Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2831

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
18.730354-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Zes jaren gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor poging tot doodslag en doodslag gepleegd te pleegplaats op 19 oktober 2015.

Verwerping beroep op noodweer

Verdachte weigerde medewerking aan het onderzoek in het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum. Deskundigen hebben op grond van de observatie en overige stukken een ernstige psychiatrische stoornis geconstateerd en adviseren dat verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Voorts hebben zij oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege geadviseerd. De rechtbank heeft deze adviezen overgenomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730354-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in het [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.E. van der Zee, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de

gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die

[slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherprandig

en/of puntig voorwerp, in (een of meerdere de(e)l(en) van) de hals en/of het

hoofd en/of een of meerdere ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gesneden

en/of gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente

Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die

[slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherprandig

en/of puntig voorwerp, in (een of meerdere de(e)l(en) van) de hals en/of het

hoofd en/of een of meerdere ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gesneden

en/of gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente

Leeuwarden, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar

lichamelijk letsel,

te weten meerdere snijwonden en/of steekwonden in (een of meerdere de(e)l(en)

van) de hals en/of het hoofd en/of een of meerdere ander(e) de(e)l(en) van het

lichaam (waardoor blijvend zichtbare littekens zijn ontstaan),

heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een

mes, althans een scherprandig en/of puntig voorwerp, in (een of meerdere

de(e)l(en) van) de hals en/of het hoofd en/of een of meerdere ander(e)

de(e)l(en) van het lichaam te snijden en/of te steken;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente

Leeuwarden, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten meerdere snijwonden en/of steekwonden in (een of meerdere de(e)l(en)

van) de hals en/of het hoofd en/of een of meerdere ander(e) de(e)l(en) van het

lichaam (waardoor blijvend zichtbare littekens zijn ontstaan),

heeft toegebracht door met dat opzet, die [slachtoffer 1] meermalen, althans

eenmaal, met een mes, althans een scherprandig en/of puntig voorwerp, in (een

of meerdere de(e)l(en) van) de hals en/of het hoofd en/of een of meerdere

ander(e) de(e)l(en) van het lichaam te snijden en/of te steken;

2.

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de

gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van

het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg meermalen (met kracht) met een fles en/of/althans een hard en/of kantig

voorwerp tegen en/of op het hoofd van die [slachtoffer 2] te stompen en/of te

slaan, in elk geval (zeer) ernstig geweld op het hoofd van die [slachtoffer 2]

uit te oefenen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de

gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd,

door met dat opzet meermalen (met kracht) met een fles en/of/althans een hard

en/of kantig voorwerp tegen en/of op het hoofd van die [slachtoffer 2] te stompen

en/of te slaan, in elk geval (zeer) ernstig geweld op het hoofd van die [slachtoffer 2]

uit te oefenen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vrijspraak voorbedachte rade

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte gehandeld heeft met voorbedachte rade. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting betoogd dat er sprake is van discrepanties tussen de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] enerzijds en de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] anderzijds, hetgeen tot de conclusie moet leiden dat niet al deze verklaringen als betrouwbaar aangemerkt kunnen worden. De raadsvrouw heeft dit betoog geplaatst in het kader van haar verweer dat het bestanddeel voorbedachte rade niet bewezen kan worden. Hoewel de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dit bestanddeel, zal de rechtbank niettemin ingaan op voornoemd betrouwbaarheidsverweer, zulks in het kader van de beoordeling van het bewijs.

Ook de rechtbank constateert dat er sprake is van discrepanties tussen de verklaring van aangeefster en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Meest opvallend is dat aangeefster niet verklaart dat zij op enig moment op het bed is beland, terwijl de beide getuigen dit wel verklaren. Voorts heeft aangeefster verklaard dat zij de gordijnen dichtdeed waarna zij door verdachte werd aangevallen. De beide getuigen verklaren dat de gordijnen niet geheel gesloten waren zodat zij door het raam zicht hadden op hetgeen zich in de kamer afspeelde.

De rechtbank overweegt dat zij geen gronden ziet te twijfelen aan de betrouwbaarheid van enerzijds de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en anderzijds de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] .

De rechtbank constateert dat beide getuigen verklaren dat zij door de niet geheel gesloten gordijnen konden zien dat [slachtoffer 1] werd aangevallen en dat zij op enig moment op het bed lag. De rechtbank ziet op grond van de inhoud van het dossier geen reden waarom deze getuigen hierover valselijk zouden verklaren. Eveneens blijkt uit het dossier dat [getuige 1] en [getuige 2] kort na het feit afzonderlijk van elkaar door de politie zijn gehoord en dat eventuele afstemming feitelijk onmogelijk was.

Voorts overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die in doodsangst verkeren, zoals aangeefster [slachtoffer 1] , nadien het feitelijk gebeuren niet tot in detail kunnen reproduceren tijdens een verhoor. Dit doet aan de betrouwbaarheid van een dergelijke verklaring echter niet af.

De rechtbank zal daarom zowel de verklaring van [slachtoffer 1] als de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bezigen voor het bewijs, een en ander zoals hierna vermeld.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 mei 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 19 oktober 2015 te [pleegplaats] in het bordeel genaamd [bordeel] een prostituee meermalen gestoken met een mes. Ik heb het mes langs een zijde van haar hals gehaald en haar nog een aantal keren gesneden en gestoken in en rond haar hals en gezicht.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 485 van het dossier met nummer PV-004-01 d.d. 9 maart 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op maandag 19 oktober 2015, omstreeks 16:15 uur, was ik aan het werk in het bordeel genaamd [bordeel] aan [adres] te [pleegplaats] . Ik werk hier als prostituee en werk vanuit kamer nummer 12. Vandaag 19 oktober 2015, omstreeks 16.20 uur kwam er een mannelijke klant bij mij. Ik deed de deur van mijn kamer, welke was afgesloten, open voor de man. Ik vroeg de man of hij wilde neuken en pijpen voor 30 euro.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 502 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

De man kwam naar binnen en ging zitten op het bed. Ik deed de deur dicht en op slot, daarna deed ik de gordijnen van het raam dicht en ook het gordijn voor de deur had ik dicht gedaan. Ineens voelde ik dat ik gegrepen werd door de man van achteren. Ik schrok mij kapot.

Ik begon te schreeuwen en er ontstond een worsteling tussen mij en de man. Ik merkte dat mijn vriendin reageerde op mijn geschreeuw. Zij is aan de deur gekomen en begon te bonken op de deur.

V: Je zegt: Ik deed de deur dicht en op slot, daarna deed ik de gordijnen van het raam dicht en ook het gordijn voor de deur had ik dicht gedaan. Ineens voelde ik dat ik gegrepen werd door de man van achteren. Hoe pakte de man jou vast toen hij binnen op het bed zat?

A: Met zijn linkerarm pakte hij mij op deze manier vast. Hij pakte mij om mijn nek met zijn

linkerarm van achteren vast. Ik voelde druk op mijn keel door de greep van de man.

….

Op dat moment was mijn vriendin [getuige 2] gekomen en ik hoorde mijn vriendin roepen: “Politie, help” en ze was aan het bonken op de deur.

Ik heb gezien dat de man wat weggooide.

….

Toen de man weg was kwam de kamerverhuurster bij mij. Zij vroeg mij hoe ik aan de verwondingen kwam. Ik heb gewezen naar de plank waar die man het voorwerp had heen gegooid. De kamerverhuurster heeft het voorwerp opgepakt en toen zag ik dat het een mes was.

Toen ik later opstond zag ik het mes in de wasbak liggen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 521 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik werk in kamer 11 in het pand [bordeel] te [pleegplaats] .

Ik hoorde op een gegeven moment dat het meisje naast mij een klant had.

Ik hoorde dat hij vroeg hoe duur het was. Hierop hoorde ik dat ze 30 euro vroeg. Ik hoorde de gordijnen dicht gaan. Ik hoorde gestommel. Eerst dacht ik dat er wat verschoven werd, maar het leek steeds meer een gevecht. Ik liep de deur uit en zag door het raam dat ze op haar rug lag op het bed met de manspersoon bovenop haar. Ik kon dit zien omdat het gordijn van de deur open zat. Ik probeerde de deur te openen, maar deze zat dicht. Ik zag dat de manspersoon gehurkt op het bed zat met het meisje onder hem. Ik zag dat hij haar met zijn linkerarm vast hield en met zijn rechterarm maakte hij op en neer gaande bewegingen van achter naar voren. Ik begon meteen te rammen op de deur en ik schreeuwde om hulp. Toen ik zei dat de politie moest komen vertrok de manspersoon. Hij keek mij en mijn vriendin van kamer 10 aan. Hij liep de trap af naar beneden de [adres] op.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 536 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik hoorde rare geluiden en ik voelde dat het niet zo was als normaal. Niet de geluiden die

we normaal maken.

V: Het was maandag 19 oktober 2015?

A: Ja

Ik wilde aan mijn vriendin vragen wat voor een geluiden dat waren en zij, [voornaam 1] , liep ook

naar buiten en vroeg of het wel in orde was met [voornaam 2] .

V: jij werkt in welke kamer en waar?

A; Kamer 10 in [bordeel] . Mijn kamer is de eerste. De naam van [voornaam 1] is [getuige 2] , haar werknaam is [voornaam 1] . Zij zit in kamer 11. [voornaam 2] , zij heet [slachtoffer 1] , werkt in kamer 12.

V: Je zei andere geluiden dan normaal, kun je die ook omschrijven?

A: Net alsof je meubels verschuift. [voornaam 1] was nerveus, zij zat rechtstreeks naast de kamer.

Zij hoorde dat het waarschijnlijk van [voornaam 2] afkomstig was. Wij wisten dat zij een klant had.

Ik zag dat het gordijn aan een (1) kant dicht was. De afstand is niet groot en [voornaam 1] probeerde de deur open te trekken want zij wilde naar binnen gaan.

[voornaam 1] zag dat het gordijn niet aan een kant dicht zat en zij zei: “Ze wordt vermoord, ze

wordt vermoord”. Ik ging dichterbij om te kijken en ik zag dat die man boven [voornaam 2] knielde en ik zag dat hij [voornaam 2] sloeg.

…..

A: Ik zag dat hij met een (1) hand het hoofd van [voornaam 2] vasthield en met zijn rechtervuist

[voornaam 2] sloeg.

V: Hij had [voornaam 2] met de linkerhand/arm vast en waar had hij haar vast?

A: Ja bij haar hoofd.

Ik zag dat [voornaam 2] half op het bed lag.

….

A: [voornaam 1] klopte op het raam zodat de man zou stoppen. Ik schreeuwde om hulp en raakte in paniek.

….

Ik zag dat de man naar buiten liep.

Hij liep eerst met zijn hoofd naar beneden en daarna deed hij zijn hoofd omhoog en keek mij aan.

Ik keek naar [voornaam 2] en zag dat er overal bloed op [voornaam 2] was. Ik zag dat uit haar gezicht bloed

kwam en ik zag dat er bloed uit haar neus kwam. Haar borstkas zat onder het bloed.

6. Een letselrapportage van GGD Fryslân Forensische Geneeskunde, op 22 december 2015 opgemaakt en ondertekend door T.H. Tan, forensisch arts KNMG, opgenomen op pagina 351 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Letselonderzoek d.d. 19/10/2015

Betreft: [slachtoffer 1]

Beschouwing

Indien men ervan uit gaat dat alle kras- en snijletsels, aan het hoofd en armen in een sessie

zijn ontstaan dan is het zeer waarschijnlijk dat deze letsels door één voorwerp zijn veroorzaakt.

Het voorwerp moet puntig en scherprandig zijn, zoals bijvoorbeeld een mes.

Het snijletsel aan de linker (de rechtbank begrijpt dat hier "linkerzijde" bedoeld wordt) van de hals gaat tot aan de spierlagen. Indien de snede een centimeter (De rechtbank begrijpt dat hier het woord "dieper" ingevoegd moet worden) had gelegen dan waren halsspieren doorgesneden en de naast /ondergelegen grote bloedvaten van en naar het hoofd geraakt. Het doorsnijden van deze bloedvaten leidt tot een levensbedreigende situatie.

Conclusie

Letsel past bij: de geconstateerde letsels kunnen passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.

Beantwoording van de vragen

1. Waarmee kan het letsel veroorzaakt zijn?

Het is zeer waarschijnlijk dat de letsels zijn veroorzaakt door een scherprandig/snijdend

voorwerp zoals bijvoorbeeld een mes.

3. Wat is de gevaarzetting geweest?

De gevaarzetting is zeer ernstig gezien de plaats van het letsel ter hoogte van de linker

hals: ongeveer 1 cm dieper liggen vitale bloedvaten. Doorsnijden van deze vaten leidt tot een

levensbedreigende situatie.

….

Feit 2

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 20 oktober 2015, opgenomen op pagina 657 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 19 oktober 2015, omstreeks 17:19 uur, hoorden wij een portofonische oproep van het

Operationeel Centrum (OC) dat er op de [locatie 1] te [pleegplaats] een mishandeling had

plaatsgevonden en dat er een vrouw met hersenletsel was aangetroffen.

Wij, verbalisanten zagen aan het begin van het pad aan de [straat 1] een aantal

mensen staan en ons wenkten dat we op het fietspad moesten zijn.

….

Ik, [verbalisant] , ben het fietspad verder opgerend en zag een persoon aan de

linkerzijde van het pad in het gras liggen.

Ik hoorde dat de verpleegkundige zei dat het niet goed ging met mevrouw en dat mevrouw geen enkel teken van leven meer had. Ik hoorde de verpleegkundige zeggen dat mevrouw was overleden.

….

Ik, verbalisant, ben hierop naar twee meisjes gerend om te horen wat ze hadden gezien. Ik hoorde dat de meisjes zeiden dat ze zagen dat er een voor hen onbekende man met een fles op de grond aan het slaan was. Ik hoorde dat ze zeiden dat, op het moment dat ze dichterbij kwamen, zagen dat er niet op de grond geslagen werd maar dat er meerdere keren met de fles op een vrouw werd geslagen.

…..

Ik, verbalisant, heb in de handtas gekeken of daar iets in zat van een legitimatie van het slachtoffer. Ik verbalisant zag dat er in de portemonnee een pinpas zat met daarop de naam [slachtoffer 2] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 667 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Maandag 19 oktober 2015 tussen omstreeks 17.00- 17.15 uur fietste ik samen met mijn vriendin [getuige 4] over het voet-fietspad aan de [locatie 1] te [pleegplaats] .

….

Aan het fietspad ligt een aantal woonboten en een aantal boothuizen. Toen [getuige 4] en ik het fietspad op fietsten, zagen [getuige 4] en ik dat er gezien onze rijrichting aan de linkerkant een man geknield op het fietspad zat en met een fles op de grond sloeg. Het slaan had het geluid alsof die man ergens met een hamer op sloeg. Ik zag dat die man zeker wel drie of vier keer hard met die fles sloeg.

Het slaan met die fles maakte wel het geluid dat hij met die fles ergens hard op sloeg.

...

We fietsten dus door in de richting van die man.

Toen we de man naderden, op enkele tientallen meters, stond de man rustig op en liep hij rustig weg in oostelijke richting, dus in de richting van het politiebureau. Toen [getuige 4] en ik de plek waar die man eerder zat bereikten, zagen we dat er een vrouw op de grond lag. Ik zag dat er ook veel bloed in het gras lag.

Ik zag dat ze veel bloed op haar hoofd had.

Op het moment dat wij ter hoogte van die vrouw waren liep de man rustig verder. Ik schat dat wij de man op een afstand van 5 meter zagen lopen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 675 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

Vanmiddag, 19 oktober 2015, was ik samen met mijn vriendin [getuige 3] , op de [locatie 1] in [pleegplaats] .

….

Er staan daar [locatie 2] . Toen wij aan kwamen fietsen zag ik een man staan.

Ik zag dat de man slaande bewegingen maakte naar iets op de grond. Ik zag toen nog niet wat daar op de grond lag. Ik zag dat de man een fles in zijn hand had.

Ik zag dat de man nadat hij die slaande bewegingen had gemaakt, weg liep. Hij liep van ons af.

….

Omdat de man wegliep, zijn wij ook doorgefietst. Toen we vlak bij de plaats waar het

gebeurd was kwamen, zagen we dat daar een vrouw op de grond lag.

Ze lag op haar zij op het gras naast het fietspad.

Ik zag dat de vrouw bloed in haar haar had. Ik zag ook dat er bloed in het gras om

haar hoofd heen zat. Ik zag dat de vrouw helemaal bleek was.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 21 oktober 2015, opgenomen op pagina 679 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Ik ben werkzaam als werkmeester in de [PI] . Ik begeleid gedetineerden in de PI bij arbeid dat hen wordt aangeboden in de tijd dat zij bij ons zijn gedetineerd.

….

Maandag 19 oktober 2015 had ik gewerkt in [instelling] , nu [PI] genaamd. Ik vertrok wat later als normaal vanaf [instelling] . Zoals altijd fiets ik naar en van mijn werk. Maandagmiddag fietste ik vanaf de [PI] via het fietspad aan de [weg] , langs de [sloperij] , met een bocht naar rechts en later naar links over het fietspad de [locatie 1] . Ik fietste alleen. Ik reed langs de [locatie 2] aan de [locatie 1] . Ik droeg nog mijn uniform van de [PI] .

….

Ik rij iedere dag dezelfde route. Dus vanaf de PI het fietspad langs het kanaal aan de [weg] , langs de [locatie 2] aan de [locatie 1] ….

Het was volgens mij tussen 16:45 uur en 17:00 uur die dag dat ik op het fietspad langs de [locatie 3] de mij bekende [verdachte] tegen kwam. Hij is bij mij werkzaam geweest op de [zaal] in de [PI] .

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 28 oktober 2015, opgenomen op pagina 653 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik heb de camerabeelden uitgekeken, die zijn verstrekt door de vestigingsmanager van [bedrijfsnaam] , locatie [straat 2] te [pleegplaats] , van 19 oktober 2015.

De camerabeelden van [bedrijfsnaam] zijn van goede kwaliteit. Ik kon de verdachte [verdachte] op deze beelden ontdekken en herkennen.

….

Camera 2 buitenkant van het pand aan de noordzijde. Gericht in westelijke richting op de ingang van het parkeerterrein bij de [straat 2] .

16.58.50 -

[verdachte] loopt aan de buitenzijde van het pand van westelijke in oostelijke richting. Hij komt vanuit de richting van de draaideur en slaat dan rechtsaf. Op de camerabeelden is hij van de voorzijde te zien. Op het moment dat hij in beeld komt op deze camera heeft hij een fles aan de mond. Als hij verder loopt en beter in beeld komt is te zien, dat hij een fles in de rechterhand heeft en uit deze fles drinkt, terwijl hij verder loopt.

….

Controle systeemtijd. Bij een controle van de systeemtijd van het camerasysteem van [bedrijfsnaam] bleek mij, dat de tijd die op de camerabeelden meeloopt ongeveer 2.36 minuten voorloopt. De werkelijke tijd is derhalve 2.36 minuten eerder.

6. Een deskundigenrapport "Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood", afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2015.10.20.068, d.d. 9 februari 2016, opgemaakt door

B. Kubat, arts en patholoog, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring, opgenomen op pagina 264 van voornoemd dossier:

1. Overledene

Ontvangen van Eenheid Noord-Nederland

Naam [slachtoffer 2]

De bovengenoemde persoon is overleden te [locatie 1] in [pleegplaats] op

19 oktober 2015 omstreeks 17.40 uur.

3. Vraagstelling

In opdracht van de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-

Nederland werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang

mocht blijken.

6. Interpretatie van resultaten

Bij de sectie waren er tekenen van bij leven opgetreden inwerking van zeer heftig

uitwendig mechanisch stomp en mogelijk kantig botsend geweld met name links op

het hoofd zoals kan optreden door slaan met een hard en mogelijk kantig voorwerp of schoppen met hard schoeisel.

Dit geweld heeft geleid tot zeer ernstige letsels aan de hersenen en de schedelbeenderen en tot herseninklemming.

….

De bevindingen aan de luchtwegen en de longen waren ontstaan ten gevolge van de letsels aan de neus en tonen aan dat het slachtoffer ademde en dus bij leven was ten tijde van het oplopen van deze letsels.

….

7. Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , wordt volledig verklaard door uitval van hersenfuncties opgetreden ten gevolge van zeer

ernstige letsels aan het hoofd en de hersenen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van eerste bemonstering verdachte [verdachte] van de Afdeling Forensische Opsporing, d.d. 26 oktober 2015, opgenomen op pagina 103 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Verdachte

[verdachte]

….

De sporen/sporendragers die tijdens het onderzoek zijn veiliggesteld, zijn voorzien van een sticker met een landelijk uniek S(poor) I(dentificatie) N(ummer). Indien van een sporendrager een spoor wordt afgenomen wordt dit spoor voorzien van een nieuw landelijk uniek SIN nummer.

….

Er was op verschillende plaatsen bloed zichtbaar op het lichaam van de verdachte.

Ik heb op maandag 19 oktober 2015, omstreeks 18:00 uur, op verschillende plaatsen op het lichaam van de verdachte het bloed bemonsterd en veiliggesteld.

SIN: AAIK0312NL bloed plaats aantreffen: voorhoofd

Ik heb op maandag 19 oktober 2015, omstreeks 18:20 uur, de kleding van verdachte overgenomen (deze kleding was door personeel van het arrestantencomplex in afzonderlijke papieren zakken gedaan).

SIN: AAIK0325NL Donker blauwe jas

SIN: AAIK0323NL Witte schoenen

SIN: AAIK0322NL Licht blauwe broek

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van tweede bemonstering verdachte [verdachte] van de Afdeling Forensische Opsporing, d.d. 14 november 2015, opgenomen op pagina 113 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

….

Verdachte

[verdachte]

…..

Aan de binnenzijde van de rechterhand zag ik bloed. Dit bloedspoor heb ik bemonsterd en veiliggesteld (SIN AAIK0330NL)

9. Een deskundigenrapport "Bloedspoorpatroononderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek…", afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2015.10.20.068, d.d. 5 februari 2016, opgemaakt door P.A. Maaskant - van Wijk, forensisch onderzoeker biologische sporen en DNA, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als haar verklaring, opgenomen op pagina 286 van voornoemd dossier:

6.4

Resultaten, interpretatie en conclusie

In tabel 3 staat vermeld of van het onderzochte sporenmateriaal een voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel is verkregen, en zo ja, van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Dit betekent tevens dat in het desbetreffende sporenmateriaal op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van één van de andere personen van wie in deze zaak een DNA-profiel is vergeleken. In de derde kolom staat vermeld wat de matchkans is van het DNA-profiel van het celmateriaal in het desbetreffende

sporen materiaal. Ofwel, wat de kans is dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel.

Tabel 3Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

Bemonsteringen

SIN: AAIK0312NL#01

DNA-profiel van een vrouw [slachtoffer 2]

Matchkans DNA-profiel: kleiner dan 1 op 1 miljard

SIN: AAIK0330NL#01

DNA-profiel van een vrouw [slachtoffer 2]

Matchkans DNA-profiel: kleiner dan 1 op 1 miljard

SIN: AAIK0322NL#01, #02, #04

DNA-profiel van een vrouw [slachtoffer 2]

Matchkans DNA-profiel: kleiner dan 1 op 1 miljard

SIN: AAIK0323NL#01 t/m #04, #07, #09, #11, #14

DNA-profiel van een vrouw [slachtoffer 2]

Matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard

SIN AAIK0325NL#03, #04, #05, #09, en #11

DNA-profiel van een vrouw [slachtoffer 2]

Matchkans DNA-profiel kleiner dan 1 op 1 miljard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, met een mes, in meerdere delen van de hals en het hoofd en meerdere andere delen van het lichaam heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair

hij op 19 oktober 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet meermalen met kracht met een fles tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Verdachte heeft ter terechtzitting met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit een noodweerverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft in verband met dit verweer verzocht dat de rechtbank verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit.

Verdachte heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat hij de kamer van aangeefster [slachtoffer 1] binnen ging op haar uitnodiging om iets te komen drinken. Eenmaal binnen plofte verdachte neer op het bed waardoor het stanleymes dat verdachte bij zich droeg uit zijn zak op de grond viel. [slachtoffer 1] raapte vervolgens het mes op van de grond en wilde verdachte daarmee aanvallen. Verdachte pakte daarop het mes af en begon [slachtoffer 1] uit zelfverdediging meermalen te steken in en rond haar hals. Hierna is verdachte de kamer en het pand uit gerend. Verdachte heeft verklaard dat hij geen meisjes bij de deur van de kamer heeft zien staan, noch heeft hij gebonk op de deur gehoord.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de hiervoor met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit, onder 2, 3, 4 en 5 opgenomen bewijsmiddelen blijkt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte een prijsafspraak maakte met verdachte om seks te hebben, hetgeen wordt bevestigd door [getuige 2] die hoorde dat deze prijsafspraak werd gemaakt. Voorts blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij hoorde dat [getuige 2] bij de kamerdeur stond te schreeuwen en op de deur bonkte. Dit wordt bevestigd door zowel de verklaring van [getuige 2] als [getuige 1] die beiden verklaren dat zij voor de kamerdeur stonden te schreeuwen en dat zij op de deur bonkten. Voorts verklaren zij beiden dat verdachte rustig de kamer uitliep en hen daarbij aankeek. Dat [getuige 2] en [getuige 1] voor de deur van de kamer stonden, wordt voorts bevestigd door verbalisanten die camerabeelden hebben bekeken en relateren dat zij zien dat twee vrouwen bij de deur van de kamer staan waar verdachte even daarvoor naar binnen was gegaan.

De rechtbank komt op grond van de inhoud van deze verklaringen, in onderlinge samenhang beschouwd, tot het oordeel dat de feitelijke toedracht en overige omstandigheden die verdachte ten grondslag legt aan zijn verweer op meerdere punten niet overeenstemt met de feitelijke toedracht en omstandigheden zoals die naar voren komen uit de genoemde verklaringen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden, zodat de rechtbank dit verweer verwerpt.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten dan ook strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair Poging tot doodslag

2. subsidiair Doodslag

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte is een rapport opgemaakt door F.R. Kruisdijk, psychiater, en E.J. Muller, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum.

Genoemde deskundigen concluderen dat verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De raadsvrouw heeft verzocht dat de rechtbank verdachte, op grond van de inhoud van dit rapport, sterk verminderd toerekeningsvatbaar dan wel volledig ontoerekeningsvatbaar zal verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum geweigerd. De onderzoeksbevindingen en de daaruit getrokken conclusies zijn gebaseerd op observatie van verdachte tijdens zijn verblijf en op informatie uit de beschikbare stukken en het milieuonderzoek.

Voornoemde deskundigen concluderen dat er tijdens de observatieperiode sprake is van een manisch-psychotisch toestandsbeeld met een fluctuerend beloop. De waargenomen symptomatologie past zeer waarschijnlijk in een terugval in symptomen bij een onbehandelde -verdachte weigerde zijn anti psychotische medicatie- psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Door de geweigerde medewerking was het niet mogelijk de aard van de psychotische stoornis vast te stellen. In het ontregelde toestandsbeeld bij verdachte is het de onderzoekers opgevallen dat het denken niet dusdanig chaotisch is dat psychotische uitspraken meteen opvallen. In de regel vallen verwijzingen naar waaninhoud van het denken behalve door gedrag, pas na verloop van tijd op door zijn uitspraken. Deze observatie werd door de deskundigen teruggevonden in de registratie van het verhoor van verdachte dat zeer kort na de ten laste gelegde delicten plaatsvond. Dit maakt het voor de deskundigen aannemelijk dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten eveneens in een psychotische toestand met in ieder geval wanen verkeerde. Deze wanen zijn in de afgelopen jaren duurzaam aanwezig en onwrikbaar gebleken en zullen, bij het niet gebruiken van anti psychotische medicatie, voortdurend in enige mate een rol hebben in zijn denken over en waarneming van de buitenwereld, aldus de deskundigen.

Het gehele klinische beeld overziend, concluderen de deskundigen dat verdachte in een psychotische toestand verkeerde ten tijde van de ten laste gelegde feiten, wat zijn handelen in vergaande mate bepaald moet hebben. Aangezien het niet mogelijk was om dit ernstige psychiatrische beeld in detail te bespreken in relatie tot de ten laste gelegde feiten, achten de deskundigen verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

De heer Kruisdijk en mevrouw Muller zijn ter terechtzitting van 31 mei 2016 gehoord. Desgevraagd hebben zij medegedeeld dat zij blijven bij de inhoud van het door hen opgestelde rapport en bij de door hen gegeven conclusie.

De rechtbank verenigt zich, op grond van het uitgebreide en goed onderbouwde onderzoeksrapport, alsmede de verklaring die de deskundigen ter terechtzitting hebben afgelegd, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank ziet geen gronden om verdachte in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar dan wel ontoerekeningsvatbaar te verklaren, zoals door de raadsvrouw is verzocht.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte in tenminste verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Straf- en maatregelmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zoals door de deskundigen is geadviseerd.

De raadsvrouw heeft verzocht dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf zal worden gematigd dan wel dat geen gevangenisstraf zal worden opgelegd, nu zij van mening is dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar dan wel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (verder: PBC-rapport). Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op mevrouw [slachtoffer 1] die tijdens haar werk als prostituee door verdachte meermalen is gestoken en gesneden met een mes, met name in haar gezicht en hals. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft in doodsangst verkeerd en ondervindt nog steeds de gevolgen van het feit. Zij is niet meer in staat geweest haar werk uit te oefenen en is een angstig en wantrouwend persoon geworden, zo leest de rechtbank in de nog nader te bespreken vordering benadeelde partij. Ook zal zij voor de rest van haar leven geconfronteerd worden met de gevolgen van het feit, nu de messteken zichtbare littekens hebben achtergelaten in haar gezicht en hals.

Ongeveer een uur later heeft verdachte mevrouw [slachtoffer 2] van het leven beroofd door haar meermalen en met veel kracht met een fles tegen het hoofd te slaan. Mevrouw [slachtoffer 2] fietste over de [locatie 1] te [pleegplaats] en werd daar plotseling geconfronteerd met verdachte. Zij was een willekeurig slachtoffer die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevond. Voor de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 2] zal het leven nooit meer hetzelfde zijn. Hen is groot en niet te herstellen leed berokkend, zo is ook gebleken uit de ter terechtzitting afgelegde verklaring van één van de dochters van mevrouw [slachtoffer 2] .

Ook de maatschappij is geschokt door de gepleegde feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke ernstige geweldsdelicten, zeker die delicten die zich afspelen op klaarlichte dag en op de openbare weg, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken.

Verdachte betreft een inmiddels 39-jarige man met een uitgebreide justitiële documentatie, bevattende veroordelingen ter zake zeer uiteenlopende delicten, waaronder geweldsdelicten. Aan verdachte werd in 2006 de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd, welke maatregel in 2012 door het hof te Arnhem werd beëindigd door afwijzing van de vordering tot verlenging. In de jaren die volgden is verdachte nog een aantal malen veroordeeld ter zake uiteenlopende delicten. Ook is verdachte opgenomen geweest in een GGZ-instelling op grond van een rechterlijke machtiging, welke opname na enige tijd is beëindigd. In de weken voorafgaand aan de dag waarop de onderhavige feiten zich hebben voltrokken, verbleef verdachte in de nachtopvang te [pleegplaats] . Van werk en inkomen en een stabiel sociaal netwerk was geen sprake.

Over verdachte is een PBC-rapport opgemaakt door de heer Kruisdijk, psychiater, en mevrouw Muller, psycholoog. Zij concluderen kortgezegd dat verdachte lijdend is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychose met fluctuerend beloop en dat dit ook zo was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Op basis van het verrichte onderzoek concluderen de deskundigen dat er sprake is van een hoog en onmiddellijk recidiverisico, waarbij ernstig letsel kan optreden, bij weinig tot geen beschermende factoren. Ook op de langere termijn dient rekening gehouden te worden met soortgelijk geweld indien verdachte niet adequaat wordt behandeld.

Verdachte dient intensief behandeld te worden met voor hem geschikte anti psychotische medicatie. Eerdere behandelingen zijn niet beklijfd en hebben niet geleid tot een blijvend ziekte-inzicht of ziektebesef. Door zijn ontwrichtend gedrag is gebleken dat verdachte binnen de reguliere GGZ niet te behandelen is.

De deskundigen adviseren dat aan verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Verdachte zal in een hoog beveiligde setting moeten worden geplaatst gezien de benodigde hoge mate van intensieve begeleiding en behandeling.

De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de hiervoor genoemde adviezen van de deskundigen verenigen en neemt deze over.

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.

Blijkens de inhoud van het hiervoor genoemde PBC-rapport bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De door verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tevens van overheidswege moet worden verpleegd omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

De maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot doodslag en doodslag. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat naast de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank enerzijds rekening met de ernst van de feiten en de gevolgen ervan voor de betrokkenen, zulks vanuit het oogpunt van vergelding en genoegdoening. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht en het feit dat bij verdachte sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis die een intensieve behandeling behoeft. Daar waar bij een volledig toerekeningsvatbare verdachte een gevangenisstraf passend is die ruim boven de tien jaren ligt, is de rechtbank van oordeel dat alle belangen afwegende, de eis van de officier van justitie in deze zaak en voor deze verdachte passend en geboden is. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen in het belang van verdachte dat de behandeling niet pas na een zeer lange gevangenisstraf aanvangt, maar ook ter voorkoming van recidive en daarmee in het belang van de maatschappij. Daarnaast houdt de rechtbank bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf rekening met de verwachting dat verdachte nog gedurende lange tijd behandeling nodig zal hebben.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich, middels haar gemachtigde mr. W.A. Bruinsma-Woudstra, voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade zal worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, die de rechtbank naar de maatstaf van billijkheid vaststelt op € 10.000,00. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank afwijzen.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 1] heeft zich, middels haar gemachtigde mr. M.A.J. Kubatsch, voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

[benadeelde partij 2] heeft zich, middels haar gemachtigde mr. M.A.J. Kubatsch, voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Beide vorderingen bestaan uit materiële schade, bestaande uit begrafeniskosten en overige materiële schade, en uit immateriële schade bestaande uit affectieschade, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de gevorderde immateriële schade betwist. Deze immateriële schade betreft affectieschade en ons nationale wettelijke systeem kent nog geen bepaling die ruimte tot toekenning van affectieschade biedt. De door de gemachtigde aangehaalde Europese richtlijn is onvoldoende duidelijk geformuleerd en heeft bovendien geen werking tussen burgers onderling. De raadvrouw heeft voorts de gevorderde materiële schade betwist, met uitzondering van de begrafeniskosten, nu de overige gevorderde schade geen rechtstreekse schade betreft.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent de gevorderde immateriële schade het volgende.

Voor de rechtbank staat vast dat aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer 2] onherstelbaar leed is toegebracht als gevolg van haar gewelddadige dood. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of dit leed in juridische zin vertaald kan worden in een schadevergoeding.

Naar het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Vaste jurisprudentie is dat slechts de situatie als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW, de zogenoemde shockschade, voor vergoeding in aanmerking kan komen. Hieronder valt niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden/om het leven brengen van een dierbare, ook wel genoemd affectieschade. De vorderingen zijn gebaseerd op affectieschade.

Zijdens de nabestaanden is aangevoerd dat er aanleiding is om, in afwijking van het geldende recht, over te gaan tot vergoeding van affectieschade. Hierbij is aansluiting gezocht bij Europese Richtlijn 2012/29 EU (die het slachtofferbegrip uitbreidt tot familieleden van slachtoffers) in relatie tot artikel 8 EVRM; het thans aanhangige wetsontwerp 34.236 (Wet tot implementatie van de richtlijn 2012/29/EU inzake minimumnormen voor slachtoffers van strafbare feiten) en voor wat betreft de hoogte van de vordering bij het wetsvoorstel 34.257 inzake affectieschade.

De rechtbank kan dit beroep niet honoreren op grond van het volgende.

Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar aan toe in het arrest Vilt (HR 2009: BI 8583) dat dit niet anders is als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk misdrijf.

Ook aan Richtlijn 2012/29/EU kan een dergelijk recht niet worden ontleend. In beginsel heeft een Europese richtlijn werking tussen burgers en overheid, niet tussen burgers onderling. Alleen in uitzonderingsgevallen, indien het gaat om een algemeen beginsel van het recht van de Europese Unie, kan dat anders zijn (HvJ EU, 15-01-2014, C-176/12). Een zodanig recht is hier niet aan de orde.

Bovendien rijst de vraag of de richtlijn op dit punt voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om rechtstreekse werking te kunnen hebben. Uit artikel 16 van de richtlijn in samenhang met overweging 19 van de preambule van de richtlijn zou mogelijk kunnen volgen dat de lidstaten een regeling moeten treffen waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat ook aan nabestaanden van een slachtoffer, de indirecte slachtoffers, een schadevergoeding toekomt. Op welke schade de richtlijn daarbij het oog heeft, op welke wijze dat zou moeten gebeuren en of dat in of buiten het strafproces zou moeten gebeuren wordt echter open gelaten. Evenzeer is niet zonder meer duidelijk wat er zou moeten gebeuren in geval van strafbare feiten die zijn gepleegd vòòr de inwerkingtreding van de inwerkingtreding van de richtlijn.

Tot slot ziet de rechtbank ook in een beroep op het onlangs bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeden van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad reeds herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal de door zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schade, bestaande uit affectieschade, dan ook niet ontvankelijk verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gevorderde materiële schade betreffende de begrafeniskosten ad € 9.520,37 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, dat niet door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente. Met betrekking tot de gevorderde begrafeniskosten overweegt de rechtbank dat deze voor het geheel door zowel de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als de benadeelde partij

[benadeelde partij 2] zijn gevorderd met daarbij de opmerking dat deze eenmaal dient te worden voldaan. De rechtbank zal bepalen dat de begrafeniskosten in twee gelijke delen aan ieder van de benadeelde partijen zal worden toegewezen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de door [benadeelde partij 1] gevorderde reiskosten toewijsbaar zijn voor wat betreft de reiskosten ad € 61,94 die gemaakt zijn om ter terechtzitting van 31 mei 2016 aanwezig te kunnen zijn. Deze kosten zijn voldoende aannemelijk geworden en staan in zodanig verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kunnen worden toegerekend, eveneens te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft het overige deel van de materiële schade niet ontvankelijk verklaren, nu deze niet in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen tot een bedrag van € 4.760,19, nu verdachte jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank overweegt hierbij dat ten aanzien van de aan [benadeelde partij 1] toegewezen schade betreffende reiskosten de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd kan worden, nu dit proceskosten betreft.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

19 oktober 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 85 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige af.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot na te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.822,13 (zegge: vierduizendachthonderdtweeëntwintig euro en dertien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 4.760,19 (zegge: vierduizendzevenhonderdzestig euro en negentien cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 57 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.760,19 (zegge: vierduizendzevenhonderdzestig euro en negentien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 4.760,19 (zegge: vierduizendzevenhonderdzestig euro en negentien cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 57 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. L.G. Wijma, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2016.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Wijma

locatie Leeuwarden,

Troost