Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3075

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
18-830286-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verkrachting wettig en overtuigend bewezen en legt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830286-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

17 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam] ,

geboren op [geboortedatum ] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende [te verblijfplaats]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 juni 2016.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.G. Peters, advocaat te Breukelen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.J. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid, hierin bestaande dat verdachte tegen het gezicht en/of lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt, en/of met zijn handen het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn penis heeft geduwd en/of gebracht, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hierin bestaande dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft gezoend en/of

- met zijn tong de tepels van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of

- met zijn penis de mond van die [slachtoffer] is binnengedrongen en/of

- met zijn penis de vagina van die [slachtoffer] is binnengedrongen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum ] 1999, die de leeftijd van twaalf

jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hierin bestaande dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft gezoend en/of

- met zijn tong de tepels van die [slachtoffer] gelikt en/of

- met zijn penis de mond van die [slachtoffer] is binnengedrongen en/of

- met zijn penis de vagina van die [slachtoffer] is binnengedrongen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 mei 2015 te [pleegplaats] , althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum ] 1999, die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hierin bestaande dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft gezoend en/of

- met zijn tong de tepels van die [slachtoffer] heeft gelikt.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet dan wel onvoldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal, mocht deze verklaring al betrouwbaar worden geacht. Daar komt bij dat er geen letsel bij aangeefster is waargenomen, terwijl zij verklaart dat zij veelvuldig door verdachte in haar gezicht is geslagen. Voorts is er geen sperma aangetroffen op of in het lichaam van aangeefster. Tot slot is het opmerkelijk dat aangeefster na het vermeende gebeuren de woning kon verlaten zonder daarbij door verdachte te worden tegengehouden. Het vorenstaande brengt mee dat moet Er moet worden uitgegaan van de verklaringen van verdachte. Op basis van zijn verklaringen kan niet worden bewezen dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen, noch van daaraan voorafgegaan geweld.

Het meer subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe, die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie

Noord-Nederland d.d. 9 juni 2015, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier met nummer 2015150973 d.d. 30 september 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik was die woensdagavond 27 mei 2015 in de woning van [getuige] aan de [straat] in [pleegplaats] . Om half vijf 's nachts kwam [verdachte] . In de kamer kwam hij op mij liggen en hij begon mij te zoenen. [getuige] ging uit huis. [verdachte] trok mijn kleren uit en trok me mee naar de woonkamer. Ik moest hem pijpen. Ik wilde niet. Ik kreeg klappen. Ik moest wel. Ik deed het toen en toen had ik seks tegen mijn wil. Ik moest huilen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster van Politie Noord-Nederland d.d. 9 juni 2015, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

[verdachte] duwde mijn hoofd steeds naar zijn geslachtsdeel. [verdachte] sloeg mij steeds omdat ik niet deed wat hij wilde. Hij heeft me wel tien keer geslagen. Het was iedere keer met een vlakke hand op mijn rechterwang. Hij is met zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel gegaan. Hij duwde mijn benen omhoog. Hij duwde zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel. In het begin, toen ik hem moest pijpen, gebruikte hij glijmiddel en een condoom. Ik kon niet wegkomen. Hij sloeg mij.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 8 juni 2015, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]

[verdachte] kwam op 28 mei 2015 om half vijf aan in mijn woning aan de [straat] in [pleegplaats] . Hij ging naar de slaapkamer en ik hoorde kusgeluiden. Ik ben brood gaan halen en heb de deur afgesloten. Toen ik terug liep met het brood zag ik het meisje ter hoogte van de [straat] lopen. Ze was overstuur. Het voelde alsof er iets heel ernstigs was gebeurd en waardoor ze ook heel erg bang was voor hem. Toen ik thuis kwam zag ik twee kapotte condooms voor de bank liggen. Ook zag ik Durex play liggen. [verdachte] zei tegen mij dat ze hem gepijpt had en dat ze hem toen gebeten had. Ze heeft toen een klap van hem gekregen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 31 juli 2015, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Ik was in het huis van [getuige] aan de [straat] in [pleegplaats] . Ik ging naar de kamer waar [slachtoffer] lag. We gaven elkaar een kusje. Ik heb [slachtoffer] geschopt en meerdere keren geslagen. Ik had condooms en glijmiddel bij mij.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 januari 2016, opgenomen in een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

U houdt mij voor dat mijn speeksel is aangetroffen op de tepel van de linkerborst van [slachtoffer] . Dat kan wel kloppen volgens mij. Ik heb [slachtoffer] kusjes op haar tepel gegeven. Ze raakte mij bij mijn lul aan en ik heb haar toen op haar borst gekust.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt bij de waardering van het bewijs en de beoordeling van de tenlastelegging

– mede gelet op de door de raadsvrouw gevoerde bewijsverweren – het volgende voorop.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan niet worden aangenomen op een verklaring van slechts één getuige en/of op verklaringen die afkomstig zijn van die ene getuige of bron. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige waargenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Volgens vaste jurisprudentie is niet vereist dat het steunbewijs de kern van de tenlastelegging raakt, voldoende is dat daarin specifieke steun kan worden gevonden voor het eerste bewijsmiddel, opdat deze niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.

De rechtbank stelt voorop dat de verklaring van aangeefster met behoedzaamheid moet worden bekeken, gelet op de omstandigheid dat een aantal getuigen verklaart dat zij eerder onterechte beschuldigingen van seksueel misbruik zou hebben geuit. De rechtbank stelt echter vast dat de verklaring van aangeefster in belangrijke mate steun en bevestiging vindt in de overige aangehaalde bewijsmiddelen. Haar verklaring is genoegzaam ingebed in een concrete context en wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte en de verklaring van [getuige] . Verdachte heeft bevestigd dat hij in de bewuste nacht seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht. Zo heeft verdachte verklaard dat hij heeft gezoend met aangeefster en dat hij aan de tepel van aangeefster heeft gelikt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij geweld heeft gebruikt jegens aangeefster.

[Getuige] heeft, in lijn met de verklaring van aangeefster, verklaard dat hij – vlak nadat verdachte en aangeefster zijn woning hadden verlaten – condooms en glijmiddel in zijn woonkamer aantrof. Daarnaast heeft [getuige] verklaard dat hij aangeefster vlak na het gebeuren tegenkwam op straat, dat zij overstuur was en dat dat te maken had met verdachte. Bovendien heeft verdachte volgens [getuige] tegenover hem bevestigd dat aangeefster verdachte gepijpt heeft.

Verdachte heeft daar tegenover gesteld dat hij weliswaar seksueel contact met aangeefster heeft gehad en dat hij ook van plan was geslachtsgemeenschap met haar te hebben, maar dat het zover niet gekomen is. De reden daarvan is, aldus verdachte, dat aangeefster hem spontaan vertelde dat zij 15 jaar oud was. Om die reden wilde verdachte niet verder gaan en heeft hij geweld tegen aangeefster gebruikt. Deze verklaring acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Niet alleen is het hoogst onwaarschijnlijk dat aangeefster op het moment dat zij en verdachte aan het knuffelen en zoenen waren ineens spontaan zou beginnen over haar leeftijd, maar ook is verdachtes verklaring dat hij pas op dat moment achter de werkelijke leeftijd van aangeefster kwam, aantoonbaar onjuist. Uit het zich in het dossier bevindende Whatsapp-bericht tussen verdachte en aangeefster van 23 april 2015 blijkt immers dat verdachte in ieder geval vanaf die datum wist dat aangeefster 15 jaar oud was.

Op grond van de verklaring van aangeefster, ondersteund door de andere bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat aangeefster zich door de geweldshandelingen van verdachte gedwongen voelde om tegen haar wil seks met hem te hebben.

De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 28 mei 2015 te [pleegplaats] door geweld, hierin bestaande dat verdachte tegen het gezicht en/of lichaam van [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt en met zijn handen het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn penis heeft geduwd, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hierin bestaande dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft gezoend en

- met zijn tong de tepels van die [slachtoffer] heeft gelikt en

- met zijn penis de mond van die [slachtoffer] is binnengedrongen en

- met zijn penis de vagina van die [slachtoffer] is binnengedrongen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: verkrachting

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de straf kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met de ernst van het feit en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd, eventueel met een voorwaardelijk gedeelte. Aan dat voorwaardelijke gedeelte van de straf kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van het slachtoffer, een toen vijftienjarig meisje. Naast dat het slachtoffer jong was, was zij ook kwetsbaar. Verdachte was daarvan op de hoogte, nu het slachtoffer hem had verteld dat zij in [een instelling] te [plaats] verbleef. Ondanks deze omstandigheden heeft verdachte het slachtoffer op

28 mei 2015 onderdak geboden in het huis van een kennis van verdachte. Nadat het slachtoffer verdachte kenbaar had gemaakt dat zij geen seks met hem wilde hebben, heeft hij geweld tegen haar gebruikt om seks met haar af te dwingen. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij erg bang is geweest voor verdachte. De ervaring leert dat slachtoffers van misdrijven als deze nog langdurig nadelige gevolgen ondervinden.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank heeft daarbij gelet op de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en zijn, naar het oordeel van de rechtbank, geringe motivatie om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur een passende straf is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mrs. J. van Bruggen en

N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2016.

Mr. Vlietstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.