Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3164

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-06-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
18-830247-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor vijf mishandelingen.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 112 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830247-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

27 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 juni 2016.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr.

C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 juli 2015, te [pleegplaats] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] , met kracht tegen diens hoofd te slaan;

2.

hij op of omstreeks 13 augustus 2015, te [pleegplaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht bij haar kin en/of kaak vast te pakken en/of vervolgens die [slachtoffer 2] hardhandig tegen een muur en/of gevel te drukken;

3.

hij op of omstreeks 13 augustus 2015 te [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer 2] in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [slachtoffer 2] in het gezicht te spugen en/of door tegen, althans in de richting, van de rug van die [slachtoffer 2] te spuwen;

4.

hij op of omstreeks 19 augustus 2015, te [pleegplaats] , [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] , meermalen met kracht en/of met gebalde vuist(en) in diens gezicht, althans tegen diens hoofd te slaan en/of stompen;

5.

hij op of omstreeks 29 augustus 2015 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, [slachtoffer 4] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met kracht (met gebalde vuisten) die [slachtoffer 4] op/tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] , meermalen althans eenmaal met kracht (met gebalde vuisten) op/tegen het hoofd

en/of in het gezicht te slaan;

6.

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] (met kracht) een vuistslag, althans een klap, in het gezicht te geven.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde. Belediging is een klachtdelict en dat brengt mee dat verdachte alleen kan worden vervolgd als tegen hem een klacht is ingediend door degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Nu zo’n klacht of een ander bewijsmiddel, waaruit blijkt dat aangeefster vervolging van verdachte wenst, ontbreekt in het dossier, dient het openbaar ministerie

niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het geven van een stoot op de lever en een stoot op iemands strot een poging tot zware mishandeling oplevert.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5 primair en 6 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat het letsel van aangeefster niet kan zijn ontstaan door het geven van slechts één klap.

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het onder 2, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 5 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe allereerst dat onder 5 primair is ten laste gelegd dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geslagen. Gelet op de hieronder weergegeven bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte aangever tweemaal in het gezicht heeft gestompt.
Voorts overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling onder meer vereist is dat het opzet van verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een dergelijk voorwaardelijk opzet is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte met zoveel kracht heeft gestompt dat hij die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 20 juli 2015, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015253283 d.d. 8 december 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 20 juli 2015 omstreeks 12:02 uur liep ik naar de [straat] in [pleegplaats] . Ik stond bij de voetgangersoversteekplaats. Ik zag aan de linker kant van mij een personenauto aan komen rijden. De bestuurder was een donker getinte man, met donker haar en donkere kleding, ik schat hem ongeveer 30 jaar oud. Hij liep naar mij toe en ging voor mij staan. Hij sloeg mij met zijn rechter vlakke hand tegen de linkerkant van mijn hoofd. Ik voelde pijn en voelde ook dat er bloed ging lopen. De klap was met een behoorlijke kracht, mijn hoofd sloeg door de klap naar rechts. Omstanders hadden het kenteken van de auto genoteerd. Ik heb dit op een papiertje gekregen. Het zou gaan om een auto met het [kenteken] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 20 juli 2015, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [naam] :

Op maandag 20 juli 2015 omstreeks 12.05 uur bevond ik, verbalisant, mij op het politiebureau gelegen aan de [straat] te [pleegplaats] . Mijn aandacht werd getrokken door een auto die luid claxonnerend voorbij reed. Ik, verbalisant, zag dat een personenauto, blauw van kleur, van het merk Ford en voorzien van [kenteken] voorbij kwam rijden. Ik, verbalisant, zag dat er een manspersoon achter het stuur zat die ik herkende als de mij ambtshalve bekende [naam verdachte] .

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 23 januari 2016 opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016022371 d.d. 3 maart 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Op zaterdag 23 januari 2016 tussen 4:00 en 4:15 uur ben ik in [pleegplaats] mishandeld door mijn ex-vriend [naam verdachte] . In club [naam] . stond ik een meter van [naam verdachte] af. Ik zag dat [naam verdachte] op mij afkwam en voor ik het wist voelde ik een harde klap tegen de linkerkant van mijn hoofd. Mijn gezicht was helemaal dik en ik proefde bloed in mijn mond.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 3 februari 2016, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

In club [naam] . stond ik in het rookhok te praten met [naam verdachte] . Ik zag dat [slachtoffer 5] onze kant op kwam lopen. Toen zag ik dat [naam verdachte] een stap naar voren deed en [slachtoffer 5] een vuistslag in het gezicht gaf.

3. Een overige schriftelijk bescheid, zijnde een foto behorende bij bovengenoemde aangifte, opgenomen op pagina 6 van voornoemd dossier.

De rechtbank heeft uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte de mishandeling heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe dat zij het niet aannemelijk acht dat het door aangeefster opgelopen letsel aan haar mond is ontstaan doordat zij op de grond is gevallen nadat zij een trappende beweging zou hebben gemaakt naar de zich voor haar bevindende verdachte. In die situatie zou een achterwaartse val veel waarschijnlijker zijn. De omstandigheid dat de [getuige] de lezing van verdachte bevestigt, sluit naar het oordeel van de rechtbank overigens niet uit dat zich voorafgaand aan wat hij heeft gezien, een geweldshandeling van verdachte in de richting van aangeefster heeft voorgedaan. De getuige heeft immers verklaard dat hij de gokkast aan het bijvullen was, zodat een en ander zich aan zijn waarneming kan hebben onttrokken.

De rechtbank acht het onder 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Voor het overige volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2016;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 13 augustus 2015, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015253283 d.d. 8 december 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2016;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 augustus 2015, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015253283 d.d. 8 december 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

Ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2016;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 augustus 2015, opgenomen op pagina 78 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015253283 d.d. 8 december 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 4, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 20 juli 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met kracht tegen diens hoofd te slaan;

2.

hij op 13 augustus 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht bij haar kin en/of kaak vast te pakken en vervolgens die [slachtoffer 2] hardhandig tegen een muur te drukken;

4.

hij op 19 augustus 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen met gebalde vuist tegen diens hoofd te stompen;

5. subsidiair

hij op 29 augustus 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd te slaan;

6.

hij op 23 januari 2016 te [pleegplaats] [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] een vuistslag in het gezicht te geven.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. mishandeling

2. mishandeling

4. mishandeling

5 subsidiair. mishandeling

6. mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport d.d. 14 januari 2016, opgemaakt door C.M. Bosklopper, GZ-psycholoog. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie:

Er is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in zijn ontwikkeling, te weten vroegkinderlijke hechtingsproblematiek en misbruik van diverse middelen (cocaïne, alcohol en cannabis). Er is mogelijk sprake van PTSS met chronisch verloop en ADHD. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van antisociale persoonlijkheidsproblematiek met enige kenmerken van borderline. Deze problematiek bestond ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes op een dermate wijze dat het ten laste gelegde gedeeltelijk daaruit verklaard kan worden. Geadviseerd wordt om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 142 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moeten de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een verplichte ambulante behandeling worden verbonden. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat de feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen. Hij heeft hiermee de slachtoffers letsel toegebracht en inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte vaker voor geweldsdelicten met justitie in aanraking is gekomen en dat de strafbare feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie heeft gerekwireerd.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf legt verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. De rechtbank acht het, ter voorkoming van herhaling, van belang dat verdachte zich meldt bij de reclassering en zich ambulant laat behandelen voor zijn problematiek.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte bereid is de vordering van de benadeelde partij te vergoeden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Benadeelde partij

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schadevergoeding kan niet worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De vordering is in zoverre ook niet betwist. Ten aanzien van de geleden immateriële schade acht de rechtbank toewijzing tot een bedrag van € 300,- redelijk. De rechtbank acht de vordering derhalve tot een bedrag van € 555,09 voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 4, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 112 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis moet melden bij de reclassering Leger des Heils op het adres Damsterdiep 271 te Groningen. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat de veroordeelde verplicht wordt om zich te laten behandelen bij de forensische polikliniek van de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 300,- (zegge: driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 300,- (zegge: driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 300,- immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 555,09 (zegge: vijfhonderd vijfenvijftig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2015.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 555,09 (zegge: vijfhonderd vijfenvijftig euro en negen eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 255,09 aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mrs. O.J. Bosker en N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juni 2016.

Mr. N.A. Vlietstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.