Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2713

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
18.820111-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Thans in een gemaximeerde terbeschikkingstelling verblijvende verdachte wordt op grond van de inhoud van de diverse rapportages thans veroordeeld voor – onder andere – een poging zware mishandeling – tot een ongemaximeerde terbeschikkingstelling. Alle feiten zijn gepleegd ten aanzien van het personeel binnen een tbs-kliniek.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820111-15

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/8320190-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 juni 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

23 mei 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

onder parketnummer 18/820111-15:

1.
hij op of omstreeks 5 januari 2015 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te
beroven, met dat opzet in een drafje, althans met versnelde pas, op die [slachtoffer 1]
is afgelopen en/of waarbij hij een steekwapen (bestaande uit twee scherpe
metalen staven waarbij het handvat was omwikkeld met tape) in zijn hand had op
schouderhoogte en/of heeft verdachte, terwijl hij die [slachtoffer 1] dicht was
genaderd, vervolgens een stekende beweging gemaakt in de richting van het
bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en/of waarbij die [slachtoffer 1] door middel van een
afwerende beweging kon voorkomen dat hij werd geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 5 januari 2015 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1] ),
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
in een drafje, althans met versnelde pas, op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of
waarbij hij een steekwapen (bestaande uit twee scherpe metalen staven waarbij
het handvat was omwikkeld met tape) in zijn hand had op schouderhoogte en/of
heeft verdachte, terwijl hij die [slachtoffer 1] dicht was genaderd, vervolgens een
stekende beweging gemaakt in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 1]
en/of waarbij die [slachtoffer 1] door middel van een afwerende beweging kon voorkomen
dat hij werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet
is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.
hij op of omstreeks 5 januari 2015 te [pleegplaats 1]
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,
immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] meermalen dreigend de
woorden toegevoegd :"Je gaat er aan", althans woorden van gelijke dreigende
aard of strekking en/of heeft verdachte een snijbeweging langs zijn,
verdachtes, hals gemaakt.
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

onder parketnummer 18/830190-15:

1.
hij op of omstreeks 4 maart 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard,
[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde
dreigend de woorden toegevoegd (zakelijk weergegeven): "dat hij de
kop van die [slachtoffer 3] er af zou rukken", althans woorden van gelijke
dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.
hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2015 tot en met 3 mei 2015 te
[pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard,
[slachtoffer 4] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,
immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de
woorden toegevoegd :"Als ik hieruit kom maak ik je af en neem maar afscheid
van alles wat je lief is en/of ik snij je strot open en het liefst waar je
vrouw en kinderen bij zijn", althans woorden van gelijke dreigende aard of
strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.
hij op of omstreeks 1 mei 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard,
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] met gebalde vuist in het gezicht te
slaan en/of door die [slachtoffer 4] tegen diens oog te trappen;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.
hij op of omstreeks 30 april 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard,
[slachtoffer 5] heeft mishandeld door een arm om de nek/kin van die [slachtoffer 5] te leggen
en/of aan te drukken althans door die [slachtoffer 5] in een zogenaamde wurggreep te
nemen;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.
hij op of omstreeks 30 april 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard,
[slachtoffer 5] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,
immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de
woorden toegevoegd :"Ik maak je dood, ik maak je kapot", althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking.
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder parketnummer 830190-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Voor deze feiten is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig in het dossier.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder parketnummer 820111-15 onder 1 en 2 en onder parketnummer 830190-15 onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Ten aanzien van de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (820111-15, feit 1) heeft de officier van justitie aangevoerd dat dit feit kan worden bewezen op grond van de aangifte en de getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] , [getuige 1] en [getuige 2] . Hieruit blijkt dat verdachte op het slachtoffer is afgestormd, wat ook omschreven is als een galopperend paard, en daarbij een wit voorwerp in zijn handen had. Het met witte tape omwikkelde steekwapen is later op de grond aangetroffen en dat ziet er gevaarlijk uit. De verklaring van verdachte dat hij het steekwapen in zijn broekzak had acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Gelet op de snelheid waarmee verdachte op het slachtoffer afkwam, de aard van het steekwapen en het feit dat de aanval op het bovenlichaam was gericht acht de officier van justitie opzet op de mogelijke dood bewezen.

Ten aanzien van feit 3 (18/830190-15) acht de officier van justitie hetgeen ten laste is gelegd bewezen op basis van de aangifte en de verklaringen van [slachtoffer 4] en [getuige 3] welke zich in het dossier bevinden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 820111-15 onder 1 en onder parketnummer 830190-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de overige feiten gesteld dat deze kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van de poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (8201115-15) heeft de raadsvrouw gesteld dat er weliswaar een vechtpartij tussen verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden en dat later een steekwapen op de grond is aangetroffen, maar dat er geen bewijs is dat verdachte hiermee heeft gestoken of dat het steken kan worden aangemerkt als een poging doodslag of een poging zware mishandeling. Aangever verklaart weliswaar – overigens als enige – over een stekende beweging gericht op zijn bovenlichaam, maar dat is te algemeen om vast te stellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel is geweest. Voor feit 1 dient zowel in de primaire als in de subsidiaire variant vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 4] (830190-15, feit 3) heeft de raadsvrouw aangevoerd dat aangever weliswaar heeft verklaard dat hij een vuistslag in zijn gezicht heeft kregen, maar hij verklaart niet dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is. Geen van de getuigen heeft dit verklaard. Op grond hiervan is er onvoldoende bewijs en dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

ten aanzien van het onder parketnummer 18/830190-15 onder 1, 2 en 3

De rechtbank acht het onder parketnummer 830190-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Voor deze feiten is onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig. Nu verdachte de feiten ontkent is er buiten aangiftes en de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] onvoldoende ondersteunend bewijs. Verdachte zal daarom van deze feiten worden vrijgesproken.

ten aanzien van het onder parketnummer 18/820111-15 onder 1 primair

De rechtbank acht het onder parketnummer 820111-15 onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Uit het dossier blijkt dat de aanval was gericht op het bovenlichaam. Dit is niet specifieker omschreven en door de getuigen is hier niets over verklaard. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat verdachte het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] dodelijk zou worden getroffen. .

ten aanzien van het onder parketnummer 18/820111-15 onder 1 subsidiair

Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat verdachte onverhoeds op het slachtoffer is afgerend. Daarbij is door het slachtoffer gezien dat verdachte een wit voorwerp in zijn handen had. Een met witte tape omwikkeld steekwapen is achteraf op de grond gevonden. Dat verdachte het wapen ten tijde van de aanval niet in zijn broekzak droeg, blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de verklaring van getuige [slachtoffer 2] , die [slachtoffer 1] hoort zeggen dat verdachte een steekwapen heeft, nog daargelaten dat de afmeting van het wapen het wegstoppen in een broekzak onaannemelijk maakt. Verdachte heeft met dit steekwapen in handen een stekende beweging in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer 1] gemaakt welke aanval door [slachtoffer 1] is afgeweerd. Weliswaar heeft alleen aangever [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte een stekende beweging met het steekwapen richting zijn bovenlichaam heeft gemaakt die hij heeft kunnen afweren, doch deze verklaring vindt steun in de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 4] en [slachtoffer 2] die allen aangeven dat [slachtoffer 1] een afwerende beweging maakte op de door verdachte ingezette aanval. Gelet op de aard en de grootte van het steekwapen in onderlinge samenhang bezien met de stekende beweging die verdachte met dat wapen richting het bovenlichaam van [slachtoffer 1] heeft gemaakt, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans dat hij aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, heeft aanvaard. Het feit onder parketnummer 820111-15 onder 1 subsidiair, de poging zware mishandeling, kan derhalve bewezen worden verklaard.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

ten aanzien van het onder parketnummer 18/820111-15 onder 1 subsidiair

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 mei 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het zogenaamde steekwapen lag naast mijn televisie. Daarvoor had ik het verstopt op mijn kamer. Ik heb [slachtoffer 1] op zijn plek gezet. Ik had dat steekwapen gemaakt van het handvat van een emmer. Ik ben op [slachtoffer 1] afgelopen, dat wel. Op zijn plek zetten dat kan van alles zijn: praten, slaan. Ik heb een personeelslid aangevallen, ja. Dat kan ik niet ontkennen.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van de politie Noord-Nederland d.d. 7 januari 2015, opgenomen in het dossier met nummer PL0100-2015006600 d.d. 8 maart 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 6] :

Ik doe aangifte namens [slachtoffer 1] van poging tot doodslag/moord op 5 januari 2015. Ik werk als unitcoördinator in de [FPC] te [pleegplaats 1] .

Plotseling viel [verdachte] [slachtoffer 1] aan met een, naar later bleek, zelfgemaakt steekwapen en probeerde [slachtoffer 1] te steken. [slachtoffer 1] kon de aanval gelukkig afweren en kwam samen met [verdachte] op de grond terecht. De andere aanwezigen konden [verdachte] met moeite onder controle brengen en houden. [verdachte] bleek een steekwapen te hebben gemaakt van twee metalen staven, welke extra scherp geslepen waren. Het handvat was omwikkeld met textiel en tape. [slachtoffer 1] heeft van de aanval schrammen op het hoofd en rode vlekken op de rug opgelopen.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 12 januari 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik keek mijn collega [getuige 4] aan en op datzelfde moment zag ik vanuit mijn ooghoek [verdachte] op mij afstormen. Het leek wel een galopperend paard. Hij had een heel apart drafje. Op dat moment had ik snel door dat dit mis was. Ik zag namelijk dat hij een voorwerp in zijn rechter hand had. Ik zag toen [verdachte] nog iets verder van mij af was eerst iets wits. Naarmate [verdachte] dichterbij kwam zag ik dat dit een steekwapen was. Ik zag namelijk twee metalen pinnen met scherpe punten. Ik ben snel opgestaan en maakte een stap vooruit. Ik zag dat [verdachte] een stekende beweging maakte met zijn rechterhand in de richting van mijn bovenlichaam. Hij had toen nog steeds zijn rechterhand op schouderhoogte. Ik heb dit met veel pijn en moeite af kunnen afweren door met mijn armen zijn rechterarm te blokkeren. Ik raakte in een gevecht met [verdachte] en kon hem met veel kracht naar de grond werpen. Ik lag op mijn rug en hij zat boven op mij. Ik voelde pijn in de linkerkant van mijn lichaam.

Ik ben best een beetje een stoere vent, maar op het moment van het incident heb ik echt angst gevoeld. Ik was achteraf heel blij dat hij mij niet daadwerkelijk heeft kunnen steken, want dan was het niet goed afgelopen. Hij richtte namelijk echt op mijn bovenlichaam. Als hij met dat steekwapen had kunnen steken was ik minimaal

zwaar gewond geraakt.

Door mijn snelle reactie en het afweren van de stekende beweging van [verdachte] met zijn

rechterhand heb ik nagenoeg geen letsel opgelopen. Ik heb slechts een schram op

mijn voorhoofd en een schaafplek op mijn rug opgelopen.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 14 januari 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Plotseling zie ik dat [verdachte] min of meer springend, in ieder geval niet gewoon lopend, uit zijn cel komt en recht op [slachtoffer 1] afkomt. Ik zag dat [slachtoffer 1] opstond en een afwerende beweging maakt in de richting van [verdachte] . [verdachte] valt daarop [slachtoffer 1] nog een keer aan.

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de politie Noord-Nederland d.d. 14 januari 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verbalisant] :

Het op 7 januari 2015 bij [verdachte] inbeslaggenomen voorwerp is een steekvoorwerp waarvan het lemmet twee scherpe punten heeft. Het is gemaakt van het metalen handvat van een emmer. Lengte totaal: 260 mm, lengte lemmet: 90 mm.

ten aanzien van het onder parketnummer 18/820111-15 onder 2

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van de politie Noord-Nederland d.d. 7 januari 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 6] :

Ik doe aangifte namens [slachtoffer 1] van poging tot doodslag/moord en namens [slachtoffer 2] van bedreiging op 5 januari 2015. Ik werk als unitcoördinator in de [FPC] te [pleegplaats 1] . Kort daarna werd [verdachte] overgebracht naar de separeerafdeling, waar hij [slachtoffer 2] met de dood heeft bedreigd. Hij riep tegen [slachtoffer 2] : "Je gaat eraan". Hierbij maakte hij een snijdende beweging over zijn hals. [slachtoffer 2] voelde zich, mede door het eerdere incident, echt bedreigd.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 15 januari 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Tijdens het lopen naar de separeer cel heeft [verdachte] meerdere keren gezegd: "Je gaat eraan".

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 14 januari 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Tijdens het vervoer naar de separeer cel hoorde ik dat [verdachte] tegen [slachtoffer 2] zei: "Je gaat eraan". Ik zag ook dat [verdachte] een snijdende beweging langs zijn hals maakte.

ten aanzien van het onder parketnummer 18/830190-15 onder 4

De rechtbank volstaat ten aanzien van onder 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 mei 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 11 juni 2015, opgenomen in het dossier met nummer PL1700-2015093364 d.d. 30 juli 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] .

ten aanzien van het onder parketnummer 18/830190-15 onder 5

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 11 juni 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Er ontstond een worsteling. Wij zijn op de grond belang. [verdachte] verzette zich hevig, uitte dreigementen in de trant van "ik maak je dood, ik maak je kapot".

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van de politie Noord-Nederland d.d. 11 juni 2015, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Ik zag dat de heer [verdachte] [slachtoffer 5] in een verwurgingsgreep had. Op dat moment zei hij letterlijk: "Ik maak je af [slachtoffer 5] , ik heb je".

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 830190-15 onder 4 en 5 en onder parketnummer onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

onder parketnummer 18/820111-15:

1. subsidiair

hij op 5 januari 2015 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet in een drafje, op die [slachtoffer 1] is afgelopen waarbij hij een steekwapen bestaande uit twee scherpe metalen staven waarbij het handvat was omwikkeld met tape in zijn hand had op schouderhoogte en heeft verdachte, terwijl hij die [slachtoffer 1] dicht was genaderd, vervolgens een stekende beweging gemaakt in de richting van het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] en/of waarbij die [slachtoffer 1] door middel van een afwerende beweging kon voorkomen dat hij werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet
is voltooid;

2.
hij op 5 januari 2015 te [pleegplaats 1] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] meermalen dreigend de woorden toegevoegd :"Je gaat er aan".

onder parketnummer 18/830190-15:

4.
hij op 30 april 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard, [slachtoffer 5] heeft mishandeld door een arm om de nek/kin van die [slachtoffer 5] te leggen en aan te drukken;

5.
hij op 30 april 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Albrandswaard, [slachtoffer 5] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak je dood, ik maak je kapot".

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 subsidiair poging tot zware mishandeling

2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

onder parketnummer 18/830190-15:

4 mishandeling

5 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

onder parketnummer 18/820111-15:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 4 februari 2016, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 11 mei 2016, opgemaakt door B. van Giesen, psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en psychopathie. Daarnaast is er bij verdachte sprake van een gebrekkige gewetensfunctie en empathisch vermogen en kan hij vanuit cirkelredeneringen agressief handelen. Tevens is sprake van een aandachttekortstoornis met hyperactiviteit. Van deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Ondanks dat verdachte al langdurig in behandelinstellingen verblijft heeft dit niet tot een betekenisvolle reductie van problemen geleid. Bovendien is verdachte niet gemotiveerd voor behandeling en werkt hij hier ook niet aan mee. De kans op recidive is hoog. Er resteert slechts het continueren van de tbs-maatregel ter maatschappijbeveiliging.

De psychiater adviseert de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en de psycholoog adviseert dit verminderd tot sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 820111-15 onder 1 en 2 en onder parketnummer 830190-15 onder 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat het om ernstige feiten gaat waarvoor een nieuwe tbs-maatregel kan worden opgelegd. Op grond van zijn verleden, maar ook op grond van het ingeschatte recidiverisico, is thans ter beveiliging van de maatschappij een ongemaximeerde terbeschikkingstelling op zijn plaats.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor afwijzing van de eis om een nieuwe terbeschikkingstelling op te leggen. Verdachte heeft op dit moment een terbeschikkingstelling en die is gemaximeerd tot 4 jaar. Een nieuwe terbeschikkingstelling zou levenslang betekenen nu verdachte volhardt in zijn gedachte dat hij niet (meer) behandeld wil worden. Hij zal zich nooit of te nimmer onderwerpen aan een tbs-behandeling.

Binnen de huidige tbs-maatregel is nog voldoende ruimte voor een resocialisatietraject en daarom is toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aan de orde. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat dit geen recht doet aan de feiten dan pleit de raadsvrouw voor een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is, zoals hiervoor reeds overwogen, onderzocht door zowel een psychiater als een psycholoog. Beiden komen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en psychopathie. Daarnaast is er bij verdachte sprake van een gebrekkige gewetensfunctie en empathisch vermogen. Daarbij geven zij aan dat er sprake is van een hoog recidiverisico.

Beiden komen ook tot de conclusie dat er thans een impasse is doordat verdachte zich niet wil laten behandelen in zijn huidige gemaximeerde terbeschikkingstelling. Dit zou betekenen dat verdachte in maart 2019 onbehandeld vrij zou worden gelaten.

Aan de wettelijke vereisten voor een ter beschikking stelling wordt voldaan. Bij verdachte is vastgesteld dat hij ten tijde van het begaan van de feiten leed aan een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens . De rechtbank acht bewezen dat verdachte misdrijven heeft begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, terwijl er sprake is van een hoog recidivegevaar, waardoor de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, namelijk een poging tot zware mishandeling van een sociotherapeut in de tbs-kliniek waar hij verbleef. Het slachtoffer mag daarbij van geluk spreken dat hij niet daadwerkelijk zeer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de ernst van dit feit, het hoge recidiverisico en de adviezen van de gedragsdeskundigen zal de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling opleggen. De rechtbank zal tevens bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van personen de verpleging vereist. De rechtbank ziet de oplegging van deze maatregel als enige reële mogelijkheid om het recidivegevaar in te dammen. Verdachte heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk aangegeven dat hij, in de periode die onder de gemaximeerde tbs resteert, onder geen beding zal gaan meewerken aan een behandeling, zodat de verwachting van de rechtbank is dat het thans aanwezige hoge recidiverisico na ommekomst van die periode onverkort aanwezig zal zijn.

De rechtbank constateert voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, nu verdachte onder meer wordt veroordeeld voor een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel tegen een bewaker van een instelling.

Inbeslaggenomen goederen

Op 7 januari 2015 is onder verdachte een zelfgemaakt steekwapen (zelfgemaakt mes van metalen staven) in beslag genomen.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een zelfgemaakt steekwapen, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het feit met het voorwerp is begaan en het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Benadeelde partij

18/830190-15, feit 2 en 3

[slachtoffer 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 18/830190-15 onder feit 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering goed is onderbouwd maar dat deze gematigd dient te worden tot een bedrag van € 500,-. Daarnaast heeft zij toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd subsidiair 10 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft opgemerkt dat de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij spreekt over klappen tegen zijn arm, terwijl in de tenlastelegging verdachte het slaan met een gebalde vuist in het gezicht wordt verweten. Nu dit niet over hetzelfde letsel gaat behoeft dit nadere onderbouwing. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces zijn en daarom pleit de raadsvrouw voor niet-ontvankelijk verklaring van de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 38e, 45, 57, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 830190-15 onder 1, 2, en 3 en onder parketnummer 820111-15 onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 830190-15 onder 4 en 5 en onder parketnummer 820111-15 onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Stelt vast dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen zelfgemaakte steekwapen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, H.L. Stuiver en J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juni 2016.

mr. Fransen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.