Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2825

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
18/730439-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 25 maart 2016 twee mannen veroordeeld voor zwaar lichamelijk letsel door schuld. Beide verdachten waren werkzaam in een bar. De rechtbank is van oordeel dat het aan de schuld van verdachten te wijten is dat een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook andere bezoekers zijn gewond geraakt. Aan beide verdachten is een taakstraf opgelegd

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 308
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730439-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 maart 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeyne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 augustus 2014 en 27 augustus 2014 te

[pleegplaats] , (althans) in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht op de bar van [uitgaansgelegenheid] , althans in een

pand, gelegen aan of bij [locatie] , aldaar,

immers heeft verdachte en/of verdachtes mededader toen aldaar opzettelijk

- een hoeveelheid (van een mengsel van water en) brandbare alcohol over de

lengte van de bar gegoten en/of (vervolgens)

- deze hoeveelheid (van een mengsel van water en) brandbare alcohol (elk) met

een aansteker in brand gestoken, althans open vuur in aanraking gebracht

met (een mengsel van water en) brandbare alcohol, althans met een

brandbare stof en/of (vervolgens)

- op een moment dat het vuur/de vlammen op de bar nog niet waren gedoofd

opnieuw een hoeveelheid van voornoemd(e) (mengsel van water en) brandbare

alcohol op het vuur/de vlammen gegoten

- waarna (vervolgens) een steekvlam is ontstaan,

tengevolge waarvan een of meer kledingstuk(ken) en/of een of meer

lichaamsde(el(en) en/of haren van een of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en),

die zich zeer dichtbij die bar in voornoemd pand bevonden, geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan

en daarvan gemeen gevaar voor kleding van andere in dat pand aanwezige

personen en/of voor in dat pand aanwezige inventaris, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor (ondermeer) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

en/of voor andere in dat pand aanwezige personen, in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (ondermeer) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of voor [slachtoffer 3] en/of voor andere in dat pand aanwezige

personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen te duchten was;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 26 augustus 2014 en 27 augustus 2014 te

[pleegplaats] , althans in de gemeente Leeuwarden,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

- in [uitgaansgelegenheid] , gelegen aan of bij [locatie] , aldaar, op de bar

een hoeveelheid (van een mengsel van water en) brandbare alcohol over (een

deel (gezien in de lengterichting) van de) van de bar gegoten en/of

(vervolgens)

- deze hoeveelheid (van dat/een mengsel van water en) brandbare alcohol

met een aansteker in brand gestoken en/of (vervolgens)

- op een moment dat het vuur/de vlammen op de bar nog niet waren gedoofd

opnieuw een hoeveelheid van voornoemd(e) (mengsel van water en) brandbare

alcohol op/in het vuur/de vlammen op de bar gegoten waarna (vervolgens)

een steekvlam is ontstaan,

waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is geweest dat

(ondermeer) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , zwaar

lichamelijk letsel, te weten diverse brandwonden in het gezicht, althans op

het hoofd en/of op een of meer (andere) lichaamsde(e)l(en), heeft/hebben

bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte

en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van

deze is ontstaan.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit diverse verklaringen blijkt dat zowel verdachte als zijn medeverdachte een brandbare vloeistof op de bar hebben gegoten, die vloeistof in brand hebben gestoken en dat de medeverdachte vervolgens vloeistof heeft bijgeschonken. Uit de stukken valt niet af te leiden dat verdachte ook vloeistof heeft bijgeschonken, maar de officier van justitie acht hem in de zin van medepleger verantwoordelijk. Naar het oordeel van de officier van justitie was het gevaar ook voorzienbaar, nu in een druk café waar de omstanders bij de bar stonden en zelfs werden uitgenodigd dichtbij te komen om marshmallows te verwarmen, vloeistof is bijgeschonken, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat het bijschenken van een brandbare vloeistof op open vuur een steekvlam kan opleveren. Daardoor is gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van de bezoekers ontstaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de getuige [persoon] niet heeft verklaard dat door het bijschenken door verdachte, een steekvlam is ontstaan. Zij heeft verklaard dat zij het bijschenken heeft gezien en dat er iets ontstond. De raadsman is van oordeel dat de geringe hoeveelheid uit de schenktuit geen steekvlam kon veroorzaken. Een steekvlam zou wel kunnen ontstaan doordat er een grotere hoeveelheid vloeistof dan normaal uit de fles kwam. Dit zou inhouden dat er geen schenktuit op de fles (meer) zat. Dat is echter niet komen vast te staan. Evenmin is komen vast te staan dat verdachte de fles met een kapotte schenktuit gebruikt heeft. De medeverdachte heeft verklaard dat hij niet wist wie op de bewuste avond welke fles had. Verdachte zelf was niet op de hoogte van de problemen met de schenktuit; hij mocht er derhalve van uit gaan dat er niets mis was met de schenktuit. De raadsman is van oordeel dat verdachte niets verweten kan worden. Het causaal verband tussen het bijschenken en de steekvlam ontbreekt derhalve, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts met verwijzing naar ECLI:NL:RBDHA:2014:3097 betoogd dat het ook niet voorzienbaar is geweest dat zwaar lichamelijk letsel of lichamelijk letsel met tijdelijke verhindering zou ontstaan.

Met betrekking tot het medeplegen heeft de raadsman aangevoerd dat zowel verdachte als de medeverdachte de gebruikelijke handelingen hebben verricht. Nu niet duidelijk is wie de fles met het kapotte schenktuitje had, kan niet worden vastgesteld wie het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. De raadsman heeft, gelet op het bovenstaande, een algehele vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt het volgende. [uitgaansgelegenheid] is een shotjesbar. Sinds begin augustus 2014 werden niet alleen shotjes in brand gestoken, maar werd een mengsel van brandbare alcohol en water in een streep over de bar gegoten waarna deze streep van vloeistof vervolgens in brand werd gestoken. Op plekken waar het vuur doofde, werd wederom een scheut van het mengsel toegevoegd, zodat het vuur weer op kon laaien. Bezoekers kregen marshmallows op stokjes uitgedeeld van het barpersoneel, welke zij konden roosteren in het vuur op de bar.

In de nacht van 26 op 27 augustus 2014 stonden verdachte en zijn medeverdachte achter de bar van [uitgaansgelegenheid] . Het was studiestartweek en [uitgaansgelegenheid] werd druk bezocht. [uitgaansgelegenheid] bood plek aan ongeveer 75 personen en op de bewuste avond waren er ongeveer 50 personen in het pand. Voor het showeffect werd besloten het brandbare mengsel over de bar te gieten en in de brand te steken. Aldus geschiedde. Getuigen verklaren dat, nadat een extra hoeveelheid van het mengsel was toegevoegd aan de reeds brandende bar, er een steekvlam ontstond. Hierdoor raakte een aantal bezoekers gewond; ze liepen brandwonden op.

Brandstichten is geen kleurloze term. Het is iets anders dan een voorwerp in brand steken, vuur maken. Het maken van vuur op zichzelf is geen brandstichting.

De Hoge Raad spreekt in zijn arrest van 29 maart 1966, NJ 1966/395 van brandstichting, nu het in brandsteken betrof van een voorwerp dat in het algemeen niet bestemd is om in brand te steken. Het mengsel van brandbare alcohol met water was bestemd om in brand te steken. Het enkel aansteken daarvan - zonder dat de bar waarop dit werd aangebracht schade oploopt - levert dan ook geen brandstichting op.

De vraag is vervolgens of verdachte met het in brand steken van de vloeistof het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, had kledingstukken, lichaamsdelen en haren van aanwezige personen in brand te steken, een en ander zoals tenlastegelegd. In dat geval zou kunnen worden gesproken van brandstichting.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte willens en wetens kledingstukken, lichaamsdelen en haren van aanwezige personen heeft verbrand.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het verbranden van kledingstukken, lichaamsdelen en haren van personen- is aanwezig indien de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg in zal treden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die kans ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de kans dat kledingstukken, lichaamsdelen en haren van aanwezige personen in brand zouden raken naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was te achten en dat de wetenschap hiervan bij verdachte kan worden verondersteld.

Verdachte heeft immers samen met de medeverdachte in een smalle ruimte met veel bezoekers die alcohol nuttigden een brandbare vloeistof over de gehele bar gesprenkeld en deze aangestoken. Daarbij heeft hij mensen uitgenodigd dichtbij te komen zodat ze de uitgedeelde marshmallows op een stokje in het vuur konden steken. Het op dat moment, terwijl personen nabij de bar stonden, toevoegen van extra brandbare vloeistof omdat op delen van de bar het vuur minder werd, maakte het extra gevaarlijk. De rechtbank kan daarbij niet vaststellen of de steekvlam voor verdachte te voorzien was, nu zij niet beschikt over een deskundigenrapport ten aanzien van de mogelijkheid dat door het bijschenken van brandbare vloeistof de kans op een steekvlam aanmerkelijk was. De rechtbank acht echter de hiervoor omschreven handelwijze op zich al voldoende om een aanmerkelijke kans op het in brand raken van kledingstukken, lichaamsdelen en haren van personen aan te nemen. De rechtbank passeert derhalve het betoog van de verdediging dat vast moet komen te staan dat er een causaal verband bestaat tussen het bijgieten van de vloeistof en het ontstaan van de steekvlam. De tenlastelegging dwingt ook niet tot die lezing. De rechtbank acht het evenmin van belang of een van de gebruikte flessen een kapot tuitje had en of verdachte of zijn medeverdachte deze gebruikten.

De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen echter niet vaststellen dat verdachte deze kans ten tijde van de gedraging ook bewust heeft aanvaard, op de koop toegenomen. Contra-indicatie is dat verdachte zelf achter de bar waarop de vloeistof werd gesprenkeld stond en zelf daarbij groot gevaar zou kunnen lopen.

Een en ander leidt dan ook tot de slotsom dat de rechtbank het primair tenlastegelegde niet bewezen acht, nu geen sprake is van opzettelijk brandstichten. Wel acht de rechtbank -gelet op hetgeen hiervoor is overwogen- het subsidiaire schulddelict bewezen.

De rechtbank acht bewezen dat verdachten zich hier tezamen en in vereniging aan hebben schuldig gemaakt nu zij beiden en in gezamenlijkheid de hiervoor genoemde gevaarzettende handelingen hebben verricht.

Uit de stukken blijkt dat [slachtoffer 1] tweedegraads brandwonden heeft opgelopen. Uit de medische verklaring blijkt dat het herstel wel een half jaar kan duren en dat waarschijnlijk littekens zullen overblijven. Voorts blijkt dat het slachtoffer psychologische hulp heeft moeten inschakelen. Het geheel van deze feiten acht de rechtbank voldoende om zwaar lichamelijk letsel aan te nemen. Ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] staat weliswaar vast dat zij verwondingen hebben opgelopen, maar op grond van de stukken kan niet vastgesteld worden dat het om zwaar lichamelijk letsel gaat.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De door verdachte op de terechtzitting van 11 maart 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de nacht van 26 augustus 2014 op 27 augustus 2014 werkte ik in [uitgaansgelegenheid] te [plaats] . Ik stond samen met [medeverdachte] achter de bar. We goten een mengsel van alcohol en water, in de verhouding 60/40%, over de bar. [medeverdachte] stond rechts achter de bar, ik links. We hebben vervolgens de vloeistof in brand gestoken. Daarna hoorde ik een meisje gillen. Het is juist dat, wanneer een deel niet meer brandde, we nieuwe vloeistof bijschonken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 1 september 2014, opgenomen op pagina 21 van het dossier met nummer 201493997 d.d. 25 november 2014, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte ter zake brandstichting, cq brand door schuld, waardoor zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt. Op woensdag 27 augustus 2014 was ik met mijn vriendin, genaamd [vriendin slachtoffer 1] , in [uitgaansgelegenheid] .

Ik voelde warmte op mijn rug, die kennelijk afkomstig was uit de richting van de bar. Ik stond op dat moment ongeveer 2 meter van de bar. Ik draaide mij om. Ik keek echter tegen de rug van [slachtoffer 3] aan, zodat ik in eerste instantie niet kon zien wat er gebeurde. Ik zag wel dat over de gehele lengte van de bar een vuurgordijn zichtbaar was. Ik zag dat de vlammen een hoogte van ongeveer een meter hadden, misschien wel hoger. Het was een smalle lijn van vuur.

Ik keek links naast [slachtoffer 3] in de richting van de bar. Ik zag op dat moment dat er drie medewerkers achter de bar stonden en dat er ongeveer vijf personen met een lange houten prikker van ongeveer 30 centimeter waaraan een marshmallow zat. De mensen die de stokjes vast hielden, hielden deze in het vuur en ze stonden min of meer tegen de bar aan naast elkaar. Ik wurmde mij rechts van [slachtoffer 3] tussen de mensen door naar voren toe. Ik stond op dat moment iets dichter bij de bar, naast dan wel net achter [slachtoffer 3] . Juist op het moment dat ik om [slachtoffer 3] heen keek, zag ik plotseling een enorme steekvlam horizontaal recht op mij af komen. Ik stond op dat moment ongeveer anderhalve meter van de bar. Ik hoorde heel veel mensen heel hard schreeuwen. Ik hoorde het geluid van snel op mij afkomend vuur. Het ging zo snel dat ik niet meer weg kon duiken voor de vlammen. Ik zag en voelde dat de vlammen mij raakten. Ik wist op dat moment niet waar ik geraakt werd.

Omdat ik mensen hoorde schreeuwen en zag dat meerdere personen vlam gevat hadden, raakte ik in paniek en ben rechtdoor tussen de mensen door naar buiten gerend. Al rennend heb ik geprobeerd de vlammen die mij in brand hadden gezet te doven, door slaande bewegingen op mijn kleding en bovenlichaam en hoofd en haar, te doven. Ik had het gevoel dat ik ter plaatse helemaal af zou branden. Op het moment dat ik buiten was, had ik de vlammen volgens mij al aardig gedoofd. Het voelde echter alsof ik nog steeds in de brand stond. Dit omdat ik vanaf het moment dat de vlammen mij raakten tot het moment dat ik buiten stond hevige pijn voelde op mijn gehele rechter zijde van mijn lichaam. Ik stond voor de ingang en ik was helemaal in shock. Ik was de eerste die buiten kwam.

Ik zag dat [vriendin slachtoffer 1] naar buiten kwam. Ik heb tegen haar gezegd dat ik heel veel pijn had. Ik dacht dat ik flauw zou vallen van de pijn. Ik huilde ook enorm. Ik was echt in paniek. Ik kon mij amper bewegen van pijn en paniek.

2.1.

een geneeskundige verklaring, op 4 september 2014 opgemaakt en ondertekend door M. Landheer, forensisch arts FMG, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Medische informatie betreffende:

[naam slachtoffer 1]

[voornamen slachtoffer 1]

[geboortedatum slachtoffer 1]

[adres slachtoffer 1]

Woonplaats : [woonplaats slachtoffer 1]

Datum onderzoek : 04-09-2014

Omschrijving van de toedracht

Het slachtoffer is 10 dagen geleden in een bar in brand geraakt door een steekvlam die vanuit de brandende bar kwam. Het slachtoffer is daarbij in brand geraakt en al brandend naar buiten gerend. Buiten zijn de vlammen uiteindelijk gedoofd.

Aanvullende informatie met betrekking tot het incident

Het slachtoffer is ter plekke door ambulancepersoneel behandeld en mocht daarna naar huis. Vanwege hevige pijn en blaarvorming is de behandeling door de huisarts voortgezet. Inmiddels genezen de verwondingen en neemt de hevige pijn ook wat af. De eerste dagen was de pijn zeer hevig. Na het gebeuren slaapt het slachtoffer slecht en heeft last van nachtmerries.

Situaties die aan het gebeuren doen denken wekken angst op en er is nog steeds sprake van concentratieproblemen en moeheid.

Letselbeschrijving

1. Er zijn tekenen van verbranding van de wimpers van het rechter oog en van de haren van de wenkbrauw. Tevens is er sprake van korter haar van de rechter voorzijde.

2. Verspreid over de rechter boven- en onderarm, schouder en oksel zijn ongeveer 6 wit tot roze grillig gevormde huidverkleuringen te zien. Tevens zijn er meerdere ruwe bruine huidverkleuringen zichtbaar (foto 1 -4).

Beoordeling (interpretatie) van de letsels

Er is sprake van genezende 2e graads brandwonden van de rechter arm.

Conclusie

Ontstaan : De letsels zijn van oudere datum en vertonen reeds een genezingstendens.

Herstel: De letsels zullen waarschijnlijk functioneel goed herstellen, waarbij het herstel wel enkele weken tot een half jaar in beslag kan nemen.

Blijvend letsel : Er zullen waarschijnlijk littekens van het waargenomen letsel overblijven.

Letsel past bij : Het geconstateerde letsel kan heel goed passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht

Bijzondere mededelingen: Het slachtoffer krijgt op dit moment psychologische hulp voor haar mentale klachten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 4 september 2014, opgenomen op pagina 39 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op woensdag 27 augustus 2014, omstreeks 00.50 uur, ben ik samen met mijn twee

vrienden, genaamd [vriend slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , het [uitgaansgelegenheid] , gevestigd aan [locatie]

te [plaats] binnen gegaan.

Wij stonden met z'n drieën met het zicht op de bar met elkaar te kletsen. Op dat moment stonden we nog gewoon aan de bar. Op dat moment werd er door een medewerker aan een ieder die zich aan de bar bevond een stokje gegeven met daaraan een marshmallow geregen. [vriend slachtoffer 2] en ik hebben een stokje aangenomen en [slachtoffer 3] heeft het stokje geweigerd. Ik wist niet wat de bedoeling was en heb dit aan [vriend slachtoffer 2] gevraagd. Deze was hier al eerder geweest en wist mij te vertellen dat de bar in brand gestoken zou worden, zodat je de marshmallow in het vuur kon verwarmen. Volgens hem gebeurde dat wel vaker. Ik kan u niet vertellen van welke medewerker ik de marshmallow gekregen heb.

Nadat we de marshmallow hadden ontvangen, zag ik dat de bar in brand werd gestoken. Ik kan u niet zeggen door wie dat gebeurd is. Er was op dat moment harde muziek en er lopen mensen om je heen. Ik had me er niet echt op geconcentreerd. Ik zag dat de bar over de gehele lengte en over een breedte van een centimeter of vijf in brand stond. Ik zag dat de vlammen ongeveer 20 à 30 centimeter hoog waren over de gehele lengte van de bar. Daarop zag ik dat [vriend slachtoffer 2] het stokje in het vuur hield. Ik heb dat ook gedaan.

Dit duurde volgens mij nog geen tien seconden. We stonden op dat moment ongeveer anderhalve meter van de bar af met ons gezicht in de richting van de bar. Daarop hebben we de marshmallow opgegeten. Hierop zag ik dat een medewerker van de bar, het vuur weer brandend wilde houden. Ik zag dat hij met een fles met brandbare vloeistof langs de bar liep achter de bar langs. Ik zag dat hij tijdens het lopen langs de bar de fles met vloeistof schuin boven het vuur hield en er een klein straaltje vloeistof op het vuur gooide. Zo liep hij van voor- naar de achterkant van de bar. Door het op het vuur laten sijpelen van de vloeistof, zag ik dat het vuur brandende bleef. Ik heb er verder even niet op gelet. Ik stond met mijn vrienden te praten op het moment dat ik voelde en zag dat er een enorme steekvlam op ons af kwam.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 26 augustus 2014 en 27 augustus 2014 te [pleegplaats] , in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, aanmerkelijk onvoorzichtig

- in [uitgaansgelegenheid] , gelegen aan [locatie] , aldaar, op de bar een hoeveelheid van een mengsel van water en brandbare alcohol over een deel, gezien in de lengterichting, van de bar gegoten en vervolgens

- deze hoeveelheid van dat mengsel van water en brandbare alcohol met een aansteker in brand gestoken en vervolgens

- op een moment dat het vuur op de bar nog niet was gedoofd opnieuw een hoeveelheid van voornoemd mengsel van water en brandbare alcohol op het vuur op de bar heeft gegoten waarna vervolgens een steekvlam is ontstaan,

waardoor het aan hun schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse brandwonden op lichaamsdelen, heeft bekomen.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl het feit door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Namens verdachte is naar voren gebracht dat verdachte die avond in opdracht van zijn werkgever handelde en gewoon zijn werk uitvoerde. Indien en voorzover daarmee is betoogd dat verdachte om die reden niet strafbaar is, overweegt de rechtbank dat het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van een dienstverband een werknemer niet van de plicht ontslaat om zelf de normale eisen van zorgvuldigheid en voorzichtigheid in acht te nemen. Daarbij komt dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verdachte en zijn collega’s de act zelf hadden bedacht en zelf verantwoordelijk waren voor de uitvoering daarvan. Nu ook overigens niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken, acht de rechtbank verdachte dan ook strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder primair wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gepleit voor een algehele vrijspraak. Subsidiair heeft hij oplegging van een voorwaardelijke werkstraf bepleit onder verwijzing naar ECLI:NL:RBDHA:2014:3097.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het is aan de schuld van verdachte en zijn medeverdachte te wijten dat een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook andere bezoekers van [uitgaansgelegenheid] zijn gewond geraakt.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben onvoldoende stilgestaan bij de mogelijke gevolgen van hun act en de rechtbank rekent hen dit zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport, d.d. 7 december 2015, betreffende de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering het recidiverisico als laag inschat. Verdachte heeft geleerd om zelf verantwoordelijk te zijn voor de risico's die hij neemt ondanks wat de opdracht van de werkgever is. Voorts blijkt uit het reclasseringsrapport dat verdachte met betrekking tot deze zaak gevoelens van schuld en schaamte ervaart. Het drukt zwaar op hem dat hij mede de veroorzaker is van de brandwonden die andere opgelopen hebben. De reclassering adviseert aan verdachte een werkstraf op te leggen.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden, maar zal, nu zij het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen acht, een iets lager aantal uren opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 47 en 308 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. I.M. Dölle en mr. E.G.C. Groenendaal, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2015.

Mr. Groenendaal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Lootsma-Oude Nijeweme

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Dölle

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Postma-Westerhof

locatie Leeuwarden,