Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2787

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
18.830345-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, Diefstal en op Opzetheling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummers 18/830345-15, 18/820141-15 en 18/146357-15 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [land] ),

thans gedetineerd te [verblijfadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.C.E.C. Luns, advocaat te Almere. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. van der Burg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/830345-15 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 december 2015 te [pleegplaats 1] , met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 1]

aldaar) heeft weggenomen diverse tubes tandpasta, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [supermarkt 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of (overige)

medewerkers van die Supermarkt, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

bestond(en) uit:

- het zich losrukken en/of trekken van voornoemde medewerker(s) en/of

- het gooien van een hoeveelheid dozen en/of een sensor in de richting

voornoemde medewerkers en/of

- het slaan met een klok op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 6 december 2015 te [pleegplaats 1] , met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 2]

aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid luiers (pampers), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf

[supermarkt 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een medewerker

en/of een klant van voornoemde [supermarkt 2] , gepleegd met het oogmerk om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het zich losrukken en/of trekken van

voornoemde medewerker en/of klant;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 6 december 2015 te [pleegplaats 1] , ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 2] aldaar) weg

te nemen een hoeveelheid luiers (pampers), geheel of ten dele toebehorende aan

het (winkel)bedrijf [supermarkt 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, opzettelijk:

- zich heeft begeven naar voornoemde [supermarkt 2] en/of

- voornoemde hoeveelheid luiers in zijn tas heeft gestopt en/of

- zich richting de uitgang van voornoemde [supermarkt 2] heeft begeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen een medewerker en/of een klant van voornoemde

[supermarkt 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zich losrukken en/of trekken

van voornoemde medewerker en/of klant;

3.

hij op of omstreeks 7 oktober 2015, op diverse tijdstippen, te [pleegplaats 2] ,

(meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

(winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 3] aldaar) heeft weggenomen (telkens)

een hoeveelheid tabs (Ariël), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan het (winkel)bedrijf [supermarkt 3] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte;

4.

hij in of omstreeks de periode van 27 september 2015 tot en met 15 oktober

2015 te [pleegplaats 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

(winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 4] aldaar) heeft weggenomen (een)

hoeveelhe(i)d(en) wasmiddel en/of cosmetica en/of luiers (pampers), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf

[supermarkt 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in de zaak met parketnummer 18/820141-15, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 19 t/m 20 februari 2015 te [pleegplaats 1] ,

althans in Nederland, een Macbook, althans een computer,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij

ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die Macbook, althans

die computer wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas en/of een rugzak en/of

een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 25 april 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een spijkerbroek en/of een pet,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf

[warenhuis] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het in de zaak met parketnummer 18/830345-15 onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/820141-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/830345-15 onder 2 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte de luiers heeft achtergelaten in de winkel, zodat hij niet als heer en meester heeft beschikt over deze goederen en moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/820141-15 onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet wist dat de MacBook van diefstal afkomstig was, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van opzetheling.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/830345-15:

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 7 december 2015, opgenomen op pagina 61 van het dossier met nummer 2015360238 d.d. 9 december 2015, inhoudende de verklaring van [verklarende 1] namens [supermarkt 1] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 8 december 2015, opgenomen op pagina 82 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

Feit 2 primair

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d.8 december 2015, opgenomen op pagina 87 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verklarende 2] .

De rechtbank overweegt dat verdachte door de luiers in zijn tas te stoppen en voorbij de kassa te lopen zonder te betalen zich een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen, te weten de luiers, heeft verschaft dat wegneming van deze luiers als voltooid kan gelden. De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 3

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 9 oktober 2015, opgenomen op pagina 33 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verklarende 3] namens [supermarkt 3] .

Feit 4

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 50 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verklarende 4] namens [supermarkt 3] .

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/820141-15:

Feit 1

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 14 maart 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de MacBook gekregen van [voornaam] . Hij wilde dat ik deze voor hem naar de telefoonwinkel bracht. Hij had geld nodig. De voorzitter vraagt me van wie deze computer was. Ik heb geen idee, waarschijnlijk niet van [voornaam] . De voorzitter vraagt me of [voornaam] vaker goederen stal. Dat klopt. Momenteel zit hij ook een straf uit voor diefstallen. Ik had wel twijfels over de herkomst van de MacBook. Soms is het beter om twijfels te hebben dan te weten waar iets vandaan komt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 12 maart 2015, opgenomen op pagina 78 van het dossier met nummer 2015084198 d.d. 26 maart 2015, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik had geld nodig en heb mijn twijfels niet uitgesproken over de herkomst van de MacBook.

[voornaam] en ik deelden het geld en we kregen ieder de helft.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 5 maart 2015, opgenomen op pagina 91 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

Op 19 februari 2015 omstreeks 12.30 uur rondde ik een gesprek af met een collega

waarbij ik de MacBook had gebruikt. De MacBook stond op de gesprekstafel van de

genoemde kamer. Ik heb de MacBook na het gesprek afgesloten. Ik heb via mijn PCC

nog een mail verstuurd. Hierna ben ik naar het schoolcafé op de begane grond gegaan om melk te halen in verband met mijn lunch. Ik ben circa 5 minuten van mijn kamer geweest en toen ik circa 12.45 uur weer op mijn kamer kwam en mijn lunch nuttigde zag ik dat de MacBook van de gesprekstafel was verdwenen.

De rechtbank overweegt dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij wist dat de persoon die hem de MacBook had gegeven om door te verkopen regelmatig diefstallen pleegde. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij heeft getwijfeld over de herkomst van de MacBook, maar bewust geen navraag had gedaan. Voorts is gebleken dat verdachte de opbrengst van de verkoop met bedoelde persoon heeft gedeeld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden op het moment dat hij de MacBook voorhanden heeft gekregen om door te verkopen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de MacBook afkomstig was van een misdrijf, zodat zij opzetheling wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 2

De rechtbank volstaat ten aanzien van het 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 26 februari 2015, opgenomen op pagina 157 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Feit 3

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 25 april 2015, opgenomen op pagina 5 van het dossier PL0100-2015117953, d.d. 21 januari 2016, inhoudende de verklaring van [verklarende 5] namens [warenhuis] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830345-15 onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/820141-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/830345-15:

1.

hij op 7 december 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand, gelegen aan [straatnaam 1] aldaar, heeft weggenomen diverse tubes tandpasta, toebehorende aan [supermarkt 1] , welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] en overige medewerkers van die supermarkt, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken,

welk geweld bestond uit:

- het zich losrukken en trekken van voornoemde medewerkers en

- het gooien van een hoeveelheid dozen en een sensor in de richting voornoemde medewerkers en

- het slaan met een klok op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] ;

2.

hij op 6 december 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand, gelegen aan [straatnaam 2] aldaar, heeft weggenomen een hoeveelheid luiers, pampers, toebehorende aan het winkelbedrijf [supermarkt 2] , welke

diefstal gevolgd van geweld tegen een medewerker en een klant van voornoemde [supermarkt 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld

bestond uit het zich losrukken en trekken van voornoemde medewerker en klant;

3.

hij op 7 oktober 2015 op diverse tijdstippen te [pleegplaats 2] meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand, gelegen aan [straatnaam 3] aldaar, heeft weggenomen telkens een hoeveelheid tabs Ariël, toebehorende aan het winkelbedrijf [supermarkt 3] ;

4.

hij in de periode van 27 september 2015 tot en met 15 oktober 2015 te [pleegplaats 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand, gelegen aan [straatnaam 4] aldaar, heeft weggenomen hoeveelheden wasmiddel en cosmetica en luiers, pampers,

toebehorende aan het winkelbedrijf [supermarkt 3] ;

in de zaak met parketnummer 18/820141-15:

1.

hij in het tijdvak van 19 t/m 20 februari 2015 te [pleegplaats 1] een MacBook voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die MacBook wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op 25 februari 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas en een rugzak en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

3.

hij op 25 april 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een spijkerbroek en een pet, toebehorende aan het winkelbedrijf [warenhuis] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/830345-15:

1. Diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om,
bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

2. primair Diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

3. Diefstal, meermalen gepleegd.

4. Diefstal, meermalen gepleegd.

in de zaak met parketnummer 18/820141-15:

1. Opzetheling.

2. Diefstal.

3. Diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/830345-15 onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/820141-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van 16 weken, zodat verdachte in vrijheid wordt gesteld op de dag van de uitspraak. Een gevangenisstraf van 12 maanden is te hoog nu het gaat om winkeldiefstallen die in een lange periode zijn gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages Verslavingszorg Noord Nederland, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf winkeldiefstallen, één diefstal uit een personeelsruimte van een ziekenhuis en een heling. Bij twee van de winkeldiefstallen heeft verdachte geweld gebruikt, waarbij de rechtbank met name het geweld bij de [supermarkt 1] zeer kwalijk acht, nu verdachte hierbij met allerlei goederen heeft gegooid en/of geslagen, waardoor een winkelmedewerker letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. Diefstallen als deze zijn hinderlijke en ernstige feiten. De gedupeerden moeten aangifte doen, hetgeen vaak tijdrovend is. Diefstal draagt daarnaast ook bij aan een gevoel van angst en onveiligheid, met name als winkelpersoneel en klanten worden geconfronteerd met geweld. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten getoond geen enkel respect voor eigendommen en de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen te hebben.

Verdachte heeft de Italiaanse nationaliteit en hoewel hij nog maar kort (twee jaren) in Nederland verblijft, heeft hij al een reeks veroordelingen op zijn justitiële documentatie staan. Dit betreffen eveneens vermogensdelicten. Verdachte is drugsverslaafd en blijkens de reclasseringsrapportage wijst zijn delictgedrag op financiële problemen. Voorts spreekt verdachte de Nederlandse taal niet, heeft hij geen werk, is zijn woonsituatie instabiel en is hij financieel afhankelijk van zijn vader in Italië. De reclassering heeft aangegeven dat verdachte zich niet gehouden heeft aan de bijzondere voorwaarden die waren opgelegd bij een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Verdachte kwam niet op afspraken of kwam te laat. De reclassering schat het recidiverisico hoog in. Volgens de reclassering zal een ambulante behandeling voor zijn drugsverslaving niet leiden tot beperking van het recidiverisico, terwijl een klinische behandeling in een Nederlandse (forensische) behandelsetting door de niet-beheersing van de Nederlandse taal niet tot de mogelijkheden behoort. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat een klinische Engelstalige behandeling in vrijwillig kader voor hem geen optie is. Op de rechtbank maakte verdachte geen gemotiveerde indruk om daadwerkelijk zijn problemen aan te pakken. Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Gezien de hoeveelheid en de ernst van de feiten is de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

Benadeelde partij

[verklarende 3] heeft zich namens [supermarkt 3] ( [adres] te [pleegplaats 2] ) voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/830345-15 onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu zij niet kan opmaken of [verklarende 3] gemachtigd is om de vordering namens [supermarkt 3] in te dienen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vordering benadeelde partij niet weersproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsvrouw is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 9 oktober 2015, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen , is verdachte veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 oktober 2015. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 16 februari 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie deze vordering gehandhaafd.

De raadsvrouw heeft bepleit de voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer te laten leggen, maar in plaats daarvan de proeftijd te verlengen.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 9 oktober 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 57, 63, 310, 312, 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Vernietigt de strafbeschikking ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/820141-15 onder 3 ten laste gelegde (het ter berechting gevoegde parketnummer 18/080809-15).

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830345-15 onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/820141-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [supermarkt 3] ( [adres] te [pleegplaats 2] ) toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 73,96 (zegge: drieënzeventig euro en zesennegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [supermarkt 3] ( [adres] te [pleegplaats 2] ) te betalen een bedrag van € 73,96 (zegge: drieënzeventig euro en zesennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/146357-15:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord Nederland te Groningen d.d. 9 oktober 2015, te weten: 6 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2016.

Mr. Van Capelle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.