Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2883

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
zaak-/rolnummer: 4679649 \ CV EXPL 15-13555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bewindvoerder voor nodeloos gemaakte kosten in het kader van een biedingsproces.

Aansprakelijkheid in hoedanigheid van bewindvoerder.

Geen aansprakelijkheid van de bewindvoerder in persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4679649 \ CV EXPL 15-13555

vonnis van de kantonrechter d.d. 21 juni 2016

inzake

[eiser], H.O.D.N. [naam]

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde: mr. K.E. de Vries,

tegen

[gedaagde] , IN PERSOON EN IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.H. van der Meulen,

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] dan wel [gedaagde] in persoon of [gedaagde] in hoedanigheid - daar waar hij persoonlijk dan wel in zijn hoedanigheid als bewindvoerder wordt aangesproken - worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Ingevolge het tussenvonnis van 26 januari 2016 is op 28 april 2016 een comparitie gehouden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting heeft [eiser] zijn vordering verminderd.

1.2.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2 Feiten

2.1.

Bij vonnis van 2 december 2014 is ten aanzien van [A] (hierna: [A] ), handelend onder de naam [naam] (hierna: de drogisterij), de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, waarbij [gedaagde] is benoemd tot bewindvoerder. [A] had de drogisterij, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , in 2012 overgenomen van zijn zus en van zijn vader [B] (hierna: [B] ).

2.2.

Op 11 december 2014 heeft [gedaagde] een verkoopprospectus uitgebracht met gegevens over de uit de boedel van de schuldsanering te koop aangeboden goederen, namelijk het bedrijfspand van de drogisterij aan de [adres] , de inventaris en inrichting zoals aanwezig in het bedrijfspand en de voorraad goederen. Op dat moment rustte op het bedrijfspand een hypotheekrecht ten behoeve van de Rabobank Noordoost Friesland (hierna: Rabobank), op de bedrijfsvoorraden waren pandrechten gevestigd ten behoeve van Rabobank en DA Retail B.V. (hierna: DA-Retail) en ten slotte was op de winkelinventaris een pandrecht gevestigd door Rabobank. De bewindvoerder heeft gegadigden uitgenodigd om een schriftelijke bieding te doen tot aankoop van voornoemde goederen. Het prospectus vermeldt - voor zover hier van belang -:

"1. (…) De bieding dient uiterlijk woensdag 17 december 2014 vóór 17.00 uur de bewindvoerder op bovenvermeld adres bereikt te hebben.(…)"

en

"3. (…) De bewindvoerder behoudt zich alle rechten ter zake van de gunning voor. De bewindvoerder kan beslissen alle biedingen van de hand te wijzen."

en

"5. Gunning en verkoop geschieden onder voorbehoud en toestemming van de rechter-commissaris in voormelde schuldsanering alsmede toestemming van pandhouders Rabobank NoordOostFriesland en DA-Retail."

2.3.

[eiser] heeft - met een aantal anderen, waaronder [B] - belangstelling getoond voor de te verkopen goederen. [eiser] en [B] hebben vervolgens een bieding uitgebracht.

2.4.

In december 2014 heeft [gedaagde] besloten de biedingstermijn te verlengen tot 1 maart 2015, waarbij gegadigden uitdrukkelijk de mogelijkheid hebben gekregen om een

onvoorwaardelijke bieding zonder financieringsvoorbehoud uit te brengen. Op 28 januari 2015 heeft [gedaagde] aangekondigd dat de biedingstermijn mogelijk zal worden ingeperkt tot 2 februari 2015 en op 30 januari 2015 heeft hij medegedeeld dat de sluitingstermijn voor de bieding definitief wordt gesteld op 12 februari 2015. Op dat moment was hij in de veronderstelling dat [B] de financiering voor het door hem gedane bod niet voor elkaar zou krijgen.

2.5.

[eiser] had op 21 januari 2015 zijn bieding gestand gedaan tot 30 januari 2015. Op 11 februari 2015 heeft hij een nieuwe bieding gedaan tot 12 februari 2015.

2.6.

Bij e-mail van 13 februari 2015 heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende geschreven:

"In overleg met de hypotheek-/pandhouder Rabobank is besloten aan u te gunnen. De gunning is onder voorbehoud toestemming rechter-commissaris. Voor zover de Rabobank als pandhouder niet zelfstandig kan beslissen over de voorraad, wordt tevens een voorbehoud gemaakt ten aanzien van pandhouder DA."

en

"Het probleem is dat er een hogere bieding is ontvangen, waarvan nog 8 dagen een financieringsvoorbehoud loopt. Dit terwijl de bewindvoerder duidelijk heeft gesteld dat er een bieding zonder financieringsvoorbehoud moet worden uitgebracht. Omdat gedurende de wedstrijd de spelregels zijn veranderd maken zij bezwaar."

2.7.

De in voornoemde e-mail van [gedaagde] bedoelde 'hogere bieder' betreft

[B] Hij heeft op 12 februari 2015 eveneens een bieding gedaan, die hoger was dan de bieding van [eiser] , maar waarin een financieringsvoorbehoud (tot 1 maart 2015) was opgenomen. [B] heeft bij de rechter-commissaris bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen verkoop aan [eiser] en hij heeft verzocht om de biedingstermijn te handhaven op de oorspronkelijke termijn van 1 maart 2015. De rechter-commissaris heeft - met een mondelinge beschikking op 19 februari 2015 - (o.a.) besloten om geen toestemming te geven voor de voorgenomen verkoop aan [eiser] . Hiernaast heeft de rechter-commissaris de bewindvoerder bevolen de oorspronkelijke biedingstermijn tot 1 maart 2015 te handhaven.

2.8.

Tussen de betrokken partijen is hierna een discussie ontstaan over de vraag hoe de beslissing van de rechter-commissaris van 19 februari 2015 moet worden uitgelegd. De vraag daarbij was of de beslissing van de rechter-commissaris nog ruimte bood voor een nieuw bod of dat deze beslissing alleen zag op de financieringstermijn. [eiser] heeft uiteindelijk op

28 februari 2015 om 23.50 uur nog een nieuwe bieding bij de bewindvoerder ingediend. Daarmee heeft hij het hoogste bod voor de te verkopen goederen uitgebracht. Op dat moment had [B] de benodigde financiering voor de door hem gedane bieding rond. [B] wil de drogisterij graag in zijn familie houden.

2.9.

[gedaagde] heeft vervolgens - na besprekingen hierover met de advocaten van [B] en [eiser] , de rechter-commissaris en de vertegenwoordiger van Rabobank - besloten om op grond van artikel 3 van het verkoopprospectus niet tot gunning over te gaan. Van deze beslissing heeft hij bij e-mailbericht van 19 maart 2015 mededeling gedaan aan betrokkenen.

2.10.

Op 20 maart 2015 is [gedaagde] alsnog met [B] tot overeenstemming gekomen over de onderhandse verkoop en levering aan [B] van het bedrijfspand, de inventaris en de voorraden van de drogisterij en hebben zij een zogenaamde activaovereenkomst getekend. De rechter-commissaris heeft aan deze overeenkomst zijn toestemming gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na vermindering van eis - bij vonnis uitvoervaar bij voorraad de veroordeling van [gedaagde] , zowel in zijn hoedanigheid als bewindvoerder als in persoon, tot betaling van € 15.830,63, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd - samengevat - dat [gedaagde] zich niet heeft gedragen zoals een deugdelijk handelend bewindvoerder betaamt. Na zijn beslissing om niet te gunnen hadden de voor verkoop in aanmerking komende goederen alsnog naar de hoogste bieder - en dus naar [eiser] - moeten gaan, aldus [eiser] . Nu dit niet is gebeurd heeft [gedaagde] in strijd met het belang van de gezamenlijke schuldeisers gehandeld. [eiser] acht de gedragingen van [gedaagde] onrechtmatig. De schade die [eiser] lijdt en nog zal lijden en waarvoor hij [gedaagde] aansprakelijk stelt bestaat uit accountantskosten (€ 5.508,53), taxatiekosten (€ 2.214,30), eigen uren (€ 8.000,00) en reiskosten (€ 107,80). [eiser] stelt dat hij alleen maar kosten gemaakt heeft en geen inkomsten uit de drogisterij heeft kunnen halen, terwijl hij wel het recht had om deze drogisterij gegund te krijgen. Ter zitting heeft [eiser] nog opgemerkt dat hij voor zijn gevoel voor een karretje is gespannen en dat hij op oneigenlijke gronden buiten spel is gezet.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en heeft aangevoerd dat hij in het verkoopproces geheel heeft voldaan aan de voor hem als bewindvoerder geldende zorgvuldigheidsnormen door transparant te zijn en geen verwachtingen te wekken die hij niet heeft kunnen waarmaken. Hij heeft zich - gelet op artikel 3 van het verkoopprospectus - het recht voorbehouden om niet tot gunning over te gaan. Hiernaast is in het verkooptraject altijd een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de voor verkoop benodigde toestemming van de rechter-commissaris en van de separatisten (pand- en hypotheekhouder). Het gunningbesluit aan [eiser] van 13 februari 2015 bestaat niet meer nu de rechter-commissaris geen toestemming voor de gunning heeft verleend. [gedaagde] stelt dat het hem vrij stond om niet tot gunning over te gaan en om vervolgens [B] te benaderen voor de verkoop. Hierbij speelde een rol dat DA-Retail niet bereid was om haar pandrecht bij een verkoop aan [eiser] vrij te geven. Het zou veel gedoe en vertraging opleveren om hiertegen in te gaan, terwijl de zomer eraan zat te komen en de winkel open moest. Verder was de uiteindelijke opbrengt na verkoop aan [B] hoger dan de bieding van [eiser] en werd met de verkoop aan [B] ook de werkgelegenheid van [A] gewaarborgd en kon de drogisterij in de familie blijven, aldus [gedaagde] . Met de inkomsten van [A] is de boedel ook gebaat.

3.4.

[gedaagde] heeft met betrekking tot zijn aansprakelijkstelling in persoon nog aangevoerd dat terughoudendheid op zijn plaats is. Een bewindvoerder heeft te maken met tegenstrijdige belangen en moet ook de rechten van schuldeisers dienen. Aan hem komt in verband hiermee een relatief grote beleidsruimte toe. Indien bewindvoerders telkens aansprakelijk gesteld zouden worden wanneer blijkt dat een andere handelwijze gunstiger voor de boedel zou zijn, zou dit hen zeer verlammen bij de afwikkeling van de boedel en zal dit de bereidwilligheid om als bewindvoerder te fungeren doen afnemen. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de taak van de bewindvoerder om te streven naar een maximale (financiële) opbrengst niet is geschreven ter bescherming van belangen van anderen dan de gezamenlijke schuldeisers.

3.5.

Voor zover [eiser] een beroep heeft willen doen op wanprestatie dan wel op schending van de precontractuele goede trouw kan een dergelijk beroep niet slagen, aldus [gedaagde] . Van een contractverhouding tussen [gedaagde] en [eiser] is geen sprake en van een inbreuk op de precontractuele goede trouw evenmin. Eventueel door [eiser] gemaakte kosten in het kader van onderhandelingen die gevoerd zijn over de verkoop van de goederen blijven voor zijn eigen rekening.

4 Beoordeling

4.1.

De kantonrechter overweegt dat voor wat betreft de te hanteren normen voor de aansprakelijkheid van een bewindvoerder - in persoon dan wel in hoedanigheid - kan worden aangesloten bij de in de rechtspraak geformuleerde normen ten aanzien van curatoren. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat de taken van de bewindvoerder en de curator, waar het gaat om het beheer en de vereffening van de boedel, niet (wezenlijk) van elkaar verschillen. Voor een weergave van de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaven ten aanzien van curatoren verwijst de kantonrechter bijvoorbeeld naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 16 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY0585.

4.2.

Uitgaande van het vorenstaande geldt als maatstaf voor de persoonlijke aansprakelijkheid van de bewindvoerder in een geval als het onderhavige dat de bewindvoerder niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Voor deze vorm van aansprakelijkheid is voorts vereist dat de bewindvoerder een persoonlijk verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt. Daarvoor is vereist dat de bewindvoerder heeft gehandeld terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien.

De aansprakelijkheid van de bewindvoerder in zijn hoedanigheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de (gewone) maatstaven van artikel 6:162 BW . Dit betekent dat sprake moet zijn van een onrechtmatige daad - bestaande uit een inbreuk op een recht of een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm - die aan de bewindvoerder kan worden toegerekend. Daarvoor is vereist dat de onrechtmatige daad te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Het ligt voor de hand om bij deze beoordeling aansluiting te zoeken bij de maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid, zij het dat voor deze laatste vorm van aansprakelijkheid een hogere drempel geldt.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het onderhavige geval vastgesteld worden dat het in beginsel de bedoeling van [gedaagde] is geweest om de goederen te gunnen aan de hoogste bieder. Hiervoor heeft [gedaagde] het prospectus uitgebracht en gegadigden uitgenodigd om een bod te doen. [eiser] en [B] hebben beide geboden, waarbij [eiser] van het begin af aan als een serieuze kandidaat is beschouwd. Uiteindelijk was [eiser] op 28 februari 2015 de hoogste bieder voor de overname van de bedrijfsactiva van de drogisterij.

4.4.

Dat [gedaagde] niet tot een gunning op basis van het prospectus is overgegaan leidt naar het oordeel van de kantonrechter op zichzelf nog niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens [eiser] . [gedaagde] heeft zich immers het recht voorbehouden om niet tot gunning over te gaan én hij heeft een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de voor verkoop benodigde toestemming van de rechter-commissaris en van de pand- en hypotheekhouder. Dat het biedingsproces door diverse omstandigheden - namelijk het door [B] gemaakte financieringsvoorbehoud, de wijziging van de data voor het uitbrengen van een bieding, het onthouden van toestemming door de rechter-commissaris aan een verkoop aan [eiser] en de discussie over de uitleg van de beslissing van de rechter-commissaris - niet zonder obstakels is verlopen, hetgeen er kennelijk aan heeft bijgedragen dat de gunning niet is doorgegaan, kan [gedaagde] evenmin worden verweten.

4.5.

De kantonrechter is echter van oordeel dat [gedaagde] , mede gelet op voornoemde omstandigheden, jegens [eiser] niet zorgvuldig heeft gehandeld door daags na het afblazen van de gunning een onderhands traject te starten met [B] en [eiser] - als hoogste bieder - zonder toekenning van enige vergoeding van nodeloos gemaakte kosten te passeren. De hiervoor onder rechtsoverweging 3.3. genoemde redenen kunnen hieraan niet afdoen. Het gaat namelijk om redenen die pas achteraf zijn opgekomen en waarover geen overleg met [eiser] heeft plaatsgevonden. Dat DA-Retail geen toestemming wilde geven voor een verkoop aan [eiser] is - voor zover de kantonrechter heeft kunnen nagaan - niet eerder dan omstreeks 19 maart 2015 concreet ter sprake gekomen. In februari 2015, toen het nog de bedoeling van [gedaagde] was om de goederen aan [eiser] te verkopen, is aan [eiser] niet meer gemeld dan het (formele) voorbehoud dat de pandhouder toestemming moet verlenen voor de verkoop. Overigens heeft [gedaagde] zelf toegegeven dat DA-Retail feitelijk geen steekhoudende argumenten had bij haar weigering om toestemming te geven. Het door [gedaagde] genoemde belang van het behoud van werkgelegenheid bij een verkoop van de goederen aan [B] is eveneens achteraf opgekomen. Dat geldt ook voor het argument dat de (uiteindelijke) bieding van [B] het meeste zou opleveren voor de boedel. Deze bieding is na onderhandelingen met [B] tot stand gekomen op basis van de eerdere biedingen en zonder overleg met [eiser] . Al met al is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] , nu hij de goederen na het biedingsproces heeft verkocht aan [B] zonder enige vergoeding aan [eiser] van door hem gemaakte kosten, de belangen van [eiser] onrechtmatig heeft veronachtzaamd. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder aansprakelijkheid moet worden gehouden voor de door [eiser] geleden schade bestaande uit de in het kader van het biedingsproces door hem nodeloos gemaakte (redelijke) kosten.

4.6.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde] eveneens persoonlijk aansprakelijk te houden voor de door [eiser] geleden schade. Voor deze vorm van aansprakelijkheid geldt een hogere drempel. De kantonrechter is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [gedaagde] door de omstandigheden van dit geval en de gewijzigde spelregels in een lastige situatie is komen te verkeren, waarbij hij onder (tijds)druk kwam te staan en rekening is gaan houden met andere belangen, zoals het belang van [B] bij het behoud van de drogisterij in zijn familie, het belang van werkgelegenheid en de spoedige voortzetting van het bedrijf met het oog op het zomerseizoen. De gevorderde veroordeling van [gedaagde] in persoon tot het betalen van schadevergoeding wijst de kantonrechter dan ook af.

4.7.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Tegen de gemaakte accountantskosten ad € 5.508,53 en de taxatiekosten ad

€ 2.214,30 is geen verweer gevoerd, zodat deze kosten - die de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen - kunnen worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde € 107,80 in verband met reiskosten. De door [eiser] aan het biedingsproces bestede tijd kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet als vermogensschade als bedoeld in artikel 6:96 BW voor toewijzing in aanmerking komen. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat een bedrag van € 7.830,63 als schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt.

4.8.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wijst de kantonrechter af, nu deze kosten niet zijn onderbouwd. Bovendien is niet gebleken dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.9.

Nu in dit geval geen sprake is van een betalingsverplichting uit hoofde van een handelstransactie is de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar. Aangenomen kan echter worden dat [eiser] tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van artikel 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking vanaf 19 maart 2015, welke datum verder niet is betwist.

4.10.

[gedaagde] zal in zijn hoedanigheid als bewindvoerder als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter ziet aanleiding om het tarief voor salaris gemachtigde af te stemmen op het toegewezen bedrag. Dit maakt dat de proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- explootkosten € 77,84

- griffierecht € 466,00

- salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)

totaal € 1.043,84

4.11.

Verder zal [gedaagde] in zijn hoedanigheid als bewindvoerder worden veroordeeld in de nakosten, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, die worden begroot op een bedrag van € 100,00 (half punt toepasselijk liquidatietarief, met een maximum van

€ 100,--) aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

4.12.

De toegewezen bedragen aan schadevergoeding, rente en kosten, zullen - nu [gedaagde] niet persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden - ten laste van de boedel van de onder bewind gestelde gebracht moeten worden.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid als bewindvoerder tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 7.830,63 (zegge: zevenduizend achthonderdendertig euro en drieënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2015;

veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid als bewindvoerder in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.043,84;

veroordeelt [gedaagde] in zijn hoedanigheid als bewindvoerder, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. J.A. Werkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 518