Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2905

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
418794 \ CV EXPL 13-506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verplichte deelname bedrijfstakregelingen, werkingssfeeronderzoek, strekking art. 220 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1741
PJ 2016/114 met annotatie van B. Degelink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 418794 \ CV EXPL 13-506

vonnis van de kantonrechter d.d. 15 juni 2016

inzake

1. de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te Den Haag,

2. de stichting

STICHTING VERVROEGD UITTREDEN METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te Den Haag,

3. de stichting

STICHTING SOCIAAL FONDS METAAL EN TECHNIEK,

gevestigd te Den Haag,

4. de naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERING METAAL EN TECHNISCHE BEDRIJFSTAKKEN,

gevestigd te Rijswijk (Zuid-Holland),

5. de stichting

STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR HET METAALBEWERKINGSBEDRIJF,

gevestigd te Den Haag,

eiseressen in de hoofdzaak, tevens verweersters in het incident,

gemachtigden: mr. M.J.H. Halsema en mr. R. Leeuwrik,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POINTER RIJWIELEN B.V.,

gevestigd te Boelenslaan,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POINTER HOLDING B.V.,

gevestigd te Damwoude,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POINTER BEHEER B.V.,

gevestigd te Damwoude,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARONDIE BEDRIJFSDIENSTEN B.V.,

gevestigd te Damwoude,

5. [A],

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagden in de hoofdzaak, tevens eiseressen in het incident,

gemachtigde: mr. P. Habermehl.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk de Fondsen in de Metaal en Techniek worden genoemd. Gedaagde sub 1. zal Pointer Rijwielen worden genoemd, gedaagde sub 2. Pointer Holding, gedaagde sub 3. Pointer Beheer, gedaagde sub 4. Arondie en gedaagde sub 5. [A] . De gedaagden sub 1 tot en met 4 zullen gezamenlijk de Pointer Groep worden genoemd en de gedaagden sub 1 tot en met 5 gezamenlijk gedaagden.

1 De procedure

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 februari 2014;

- de akte van 22 april 2015 van de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek, waarvan onderdeel uitmaakt het rapport van 8 april 2015 naar aanleiding van het werkingssfeeronderzoek;

- de antwoordakte van 1 juli 2015 van de zijde van de Pointer Groep en [A] ;

- de akte uitlating producties van 23 september 2015 van de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

in de hoofdzaak

2.1.

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 28 februari 2014 en handhaaft hetgeen in dat vonnis is overwogen en beslist. Bij dat vonnis is het primair door de Fondsen in de Metaal en Techniek gevorderde afgewezen, is het subsidiair sub 1. gevorderde toegewezen waarmee - samengevat - de Pointer Groep is veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, mee te werken aan een werkingssfeeronderzoek, uit te voeren door Mn Services en is het subsidiair sub 2. (i. t/m iii.) gevorderde aangehouden totdat het werkingssfeeronderzoek zou zijn afgerond. Dit werkingssfeeronderzoek diende er toe om vast te kunnen stellen of de Pointer Groep (of een of meer van de daartoe behorende vennootschappen) kwalificeert/kwalificeren als 'werkgever in de Metaal en Techniek' zoals gedefinieerd in de bedrijfstakregelingen voor de Metaal en Techniek (hierna: de Bedrijfstakregelingen). Het oordeel over de jegens [A] ingestelde subsidiaire vordering is eveneens aangehouden in afwachting van de uitkomst van het werkingssfeeronderzoek.

2.2.

Het werkingssfeeronderzoek heeft plaatsgevonden. In het kader van dit onderzoek hebben twee medewerkers van Mn Services, de heren N. Santema en M. Grundeken, bezoeken gebracht aan de vestiging van de Pointer Groep in Boelenslaan. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden op 22 mei 2014, 26 mei 2014, 15 oktober 2014 en 22 oktober 2014. Op 15 oktober 2014 zijn drie werknemers geïnterviewd, te weten [werknemer 1] , teamleider rijwielfabriek, [werknemer 2] , magazijnbeheerder en [werknemer 3] , algemeen medewerker, en op 22 oktober 2014 twee werknemers, te weten [werknemer 4] , algemeen medewerker, en [werknemer 5] , hoofd personeelszaken.

2.3.

De rapportage naar aanleiding van het werkingssfeeronderzoek, gedateerd 8 april 2015 (hierna: het rapport), is door de Fondsen in de Metaal en Techniek bij akte van 22 april 2015 in het geding gebracht. Het rapport beslaat 32 pagina's, met daarbij 20 (hoofd)bijlagen en een groot aantal sub bijlagen, waaronder in de bedrijfshal genomen foto's en diverse personeelsoverzichten. In het hierna volgende vanaf 2.13. zal worden geoordeeld naar aanleiding van de bevindingen en conclusies uit dat rapport en zullen, daar waar nodig, onderdelen uit dit rapport worden aangehaald. Daaraan voorafgaande overweegt de kantonrechter het navolgende.

Gang van zaken rondom de totstandkoming van het rapport

2.4.

In de periode gelegen tussen het tussenvonnis van 28 februari 2014 en het in het geding brengen van het rapport is er door partijen gecorrespondeerd met de rechtbank in verband met (onder meer) verzoeken om uitstel.

2.5.

In een aan de rechtbank gericht faxbericht van 11 augustus 2014 zijdens gedaagden is als bijlage gevoegd een brief van 26 juni 2014 namens de Fondsen in de Metaal en Techniek gericht aan de Pointer Groep (door gedaagden tevens overgelegd als productie 2 bij de akte van 1 juli 2015). In deze brief van 26 juni 2014 staat onder meer het navolgende vermeld:

"Middels deze brief informeren wij u over onze bevindingen naar aanleiding van het door ons verrichte werkingssfeeronderzoek (….).

(…) Helaas hebben wij slechts inzage gehad in uw administratie vanaf 2007. (…) Daarnaast hebben wij enkele inconsistenties geconstateerd welke wij hieronder nader zullen toelichten. (… …)

Verplichtstelling Bedrijfstakregeling Metaal en Techniek

Op basis van het door ons verrichte werkingssfeeronderzoek concluderen wij dat, gezien de feitelijke werkzaamheden van de werknemers op de loonlijst, Pointer Holding B.V. verplicht is deel te nemen aan de Bedrijfstakregelingen Metaal en Techniek. Pointer Rijwielen B.V. is verplicht tot en met 31 december 2011. Naar aanleiding van de verklaringen van zowel [X] als van uzelf valt te concluderen dat er al vanaf 1 januari 2002 sprake is van de verplichting om deel te nemen aan de Bedrijfstakregelingen Metaal en Techniek omdat de werkzaamheden nagenoeg ongewijzigd zijn ten opzichte van 2007.

Overdracht stukken

Gezien de lopende procedure bij de rechtbank te Leeuwarden zullen wij alle stukken met betrekking tot het door ons verrichte werkingssfeeronderzoek overdragen aan onze advocaat de heer Halsema."

2.6.

Mn Services heeft vervolgens namens de Fondsen in de Metaal en Techniek bij brief van 15 augustus 2014 aan de Pointer Groep bericht dat het werkingssfeeronderzoek nog niet was afgerond en om aanvullende informatie gevraagd. Gedaagden hebben naar aanleiding hiervan onder meer gesteld dat het werkingssfeeronderzoek op 26 juni 2014 was afgerond, dat ten onrechte het onderzoeksrapport van dat onderzoek niet aan hen ter hand is gesteld, alsmede dat Mn Services het werkingssfeeronderzoek niet onafhankelijk heeft uitgevoerd. Zij hebben er in dat kader nog op gewezen dat op het briefpapier van de brief van 26 juni 2014 logo's van de Fondsen in de Metaal en Techniek staan afgedrukt, alsmede dat Mn Services de gemachtigde van de Fondsen in de Metaal en Techniek in de brief aanmerkt als onze advocaat. Ook hebben gedaagden aangegeven dat aan de Fondsen in de Metaal en Techniek door Mn Services waarschijnlijk (voorlopige) tussenrapportages ter inzage zijn verschaft waar gedaagden ten onrechte geen inzage in hebben gekregen.

2.7.

Met gedaagden is de kantonrechter van oordeel dat in de brief van 26 juni 2014 op zijn minst de indruk wordt gewekt dat het werkingssfeeronderzoek op dat moment als afgerond werd beschouwd. Weliswaar wordt in de brief melding gemaakt van beperkte inzage in de administratie vanaf 2007, terwijl de onderzoeksopdracht de periode vanaf het jaar 2002 omvatte, en wordt een aantal geconstateerde inconsistenties in de door de Pointer Groep ter beschikking gestelde informatie vermeld, maar er wordt geen melding gemaakt van het feit dat in verband hiermee (in een later stadium) nog nadere opheldering zal dienen te worden verschaft. De hiervoor onder 2.5. geciteerde slotpassages van de brief kunnen naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de daarin zonder voorbehoud gegeven conclusies en de mededeling dat de stukken aan de advocaat zullen worden overgedragen, niet anders worden begrepen dan als een kennisgeving dat het onderzoek is afgerond. De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben weliswaar gesteld dat de door gedaagden geconstateerde discrepantie tussen de inhoud van de brief en de stelling dat het onderzoek nog niet was afgerond er niet is (voetnoot 21 in de akte uitlating producties), maar zij hebben dat niet verder toegelicht en gelet op het voorgaande overtuigt dat niet.

2.8.

Dit oordeel leidt er evenwel niet toe dat - zoals door gedaagden is aangevoerd - het rapport buiten beschouwing dient te blijven voor zover daarin verslag wordt gedaan van de tweede fase van het onderzoek (uitgevoerd na de brief van 26 juni 2014), althans daar waar het betreft de periode vanaf 2002. Daartoe is redengevend dat dit nadere onderzoek met name heeft bestaan uit gesprekken met werknemers, waarvan reeds in het tussenvonnis van 28 februari 2014 (rechtsoverweging 4.14.) was aangegeven dat die onderdeel uit zouden kunnen maken van het werkingssfeeronderzoek voor zover dat naar het oordeel van Mn Services wenselijk zou zijn. Voorts maakt het enkele feit dat met de brief van 26 juni 2014 de indruk is gewekt dat het werkingssfeeronderzoek was afgerond nog niet dat Mn Services niet het recht zou hebben om nog enig nader onderzoek te (laten) doen indien bij nader inzien blijkt dat de verkregen informatie nog niet voldoende is om een eindrapport op te stellen, terwijl ook overigens niet is gesteld door gedaagden of anderszins is gebleken dat de tweede fase van het onderzoek nodeloos belastend was voor de Pointer Groep, om welke reden redelijkerwijs niet gevergd hoefde te worden van de Pointer Groep dat zij daaraan haar medewerking verleende.

2.9.

De kantonrechter ziet in het door de gedaagden aangevoerde evenmin aanleiding om de onafhankelijkheid van het onderzoek in twijfel te trekken. Mn Services is de administrateur van de Fondsen in de Metaal en Techniek en heeft als zodanig uiteraard een relatie met deze Fondsen. Reeds in het tussenvonnis van 28 februari 2014 heeft de kantonrechter de ook toen door gedaagden geuite twijfel aangaande de onafhankelijkheid van Mn Services gepasseerd en in hetgeen thans is aangevoerd ziet de kantonrechter geen grond om terzake anders te oordelen. De kantonrechter merkt daarbij nog op dat Mn Services als administrateur van de Fondsen in de Metaal en Techniek feitelijk uitvoering geeft aan de

- krachtens algemeen verbindend verklaring - aan de Fondsen in de Metaal en Techniek wettelijk opgelegde taak om de Bedrijfstakregelingen uit te voeren. De vraag of er, naar aanleiding van de eerste fase van het werkingssfeeronderzoek, al dan niet voorlopige tussenrapportages zijn geweest die mogelijk aan de Fondsen in de Metaal en Techniek ter inzage zijn verstrekt, doet voorts voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet ter zake, nu de kantonrechter slechts oordeelt op basis van het rapport zoals dat in het geding is gebracht en waar beide partijen zich over hebben kunnen uitlaten, zodat het beginsel van hoor en wederhoor daarbij in acht is genomen.

2.10.

Uit het naar aanleiding van het werkingssfeer opgestelde rapport leidt de kantonrechter voorts af dat het na 26 juni 2014 nog verrichte onderzoek (door gedaagden de tweede fase van het onderzoek genoemd) met name betrekking had op de periode vóór 2002. Hiermee staat in verband een ander verwijt dat gedaagden aan de onderzoekers maken, namelijk dat zij in strijd met de in het vonnis van 28 februari 2014 gegeven opdracht ook de periode vóór het jaar 2002 hebben onderzocht. De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben in dat kader gesteld dat uit het onderzoek is gebleken dat [A] bij het werkingssfeeronderzoek dat in 2002 heeft plaatsgevonden bedrog heeft gepleegd en zij hebben de kantonrechter om die reden verzocht om in zoverre op de beslissing in het vonnis van 28 februari 2014 terug te komen, dat voor recht zal worden verklaard dat Pointer Holding vanaf haar oprichtingsdatum in 1991 kwalificeert als werkgever in de Metaal en Techniek.

2.11.

De kantonrechter ziet in hetgeen door de Fondsen in de Metaal en Techniek is aangevoerd geen grond om terug te komen op de beslissing om het werkingssfeeronderzoek te beperken tot de periode vanaf het jaar 2002. De redenen om het onderzoek te gelasten vanaf het jaar 2002 zijn genoegzaam gegeven in voornoemd vonnis. Dat de onderzoekers thans mogelijk aanwijzingen hebben gevonden op grond waarvan verondersteld zou kunnen worden dat Pointer Holding, Pointer Rijwielen en/of Pointer Beheer (dan wel haar rechtsvoorgangster Rijwielfabriek Pointer B.V.) reeds vóór het jaar 2002 onder de werkingssfeer van de Bedrijfstakregelingen vielen voegt onvoldoende toe aan hetgeen de Fondsen in de Metaal en Techniek hieromtrent reeds in de inleidende dagvaarding hebben gesteld en vormt geen aanleiding om in het kader van de onderhavige procedure een in 2002 alsdan kennelijk door de Fondsen in de Metaal en Techniek niet deugdelijk of niet volledig uitgevoerd werkingssfeeronderzoek te herstellen. Daar komt bij dat de gedaagden zich na het vonnis van 28 februari 2014 hebben mogen instellen op de in dat vonnis gegeven onderzoeksopdracht en de uitbreiding die de onderzoekers daaraan kennelijk hebben gegeven niet hadden hoeven verwachten. De kantonrechter is van oordeel dat indien de Fondsen in de Metaal en Techniek in de eerste bevindingen van de onderzoekers aanleiding zouden hebben gezien om in het kader van deze procedure het onderzoek uit te (willen) breiden naar de jaren vóór 2002, zij dit tijdig aan de kantonrechter hadden kunnen voorleggen, mede om gedaagden in de gelegenheid te kunnen stellen om zich daarover uit te laten. Voor wat betreft het door de Fondsen in de Metaal en Techniek is aangevoerd aangaande door [A] gepleegd bedrog verwijst de kantonrechter voorts naar hetgeen verderop in dit vonnis wordt geoordeeld ter zake de door de Fondsen voor de Metaal en Techniek jegens [A] ingestelde vordering.

2.12.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het rapport van 8 april 2015 bij de verdere beoordeling in aanmerking zal worden genomen voor zover het betreft de bevindingen en daaruit getrokken conclusies vanaf het jaar 2002. De kantonrechter overweegt in dit kader nog dat de conclusies die in de brief van 26 juni 2014 staan vermeld ten aanzien van Pointer Holding en Pointer Rijwielen niet afwijken van de conclusies die in het eindrapport van 8 april 2015 worden getrokken, zodat het na 26 juni 2014 nog verrichte onderzoek aan die eindconclusies niets afdoet, maar deze slechts nader onderbouwen. Hetgeen door gedaagden in hun antwoordakte verder nog is aangevoerd met betrekking tot de gang van zaken na 26 juni 2014 en tijdens de tweede fase leidt niet tot enig ander oordeel.

Het rapport

2.13.

In het rapport worden vier tot de Pointer Groep behorende vennootschappen onderscheiden, gedaagden sub 1 tot en met 4. Voorts wordt daarin het navolgende aangegeven met betrekking tot de bedrijfsonderdelen:

"Het bedrijf is op te splitsen in de volgende 3 onderdelen:

a) een lakstraat. Hier bevinden zich de door Pointer Groep ingekochte frames, spatborden, et cetera voor rijwielen. de werkzaamheden in de lakstraat betreffen het stralen, ophangen, lakken, drogen en afnemen van frames, voorvorken, spatborden et cetera en het bij-spuiten van rijwielonderdelen. (…)

b) een montageafdeling. Hier worden de onderdelen tot een rijwiel gemonteerd en vindt tevens 'deelmontage' plaats, zoals (bijvoorbeeld) het monteren van spaken in velgen en het samenstellen van voorvorken met kogellagers. Ook worden hier onderdelen van rijwielen vervangen en worden rijwielen 'verkoopklaar' gemaakt. (…)

c) een magazijnhal met rijwielonderdelen en complete rijwielen. (…)

Natuurlijk zijn er ook nog ruimten voor de 'administratie' en het 'management'. De daarmee gemoeide werkzaamheden betreffen echter, zoals hierna zal blijken, niet de hoofdzaak. (…)"

2.14.

Ten aanzien van de omvang van de werkzaamheden is het navolgende vermeld:

"In 2013/2014 vindt volgens de heer [A] nog aan 70 tot 75% van de 6.000 verkochte rijwielen ('fietsen') op jaarbasis een bewerking zoals 'stralen/lakken/assembleren/monteren' plaats voordat deze verkocht kunnen worden. Tot het jaar 2000 was dit waarschijnlijk 100%. Dit is volgens de heer [A] geleidelijk afgenomen tot 70 à 75% in 2013.

Ongeveer 25 tot 30% van de rijwielen komt volgens de heer [A] 'nagenoeg compleet' binnen (o.a. de 'elektrische fietsen'). Bij deze rijwielen worden uitsluitend montagewerkzaamheden aan bijvoorbeeld stuur, koplamp, achterlicht, kettingkast, jasbeschermers en trappers verricht.

Alle rijwielen worden door de Pointer Groep 'verkoopklaar' gemaakt voor (uitsluitend) de detailhandel."

2.15.

Voorts vermeldt het rapport onder paragraaf 4: "De functies binnen de Pointer Groep":

"De heren [A] en [X] geven een toelichting op de volgende functies:

a) algemeen medewerker: de werkzaamheden bestaan uit het ophalen van losse onderdelen uit het magazijn, het ophangen van spatborden, frames van rijwielen en andere rijwielonderdelen in de lakstraat, het bij-spuiten van de onderdelen in de lakstraat, het afhangen van de gelakte onderdelen uit de lakstraat en voorts het terugbrengen naar het magazijn van de gelakte onderdelen. Voorts behoren tot zijn werkzaamheden het assembleren en monteren van rijwielen (inclusief de gelakte onderdelen) op de montageafdeling. De wielen worden door de medewerker zelf vervaardigd/geassembleerd. Hij spant spaken en brengt banden aan, et cetera. De fiets wordt door de medewerker 'verkoopklaar' gemaakt. Ten slotte wordt het rijwiel ingepakt en opgeslagen in het magazijn.

b) e-bike technisch adviseur: adviseert en ondersteunt de rijwielhandelaren ('detailhandel') op technisch gebied (35% van de werkweek). de overige 65% van de tijd houdt hij zich bezig met 'stralen/lakken/assembleren/monteren' en logistieke werkzaamheden met betrekking tot rijwielen.

c) magazijnmedewerker: verdeelt (met behulp van een vorkheftruck) de goederen (rijwielen en rijwielonderdelen) in het magazijn.

d) werkvoorbereider: plant, verdeelt de werkzaamheden en zorgt voor kwaliteitscontrole van de 'verkoopklaar' gemaakte rijwielen."

2.16.

Onder paragraaf 5: "De ter beschikking gestelde administratie'' staat onder meer vermeld:

"(…) De gevraagde documentatie van de jaren daarvoor (2002 tot en met 2006) is volgens de heer [A] niet meer aanwezig. De heer [A] beroept zich op een wettelijke bewaartermijn van 7 jaar als reden daarvoor. De wel aanwezige 'administratie' betreft:

a) (…)

(… …)

e) (…)

(……)

De door Pointer Holding B.V. zelf vervaardigde overzichten met percentages hebben (…) betrekking op de gehele periode 2002 tot en met 2013. Hoewel deze overzichten (a) uitgaan van een onjuiste procentuele benadering van de werkingssfeer en (b) eveneens een (te) beperkte omschrijving van de werkzaamheden van de werknemers lijken te geven, is het (zoals hierna nog zal blijken) aannemelijk dat de door Pointer Holding B.V. genoemde 'TO-werkzaamheden' (technisch ondersteunende werkzaamheden) en 'magazijn-werkzaamheden' kwalificeren als werkzaamheden behorende tot de Metaal en Techniek. Deze werkzaamheden zullen immers de werkzaamheden van de werknemers, zoals hiervoor bedoeld in paragraaf 4 onder a tot en met d genoemd, betreffen.

Indien de (onjuiste) procentuele benadering (van de werkingssfeer van Pointer Holding B.V.) wordt gevolgd, dan blijkt uit bijlage 3 dat de samengestelde percentages voor de door Pointer Holding B.V. genoemde 'TO-werkzaamheden' en 'magazijn-werkzaamheden' gedurende de navolgende jaren (blijkens haar eigen overzichten) als volgt luiden: 2002-2005 (35% + 24% =) 59%, 2006 (36% + 22% =) 58%, 2008 (35% + 24% =) 59%, 2009 (35% + 2% =) 57%, 2010 (32% + 22% =) 54%, 2011 (34% + 21%=) 55%, 2012 (36% + 23% =) 59% en 2013 (36% + 22% =) 58%.

Ten slotte volgt dan uit deze (onjuiste) procentuele benadering dat Pointer Holding B.V. gedurende de periode 2002 tot en met 2013 kwalificeert als een Werkgever in de Metaal en Techniek. Zie verder de hierna nog aan de orde komende tabel 1 met toelichting bij bijlage 20."

2.17.

De bedoelde tabel 1 bij bijlage 20a betreft een overzicht met daarop vermeld 29 werknemers van Pointer Holding, met naam, werksoort/functie, aantal uren per week, datum van indiensttreding, waar van toepassing datum van uitdiensttreding en de voor de jaren 2002-2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 door middel van een vijftal kleuren aangegeven functiecategorieën, te weten:

- groen: de werknemer is in dienst en verricht lak- en/of montagewerkzaamheden aan (onderdelen van) rijwielen;

- blauw: de werknemer is in dienst en is betrokken bij lak- en/of montagewerkzaamheden aan (onderdelen van) rijwielen;

- oranje: de werknemer is in dienst en is betrokken bij de in- en verkoop van (onderdelen van) rijwielen;

- geel: de werknemer is in dienst en verricht werkzaamheden op het gebied van management, administratie, personeelszaken, marketing;

- rood: de werknemer is in dienst en verricht huishoudelijke taken.

Daaronder wordt als conclusie vermeld:

"Conclusie: met betrekking tot de jaren 2002 tot en met 2013 blijkt uit de tabel dat de absolute meerderheid van de werknemers van Pointer Holding B.V. lak- en/of montagewerkzaamheden verricht (groen) en de absolute meerderheid van de werknemers 'betrokken is bij' deze werkzaamheden (blauw c.q. groen). De resterende werknemers zijn dan werkzaam in een onderneming waarin (kort gezegd) in hoofdzaak werkzaamheden aan rijwielen worden uitgeoefend (geel en rood). Dit laatste geldt ook voor de 'sales werknemers' (oranje) terwijl van deze werknemers ook kan worden gezegd dat zij betrokken zijn bij het 'verkopen (…) van al dan niet gemotoriseerde rijwielen (…)".

De verdere standpunten van partijen naar aanleiding van het rapport

2.18.

De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben zich, kort gezegd, achter de conclusies uit het rapport geschaard. Zij hebben daarbij benadrukt dat uit het rapport (en met name een aantal daarin opgenomen innerlijk tegenstrijdige mededelingen van [A] ) volgt dat de Pointer Groep werknemersgegevens heeft achtergehouden.

2.19.

Gedaagden hebben de bevindingen en conclusies van het rapport betwist. De kern van de inhoudelijke bezwaren van gedaagden tegen het rapport bestaat er uit dat gedaagden een andere invalshoek kiezen met betrekking tot de bij de Pointer Groep verrichte werkzaamheden en de duiding van functies in het licht van de werkingssfeerbepalingen in de CAO, zoals die zijn weergegeven onder 2.2. van het vonnis van 28 februari 2014. Gedaagden verwijten de rapporteurs dat zij zich eenzijdig hebben geconcentreerd op werkzaamheden in de 'fabriek' die onder de Metaal en Techniek vallen en geen oog hebben gehad voor de overige afdelingen binnen het bedrijf, bijvoorbeeld de afdeling verkoop. De rapporteurs hebben het bedrijf volgens gedaagden ten onrechte als fietsenfabriek aangemerkt in plaats van als een in- en verkooporganisatie en hebben werkzaamheden zoals bijvoorbeeld magazijnwerk en technisch ondersteunde werkzaamheden (TO werkzaamheden) ten onrechte allemaal als werkzaamheden in de Metaal en Techniek aangemerkt als gedefinieerd in de Bedrijfstakregelingen. Op basis van het door gedaagden gehanteerde uitgangspunt komen zij tot de navolgende percentages aan werkzaamheden vallende onder de Metaal en Techniek:

2002-2005: 24%,

2006: 22%,

2007: 25%,

2008: 24%,

2009: 22%,

2010: 22%,

2011: 21%,

2012: 23% en

2013: 22%.

Gedaagden baseren zich hierbij op een als bijlage 3 bij het rapport gevoegde opgave betreffende personeelsgegevens die Pointer Holding met betrekking tot de genoemde jaren aan de rapporteurs heeft gedaan.

Het toetsingskader

2.20.

Het werkingssfeeronderzoek heeft betrekking op de vraag in hoeverre de verschillende vennootschappen die behoren tot de Pointer Groep als 'werkgever in de Metaal en Techniek' in de zin van de Bedrijfstakregelingen kwalificeren, en zo ja, over welke periodes, waarbij in het tussenvonnis van 28 februari 2014 als vertrekdatum het jaar 2002 is vastgesteld. Bij het werkingssfeeronderzoek zijn verschillende aspecten aan de orde gekomen, zoals de aard van de werkzaamheden en de personeelsbezetting. Partijen hebben ten aanzien van deze aspecten diverse stellingen betrokken. De kantonrechter zal in het navolgende eerst beoordelen in hoeverre de binnen de onderneming als geheel feitelijk verrichte werkzaamheden dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden in de Metaal en Techniek en zal vervolgens ingaan op de positie van de afzonderlijke vennootschappen.

2.21.

De hiervoor bedoelde beoordeling zal worden gedaan volgens het in de Bedrijfstakregelingen opgenomen toetsingskader. In het tussenvonnis van 28 februari 2014 is onder 2.2. reeds overwogen dat er zowel kwalitatieve als kwantitatieve criteria gelden om als 'werkgever in de Metaal en Techniek' in de zin van de Bedrijfstakregelingen te kwalificeren.

2.22.

Bij de kwalitatieve criterium gaat het om de aard van de werkzaamheden, waarover de Bedrijfstakregelingen onder meer bepalen dat het dient te gaan om:

"Het be- en/of verwerken van metaal, waaronder onder meer wordt verstaan:

a. het (…) assembleren, construeren, (…) monteren, (…) samenstellen, (…) vervaardigen (…) van metaal (…) of van metalen voorwerpen, alles in de ruimste zin van het woord, zoals: apparaten, appendages, (…) rijwielen (…):

(…) Onder vervaardigen wordt in het voorgaande mede verstaan het assembleren, monteren en samenstellen uit van derden betrokken onderdelen."

2.23.

Bij het kwantitatieve criterium gaat het om de hoeveelheid arbeidsuren, waarbij onder een 'werkgever in de Metaal en Techniek' wordt verstaan:

"(…) de werkgever bij wie het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij de werkzaamheden zoals uitgeoefend in de in artikel 1 t/m 17 genoemde takken van bedrijf, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf, blijvende bij de hier voren omschreven vergelijking de economische functie van elk der werkzaamheden buiten beschouwing".

De beoordeling zal derhalve cumulatief aan de hand van beide criteria plaats dienen te vinden.

Ontbrekende gegevens

2.24.

De kantonrechter zal, alvorens te oordelen over de kwalificatie van gedaagden in het kader van de Bedrijfstakregelingen, allereerst ingaan op het door de Fondsen in de Metaal en Techniek aan gedaagden gemaakte verwijt dat zij niet alle gevraagde (personeels)gegevens hebben verstrekt, in het bijzonder daar waar het betreft de administratie tot het jaar 2007. De kantonrechter stelt voorop dat gelet op de kwantitatieve en kwalitatieve criteria die gelden om te bepalen of een werkgever als 'werkgever in de Metaal en Techniek' dient te worden aangemerkt, juiste en volledige personeelsgegevens van groot belang zijn. Daaruit kan immers (mede) worden afgeleid welke werkzaamheden er binnen een bedrijf worden verricht en hoeveel overeengekomen arbeidsuren daarmee gemoeid zijn. Het is aan de desbetreffende werkgever om deze gegevens over te leggen, aangezien deze daarover beschikt en de kantonrechter heeft in het vonnis van 28 februari 2014 reeds geoordeeld dat de Pointer Groep de in het kader van het onderzoek naar de werkingssfeer gevraagde informatie dient te verschaffen.

2.25.

Gedaagden hebben gesteld dat zij alle beschikbare informatie hebben verstrekt. Zij hebben daarbij tevens gesteld dat met werknemers die voor onbepaalde tijd bij Pointer Holding in dienst zijn getreden alleen mondelinge afspraken zijn gemaakt en dat personeelsdossiers ouder dan de bewaartermijn van zeven jaar niet meer voorhanden zijn. Voor zover gedaagden deze termijn van zeven jaar hebben ontleend aan de in artikel 52 lid 4, Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bedoelde bewaartermijn is de kantonrechter van oordeel dat deze termijn niet zonder meer in het kader van werkingssfeeronderzoek aan de Fondsen in de Metaal en Techniek kan worden tegengeworpen. Voorts is komen vast te staan dat Mn Services gedaagden, althans Pointer Holding, reeds in 2010 heeft benaderd in verband met een werkingssfeeronderzoek. Dat gedaagden kennelijke de noodzaak van het (in 2010) verstrekken van informatie aan Mn Services niet inzagen maakt nog niet dat zij geen rekening hoefden te houden met de mogelijkheid dat die informatie op enig moment mogelijk toch zou dienen te worden verstrekt. Dat gedaagden ondanks dit verzoek om informatie kennelijk toch de administratie van vóór 2007 hebben vernietigd, komt voor zover van belang dan ook voor hun risico. Dit laatste geldt eveneens voor de kennelijk bij gedaagden levende gewoonte tot het sluiten van mondelinge arbeidsovereenkomsten.

Werkingssfeer: de kwalitatieve criteria

2.26.

Gedaagden hebben gesteld dat de bedrijfsactiviteiten in de loop der jaren zijn verschoven van de eigen fabricage van fietsen naar handelsactiviteiten. Fietsen, waaronder tegenwoordig ook elektrische fietsen, worden thans in (vrijwel) complete staat geïmporteerd. De fietsen worden gecontroleerd, waar nodig nog van bepaalde accessoires voorzien en vervolgens verpakt voor uitlevering aan de tussenhandel. De meerderheid van de werknemers houdt zich volgens gedaagden bezig met in- en verkoop van fietsen, waaronder begrepen marketing, reclame en relatiebeheer, zoals hiervoor onder 2.19. aangegeven. Deze werkzaamheden en het aanbrengen van accessoires vallen volgens gedaagden niet onder de definitie van werkzaamheden in de Metaal en Techniek, zoals gedefinieerd in de werkingssfeerbepalingen. Gedaagden hebben verder gesteld dat er tot 2011 nog fietsen werden ingekocht die niet geheel compleet werden aangeleverd waarmee vier werknemers zich bezighielden, maar dat die arbeidsplaatsen bij een reorganisatie in 2011 zijn vervallen.

2.27.

Met de hiervoor weergegeven stellingname wordt het beeld geschetst dat er door de Pointer Groep (dan wel een daartoe behorende onderneming) nog slechts complete rijwielen worden ingekocht. Dat beeld rijmt echter niet met de onder 2.14. hiervoor aangehaalde, in het rapport opgetekende, uitlating van [A] , inhoudende dat in 2013/2014 nog aan 70 tot 75% van de verkochte rijwielen een bewerking zoals stralen, lakken, assembleren of monteren plaatsvond en dat ongeveer 25 tot 30% van de rijwielen nagenoeg compleet binnenkwam. Gedaagden hebben dit verschil ook niet nader verklaard. Uit de als bijlage 1 bij het rapport gevoegde foto's die zijn genomen in de bedrijfshal van de Pointer Groep blijkt verder van een groot aantal aanwezige losse onderdelen, zoals bijvoorbeeld frames, voorvorken, bagagedragers, sturen, velgen, spatbordhouders en zadels, welke nog tot complete fietsen moeten worden gemonteerd. Voorts wordt getoond dat een medewerker bezig is om spaken in een losse velg aan te brengen en aldus te monteren tot een compleet wiel.

2.28.

Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie worden getrokken dan dat er binnen de onderneming nog uit afzonderlijke componenten fietsen worden vervaardigd. Uit het bepaalde onder artikel 1 juncto artikel 19 van de Verplichtstellingsbeschikking tot deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds: "Onder vervaardigen wordt in het voorgaande mede verstaan het assembleren, monteren en samenstellen uit van derden betrokken onderdelen", dat is aangehaald onder 2.2. van het vonnis van 28 februari 2014, volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat dit vervaardigen van fietsen werkzaamheden betreft als in deze regeling wordt bedoeld. Een vrijwel gelijkluidende bepaling staat in de bepalingen van de cao voor het Vervroegd Uittreden (artikel 1, D, onder 15), het Sociaal Fonds (artikel 1, D, onder 13), het Aanvullend Invaliditeitspensioen (artikel 1, D, onder 14), en het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (artikel 6, lid 4, onder l), waarbij het enige verschil is dat het slotwoord 'onderdelen' daar is vervangen door 'produkten'. Ten aanzien van deze regelingen geldt daarom hetzelfde als voor het bedrijfstakpensioenfonds.

2.29.

De kantonrechter begrijpt uit de stellingname van gedaagden dat zij - voor wat betreft de vraag of de werkzaamheden die bij gedaagden worden uitgeoefend vallen onder de kwalitatieve criteria van de werkingssfeerbepalingen - een enge interpretatie van de in de Bedrijfstakregelingen gehanteerde begrippen ten aanzien van relevante werkzaamheden aanhangen. Zo stellen zij dat het aanbrengen van accessoires aan fietsen niet valt onder de metaalbewerkingswerkzaamheden zoals deze in de CAO's worden opgesomd vallen. Voorts lijken zij het begrip 'betrokken zijn bij' te beperken tot daadwerkelijke metaalbewerkingshandelingen, door hen als TO-werkzaamheden aangeduid.

2.30.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de hiervoor onder 2.28. weergegeven omschrijving dat ook het aanbrengen van accessoires op fietsen als 'monteren' moet worden aangemerkt en om die reden als een werkzaamheid in de Metaal en Techniek heeft te gelden. Voorts impliceert het begrip 'betrokken zijn bij' een ruimer bereik dan het enkele 'vervaardigen'. De definitie spreekt ook niet van werknemers die bijvoorbeeld de bedoelde werkzaamheden verrichten, hetgeen een engere betekenis heeft. Naar het oordeel van de kantonrechter dient onder 'betrokken zijn bij' mede te worden verstaan voorbereidende werkzaamheden en werkzaamheden die samenhangen met, of in het verlengde liggen van, de metaalbewerkingswerkzaamheden (TO-werkzaamheden), zoals bijvoorbeeld het door partijen genoemde lakken, in- en uitpakken en expeditie- en magazijnwerkzaamheden. In dit kader overweegt de kantonrechter verder nog dat het slechts voor doorlevering gereed maken ingekochte, elders vervaardigde kant en klare fietsen zou kunnen worden aangemerkt als een activiteit die niet kwalificeert als werkzaamheden in de Metaal en Techniek, maar gelet op de hiervoor onder 2.27. weergegeven cijfers moeten die activiteiten bij de Pointer Groep als van ondergeschikte aard worden bestempeld.

2.31.

Daarvan uitgaande kan de stelling van gedaagden, met een verwijzing naar enkel de TO-werkzaamheden volgens de door hen gehanteerde definitie, dat het percentage van de werkzaamheden die kwalificeren als werkzaamheden in de Metaal & Techniek vanaf 2002 rond de 23% ligt, geen stand houden. In het rapport, in het bijzonder bijlage 20a, tweede blad bij dit rapport, is naar het oordeel van de kantonrechter terecht uitgegaan van 'verrichten' en 'betrokken bij', waarbij 'verrichten' als onderdeel van het ruimere begrip 'betrokken bij' is aangemerkt. Daarbij zijn de overige functies, zoals management, administratie, marketing en huishoudelijke taken onderscheiden bij de vaststelling van het percentage van overeengekomen arbeidsuren in de Metaal en Techniek en meegewogen. Het verwijt van gedaagden, dat de onderzoekers deze functies bij hun onderzoek en hun bevindingen hebben genegeerd, is derhalve niet terecht.

2.32.

Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval verder sprake van 'het in hoofdzaak uitoefenen van', alleen al gelet op de hiervoor onder 2.27. genoemde percentages en hetgeen hiervoor verder is overwogen ten aanzien van de verrichte werkzaamheden. Met deze verhouding van activiteiten kan de onderneming naar het oordeel van de kantonrechter niet als slechts een handelshuis, zoals gedaagden in feite stellen, worden aangemerkt. De omstandigheid dat er ook werknemers in dienst zijn die andere dan feitelijke metaalbewerkingswerkzaamheden verrichten, bijvoorbeeld omdat zij actief zijn in de marketing en verkoop of enkel magazijnwerk verrichten, maakt de aard van de onderneming niet anders. Dergelijke activiteiten zijn inherent aan ieder onderneming waar iets gemaakt wordt dat vervolgens verkocht moet worden.

2.33.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de werkzaamheden van de Pointer Groep, gelet op de aard van de werkzaamheden binnen het bedrijf als geheel, volgens het kwalitatieve criterium als gehanteerd bij de werkingssfeerbepalingen, kwalificeren als werkzaamheden in de Metaal en Techniek.

Verdere overweging

2.34.

De Verplichtstellingsbeschikking tot deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor de Metaal en Techniek luidt onder I , voor zover van belang, als volgt:

"De deelneming in het Pensioenfonds Metaal en Techniek is verplicht gesteld voor: de werknemers (…), die werkzaam zijn in ondernemingen, in welke, ongeacht de economische functie, uitsluitend of in hoofdzaak één of meer van de hierna onder sub 1 t/m 17 genoemde werkzaamheden worden uitgeoefend.

(……)"

2.35.

De kantonrechter stelt vast dat in de overige (besluiten tot algemeen verbindend verklaring van) cao's in de Metaal en Techniek, met betrekking tot het Vervroegd Uittreden, het Sociaal Fonds, het Aanvullend Invaliditeitspensioen en het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, een soortgelijke omschrijving als onder 2.34. is weergegeven ontbreekt, maar zal daaraan in dit geval geen conclusies verbinden aangezien de omschrijving van het werkgeversbegrip, zoals dat hiervoor onder 2.23. is weergegeven, in de voornoemde Verplichtstellingsbeschikking niet afwijkt van dat in de andere cao's. Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat voor de verschillende regelingen in het werkgeversbegrip geen onderscheid is beoogd.

Werkingssfeer: de kwantitatieve criteria

2.36.

Na de voorgaande overwegingen ten aanzien van de kwalitatieve criteria zal in het hierna volgende worden ingegaan op de kwantitatieve criteria en de positie van de verschillende vennootschappen daarbij. De kantonrechter merkt (ten overvloede) nog op dat hetgeen door de Fondsen in de Metaal en Techniek is gesteld ten aanzien van de periode vóór 2002 buiten beschouwing blijft en de beslissing derhalve alleen ziet op de periode vanaf het jaar 2002.

2.37.

Daarbij overweegt de kantonrechter allereerst als volgt. Hetgeen door gedaagden bij de conclusies van antwoord en dupliek en bij antwoordakte is gesteld ten aanzien van (de verschillen tussen) de vennootschappen die onderdeel uitmaken van de Pointer Groep is niet steeds op alle punten voldoende inzichtelijk. In de conclusies van antwoord en dupliek wordt niet of nauwelijks ingegaan op de posities van de verschillende vennootschappen. Meerdere malen wordt de term 'Pointer' gebruikt, zonder dat duidelijk wordt wie daarmee op dat moment wordt bedoeld, de Pointer Groep (als geheel) of één van de daartoe behorende vennootschappen en zo ja, welke dan. Onder punt 42 van de antwoordakte wordt weliswaar gesteld dat het van belang is om onderscheid te maken tussen Pointer Rijwielen en Pointer Holding, maar gedaagden lijken dit onderscheid vervolgens zelf niet steeds te maken. Zo lijken gedaagden vanaf punt 37 van de antwoordakte de werkzaamheden bij Pointer Rijwielen te behandelen, maar het betoog eindigt vervolgens met een conclusie ten aanzien van Pointer Holding. De wijze waarop het verweer aldus is ingekleed en de mogelijke onduidelijkheden die daardoor ontstaan dienen voor rekening van gedaagden te blijven.

Pointer Beheer en Arondie

2.38.

De onderzoekers hebben vastgesteld dat Arondie en Pointer Beheer (in de relevante periode) geen werknemers in dienst hebben en hebben gehad. Nu partijen dit niet weerspreken zal de kantonrechter daar van uitgaan. De conclusie die hieruit in het rapport wordt getrokken is dat deze vennootschappen niet kwalificeren als een werkgever in de Metaal en Techniek en partijen delen deze conclusie in hun akte respectievelijk antwoordakte. Dit leidt er toe dat de subsidiaire vorderingen van de Fondsen in de Metaal en Techniek sub 2. (i t/m iii), voor zover die zijn gericht tegen Pointer Beheer en Arondie, niet toewijsbaar zijn en zullen worden afgewezen.

Pointer Rijwielen

2.39.

De subsidiair sub 2. i) gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van Pointer Rijwielen ziet op de periode met ingang van 1 januari 2012. Tot aan die datum stond Pointer Rijwielen geregistreerd als werkgever in de Metaal en Techniek. De Fondsen in de Metaal en Techniek stellen op grond van de bevindingen van de rapporteurs dat Pointer Rijwielen een in de loop der jaren aflopend personeelsbestand had en dat bij deze vennootschap na 1 januari 2012 geen werknemers meer in dienst waren. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat Pointer Rijwielen vanaf 1 januari 2012, wegens het niet in dienst hebben van werknemers, niet (langer) voldeed aan het kwantitatieve criterium om te kwalificeren als werkgever in de Metaal en Techniek. De Fondsen voor de Metaal en Techniek hebben in hun akte (randnummer 13) ook aangegeven dat zij, gezien de bevindingen van de onderzoekers, geen belang meer te hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. De subsidiaire vordering sub 2. i. van de Fondsen in de Metaal en Techniek voor zover gericht tegen Pointer Rijwielen zal dan ook worden afgewezen. Op de overige jegens Pointer Rijwielen ingestelde subsidiaire vorderingen zal later in dit vonnis worden teruggekomen.

Pointer Holding

2.40.

Met betrekking tot Pointer Holding wordt in het rapport geconcludeerd dat inmiddels alle werknemers van de Pointer Groep bij deze vennootschap in dienst zijn en dat deze vennootschap vanaf 2002 als werkgever in de Metaal en Techniek heeft te gelden. Hetgeen hiervoor onder 2.26. tot en met 2.33. in algemene zin is beoordeeld omtrent het voldoen aan de kwalitatieve criteria van de werkingssfeerbepalingen ten aanzien van de Pointer Groep als geheel geldt naar het oordeel van de kantonrechter evenzeer ten aanzien van Pointer Holding, nu de werkzaamheden aanvankelijk grotendeels en later volledig onder de vlag van deze vennootschap werden verricht. Voor wat betreft de kwalitatieve criteria geldt dat het grootste deel van de vanaf 2002 nieuw in dienst tredende werknemers bij Pointer Holding in dienst trad en dat nadien alle werknemers die nog bij Pointer Rijwielen in dienst waren, naar Pointer Holding zijn overgegaan. De hiervoor reeds aangehaalde bijlage 20a bij het rapport heeft betrekking op Pointer Holding en daaruit blijkt dat het grootste deel van de werknemers betrokken was en is bij werkzaamheden die kwalificeren als werkzaamheden in de Metaal en Techniek. Voor zover Pointer Holding met hetgeen staat vermeld onder 9 van de conclusie van antwoord heeft beoogd te stellen dat zij niet onder de verplichtstelling valt omdat zij slechts werknemers ter beschikking stelt aan Pointer Rijwielen en eventuele werkzaamheden in de Metaal en Techniek dus niet in haar vennootschap worden uitgeoefend, is de kantonrechter, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011: BP6601), van oordeel dat dit niet juist is aangezien doorslaggevend is dat de werkzaamheden van deze werknemers feitelijk onder de werkingssfeer vallen. Daarmee komt de kantonrechter tot het oordeel dat Pointer Holding voldoet aan het kwantitatieve criterium van de werkingssfeerbepalingen van de Bedrijfstakregelingen.

2.41.

In hun conclusie van dupliek hebben gedaagden nog verwezen naar de artikelen 2 en 5 van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 en op grond daarvan gesteld dat de Stichting Pensioenfonds op verzoek vrijstelling zou moeten verlenen. Wat daarvan ook zij, gedaagden hebben niet gesteld dat zij een dergelijke verzoek hebben gedaan en aan hetgeen zij hebben aangevoerd hebben zij geen procedurele consequenties verbonden. De kantonrechter zal daaraan daarom voorbij gaan.

2.42.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat Pointer Holding volgens zowel het kwalitatieve als het kwantitatieve criterium kwalificeert als 'werkgever in de Metaal en Techniek' voor de periode vanaf 1 januari 2002 tot heden. Pointer Holding valt vanaf deze datum derhalve onder de werkingssfeer van de Bedrijfstakregelingen, met de uitvoering waarvan de Fondsen in de Metaal en Techniek belast zijn. Het in verband hiermee subsidiair sub 2. i. gevorderde zal ten aanzien van deze vennootschap dan ook worden toegewezen,

Subsidiaire vordering sub 2. ii. en iii.

2.43.

Op grond van de diverse cao-regelingen zoals die hiervoor onder 2.35. al zijn genoemd is Pointer Holding in haar hoedanigheid als werkgever gehouden om aan Mn Services opgave te doen van de in dienst zijnde werknemers (bijvoorbeeld artikel 3 cao VUT, artikel 3, cao Sociaal Fonds, artikel 4, cao O&O). De subsidiair sub 2. ii) gevorderde overlegging van werknemersgegevens is dan ook toewijsbaar ten aanzien van Pointer Holding.

2.44.

Voor wat betreft Pointer Rijwielen hebben de Fondsen in de Metaal en Techniek aangevoerd dat uit het rapport volgt dat over de periode 2007 - 2012 niet het volledige brutoloon van de werknemers door Pointer Rijwielen aan Mn Services is opgegeven, waardoor er alsnog extra premie verschuldigd is door Pointer Rijwielen. Voorts hebben de Fondsen in de Metaal en Techniek gewezen op de constatering in het rapport dat Pointer Rijwielen niet al haar werknemers heeft aangemeld die bij haar vóór 1 januari 2012 dienst waren. Daarmee hebben zij recht en belang bij toewijzing van de subsidiaire vordering sub 2. ii. en iii. jegens Pointer Rijwielen, aldus de Fondsen in de Metaal en Techniek. Gedaagden hebben dit weliswaar bestreden en aangegeven dat, voor zover een werknemer niet is aangemeld, dit is geschied omdat die werknemer een inkomen had dat onder de grens lag waarbij premies verschuldigd zijn, maar dat verweer kan hen niet baten. Immers, de verplichting tot het doen van opgave van de in dienst zijnde werknemers geldt voor álle in dienst zijnde werknemers, waarna het aan Mn Services is, als administrateur voor de Fondsen in de Metaal en Techniek, om de verschuldigde premies te berekenen en in rekening te brengen. Het mogelijk niet verschuldigd zijn van premie voor een betreffende werknemer ontslaat Pointer Rijwielen niet van de verplichting om een juiste en volledige opgave van haar werknemersbestand te doen. Gezien de in het rapport geconstateerde feiten hebben de Fondsen in de Metaal en Techniek naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aangetoond dat zij recht en belang hebben bij toewijzing van de subsidiaire vordering sub 2. ii. ten aanzien van Pointer Rijwielen, althans waar het betreft de periode tot aan 1 januari 2012.

2.45.

Daarbij geldt dan voor zowel Pointer Holding als Pointer Rijwielen wel dat, nu de beoordeling zich beperkt tot de periode vanaf 2002, het informatieverschaffing vanaf het jaar 2002 betreft. De in verband hiermee tevens gevorderde dwangsom zal worden toegewezen ten aanzien van Pointer Holding en Pointer Rijwielen, waarbij de kantonrechter aanleiding ziet om deze dwangsom te beperken en maximeren als nader in het dictum te bepalen.

2.46.

Aangezien de werkgevers volgens voornoemde bepalingen bijdrageplichtig zijn is hetgeen subsidiair sub 2. iii. is gevorderd eveneens toewijsbaar ten aanzien van zowel Pointer Holding als Pointer Rijwielen, voor wat betreft laatstgenoemde vennootschap wederom tot 2012, met in achtneming van hetgeen hierna onder rechtsoverweging 2.47. en verder zal worden overwogen ter zake van het beroep van gedaagden op verjaring. Voor een hoofdelijke veroordeling ten aanzien van Pointer Holding en Pointer Rijwielen is geen grondslag, nu iedere werkgeefster in beginsel slechts aansprakelijk is ten aanzien van de werknemers die bij haar in dienst zijn of waren en van de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek is niet of althans onvoldoende onderbouwd gesteld waarom in afwijking van dit beginsel in dit geval van een gezamenlijke aansprakelijkheid van meerdere vennootschappen sprake zou zijn.

Verjaring

2.47.

Gedaagden hebben zich beroepen op verjaring van de vorderingen en daarbij gewezen op de in artikel 3:308 BW genoemde verjaringstermijn van vijf jaar. De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben gemotiveerd weersproken dat deze termijn van toepassing is en zich beroepen op een verjaringstermijn van 20 jaar volgens artikel 3:306 BW. De kantonrechter beoordeelt dit verweer van gedaagden eerst op deze plaats omdat in geval dit beroep wordt gehonoreerd, dit niet tot gevolg heeft dat de gehele vordering dient te worden afgewezen.

2.48.

Op Pointer Holding en Pointer Rijwielen rustten twee verplichtingen, het aanmelden van zichzelf en werknemers bij de desbetreffende fondsen en het afdragen van verschuldigde premies en bijdragen. De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben gewezen op de relatie tussen de aanmeldingsplicht en de verplichting tot premiebetaling en de ongerijmdheid die ontstaat indien ten aanzien van het laatste van een kortere verjaringstermijn zou worden uitgegaan, mede gelet op de pensioenaanspraken die een werknemer kan doen gelden jegens de Fondsen in de Metaal en Techniek, ook zonder dat voor die werknemer premies zijn voldaan.

2.49.

De kantonrechter overweegt dat voor wat betreft de premiebetaling kan worden vastgesteld dat in de pensioenwetgeving geen bijzondere, langere, verjaringstermijn is neergelegd. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 september 1993 (LJN: ZC1054, NJ 1993/736) leidt de kantonrechter af dat voor wat betreft de vordering tot premiebetaling door het pensioenfonds een termijn van vijf jaar geldt. De kantonrechter wijst hiervoor naar rechtsoverweging 3.4. van dit arrest:

"Op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig nalaten is art. 2012 BW (kantonrechter: thans artikel 3:308 BW) niet van toepassing. Dat geldt óók indien het, zoals hier, gaat om nalaten van het doen van periodieke betalingen aan een derde (SFB) die ter zake een eigen vorderingsrecht heeft dat wèl onderworpen is aan deze bepaling. (…)" (cursivering kantonrechter)

Dit geval betrof weliswaar een (pensioen)geschil tussen een werknemer en werkgever, maar de slotoverweging met de verwijzing naar de pensioenuitvoerder (SFB) laat zich naar het oordeel van de kantonrechter moeilijk anders begrijpen dat dat ten aanzien van het vorderingsrecht van de pensioenuitvoerder een vijfjaarstermijn geldt, die toentertijd was opgenomen in artikel 2012 BW (oud). De kantonrechter volgt dan ook niet de door de Fondsen in de Metaal en Techniek - onder verwijzing naar het arrest van 15 april 2008 van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3912) - gestelde verjaringstermijn van 20 jaar. In die zaak betrof het ook, anders dan in het onderhavige geval, een vordering tot aanmelding en premiebetaling van een werknemer tegen zijn voormalig werkgever en dat is naar het oordeel van de kantonrechter een wezenlijk ander geschil dan het onderhavige.

2.50.

De zaak waarover de Hoge Raad in 1993 arrest heeft gewezen betrof, zoals hierboven overwogen, een pensioenkwestie. De kantonrechter is echter van oordeel dat het daar gegeven oordeel over de verjaringstermijn eveneens geldt voor de door Pointer Holding en Pointer Rijwielen aan de andere fondsen periodiek verschuldigde bijdragen aangezien het voor wat betreft die bijdragen een soortgelijke (termijn)betalingsverplichting betreft als voor wat betreft pensioenpremies.

2.51.

De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben zich nog beroepen op het bepaalde in artikel 3:320 BW jo. artikel 3:321 lid 1 onder f, BW - het verlengen van een verjaringstermijn met zes maanden na bekendwording - in verband met het opzettelijk verborgen houden door gedaagden dan wel [A] van de schuld of de opeisbaarheid ervan. Zij hebben daarbij aangevoerd, onder verwijzing naar het gestelde onder randnummer 44 en verder van de dagvaarding, dat het feit dat de gepubliceerde jaarstukken van gedaagden onvolledige dan wel onjuiste informatie met betrekking tot het personeelsbestand bevatten, daartoe een aanwijzing vormt. De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben zich verder beroepen op de niet-coöperatieve houding van [A] . De kantonrechter is van oordeel dat dit samenstel van argumenten onvoldoende grondslag biedt om het vereiste van opzettelijk verborgen houden in de zin van artikel 3:321 lid 1 onder f BW te onderbouwen en de Fondsen in de Metaal en Techniek hebben hun stelling dienaangaande verder onvoldoende geconcretiseerd.

2.52.

Dat er als gevolg van het verjaren van de verplichting tot premieafdracht mogelijk (ongewenste) negatieve gevolgen kunnen ontstaan voor de Fondsen in de Metaal en Techniek, omdat de aanspraken van werknemers op een uitkering op één van de Bedrijfstakregelingen daarvan los staan, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om anders te oordelen. Aan het fenomeen verjaring is inherent dat ten aanzien van een partij enige vorm van nadeel kan optreden.

2.53.

Ervan uitgaande dat de verplichtstelling van de Bedrijfstakregelingen van rechtswege geldt en daarmee ook de verplichtingen van Pointer Holding en Pointer Rijwielen jegens de Fondsen in de Metaal en Techniek, begint de verjaring te lopen vanaf het moment dat de vorderingen van de Fondsen in de Metaal en Techniek opeisbaar worden. Dit leidt tot het oordeel dat de vorderingen van de Fondsen in de Metaal en Techniek met betrekking tot betaling van premies en bijdragen, als subsidiair sub 2. iii. gevorderd, zijn verjaard voor zover zij betrekking hebben op de periode vijf jaar voorafgaande aan de datum van dagvaarding (30 januari 2013), te weten vóór 30 januari 2008,

2.54.

Het oordeel met betrekking tot de verjaring heeft evenwel geen invloed op het subsidiair sub 2. i gevorderde, omdat de vaststelling dat Pointer Holding onder de werkingssfeer van de Bedrijfstakregelingen valt op zichzelf niet aan verjaring onderhevig is. Op het subsidiair sub. 2. ii) gevorderde, de gegevensverstrekking, zijn de verjaringstermijnen van artikel 3:307 BW of 3:308 BW evenmin van toepassing, aangezien hetgeen in deze artikelen is bepaald geen betrekking heeft op deze vorm van gegevensverstrekking. Hiertoe geldt naar het oordeel van de kantonrechter de termijn van 20 jaar van artikel 3:306 BW. Uitgaande van de periode vanaf 1 januari 2002 is deze termijn nog niet verstreken. Voorts kunnen de Fondsen in de Metaal en Techniek, alhoewel hun vordering tot betaling van premie vóór 30 januari 2008 is verjaard, geacht worden nog steeds belang hebben bij het verkrijgen van deze gegevens, bijvoorbeeld in verband met mogelijke aanspraken van werknemers in de toekomst.

Conclusie ten aanzien van de vorderingen jegens de Pointer Groep

2.55.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat de subsidiaire vorderingen van de Fondsen in de Metaal en Techniek, zoals zij zijn geformuleerd in de dagvaarding sub 2. i, ii en iii, jegens Pointer Beheer en Arondie zullen worden afgewezen en jegens Pointer Holding en Pointer Rijwielen deels zullen worden toegewezen zoals hierna in het dictum zal worden vermeld en voor het overige zullen worden afgewezen.

De vorderingen jegens [A]

2.56.

Bij tussenvonnis van 28 februari 2014 is de primaire vordering van de Fondsen in de Metaal en Techniek jegens [A] afgewezen en is ieder verder oordeel ter zake van de jegens hem ingestelde vorderingen aangehouden. Nu het werkingssfeeronderzoek heeft plaatsgevonden hebben de Fondsen in de Metaal en Techniek geen belang meer bij de subsidiair sub 1. ingestelde vordering jegens [A] , zodat die zal worden afgewezen. Voor wat betreft het subsidiair sub 2 ii. en iii. ten aanzien van [A] gevorderd (te weten: verstrekking van werknemersgegevens én betaling van verschuldigde, nog vast te stellen, premies en bijdragen) overweegt de kantonrechter als volgt, waarbij op grond van de door de Fondsen in de Metaal en Techniek overgelegde uittreksels uit het handelsregister als vaststaand wordt aangenomen dat [A] bestuurder is van Pointer Holding en Pointer Rijwielen.

2.57.

De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben in verband met (hoofdelijke) aansprakelijkheid van [A] allereerst verwezen naar het bepaalde in artikel 23 (lid 5) van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000). Deze bepaling ziet op de hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders voor de voor deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds verschuldigde bijdragen, in de bijzondere situatie van betalingsonmacht van de werkgever en de mededelingsplicht daaromtrent. Naar het oordeel van de kantonrechter is van die situatie thans geen sprake. De omvang van de betalingsverplichting van de vennootschappen moet nog worden vastgesteld; daarop ziet nu juist de gevorderde gegevensverstrekking. Of de vennootschappen onmachtig zullen zijn om te voldoen staat ook nog niet vast. Artikel 23 Wet Bpf 2000 biedt naar het oordeel van de kantonrechter thans dan ook geen basis voor de vorderingen jegens [A] .

2.58.

De subsidiair sub 2. ii geformuleerde vordering impliceert dat er ook op [A] in persoon een mededelingsplicht jegens de Fondsen in de Metaal en Techniek rust. Blijkens de hiervoor genoemde regelgeving zijn de werkgevers opgaveplichtig. Daarmee wordt naar het oordeel van de kantonrechter bedoeld de formele werkgever, in het onderhavige geval Pointer Holding en Pointer Rijwielen, en voor veroordeling van [A] in persoon is daarin geen grondslag te vinden.

2.59.

De Fondsen in de Metaal en Techniek hebben, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX5881, Spaanse Villa) voorts nog gesteld dat op [A] als directeur/grootaandeelhouder van de Pointer groep een persoonlijke zorgvuldigheidsverplichting rust om de Fondsen in de Metaal en Techniek tijdig en volledig van informatie te voorzien, welke verplichting door hem is geschonden. [A] heeft volgens de Fondsen in de Metaal en Techniek als bestuurder herhaaldelijk en bewust aantoonbaar onjuiste informatie verschaft en daarmee kennelijk getracht om verplichte afdracht van pensioenpremies en cao-bijdragen te ontgaan, hetgeen een schending van zijn persoonlijke zorgvuldigheidsverplichting inhoudt in de zin van voormeld arrest van de Hoge Raad. Voor zover daarvan geen sprake zou zijn, kan aan [A] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, aldus nog steeds de Fondsen in de Metaal en Techniek

2.60.

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 9 lid 2 BW legt op de bestuurder een verantwoordelijkheid ten aanzien van de algemene gang van zaken binnen de vennootschap. Ten aanzien van derden geldt volgens de Hoge Raad (8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen) dat, voor zover in het onderhavige geval van belang, een bestuurder van een vennootschap jegens een schuldeiser van de vennootschap aansprakelijk kan zijn indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

2.61.

In zijn arrest van 5 september 2014, (ECLI:NL:HR:2014:2628, Tulip Air Lease) is de Hoge Raad nader ingegaan op het verschil in beoordeling van het handelen van een betrokkene bij diens taakvervulling als bestuurder van een vennootschap ten opzichte van het handelen van een betrokkene in een andere hoedanigheid (in het arrest van 23 november 2012, Spaanse Villa, was dat de hoedanigheid van deskundig bemiddelaar). Uit het arrest van 5 september 2014 volgt dat indien door de betrokkene is gehandeld in de hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap, hogere eisen gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, dan in het algemeen het geval is. Deze verzwaarde maatstaf geldt evenwel niet indien de bestuurder niet handelt bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap, maar juist in een andere hoedanigheid.

2.62.

Anders dan de Fondsen in de Metaal en Techniek mogelijk menen spreken zij [A] wel degelijk (slechts) aan op zijn handelen in de hoedanigheid van bestuurder van Pointer Holding en Pointer Rijwielen. Uit hoofde van welke andere hoedanigheid zij hem aanspreken wordt door hen niet gemotiveerd gesteld en/of onderbouwd. Een eventuele aansprakelijkheid van [A] dient daarom te worden geoordeeld aan de hand van de hiervoor omschreven verzwaarde maatstaf van het [A] persoonlijk kunnen maken van een ernstig verwijt.

2.63.

Naar het oordeel van de kantonrechter is daaraan in het onderhavige geval niet voldaan. Weliswaar is uit hetgeen de Fondsen in de Metaal en Techniek hebben aangevoerd - met name de als producties 23a en verder bij dagvaarding overgelegde correspondentie - duidelijk dat sprake was van een moeizame medewerking van de zijde van de Pointer Groep, dan wel - specifiek productie 25i - van een afwijzende houding van Pointer Holding en kan [A] daar, gelet op zijn positie binnen de Pointer Groep, verantwoordelijk voor worden gehouden. Maar dat er daarbij sprake is geweest van een zodanig onzorgvuldig handelen of nalaten als is bedoeld in het onder 2.60. weergegeven criterium is door de Fondsen in de Metaal en Techniek onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter neemt daarbij verder in aanmerking dat het rapport daartoe onvoldoende grondslag vormt. Zonder verder uitgebreid uit het rapport te citeren is de kantonrechter van oordeel dat daaruit niet blijkt dat [A] het werkingssfeeronderzoek heeft tegengewerkt. De slotopmerking in het rapport: "Ten slotte heeft het er alle schijn van dat er meer administratieve bescheiden zijn (in het bezit van de directeur-grootaandeelhouder, de heer [A] ) dan ter gelegenheid van dit werkingssfeeronderzoek aan ons verstrekt.", is daartoe onvoldoende omdat de rapporteurs dit vermoeden niet gespecificeerd hebben toegelicht.

2.64.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen jegens [A] zullen worden afgewezen. De vraag of het beroep dat gedaagden hebben gedaan op verjaring voor wat betreft de jegens [A] ingestelde vordering tot een ander oordeel zou leiden dan hiervoor is geoordeeld ten aanzien van de Pointer Groep (nu de grondslag van de vordering jegens [A] (onrechtmatige daad) immers een andere is) kan als niet langer relevant voor het eindoordeel onbesproken blijven.

Proceskosten

2.65.

In hun verweer zijn gedaagden 1 t/m 4 (de Pointer Groep) steeds gezamenlijk opgetreden, bijgestaan door een en dezelfde gemachtigde. Bij tussenvonnis van 28 februari 2014 is de Pointer Groep als geheel veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het werkingssfeeronderzoek. Uit dit werkingssfeeronderzoek volgt thans een nadere veroordeling jegens Pointer Rijwielen en Pointer Holding. De kantonrechter ziet in deze gang van zaken aanleiding om de Pointer Groep als voornamelijk in het ongelijk te stellen partij(en) hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek vastgesteld op:

- explootkosten € 92,82

- overige kosten € 6,00

- griffierecht € 112,00

- salaris gemachtigde € 775,00 (3 punten x tarief € 225,00)

totaal € 885,82.

2.66.

Nu de vorderingen jegens [A] zullen worden afgewezen, ziet de kantonrechter aanleiding om de Fondsen in de Metaal en Techniek ten opzichte van hem als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten te veroordelen, vastgesteld op € 550,00 (2 punten, € 225,00 per punt) aan salaris gemachtigde.

in het incident

2.67.

In het tussenvonnis van 28 februari 2014 is onder de rechtsoverwegingen 4.1. tot en met 4.3. geoordeeld over het door [A] opgeworpen onbevoegdheidsincident en is aangegeven dat het verzoek zal worden afgewezen. In het dictum van het tussenvonnis is daaromtrent abusievelijk geen beslissing gegeven. Dat zal hierna alsnog plaatsvinden.

2.68.

Over de proceskosten in het incident is nog niet geoordeeld. [A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in het incident in de kosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek vastgesteld op € 225,-- vanwege salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

in het incident

3.1.

wijst het verzochte af;

3.2.

veroordeelt [A] in de kosten van het incident, aan de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek vastgesteld op € 225,00 vanwege salaris gemachtigde;

in de hoofdzaak

3.3.

verklaart voor recht dat Pointer Holding vanaf 1 januari 2002 valt onder de werkingssfeer van:

  1. het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 februari 1950, Staatscourant 1950, nummer 42, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van de Minister van 7 januari 2010, Staatscourant 12 januari 2010, nummer 576;

  2. de Collectieve Arbeidsovereenkomst Werkgeversbijdrage Sociaal Fonds Metaal en Techniek, de Collectieve Arbeidsovereenkomst Aanvullend Invaliditeitspensioen Metaal en Techniek, de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf, gedurende de perioden van algemeenverbindendverklaring van de bepalingen van deze Collectieve Arbeidsovereenkomsten;

3.4.

veroordeelt Pointer Holding om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis gegevens uit haar werknemersbestand, onder meer bestaande uit een complete lijst van de bij haar in dienst zijnde c.q. geweest zijnde werknemers vanaf 1 januari 2002 tot heden, met bijbehorende namen, burgerservicenummers, functies, datum indiensttreding, datum uitdiensttreding, adresgegevens, geboortedata en jaarsalarissen aan de Fondsen in de Metaal en Techniek te verschaffen, door terhandstelling aan hun administratiekantoor de naamloze vennootschap Mn Services N.V., bij gebreke waarvan zij een dwangsom van € 1.000,-- per dag, met een maximum van € 20.000,-- zal verbeuren voor ieder dag dat zij daarmee in gebreke is;

3.5.

veroordeelt Pointer Rijwielen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis gegevens uit haar werknemersbestand, onder meer bestaande uit een complete lijst van de bij haar in dienst zijnde c.q. geweest zijnde werknemers vanaf 1 januari 2002 tot 1 januari 2012, met bijbehorende namen, burgerservicenummers, functies, datum indiensttreding, datum uitdiensttreding, adresgegevens, geboortedata en jaarsalarissen aan de Fondsen in de Metaal en Techniek te verschaffen, door terhandstelling aan hun administratiekantoor de naamloze vennootschap Mn Services N.V., bij gebreke waarvan zij een dwangsom van € 1.000,-- per dag, met een maximum van € 20.000,-- zal verbeuren voor ieder dag dat zij daarmee in gebreke is;

3.6.

veroordeelt Pointer Holding tot betaling van op basis van de onder 3.4. bedoelde gegevens berekende bedragen ter zake van nog verschuldigde premies en bijdragen en/of renten en/of boeten en/of kosten over de periode vanaf 30 januari 2008 aan de aan de Fondsen in de Metaal en Techniek elk binnen de in de Bedrijfstakregelingen van de Metaal en Techniek vermelde betalingstermijn;

3.7.

veroordeelt Pointer Rijwielen tot betaling van op basis van de onder 3.5. bedoelde gegevens berekende bedragen ter zake van nog verschuldigde premies en bijdragen en/of renten en/of boeten en/of kosten over de periode vanaf 30 januari 2008 tot 1 januari 2012 aan de aan de Fondsen in de Metaal en Techniek elk binnen de in de Bedrijfstakregelingen van de Metaal en Techniek vermelde betalingstermijn;

3.8.

veroordeelt Pointer Rijwielen, Pointer Holding, Pointer Beheer en Arondie hoofdelijk, in die zin dat door voldoening door de een de ander zal zijn gekweten, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Fondsen in de Metaal en Techniek vastgesteld op € 885,82;

3.9.

veroordeelt de Fondsen in de Metaal en Techniek in de kosten van de procedure voor zover het betreft de vordering jegens [A] , tot op heden aan de zijde van

[A] vastgesteld op € 550,00 wegens salaris gemachtigde;

3.10.

verklaar dit vonnis voor wat betreft het onder 3.4 tot en met 3.8. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

3.11.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 324