Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3063

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
18.830079-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling en overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2011-01-01
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2004-01-01
Invoeringswet Wegenverkeerswet 1994 7, geldigheid: 2001-01-10
Wegenverkeerswet 1994 176, geldigheid: 2014-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830079-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 mei 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 december 2014, te [pleegplaats] , (althans) in de

gemeente Eemsmond,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door als bestuurder van

een personenauto

- ( met hoge snelheid) in te rijden op voornoemde [slachtoffer] en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer] aan te rijden, en/of

- terwijl voornoemde [slachtoffer] op zijn auto lag en/of aan zijn auto hing, met de auto is weggereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] met zijn auto in botsing is gekomen en/of met haar lichaam langs de auto en/of over het wegdek is geschuurd en/of

- ( zonder te stoppen) is doorgereden over de plek waar die [slachtoffer] zich bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 1 december 2014, te [pleegplaats] , (althans) in de

gemeente Eemsmond,

[slachtoffer] heeft mishandeld door als bestuurder van een personenauto

- ( met hoge snelheid) in te rijden op voornoemde [slachtoffer] en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer] aan te rijden en/of

- terwijl voornoemde [slachtoffer] op zijn auto lag en/of aan zijn auto hing, met de auto is weggereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] met zijn auto in botsing is gekomen en/of met haar lichaam langs de auto en/of over het wegdek is geschuurd;

2.

dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig

betrokken was geweest bij een verkeersongeval

dat had plaatsgevonden in [pleegplaats] op de [straatnaam] ,

op 1 december 2014 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval

heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was

toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zag dat aangeefster aan zijn auto hing, van de auto afgleed en daarbij een buitenspiegel beschadigde en vervolgens ten val kwam. Desondanks reed verdachte door. Vast staat dat aangeefster hierdoor letsel heeft opgelopen. De officier van justitie is van mening dat verdachte door met zijn auto weg te rijden, terwijl aangeefster aan zijn auto hing en viel, hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Vervolgens heeft verdachte niet meer omgekeken naar aangeefster en is hij weggereden, terwijl hij zich bewust was van de mogelijkheid van eventueel opgelopen letsel. Ook het onder 2 ten laste gelegde acht de officier van justitie derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat hoewel is gebleken dat aangeefster letsel heeft opgelopen doordat zij zich vasthield aan verdachtes auto terwijl hij wegreed en zij daarbij ten val is gekomen, daaruit niet meteen volgt dat sprake was van een risico dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Aangeefster kan zich ook niet herinneren hoe het precies is gebeurd. Het wettig en overtuigend bewijs voor het primair ten laste gelegde ontbreekt naar de mening van de raadsvrouw.

Voorts doet de raadsvrouw een beroep op noodweer nu sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf dan wel goed, te weten verdachtes auto. Naar de mening van de raadsvrouw is het wegrijden van verdachte proportioneel geweest, aangezien er sprake zou zijn van een nieuwe confrontatie als verdachte ervoor had gekozen uit de auto te stappen. Verdachte zag weliswaar dat aangeefster ten val kwam, maar hij heeft daarbij niet opgemerkt dat ze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw gepleit voor vrijspraak nu verdachte niet heeft waargenomen dat aangeefster letsel had opgelopen door haar val.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past bij de beoordeling van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 9 mei 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zat in de auto op de oprit. Ze stond naast mijn portier. Ik zag haar daar. Ik weet dat ze met de auto mee liep, toen ik een stukje achteruit reed. Ze liep naast de auto. Vervolgens heb ik mijn auto in de eerste versnelling gezet, zodat ik vooruit kon rijden. Door spanning en schrik schakelde ik met een slippende koppeling. Ik zag haar en zag dat ze wat strompelde. Ze pakte de antenne van de auto en een ruitenwisser en hield deze vast. Ik reed op dat moment al. Toen viel ze en werd ze even meegesleurd. Op een gegeven moment moest ze loslaten. Het klopt dat ik ben weggereden en me niet om haar heb bekommerd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 8 december 2014, opgenomen op pagina 17A van het dossier met nummer 2014171025 d.d. 15 januari 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik zag dat [verdachte] in de grote auto, de Mazda 3, zat. Ik zag dat de auto met de neus naar de garage stond op de oprit. Ik heb tegen hem gezegd dat hij niet mocht en niet kon gaan auto rijden. Vanaf dit moment laat mijn geheugen mij in de steek en heb ik uit tweede hand wat er vervolgens moet zijn gebeurd. [verdachte] is blijkbaar weggereden terwijl ik aan of op de auto hing/stond en blijkbaar zo hard dat ik al dit letsel heb opgelopen. Ik heb een grote schaafwond op mijn linkerheup en mijn bovenrug, ik heb een gekneusde teen en een wond op mijn hoofd, mijn handen zijn dik en blauw en nagels zijn gescheurd. [verdachte] is dus weggereden wetende dat ik op het wegdek lag en heeft mij daar zo laten liggen. Ik was buiten bewustzijn terwijl ik op de rijbaan lag in het donker.

3. een geneeskundige verklaring, op 10 januari 2015 opgemaakt en ondertekend door T. Naujocks, forensisch arts.

- Hoofd: zwelling rond het linker oog, met name het bovenooglid;

-vers ogende, rode huidverkleuring onder het linker oog, ca 15 x 3 mm, passend bij een

schaafwond;

-verse barstwond in de behaarde hoofdhuid links, ca. 1 x 1,5 cm.

- Romp:-schouder links: meerdere schaafverwondingen in een gebied van ca. 15 x 5 cm en een grillig gevormde bloeduitstorting van ca. 2,5 x 2,5 cm;

- Rug: meerdere schuin verlopende, schaaf-/krasverwondingen in het gebied tussen beide schouderbladen en een grillig gevormde bloeduitstorting van ca. 10 x (max.) 4 cm, aan de binnenzijde van het linker schouderblad;

-flank links: een grote schaafwond van ca. 19 x ca. 11 cm, enigszins gebogen verlopend

vanaf de linker flank richting linker onderbuik; in de flank duidelijk donkerder van kleur,

d.w.z. dieper dan verderop.

- Rechter hand: duim rechts: meerdere oppervlakkige krasjes aan de strekzijde van de duim en een diepere schaafwond vlak voor de duimnagel.

- Linker arm/hand: aan de binnenzijde van de gehele arm verspreid meerdere verse bloeduitstortingen van wisselende omvang, vorm en kleur met aan de onderarm een opvallend strepenpatroon;

-een verse bloeduitstorting over de gehele handrug met daarin verspreid meerdere

oppervlakkige verse schaafverwondingen.

- Rechter been/voet: een tweetal iets ouder ogende bloeduitstortingen op en naast de rechter knie;

-een verse schaafwond aan de basis van de grote teen en een snij-/schaafwond vlak voor de nagel van de grote teen.

- Met uitzondering van de bloeduitstortingen rond de rechter knie gaat het hier

om verse letsels. Herstel: 3-6 weken.

Het aangetroffen letsel kan zeer wel zijn veroorzaakt doordat betrokkene is meegesleurd

door een auto.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 1 december 2014, opgenomen op pagina 20A van voornoemd dossier,

inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik hoorde [getuige] het volgende vertellen: 'Vanochtend, maandag 1 december om 06:00 uur, ging bij ons de wekker. Ik sta dan meestal samen met mijn vrouw op. Op dat moment hoorde ik mijn buurman met veel lawaai wegrijden. Hiermee bedoel ik met hoog toerental en slippende koppeling. Mijn vrouw keek ongeveer vijf minuten later naar buiten, naar de [straatnaam] in [pleegplaats] , de weg die voor ons huis langs loopt. Ik hoorde dat zij mij vertelde dat zij buiten iets zag liggen. Ik keek toen

zelf ook naar buiten. Ik zag daar inderdaad iemand liggen. Ik liep het erf af en zag toen een vrouw met ontbloot bovenlijf op straat liggen. Ik zag dat er ook een losse ruitenwisser op de weg lag, dichtbij de vrouw. Ik zag dat ze wel wat bewoog. Ik dacht die kan wel aangereden zijn. Toen zag ik dat het de vriendin van de buurman was. Met deze buurman bedoel ik [verdachte] woonachtig op de [straatnaam] [huisnummer] te [pleegplaats] . Ik sprak de vrouw aan en vroeg haar wat er aan de hand was. Ik had het idee dat ze wat bijkwam en wat meer overeind kwam. Ik zag dat er een plasje bloed op de weg lag. Ik zag dat er bloed op haar achterhoofd zat. Ik zag dat een van de handen bebloed was en het leek erop dat haar borst ook beschadigd was.'

De rechtbank overweegt het volgende. Verdachte zag aangeefster naast zich met zijn auto meelopen toen hij op de oprit stond en achteruit reed. Ze wilde hem tegenhouden en ging op de achterbumper van zijn auto staan, brak een ruitenwisser van de achterruit af. Verdachte stond stil om te schakelen naar de eerste versnelling en vooruit weg te rijden. Op dat moment pakte aangeefster de ruitenwisser en de antenne van de auto aan de zijkant voor beet. Verdachte liet door de spanning de koppeling slippen en reed weg, terwijl aangeefster zich nog vasthield aan de auto en ten val kwam. Verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gezien en dat ze nog even meegesleurd werd. Uit de letselverklaring blijkt eveneens dat aangeefster hierbij letsel heeft opgelopen. Desondanks is hij doorgereden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door weg te rijden, terwijl hij wist dat aangeefster aan zijn auto hing en na haar val een stukje werd meegesleurd, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij hierdoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Een auto is een zwaar voorwerp. Ze had mogelijk onder de achterwielen van de auto terecht kunnen komen of met haar hoofd op het asfalt kunnen belanden.

Voorts heeft de verdachte aangegeven dat hij heeft gehandeld uit noodweer. De rechtbank merkt op dat op het moment dat verdachte in de auto zat in elk geval geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. Op het moment dat aangeefster verdachtes auto beschadigde in haar poging hem tegen te houden is wel sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn goed. Echter, de rechtbank acht het handelen van verdachte niet proportioneel, zodat zij het beroep op noodweer zal verwerpen. De rechtbank is van oordeel dat de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte een redelijk vermoeden moest hebben dat aangeefster letsel had opgelopen, nadat hij had gezien dat ze viel, terwijl ze aan zijn auto hing, en ook een stukje werd meegesleurd, en dat hij door zich niet van haar toestand te vergewissen maar is doorgereden, haar in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 1 december 2014 te [pleegplaats] , in de gemeente Eemsmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door als bestuurder van een personenauto, terwijl voornoemde [slachtoffer] aan zijn auto hing, met de auto is weggereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] met zijn auto in botsing is gekomen en met haar lichaam langs de auto en over het wegdek is geschuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

dat hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [pleegplaats] op de [straatnaam] , op 1 december 2014 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot zware mishandeling.

2. Overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, waarvan 90 uren, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak, zodat zij zich niet heeft uitgelaten over de eventueel op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van Reclassering Nederland, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met zijn auto weg te rijden, terwijl het slachtoffer zich hier nog aan vasthield. Vervolgens heeft hij de plaats van het ongeval verlaten zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Verdachte heeft de belangen van het slachtoffer volledig veronachtzaamd en heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Ter zitting lijkt verdachte hier echter weinig bij stil te staan.

De rechtbank merkt op dat het onderhavige feit is gepleegd in 2014. Blijkens de justitiële documentatie is verdachte een first offender. De reclassering heeft aangegeven begeleiding niet van toepassing te vinden. Zij achten hulpverlening in een vrijwillig kader meer aangewezen. Verdachte heeft ter zitting aangegeven momenteel gesprekken te voeren met een psycholoog van de GGZ en dat hij hier baat bij heeft. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Zij zal hierbij geen voorwaardelijk deel opleggen nu zij hierin geen toegevoegde waarde ziet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. F. de Jong en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2016.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.