Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:3004

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
18.930043-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

rechtbank veroordeelt verdachte voor mishandeling tot een werkstraf. De rechtbank acht poging doodslag en poging zware mishandeling niet bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2006-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930043-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 mei 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 mei 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer ] van het leven te beroven, met dat opzet de keel/hals van die [slachtoffer ] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of enige tijd die keel/hals dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, althans op enige wijze de

zuurstoftoevoer van die [slachtoffer ] heeft afgesloten , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer ] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet de keel/hals van die [slachtoffer ] heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of enige tijd die keel/hals dichtgeknepen/ dichtgedrukt heeft gehouden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer ] heeft afgesloten , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, [slachtoffer ] heeft mishandeld door de keel/hals van die [slachtoffer ] dicht te knijpen/ dicht te drukken en/of enige tijd die keel/hals dichtgeknepen/dichtgedrukt te houden, althans op enige wijze de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer ] af te sluiten;

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het afklemmen van de luchttoevoer zoals verdachte dat heeft gedaan kan leiden tot hersenletsel. Daarmee acht de officier van justitie bewezen dat verdachte heeft gepoogd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Naar het standpunt van de officier van justitie kan uit het dossier en uit het handelen van verdachte niet worden afgeleid dat verdachte aangever van het leven heeft willen beroven. Verdachte dient daarom van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de dood van aangever en ook geen opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Verdachte wilde aangever aanspreken op zijn gedrag en toen aangever daarvoor wegliep heeft verdachte aangever onder controle willen brengen en heeft daartoe een controle techniek toegepast door zijn arm om de nek van aangever te slaan. Aangever bleef zich verzetten en op het moment dat verdachte merkte dat aangever slap werd heeft verdachte aangever losgelaten. Gelet op deze omstandigheden had verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen ook niet in voorwaardelijke zin.

Naar het standpunt van de verdediging kan een bewezenverklaring volgen voor de verweten mishandeling. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat bij verdachte wel (enig vorm van) opzet op het gevolg bestond dan is sprake van vrijwillige terugtred zijdens verdachte. In dat geval zal verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank dient de verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Uit het dossier komt onvoldoende naar voren dat verdachte opzet had op de dood van aangever en evenmin dat er opzet was om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte aangever wilde aanspreken op het feit dat hij ondanks waarschuwingen door bleef gaan met het gooien van sneeuwballen tegen de ruiten van de woning van verdachte. Verdachte is op enig moment naar de plaats gegaan waar aangever zich bevond en wilde met aangever in gesprek over het gooien van de sneeuw-ballen.

Verdachte wilde aangever onder controle brengen om het gesprek te kunnen aangaan en sloeg daartoe zijn arm om de nek van aangever en hield aangever op die wijze enige tijd vast. Aangever verzette zich en wilde zich uit die positie bevrijden. Aangever werd op een gegeven moment slap waarop verdachte aangever losliet.

Gelet op deze gang van zaken en de verklaring van verdachte dat zijn handelen alleen was ingegeven om het gesprek met aangever aan te kunnen gaan acht de rechtbank de opzet dan wel voorwaardelijk opzet zoals ten laste is gelegd niet bewezen. Niet uit te sluiten valt dat aangever onwel is geworden omdat hij ten tijde van de toegepaste nekklem zich hevig verzette. De rechtbank komt aldus niet toe aan het verweer dat verdachte door vrijwillige terugtred zijnerzijds van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het meer subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1.
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 26 januari 2015, opgenomen op pagina 13 ev van het dossier met nummer 2015025637 d.d. 13 februari 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer ] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op [pleegdatum] te [pleegplaats] , gemeente Aa en Hunze, [slachtoffer ] heeft mishandeld door de keel/hals van die [slachtoffer ] dicht te drukken en enige tijd die keel/hals dichtgedrukt te houden;

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor beperkt aantal uren werkstraf indien de rechtbank komt tot een veroordeling voor het meer subsidiair ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als volwassene het minderjarige slachtoffer mishandeld op een wijze zoals hiervoor bewezen is geacht. De wijze en de omstandigheden die tot de mishandeling hebben geleid zijn hiervoor geschetst. Verdachte wilde het slachtoffer aanspreken op zijn gedrag doch dat is duidelijk anders gelopen dan verdachte voor ogen heeft gehad.

Achteraf bezien is het voor het slachtoffer goed afgelopen doch op het moment van de handeling was zowel het voor het slachtoffer als de omstanders, zo blijkt uit (getuigen)verklaringen, een zeer heftig moment en kwam dit voor hen totaal onverwachts.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij een verkeerde keuze heeft gemaakt door het slachtoffer op de beschreven wijze vast te pakken om met hem het gesprek aan te gaan.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte oprecht spijt heeft betuigd van zijn handelen en dat hij nadrukkelijk inziet dat hij anders had moeten handelen. Verdachte heeft aangegeven dat hij nog steeds bereid is om zijn excuses aan het slachtoffer aan te bieden.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Een voorwaardelijke straf als door de officier van justitie gevorderd acht de rechtbank niet geïndiceerd nu het kennelijk om een incident gaat.

Benadeelde partij

[slachtoffer ] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is met oplegging van de schadevergoedingsmaat-regel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht de materiële schade toewijsbaar en ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze schade voor de helft toewijsbaar is. De immateriële schade is deels gegrond op een mogelijke hersenschudding doch dat blijkt onvoldoende uit de medische verklaring.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de materiële schade toewijsbaar nu deze niet door de verdediging is weersproken.

De rechtbank acht de gestelde immateriële schade tot na te noemen bedrag aannemelijk en voldoende onderbouwd en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht de vordering in zoverre gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De benadeelde zal voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard

De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

 Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 585,06 (zegge: vijfhonderdvijfentachtig euro en zes eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer ] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer ] te betalen een bedrag van € 585,06 (zegge: vijfhonderdvijfentachtig euro en zes eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2015,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 160,06 aan materiële schade en € 425,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer ] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 mei 2016.

Mr. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.