Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2979

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
18.730257-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op donderdag 23 juni 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden een 43-jarige man veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 14 augustus 2015 in pleegplaats zijn ex-vriendin om het leven heeft gebracht door haar meerdere malen met een mes te snijden en te steken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730257-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn en mr. E.M. Bakx, beiden advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 augustus 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente

Smallingerland, [slachtoffer ] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, die [slachtoffer ]

met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de voorzijde van)

de hals en/of het hoofd gesneden en/of gestoken en/of meermalen in het

(boven)lichaam gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer ]

is overleden.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 14 augustus 2015 om 04.06 uur kwam er bij de 112-centrale een melding binnen van [slachtoffer ] (hierna: [slachtoffer ] ). Daarin was onder meer te horen dat zij schreeuwde: "Au, ja, [verdachte] !" En: "Ik bloed".2 Om 04.08 uur en 04.13 uur kwamen er 112-meldingen binnen waarin werd gemeld dat de bewoonster van de woning aan de [adres pleegplaats] te [pleegplaats] gewond was en achter de deur in het bloed lag.3

Kort na de meldingen kwam de politie ter plaatse bij voornoemde woning. In de hal van de woning bij de voordeur zag de politie het bebloede en levenloze lichaam van [slachtoffer ] liggen.4 Op de bovenverdieping werd haar achtjarige zoon aangetroffen. Hij vertelde aan de politie dat [verdachte] , de vriend van zijn moeder, het had gedaan.5 [verdachte] (hierna: verdachte) werd vervolgens om 05.35 uur aangehouden.6 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens de bewuste nacht naar het huis van [slachtoffer ] is gegaan en dat zij aldaar ruzie hebben gekregen. Op enig moment heeft hij een multitool gepakt en is daarmee om zich heen gaan zwaaien. Hij weet niet waar hij [slachtoffer ] heeft geraakt.7 Bij het forensisch onderzoek op de plaats delict heeft de politie bij het achterhoofd van [slachtoffer ] een geopend mes aangetroffen, een zogeheten multitool.8 De patholoog heeft geconstateerd dat [slachtoffer ] tien steek- en snijverwondingen op haar lichaam had, bestaande uit onder meer twee steek/snijwonden op de linkerwang, een snijwond in de hoofdhuid, een snijwond middenvoor aan de hals, een steekwond aan de bovenarm, een steekwond in de borstholte, een steekwond aan de borst en een steekwond aan de rug. De patholoog heeft geconcludeerd dat [slachtoffer ] is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig, klievend en perforerend geweld op haar lichaam.9

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is - met de officier van justitie en de verdediging - van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Op grond van de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank acht de impliciet primair ten laste gelegde moord dan ook niet bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van de voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde doodslag bewezen, met dien verstande dat:

hij op 14 augustus 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer ]

opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die

[slachtoffer ] met een mes in de voorzijde van de hals en het hoofd gesneden en gestoken en meermalen in het bovenlichaam gestoken, ten gevolge waarvan die

[slachtoffer ] is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Dit feit is strafbaar, nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Straf- en maatregelmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van de duur van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging gevorderd, welke langer dan vier jaar mag duren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit om de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van TBS met dwangverpleging af te wijzen en een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar aan verdachte op te leggen. Zij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.

Het Pro Justitia onderzoek is onvolledig geweest. Zo dient een dergelijk onderzoek bij voorkeur intramuraal plaats te vinden, hetgeen niet is gebeurd. Daarnaast hebben de rapporteurs geen enkele kennis gehad van de rapportages van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) waar verdachte geruime tijd heeft verbleven. Op basis van het gemankeerde onderzoek zijn zeer verstrekkende conclusies getrokken door de deskundigen. Daar komt bij dat er bij verdachte, in tegensteling tot hetgeen de rapporteurs hebben gesteld, wel degelijk een behandelmotivatie bestaat. Voorts is een alternatief voor een TBS met dwangverpleging, zoals het stellen van voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in het geheel niet onderzocht, terwijl dit wel een mogelijkheid is. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat in de deskundigenrapportages vaak staat vermeld dat sprake was van indrukken en inschattingen. Hieruit blijkt dat de conclusies uit de rapportages niet voldoende zijn verankerd in een grondig onderzoek.

Gelet op het voorgaande is de verdediging dan ook van mening dat niet voldoende is onderbouwd dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Strafoplegging

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin met een mes om het leven gebracht. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe hij tot zijn daad is gekomen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich enkel kan herinneren dat hij ruzie kreeg met het slachtoffer en dat zij hem uitlachte, waarna hij op enig moment een multitool heeft gepakt en daarmee om zich heen is gaan zwaaien. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte de wijze waarop het slachtoffer hem op dat moment behandelde als ook het ogenschijnlijk definitief verbreken van de relatie door haar als zeer krenkend heeft ervaren, hetgeen in combinatie met gevoelens van jaloezie en achterdocht voor hem naar alle waarschijnlijkheid de aanleiding is geweest om het strafbare feit te plegen.

Met zijn handelen heeft verdachte beschikt over het leven, het grootste goed, van een ander en heeft hij haar nabestaanden onherstelbaar leed berokkend. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting getoonde videoboodschap van het zoontje van [slachtoffer ] als ook de voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de ernst van het feit - vanuit het oogpunt van vergelding niet anders kan worden gereageerd op het feit dan met oplegging van een langdurige gevangenisstraf. Het wettelijke strafmaximum voor doodslag is een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar. De laatste jaren wordt er voor doodslag gemiddeld een gevangenisstraf van rond de acht jaar opgelegd. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:6185). Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank dit als uitgangspunt.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank voorts in strafverzwarende zin rekening gehouden met de navolgende omstandigheden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten, waaronder feiten in de huiselijke sfeer. Deze eerdere veroordelingen zijn onherroepelijk en hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting. Dit geldt temeer voor de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen woning opgezocht en omgebracht. Hij heeft dit op een zeer gewelddadige wijze gedaan door haar tienmaal te snijden en/of te steken.

Verdachte was ervan op de hoogte dat haar achtjarige zoontje op dat moment ook in de woning was. Na zijn daad heeft hij zich op geen enkele wijze bekommerd om het slachtoffer. Hij heeft haar hevig bloedend achtergelaten en een te hulp schietende buurman weggestuurd.

Strafverzwarend acht de rechtbank ook dat verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting nauwelijks openheid van zaken heeft gegeven over wat er precies is voorgevallen in de woning en hoe hij ertoe is gekomen om het slachtoffer om het leven te brengen.

Rapportages en TBS-maatregel

Naast de genoemde vergelding die een grote rol speelt bij de bepaling van de straf, dient ook in belangrijke mate rekening te worden gehouden met de persoon van verdachte. Daarbij is met name van belang of en in welke mate het feit aan verdachte kan worden toegerekend.

In dat kader heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van het triple onderzoek, bestaande uit rapportages van psychiater T.S. van der Veer, psycholoog M. Verzendaal en forensisch milieuonderzoeker L. Schukkink, alsmede de aanvullende rapportage van psychiater T.S. van der Veer en psycholoog M. Verzendaal.

Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog blijkt allereerst het volgende.

Volgens verdachte heeft hij actief en voldoende aan het triple onderzoek meegewerkt. De deskundigen zijn echter een andere mening toegedaan. Zo rapporteert de psychiater dat verdachte met tegenzin en een terughoudende opstelling aan het onderzoek heeft meegewerkt en heeft hij volgens de psycholoog zelfs op enig moment in het geheel geweigerd verdere medewerking te verlenen aan het onderzoek. Gelet op voornoemde houding van verdachte is op meerdere momenten door de deskundigen overwogen om verdachte nader te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum (PBC). Echter, omdat verdachte vervolgens aangaf wel mee te willen werken en de deskundigen, in samenspraak met de NIFP-begeleiders tot de conclusie kwamen dat er voldoende informatie beschikbaar was om tot beantwoording van de vragen te komen, is daarvan afgezien. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen en wordt daarin gesterkt door het feit dat de psychiater geruime tijd in het PBC werkzaam is geweest en zichzelf in staat heeft geacht een afweging te maken aangaande de meerwaarde van een klinische observatie. Ten aanzien van het verweer dat de deskundigen geen kennis hebben genomen van mogelijk beschikbare rapportages die zijn opgemaakt in het PPC, gaat de rechtbank ervan uit dat de deskundigen ook zonder deze rapportages hun eigen conclusies hebben kunnen trekken. Daarbij komt dat de psychiater van het PPC desgevraagd informatie over de persoon van verdachte heeft verstrekt.

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat de rapportages op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank kan zich dan ook niet verenigen met de stelling van de raadsman dat het onderzoek niet volledig is geweest of dat de deskundigen geen gebruik hebben gemaakt van de juiste risicotaxatieinstrumenten. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank stelt vast dat de deskundigen tot de conclusie komen dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, gecombineerd met een persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven met borderline en antisociale trekken. Tevens was ten tijde van het bewezen verklaarde feit sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van alcoholafhankelijkheid en misbruik van cocaïne.

De deskundigen concluderen voorts dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt en dat sprake is van een hoog recidivegevaar. De rechtbank neemt deze conclusies over, maakt deze tot de hare en acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte, gelet op zijn ernstige psychische problematiek, een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft. TBS met voorwaarden is volgens de deskundigen daartoe onvoldoende. Verdachte zal naar alle waarschijnlijkheid niet bereid zijn om voorwaarden na te leven of zal daartoe niet in staat zijn, omdat hij het nut en de noodzaak ervan niet in ziet. Vooral het recidivegevaar kan onvoldoende worden afgewend door het stellen van voorwaarden die zien op het gedrag, gegeven het snel oplopen van spanning en frustraties bij verdachte. Om een behandeling aan te gaan is het nodig dat verdachte zijn problemen onderkent en bereid is om eraan te werken. Met betrekking tot de onderkenning verkeert verdachte nog in de beginfase van een leer/behandeltraject.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit, het grote recidivegevaar en de noodzaak van een langdurige klinische behandeling, is de rechtbank van oordeel dat TBS met dwangverpleging moet worden opgelegd. Uit het oogpunt van beveiliging van de maatschappij kan niet worden volstaan met een TBS met voorwaarden, dan wel eventuele voorwaarden die in een later stadium kunnen worden gesteld in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank heeft bij haar beslissing tevens betrokken dat een TBS met voorwaarden in tijd beperkt is en dat verdachte zich in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij naast het feit dat het voorwaardelijke deel eveneens in tijd beperkt is, kan onttrekken aan de opgelegde voorwaarden waarbij de kans bestaat dat hij het resterende gedeelte van de gevangenisstraf uitzit en zonder behandeling terugkeert in de maatschappij. Voor de behandeling van de problematiek van verdachte moet de tijd genomen kunnen worden die nodig is en vervolgstappen in het kader van verlofmogelijkheden en een gefaseerde resocialisatie moeten stapsgewijs in gang kunnen worden gezet. Tenslotte overweegt de rechtbank hierbij nog dat, gelet op het bepaalde in het vijfde lid van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht, in het geval van het opleggen van TBS met voorwaarden een vrijheidsstraf van ten hoogste vijf jaar kan worden opgelegd en dat een vrijheidsstraf van vijf jaar of korter geen recht doet aan het onderhavige feit.

Op grond van het voorgaande dient verdachte ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien het bewezen verklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, stelt de rechtbank vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaar.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat naast de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege een gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank enerzijds rekening met de ernst van het bewezenverklaarde feit, de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden waaronder dit feit heeft plaatsgevonden en de gevolgen daarvan voor de nabestaanden.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en het feit dat verdachte een langdurige, intensieve behandeling nodig zal hebben. Daar waar bij een volledige toerekeningsvatbare verdachte een gevangenisstraf van tien jaren op zijn plaats zou zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat alle belangen afwegende, de eis van de officier van justitie in deze zaak en voor deze verdachte passend en geboden is. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.

Benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

is de minderjarige zoon van het slachtoffer. Zijn wettelijke vertegenwoordiger, te weten [naam vertegenwoordiger] , heeft zich namens hem voor aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De raadsman van de benadeelde partij, mr. R. Korver, heeft deze vordering ter terechtzitting toegelicht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten met uitzondering van de kosten voor het hoger beroep, de gevorderde shockschade en de kosten voor rechtsbijstand worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde kosten voor gederfd levensonderhoud. De officier van justitie heeft ten aanzien van de immateriële schade gevorderd dat de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde schade die betrekking heeft op het gederfde levensonderhoud is door de verdediging bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering te complex is en een beoordeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafgeding zal opleveren.

Door de verdediging is bepleit de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de reiskosten niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering is ingediend door een minderjarige die niet daadwerkelijk deze schade heeft geleden.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade op grond van affectieschade acht de verdediging evenmin toewijsbaar, omdat de huidige wetgeving hierin niet voorziet.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat het deel van de vordering dat ziet op de door de benadeelde partij gevorderde shockschade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet is voldaan aan de door de Hoge Raad in het Taxibusarrest gegeven criteria. Er is niet voldaan aan het criterium dat bij de benadeelde partij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Nader onderzoek naar de vraag of sprake is van een dergelijk ziektebeeld, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde kosten voor rechtsbijstand heeft de verdediging bepleit dat voor de hoogte van het bedrag aansluiting moet worden gezocht bij de begroting van de proceskosten in civiele procedures, te weten het liquidatietarief.

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade in verband met affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Vaste jurisprudentie is dat slechts de situatie als bedoeld in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), de zogenoemde shockschade voor vergoeding in aanmerking kan komen. Hieronder valt niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden/om het leven brengen van een dierbare, ook wel genoemd affectieschade.

Een deel van de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op affectieschade.

Door de verdediging is aangevoerd dat er aanleiding is om, in afwijking van het geldende recht, over te gaan tot vergoeding van affectieschade. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Europese Richtlijn 2012/29 EU (die het slachtofferbegrip uitbreidt tot familieleden van slachtoffers) in relatie tot artikel 8 EVRM; het thans aanhangige wetsontwerp 34.236 (Wet tot implementatie van de richtlijn 2012/29/EU inzake minimumnormen voor slachtoffers van strafbare feiten) en voor wat betreft de hoogte van de vordering bij het wetsvoorstel 34.257 inzake affectieschade.

Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar aan toe in het arrest Vilt (HR 2009: BI 8583) dat dit niet anders is, als het gaat on (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van een opzettelijk misdrijf.

Ook aan Richtlijn 2012/29/EU kan een dergelijk recht niet worden ontleend, In beginsel heeft een Europese richtlijn werking tussen burgers en overheid, niet tussen burgers onderling. Alleen in uitzonderingsgevallen, indien het gaat om een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie, kan dat anders zijn (HvJ EU, 15-01-2014, C-176/12). Een zodanig recht is hier niet aan de orde.

Bovendien rijst de vraag of de Richtlijn op dit punt voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Uit artikel 16 van de Richtlijn in samenhang met overweging 19 van de preambule van de Richtlijn zou mogelijk kunnen volgen dat de lidstaten een regeling moeten treffen waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat ook aan nabestaanden van een slachtoffer, de indirecte slachtoffers, een schadevergoeding toekomt. Op welke schade de Richtlijn daarbij het oog heeft, op welke wijze dat zou moeten gebeuren en of dat in of buiten het strafproces zou moeten gebeuren wordt echter open gelaten. Evenzeer is niet zonder meer duidelijk wat er zou moeten gebeuren in geval van strafbare feiten die zijn gepleegd voor de inwerkingtreding van de Richtlijn. In het geval de Richtlijn niet duidelijk zou zijn, is namens de benadeelde partij verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in het kader van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De rechtbank zal hiertoe niet overgaan, nu dit een aanzienlijke vertraging en daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Tot slot ziet de rechtbank ook in een beroep op het bij de Tweede kamer ingediende wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeden van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op het toekennen van schadevergoeding van zogenaamde affectieschade. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Shockschade

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde shockschade overweegt de rechtbank dat ook deze schade niet tot toewijzing van de gevorderde immateriële schade kan leiden. Naar vaste jurisprudentie is van shockschade als bedoeld in artikel 6:106 BW alleen sprake bij schade die is ontstaan door een hevige emotionele schok door het direct waarnemen van de gebeurtenis of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan door een naaste, waaruit geestelijk letsel voortvloeit.

De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De rechtbank stelt voorop dat het aannemelijk is dat het zien van het slachtoffer door de benadeelde partij een hevige schok bij hem teweeg heeft gebracht. Dit moet een verschrikkelijk beeld zijn geweest. De rechtbank moet echter vanuit juridisch oogpunt beoordelen of die waarneming een hevige schok teweeg heeft gebracht, waaruit geestelijk letsel (een psychiatrisch erkend ziektebeeld) is voortgevloeid. Een vermoeden dat sprake is van een PTSS acht de rechtbank voor de vaststelling van geestelijk letsel en daarmee een toewijzing van vergoeding voor shockschade onvoldoende. Ter onderbouwing van de aanwezigheid van geestelijk letsel zijn namens de benadeelde partij geen feiten of omstandigheden aangevoerd en evenmin zijn nadere stukken overgelegd. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op het toekennen van schadevergoeding als gevolg van shockschade. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Wanneer geestelijk letsel bij de benadeelde partij vastgesteld kan worden kan deze zich dus tot de burgerlijke rechter wenden.

Materiële schade

Met betrekking tot de vordering die ziet op gederfd levensonderhoud stelt de rechtbank het volgende voorop.

Uitgangspunt bij het berekenen van de schadevergoeding in geval van overlijden is dat de levensstandaard van de nabestaande zoveel als mogelijk gelijk blijft aan de hypothetische situatie zonder overlijden. De nabestaande dient dus zoveel als mogelijk in staat gesteld te worden de levensstandaard van voor het overlijden te behouden, mede gelet op hoe deze levensstandaard in de hypothetische situatie zonder overlijden (in de toekomst) zou zijn geweest. De omvang van de schadevergoeding hangt af van de behoeftigheid van de nabestaande en van de verwachting over de mate waarin de overledene dit levensonderhoud zou hebben verschaft. Indien de nabestaande in de situatie na overlijden voldoende in de behoefte kan voorzien, is hij in beginsel niet behoeftig.

Zowel met betrekking tot de situatie voor het overlijden, als met betrekking tot de situatie na het overlijden zullen nabestaanden veel informatie moeten verschaffen om het recht op schadevergoeding te kunnen berekenen. De gehele levensstandaard en daarmee dus alle inkomsten en uitgaven zijn van belang.

Ook de draagkracht van de aansprakelijke partij kan invloed hebben op de uiteindelijke hoogte van de schadevergoeding, al is dat niet via artikel 6:108 BW, maar via artikel 6:109 BW, te weten matiging van de schadevergoeding door de rechter.

Namens de benadeelde partij is een berekening in het geding gebracht, opgesteld door [Bureau] . Deze berekening is gebaseerd op de door de Denktank Overlijdensschade gepresenteerde berekeningssystematiek (notitie Denktank Overlijdensschade) en becijfert de draagkracht van het slachtoffer en de behoefte van de benadeelde partij. Zoals ook door voornoemd Bureau wordt onderkend ziet deze berekeningssystematiek op traditionele twee-oudergezinssituaties waarbij de overledene en de nabestaande(n) deel uitmaken van een economische eenheid en niet op de situatie van de benadeelde partij die als het ware van de ene economische eenheid overgaat naar een andere economische eenheid. De rechtbank kan het Bureau niet volgen in de aanpassing die zij vervolgens heeft uitgevoerd om de situatie van de benadeelde partij te berekenen. Van de zijde van verdachte is verweer gevoerd op diverse punten zoals onder meer de toename van de draagkracht van het slachtoffer, de omvang van de behoeftigheid van de benadeelde partij en de opgevoerde opvangkosten.

Voor de situatie van de benadeelde partij geldt dat zijn vader onderhoudsplichtig jegens hem is en hem in zijn onderhoud voorziet. De rechtbank beschikt niet over de gegevens die zien op de financiële positie van zijn vader en in hoeverre hij de benadeelde partij in zijn onderhoud kan voorzien. Voor een juiste beoordeling van deze vordering is dan ook nader onderzoek noodzakelijk, waarvoor in deze strafprocedure geen ruimte is, en welk onderzoek, indien dit in het kader van onderhavige strafzaak zou moeten worden verricht, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot de vordering die ziet op de reiskosten overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank het deel van de vordering dat ziet op het bezoek aan de raadsman, eveneens niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de overige gestelde reiskosten van € 49,24 voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die door de verdediging is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd ter zake van reiskosten.

Met betrekking tot de vordering die ziet op de kosten rechtsbijstand en de buitengerechtelijke kosten is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de gehele vordering, met uitzondering van een deel van de reiskosten, niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

is de vader van het slachtoffer. Hij heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. L.R. Harteveld, heeft deze vordering ter terechtzitting toegelicht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten met uitzondering van de kosten voor het hoger beroep en de gevorderde uitvaartkosten worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de immateriële schade gevorderd dat de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de gevorderde kosten die betrekking hebben op de reiskosten, met uitzondering van de reiskosten voor een eventueel hoger beroep, niet betwist. Dit geldt ook voor de gevorderde kosten die betrekking hebben op de uitvaart en de gedenksteen.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade op grond van affectieschade acht de verdediging niet toewijsbaar, omdat de huidige wetgeving hierin niet voorziet.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade die ziet op de reiskosten, met uitzondering van de reiskosten voor een eventueel hoger beroep, als ook de kosten die betrekking hebben op de uitvaart en de gedenksteen voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten het moment waarop de reiskosten en de facturen zijn betaald.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen, nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank merkt hierbij op dat de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd ter zake van reiskosten.

De rechtbank zal het deel van de vordering dat ziet op de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Zij verwijst daarbij naar hetgeen daartoe is overwogen ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] . De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Overige benadeelde partijen

De benadeelde partijen [naam benadeelde partij 3] , [naam benadeelde partij 4] , [naam benadeelde partij 5] en

[naam benadeelde partij 6] hebben zich afzonderlijk voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd door middel van indiening van de voorgeschreven formulieren bevattende de opgave van de vorderingen tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berusten. De raadsvrouw van de benadeelde partijen, mr. L.R. Harteveld, heeft deze vorderingen ter terechtzitting toegelicht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade op grond van affectieschade acht de verdediging niet toewijsbaar, omdat de huidige wetgeving hierin niet voorziet.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Zij verwijst daarbij naar hetgeen daartoe is overwogen ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] . De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de ten laste gelegde doodslag bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 49,24 (zegge: negenenveertig euro en vierentwintig eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [naam benadeelde partij 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 19.513,26 (zegge: negentienduizend vijfhonderddertien euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten het moment waarop de reiskosten en de facturen zijn betaald.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 19.202,09 (zegge: negentienduizend tweehonderdtwee euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten het moment waarop de facturen zijn betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 131 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. F. Sieders, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2016.

w.g.

Wijma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Sieders

locatie Leeuwarden,

Fokkema

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2015236483, gesloten op 20 november 2015.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2015, p. 500 e.v.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2015, p. 497 e.v.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2015, p. 150 e.v. en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2015, p. 171 e.v.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 augustus 2015, p. 174 e.v. en het proces-verbaal van bevindingen, p. 272 e.v.

6 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 augustus 2015, p. 78.

7 De eigen verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 9 juni 2016.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van Unit Forensische-technische Expertise, p. 1007.

9 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut genaamd "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood" d.d. 20 augustus 2015, p. 1100 e.v.