Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2850

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
LEE 16-1661 en 16-2007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Realisering van woningblokken en verbouwing van de bestaande Adelaarskerk in Leeuwarden. Deugdelijke ruimtelijke onderbouwing. Verweerder is afdoende gemotiveerd afgeweken van een onderdeel van het negatieve welstandsadvies. Beslissen op de ingediende aanvraag om omgevingsvergunning en de weging van alternatieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 16/1661 en 16/2007

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2016 in de zaken tussen

[verzoeker], te Leeuwarden, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder,

(gemachtigde: A.J. Grondsma).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-belanghebbende], gevestigd te Grou, vergunninghoudster,

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij primair besluit van 10 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en onder weerlegging van de zienswijze van verzoeker aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee nieuwe woningbouwblokken en het herbestemmen en verbouwen van de bestaande Adelaarskerk op de percelen aan de [adres] te Leeuwarden.

Tegen het bestreden besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft verzoeker op 14 april 2016 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 3 juni 2016.

Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld door zijn vader.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en M. Kaspers.

Namens vergunninghoudster zijn voornoemde gemachtigde en [naam] verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 30 december 2014 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevings-vergunning ten behoeve van het realiseren van twee nieuwe woningblokken en het herbestemmen en verbouwen van de bestaande Adelaarskerk op de percelen aan de [adres] te Leeuwarden bij verweerder ingediend.

De aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:

- bouwen;

- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.

Aan de aanvraag heeft vergunninghoudster een rapportage van 23 april 2015 van het bureau Lievense CSO met betrekking tot een historisch bodemonderzoek (bodemverontreiniging) en een ecologische quickscan uit 2015 van het bureau FaunaX met betrekking tot een verkennende inventarisatie en beoordeling natuurwaarden in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) ten grondslag gelegd.

1.2.

Verweerder heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg (hierna: de welstandscommissie). In een advies van 31 maart 2015 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het voorbehoud betreft het plan op zichzelf en in verband met de omgeving en is op het volgende gericht. De tussenruimte tussen met name het noordelijke blok en het kerkgebouw oogt krap, terwijl de plaatsing van dit blok direct tegen de stoep aan, mede gelet op de ligging van slaapkamers aan deze zijde niet bijdraagt aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Met betrekking tot de keuze voor een uitvoering in één kleur baksteenrood levert dit in deze situatie en met deze bouwmassa’s een wat bepalend beeld op. De criteria laten hier volgens de welstandscommissie ruimte voor differentiatie. Zonder bemonstering van de materialen en kleuren van de gevels is een volledige beoordeling niet mogelijk.

In een nader advies van 5 juni 2015 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Veel van de eerdere bezwaren zijn volgens de welstandscommissie ondervangen. De resterende kritiek betreft het plan op zichzelf en in verband met de omgeving. Deze is op het volgende gericht. De tussenruimte tussen met name het noordelijke blok en het kerkgebouw oogt krap. Deze was in de eerdere plannen

4,3 meter en is nu vergroot naar 4,8 meter. Deze verruiming is een verbetering, maar niet in die mate dat het bezwaar naar de mening van de welstandscommissie daarmee is ondervangen.

1.3.

Verweerder heeft op 12 augustus 2015 een ontwerpbesluit tot het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning genomen.

Verweerder heeft het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant van 19 augustus 2015.

1.4.

Verzoeker heeft bij brief van 16 september 2015 een zienswijze bij verweerder ingediend.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden (hierna: de raad) een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en onder weerlegging van de zienswijze van verzoekers aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee nieuwe woningbouwblokken en het herbestemmen en verbouwen van de bestaande Adelaarskerk op de percelen aan de [adres] te Leeuwarden.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld, en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet (het Bouwbesluit).

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van de het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a en ten derde.

2.2.

De in artikel 2.12, derde lid, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 5.20 van het Bor zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde, van de wet, de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, voor zover thans van belang, wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet en waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, verklaard heeft dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is.

Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

2.3.

Aan de percelen is ingevolge het bestemmingsplan “Bilgaard, Leeuwarder Bos en omgeving” de bestemming “Maatschappelijk” toegekend.

Ingevolge artikel 12.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen,

met de daarbij behorende:

b. tuinen, erven, parkeervoorzieningen en terreinen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 12.2.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding “maximale goot- en bouwhoogte (m)” aangegeven goot- en bouwhoogte;

c. voor zover ter plaatse van een bouwvlak de aanduiding “maximum bebouwings-percentage” voorkomt mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan het ter plaatse van die aanduiding aangegeven percentage.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1.

Aangezien vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende omgevings-vergunning, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker in dit geval gegeven.

4.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen in geschil is of verweerder in dit geval gebruik heeft kunnen maken van de aan hem toekomende bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a ten derde, van de Wabo om af te wijken van voormeld bestemmingsplan voor het realiseren van twee nieuwe woningbouwblokken en het herbestemmen en verbouwen van de bestaande Adelaarskerk op de percelen aan de [adres] te Leeuwarden. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

4.2.

Het realiseren van twee nieuwe woningbouwblokken en het herbestemmen van de Adelaarskerk op voormelde percelen te Leeuwarden is in strijd met het bestemmingsplan “Bilgaard, Leeuwarder Bos en omgeving” en de op grond van dit bestemmingsplan aan die percelen toegekende bestemming “Maatschappelijk”, voor zover dit het gebruik ten behoeve van het wonen voor ouderen betreft. Verder is er in dit geval sprake van strijd met het vigerende bestemmingsplan voor wat betreft het bouwen buiten het huidige bouwvlak en met betrekking tot het gedeelte van de bebouwing, dat hoger is dan op grond van planvoorschrift artikel 12.2.1, sub c, is toegestaan.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit om aan een activiteit in afwijking van het bestemmingsplan al dan niet medewerking te verlenen een bevoegdheid van - in dit geval - verweerder betreft, waarbij hij beleidsvrijheid heeft en de rechter dat besluit terughoudend dient te toetsen (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013: BZ7700).

5.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de opgestelde ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd dat er in dit geval sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Volgens verweerder volgt uit de opgestelde ruimtelijke onderbouwing dat het bouwplan op deze locatie aanvaardbaar is. In dit verband wijst verweerder erop dat het te realiseren project goed past in de ruimtelijke structuur van de omgeving en in het ruimtelijke beleid van de gemeente Leeuwarden. Naar de mening van verweerder vormt het toegevoegde bouwvolume tezamen met de Adelaarskerk een alleszins acceptabel ensemble, passend binnen de stempelstructuur, die kenmerkend is voor de wijk Bilgaard.

5.2.

Voor zover verzoeker beoogt te betogen dat er in dit geval geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een inhoudelijk gemotiveerde onderbouwing, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op ruimtelijk relevante aspecten als de planopzet, de locatiekeuze en het woonplan van de gemeente Leeuwarden. In de ruimtelijke onderbouwing is tevens ingegaan op de randvoorwaarden en omgevingsaspecten (stedenbouw, monumentenzorg, parkeren/verkeer, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, archeologie, bodem, ecologie (gebieds- en soortenbescherming), groen, kabels en leidingen, ladder voor duurzame verstedelijking en de vliegbasis Leeuwarden). Geconcludeerd wordt dat de genoemde omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor het realiseren van twee nieuwe woningbouwblokken en het herbestemmen en verbouwen van de Adelaarskerk op voormelde percelen te Leeuwarden en dat het project planologisch uitvoerbaar is. Met betrekking tot de economische uitvoerbaarheid is in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat de kosten voor de realisatie van de woning voor rekening van de aanvrager komen. Geconcludeerd wordt dat, gelet op het voorgaande, de financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende gewaarborgd is. De rechtbank overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing op ruimtelijke relevante aspecten als de planopzet, de locatiekeuze en het woonplan van de gemeente Leeuwarden is ingegaan. Tevens is in de ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de randvoorwaarden en voormelde omgevingsaspecten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de daaraan gestelde wettelijke vereisten. In de niet nader onderbouwde stelling van verzoeker dat de voorgenomen activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat verweerder de ruimtelijke onderbouwing niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De stelling van verzoeker dat de bewoners van een GGZ-instelling de veelal oudere mensen, maar ook de jonge kinderen in de buurt een onveilig gevoel bezorgen, maakt dit niet anders. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat op voorhand sprake zal zijn van een zodanige aantasting van het (subjectieve) veiligheidsgevoel van de buurt dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven. Hieruit volgt dat verweerder gebruik heeft kunnen maken van de hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

6.1.

Verzoeker betoogt dat de toren in het recent vastgestelde bestemmingsplan geen enkele specifieke ruimtelijke, dan wel architectonische kwalificatie heeft gekregen. Het is geen rijksmonument, noch een gemeentelijk monument. Kennelijk was er geen aanleiding de toren positief te kwalificeren. Volgens verzoeker zijn er derhalve geen formele beletselen de bestaande bebouwing volledig te slopen en te vervangen door nieuwbouw. Reeds daardoor ontstaat in de visie van verzoeker een grotere mate van vrijheid binnen de bestemmingsplan- grenzen (binnen het bouwblok en binnen de toegestane hoogte) nieuwbouw te realiseren voor circa 58 wooneenheden.

6.2.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de Adelaarskerk weliswaar niet is aangewezen als een monument, maar dat het door verweerder en een groot aantal wijkbewoners als een markant en kenmerkend gebouw voor de wijk Bilgaard wordt gezien. Om die reden heeft verweerder als insteek gekozen dat de Adelaarskerk in dit geval behouden moet blijven, ook na realisering van het thans voorliggende bouwplan.

6.2.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:

2012:BY7324, dient het bestuursorgaan te beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezen-lijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestaande Adelaarskerk, mede gelet op de kenmerkende structuur van de wijk Bilgaard, als een markant en kenmerkend gebouw beschouwd dient te worden. Gelet hierop heeft verweerder zich eveneens op het standpunt kunnen stellen dat om die reden de Adelaarskerk, ook na de realisering van het thans voorliggende bouwplan, behouden moet blijven. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

7.1.

Verzoeker betoogt, onder verwijzing naar de advisering van de welstandscommissie, dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. In dit verband wijst verzoeker erop dat, om te voldoen aan de door verweerder opgelegde ruimtelijke vormgeving en aan het programma van eisen van de participanten, het bouwplan aan de oostkant van het perceel uitgaat van een bouwschijf van circa 30 meter in vijf bouwlagen langs de entree van de Jokse. Een dergelijk lang en hoog bouwdeel doet naar de mening van verzoeker ernstig afbreuk aan de stempelstructuur en de beoogde ruimtelijke vormgeving. Bovendien doen de hoogte en de lengte van dit bouwdeel in de visie van verzoeker afbreuk aan het hoogte-accent van de nieuwbouw aan de overzijde. Dit hoogte-accent is ook vijf lagen hoog, maar is niet langer dan een meter of 15.

7.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. In dit verband wijst verweerder erop dat het advies van 5 juni 2015 van de welstandscommissie niet strookt met de stedenbouwkundige uitgangspunten voor de herontwikkelingsopgaaf en de stedenbouwkundige opzet van de kenmerkende stempelstructuur van Bilgaard. Naar de mening van verweerder resulteert een verruiming van dit hoekperceel in een afwijkend stempel binnen de bestaande bijzondere structuur en is een dergelijke afwijking niet acceptabel. In de visie van verweerder vormt het toegevoegde bouwvolume tezamen met de kerk een alleszins acceptabel nieuw ensemble binnen de stempelstructuur.

7.3.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2009:BI2952, volgt dat verweerder, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, in beginsel aan het advies doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende (vgl. AbRvS, 16 september 2009, ECLI:NL:RVS: 2009:BJ7774).

Eveneens volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL: RVS:2014:123, dat uit te tekst van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo niet kan worden afgeleid dat verweerder slechts bevoegd is om af te wijken van een negatief welstandsoordeel op grond van overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen. Dit kan naar het oordeel van de AbRvS evenmin worden afgeleid uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling.

7.4.1.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder, ondanks dat het bouwplan deels in strijd is met redelijke eisen van welstand, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de gevraagde omgevingsvergunning moest worden verleend.

7.4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de welstandscommissie bij de welstandsadvisering gehouden is om de door het vigerende bestemmingsplan geboden bouwmogelijkheden te respecteren. Verder dient te worden vastgesteld dat het bouwplan naar aanleiding van het advies van 31 maart 2015 van de welstandscommissie is aangepast. Daarop heeft de welstandscommissie in een nader advies van 5 juni 2015 aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Veel van de eerdere bezwaren zijn volgens de welstands-commissie ondervangen. De resterende kritiek betreft het plan op zichzelf en in verband met de omgeving. Deze is op het volgende gericht. De tussenruimte tussen met name het noordelijke blok en het kerkgebouw oogt krap. Deze was in de eerdere plannen 4,3 meter en is nu vergroot naar 4,8 meter. Deze verruiming is een verbetering, maar niet in die mate dat het bezwaar naar de mening van de welstandscommissie daarmee is ondervangen. Naar aanleiding van dit nadere advies heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat een verruiming van dit hoekperceel in een afwijkend stempel binnen de bestaande bijzondere structuur resulteert. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, ondanks dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de gevraagde omgevingsvergunning in dit geval moest worden verleend. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de welstandscommissie in het nadere advies van 5 juni 2015 aangegeven heeft dat het bouwplan kan voldoen aan redelijke eisen van welstand, indien de reeds tot 4,8 meter vergrote tussenruimte tussen het te realiseren noordelijke blok en de bestaande Adelaarskerk nog verder wordt vergroot zonder daarbij een concrete afstand te noemen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op de stedenbouwkundige uitgangspunten voor de herontwikkelingsopgaaf en de stedenbouwkundige opzet van de kenmerkende stempelstructuur van Bilgaard, in redelijkheid meer gewicht mogen toekennen aan handhaving van die kenmerkende stempelstructuur binnen de wijk Bilgaard dan aan de door de welstandscommissie geadviseerde en niet geconcretiseerde vergroting van de tussenruimte tussen het te realiseren noordelijke blok en de bestaande Adelaarskerk, waardoor nu juist van de bestaande bijzondere structuur zou worden afgeweken. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval de gevraagde omgevingsvergunning, ondanks een negatief welstandsoordeel, moest worden verleend. Deze grond van verzoeker slaagt niet.

8. Voor zover verzoeker in verband met de gestelde waardevermindering van zijn woning bedoeld heeft te betogen dat een verzoek om planschade bij verweerder zal worden ingediend, indien de omgevingsvergunning gehandhaafd blijft, wijst de voorzieningenrechter erop dat een planschadeverzoek geen deel uitmaakt van deze procedure en om die reden geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. Ook deze grond van verzoeker slaagt niet.

9. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoeker ongegrond. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het daartoe ingediende verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep ongegrond.

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.

De griffier De voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: