Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3183

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
18-830341-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 16 juni 2016 een man veroordeeld voor het plegen van buiten echt ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam met een veertien jarige meisje. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 180 uren opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830341-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.F. Severs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2015 te [pleegplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf

jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten:

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of

- het binnendringen met verdachtes tong in de mond van die [slachtoffer] en/of

- het binnendringen van [slachtoffer] 's tong in verdachtes mond en/of

- het binnendringen met verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- het laten betasten en/of het aftrekken van verdachtes penis door die [slachtoffer]

[slachtoffer] ;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 februari 2015 te [pleegplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of

- het binnendringen met verdachtes tong in de mond van die [slachtoffer] en/of

- het binnendringen van [slachtoffer] 's tong in verdachtes mond en/of

- het laten betasten en/of het aftrekken van verdachtes penis door die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe verwezen naar de verklaring van [slachtoffer] en naar de bekennende verklaringen van verdachte ten overstaan van de politie en ter zitting afgelegd ter zake de ontuchtige handelingen die op 9 februari 2015 tussen hem en [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Deze ontuchtige handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Voor het in de mond van [slachtoffer] brengen van de penis van verdachte is dit duidelijk, maar ook door het tongzoenen met [slachtoffer] is in deze context sprake van het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 3 maart 2015, opgenomen op de pagina's 35, 37, 38, 44 en 45 van het dossier met nummer PL0100-2015041048 d.d. 12 november 2015, inhoudende de verklaring van de getuige [slachtoffer] .

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat het geven van een tongzoen niet kan worden gekwalificeerd als het seksueel binnendringen van het lichaam, maar in het onderhavig geval wel een ontuchtige handeling oplevert.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 februari 2015 in de [pleegplaats] , met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten:

- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] en

- het binnendringen met verdachtes tong in de mond van die [slachtoffer] en

- het binnendringen van [slachtoffer] 's tong in verdachtes mond en

- het binnendringen met verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer] en

- het laten betasten en het aftrekken van verdachtes penis door die [slachtoffer] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één dag met aftrek van het voorarrest, waarbij in aanmerking is genomen dat het bepaalde in artikel 22b Wetboek van Strafrecht noopt tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij Reclassering Nederland en de verplichting zich ambulant te laten behandelen door de Geestelijke Gezondheidszorg Friesland (hierna: GGZ Friesland), Polikliniek Forensische Psychiatrie, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering;

- een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit dat indien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd deze qua duur moet aansluiten bij het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Ten aanzien van de keuze voor een voorwaardelijke straf, al dan niet in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte ziet geen noodzaak tot reclasseringscontact of een ambulante behandeling, maar indien deze als bijzondere voorwaarden worden opgelegd zal hij zich hieraan conformeren. Voorts is verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat er geen sprake is geweest van dwang, dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] zestien jaar oud was en dat de inhoud van het dossier de indruk geeft dat [slachtoffer] reeds seksueel actief was.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 13 mei 2016, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van veertien jaren oud, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte was op dat moment achtentwintig jaren oud en er was dus een aanmerkelijk leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte is via een chatsite in contact gekomen met het slachtoffer. Ze hebben vervolgens een tot twee weken telefonisch contact onderhouden. Deze contacten hadden een seksuele strekking en gingen over de mogelijkheden om met elkaar af te spreken. Uiteindelijk is het tot een ontmoeting gekomen, waarbij het slachtoffer bij verdachte in de auto is gestapt en ze naar een afgelegen weiland zijn gereden, waar vergaande seksuele handelingen zoals tongzoenen, pijpen en aftrekken, hebben plaatsgevonden.

De strafwet beschermt jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren tegen het ondergaan van seksuele handelingen waarbij de leeftijd van de jeugdige, gezien het belang van bescherming, is geobjectiveerd. Door zijn handelwijze heeft verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer geschonden, hetgeen in het algemeen als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van mogelijk langere duur met zich kan brengen, onder meer in de vorm van een verstoring van de psychoseksuele ontwikkeling en het vertrouwen in anderen. Dit is niet anders wanneer niet tegen de wil van de jeugdige is gehandeld, zoals verdachte stelt. De wetgever heeft er juist voor gekozen dit soort feiten strafbaar te stellen omdat jeugdigen de impact van het handelen nog niet kunnen overzien. Het was verdachte die zich als volwassene had moeten en kunnen realiseren

- hetgeen hij zich in een eerdere fase van het contact met [slachtoffer] wel gedaan heeft - dat dergelijk handelen volstrekt niet geoorloofd was. Dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer zestien jaren oud was doet hier niet aan af. Hij heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.

Op voornoemd misdrijf staat naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer en gelet op de aard en de ernst van de seksuele handelingen is de rechtbank -met de officier van justitie- van oordeel dat het misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht is derhalve van toepassing, hetgeen betekent dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf, maar dat naast de taakstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij meer dan tien jaar geleden is veroordeeld voor zeden gerelateerde delicten. Echter omdat deze veroordelingen buiten een periode van vijf jaar voorafgaande aan het bewezenverklaarde feit zijn gepleegd en verdachte toen nog minderjarig was zal de rechtbank hiermee bij het bepalen van de strafmaat geen rekening houden.

Door de reclassering is geconcludeerd dat verdachte de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer legt en dat hij onvoldoende inzicht toont in het kwalijke van het delict. Hij lijkt zich niet in te kunnen leven in de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer. Doordat verdachte geen volledige opening van zaken wenst te geven omtrent de eerdere veroordelingen is het voor de reclassering lastig om een juiste inschatting te maken van de drijfveren van verdachte en de kans op recidive. De reclassering acht de houding van verdachte zorgelijk en acht nader onderzoek naar de persoon van verdachte en een passende behandeling wenselijk.

Zij adviseert daarom een straf met een voorwaardelijk deel op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting bij de GGZ Friesland, Polikliniek Forensische Psychiatrie. Tevens acht de reclassering mogelijk een behandeling bij Verslavingszorg Noord Nederland (hierna VNN) gewenst.

De officier van justitie heeft zijn eis op dit advies gebaseerd. De rechtbank kan zich eveneens verenigen met de conclusie en het advies van de reclassering en zal de eis van de officier van justitie volgen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstaf van 91 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een taakstraf van 180 uren passend en geboden en zal deze straffen dan ook opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer]

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de stelling dat het strafbare feit veel impact op de benadeelde partij zou hebben gehad, gezien de inhoud van het strafdossier vragen oproept. Het door de benadeelde partij alsnog nader laten onderbouwen van de gevorderde immateriële schade zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor afwijzen dan wel niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij, omdat de gevorderde immateriële schade wordt weersproken door de inhoud van de zich in het strafdossier bevindende chatgesprekken tussen de benadeelde partij en anderen gevoerd na het strafbare feit.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade mede gelet op hetgeen daarover door de officier van justitie naar voren is gebracht onvoldoende is onderbouwd, hetgeen aan een inhoudelijk oordeel over de hoogte van eventueel geleden immateriële schade in de weg staat. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen zeven dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden en zich vervolgens blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit tijdens de proeftijd nodig acht en dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen die hem door de reclassering worden gegeven, ook indien dit een verwijzing naar de Verslavingszorg Noord Nederland inhoudt;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen bij de Geestelijke Gezondheidszorg Friesland, Polikliniek Forensische Psychiatrie, of soortgelijke forensische zorg, zulks ter beoordeling aan de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de zorginstelling zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Benadeelde partij

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, mr. A.F. Gerding en

mr. M.J. Oostveen, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2016.

G.T. Zandstra-Alkema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.