten van dit geding in reconventie.

4.2.

[A en B] heeft verweer gevoerd.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen in reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De standpunten van partijen in conventie en de beoordeling daarvan

5.1.

[A en B] heeft - samengevat - gesteld dat de onderhoudsplicht die thans door het Wetterskip is opgelegd - namelijk het uitdiepen van de schouwsloten - een wettelijke verplichting is, die in het algemeen belang is. De verplichting tot gebruik als goed pachter strekt zich, aldus [A en B] , uit tot handelingen als onkruidbestrijding, het schonen van sloten, het onderhouden van afrasteringen en het verantwoord bemesten en hanteren van gewasbeschermingsmiddelen. Volgens [A en B] vloeit uit de pachtovereenkomst voort dat zijn onderhoudsplicht enkel betrekking heeft op gewoon onderhoud van schouwwateren en vloeit daaruit niet voort dat hij verplicht is tot het uitdiepen dan wel baggeren van schouwwateren op het pachtareaal. Het laatste betreft, aldus [A en B] , niet jaarlijks terugkerend onderhoud, zoals het schonen van sloten dat wel is. Verder heeft [A en B]

- in reactie op het verweer van NHG Baard - aangevoerd dat belangrijke herstellingen dan wel groot of buitengewoon onderhoud, waaronder het uitdiepen dan wel baggeren van schouwwateren op het gepachte, op grond van de pachtovereenkomst tussen partijen, de wet en jurisprudentie voor rekening en risico van NHG Baard komen. Uit de houding van NHG Baard heeft [A en B] afgeleid dat zij wilde dat [A en B] de door het Wetterskip opgelegde verplichting zou uitvoeren. Daaruit volgt, aldus [A en B] , dat de kosten samenhangend met de diepteschouw voor rekening van NHG Baard dienen te komen. [A en B] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van zaakwaarneming. Tot slot heeft [A en B] in reactie op het verweer van NHG Baard betwist dat sprake is van gewoonterecht, omdat niet aan de vereisten daarvoor is voldaan, dat sprake is van een gewoonte, en dat alle sloten zijn eigendom waren ten tijde van de inbreng in de [locatie] .

5.2.

NHG Baard heeft ten verwere - samengevat - aangevoerd dat het uitvoeren van de diepteschouw een onderdeel van de onderhoudsplicht van de pachter is, die voortvloeit uit de pachtovereenkomst en de wet en als zodanig niet kan worden aangemerkt als een gebrek in de zin van artikel 7:337 BW. Volgens NHG Baard vloeit uit de wet en de pachtovereenkomst voort dat een pachter het gepachte goed dient te onderhouden en valt het schonen van sloten hier ook onder. Het uitdiepen van de sloot behoort, aldus NHG Baard, tot het voldoende schoonhouden van de sloten en derhalve onder het algemeen onderhoud dat voor rekening van een pachter komt. Volgens NHG Baard volgt uit het standpunt van het Wetterskip in haar brief van 10 juli 2014 - namelijk dat niet of niet voldoende is voldaan aan de verplichting tot onderhoud van de schouwsloot - dat er de afgelopen jaren niet voldoende onderhoud heeft plaatsgevonden en dat dit als nalatigheid van [A en B] is te bestempelen, zodat de kosten voor het uitdiepen van de sloot en de kosten die daarvan het gevolg zijn, waaronder het afvoeren van de bagger, voor rekening van [A en B] dienen te komen. Voorts heeft NHG Baard aangevoerd dat het uitdiepen dan wel het op schouwdiepte brengen van een sloot op grond van gewoonterecht als een verplichting van de pachter dient te worden gezien. NHG Baard heeft verder betwist dat geen sprake is van zaakwaarneming, omdat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door de pachtovereenkomst. Tot slot heeft NHG Baard aangevoerd dat voor zover er sprake zou zijn van een gebrek, het gebrek aan [A en B] is te wijten, omdat hij voor de toedeling in het kader van de [locatie] de sloten, die grensden aan zijn eigendomsinbreng in deze ruilverkaveling, op schouwdiepte had dienen te brengen.

5.3.

De pachtkamer overweegt als volgt. In artikel 6 van de pachtovereenkomst is onder meer bepaald dat de pachter in het bijzonder verplicht is de sloten voldoende schoon te houden. De pachtkamer ziet ter beantwoording van de vraag wat daaronder dient te worden verstaan aanleiding om aansluiting te zoeken bij de uitleg die het Wetterskip in het kader van de diepteschouw in de Keur en de toelichting heeft gegeven bij de begrippen gewoon onderhoud en buitengewoon onderhoud. Het buitengewoon onderhoud heeft betrekking op het in stand houden van de richting, vorm, afmeting en constructie van een water (hierna te noemen: het profiel van een water), terwijl het gewoon onderhoud betrekking heeft op het verwijderen van begroeiingen en afval, het herstellen van beschadigingen aan oevers en het onderhouden van begroeiingen, die dienstig zijn aan de waterhuishoudkundige functies ervan.

5.4.

In het onderhavige geval is sprake van het aanbrengen of herstellen van het profiel van schouwwateren overeenkomstig de voorschriften van het keur van het Wetterskip, hetgeen, gelet op het voorgaande, als buitengewoon onderhoud dient te worden aangemerkt. In lijn met hetgeen voorts in artikel 6 van de pachtovereenkomst is bepaald omtrent belangrijke herstellingen aan de tot het gepachte behorende gebouwen, is de pachtkamer van oordeel dat het aanbrengen of herstellen van het profiel van een sloot - mede gezien het buitengewone karakter van het onderhoud - als een belangrijke herstelling dient te worden aangemerkt, die voor rekening van de verpachter, zijnde NHG Baard, komt. Het enkel schoonhouden van de sloten behoort naar het oordeel van de pachtkamer tot het gewone onderhoud, zoals hiervoor nader omschreven, hetgeen voor rekening van de pachter, zijnde [A en B] , komt.

5.5.

Gelet op het voorgaande, zal de pachtkamer de gevorderde verklaringen voor recht, als nader omschreven in overweging 3.1, onder 1 en 2, toewijzen.

5.6.

De pachtkamer ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval echter aanleiding om NHG Baard niet te veroordelen in de naar aanleiding van de recente diepteschouw gemaakte kosten van het uitdiepen van de schouwsloten en de daarmee samenhangende kosten vanwege het verwijderen van de bagger en het opnieuw inzaaien. De pachtkamer overweegt daartoe dat het op de weg van [A en B] lag om na ontvangst van de aan NHG Baard gerichte brief van het Wetterskip in overleg te treden met NHG Baard over de uit te voeren werkzaamheden, de daarmee samenhangende kosten en voor wiens rekening en risico deze kosten zouden komen. [A en B] heeft op eigen initiatief - en zonder overleg met NHG Baard - de betreffende werkzaamheden laten uitvoeren en NHG Baard maanden later voor een voldongen feit geplaatst en bedoelde kosten bij haar in rekening gebracht. Uit de omstandigheid dat NHG Baard zonder begeleidend schrijven de betreffende brief aan [A en B] heeft doorgestuurd, had [A en B] naar het oordeel van de pachtkamer niet mogen afleiden dat NHG Baard wilde dat hij de schouwsloten zou uitdiepen. Gezien deze handelwijze van [A en B] acht de pachtkamer het aangewezen om bedoelde kosten voor rekening van [A en B] te laten. Gelet hierop zal de pachtkamer de vorderingen van [A en B] , zoals opgenomen in overweging 3.1, onder 3 en 4, afwijzen.

5.7.

Gezien het voorgaande wordt aan de overige stellingen en verweren van partijen in conventie niet toegekomen.

5.8.

De gevorderde vergoeding ten bedrage van € 329,67, zijnde kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, zal de pachtkamer als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

5.9.

In de omstandigheid dat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, ziet de pachtkamer aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De standpunten van partijen in reconventie en de beoordeling daarvan

6.1.

NHG Baard heeft in reconventie - samengevat - aangevoerd dat [B] als medepachter dient te worden ontslagen wegens het niet uitoefenen van de landbouw in eigen persoon en niet over voldoende theorie en ervaring beschikt om als een goed pachter aan te blijven. Voorts heeft NHG Baard gevorderd de pachtovereenkomst met [A en B] te ontbinden en daartoe aangevoerd dat [A en B] haar regelmatig met onheuse aantijgingen, brieven en procesvorderingen heeft benaderd, waardoor de verhouding tussen partijen is verstoord.

6.2.

[A en B] heeft ten verwere in reconventie - samengevat - aangevoerd dat NHG Baard niet aan haar substantiëringsplicht en de bewijsaandraagplicht heeft voldaan en dat dit niet-ontvankelijkverklaring van NHG Baard dient te leiden. Verder heeft [A en B] aangevoerd dat [B] in eigen persoon de landbouw uitoefent, dat de feitelijke exploitatie van het gepachte door beide medepachters gezamenlijk wordt uitgeoefend, dat [B] over voldoende theorie en ervaring beschikt om als een goed pachter aan te blijven en dat van wanprestaties, onheuse bejegeningen en forse verstoringen van de verhouding tussen partijen niet is gebleken.

6.3.

De pachtkamer stelt bij haar beoordeling voorop dat het op grond van artikel 150 Rv. op de weg van NHG Baard ligt om gemotiveerd te stellen en - bij voldoende gemotiveerde betwisting - te bewijzen dat [B] niet voldoet aan de eisen om als een goed pachter aan te blijven en dat [A en B] haar onheus heeft bejegend, waardoor de verhouding tussen partijen is verstoord. Naar het oordeel van de pachtkamer heeft NHG Baard zowel ten aanzien van haar primaire als haar subsidiaire vordering nagelaten - na het gemotiveerde verweer van [A en B] - haar stellingen nader te onderbouwen door bijvoorbeeld het overleggen van schriftelijke stukken. Omdat NHG Baard heeft nagelaten ter zake aan haar stelplicht te voldoen, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De pachtkamer zal de vorderingen van NHG Baard in reconventie gezien het voorgaande als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

6.4.

NHG Baard zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De pachtkamer merkt ten aanzien van het salaris gemachtigde op dat zij in het feit dat de comparitie gelijktijdig heeft plaatsgevonden, aanleiding ziet om voor de comparitie 0,5 punt te rekenen. De proceskosten in reconventie aan de zijde van [A en B] worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 (1,5 punt x tarief € 400,00).

7 Beslissing

De pachtkamer:

in conventie

7.1.

verklaart voor recht dat de kosten samenhangend met het uitdiepen van schouwwateren behorend tot het pachtareaal tot een minimale waterdiepte van 50 centimeter beneden zomerpeil voor rekening en risico van NHG Baard komen;

7.2.

verklaart voor recht dat de kosten samenhangend met het verwijderen van de bagger en het opnieuw inzaaien als onmiddellijk gevolg van het uitdiepen van de schouwwateren op het gepachte voor rekening en risico van NHG Baard komen;

7.3.

compenseert de proceskosten in conventie zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt;

7.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5.

wijst af het meer of anders in conventie gevorderde;

in reconventie

7.6.

wijst de vorderingen van NHG Baard in reconventie af;

7.7.

veroordeelt NHG Baard in de kosten van de procedure in reconventie, tot op heden aan de zijde van [A en B] vastgesteld op een bedrag van € 600,00.

Aldus gewezen door de pachtkamer, bestaande uit mr. A. van der Meer, kantonrechter-voorzitter, L. Tamminga en L. Baas, leden, en door de kantonrechter-voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier

mr. S. Ambachtsheer.

c 312.