Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2688

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
C/17/140875 / HA ZA 15-89 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verdeling levenslooppolissen tussen ex-man en erven van ex-vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/140875 / HA ZA 15-89

Vonnis van 1 juni 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.W. de Casseres te Leeuwarden,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.H. Lanting te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna de erven [eiser 1 en 2] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het tussenvonnis van 24 juni 2015,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 september 2015,

  • -

    de akte na comparitie van [gedaagde] ,

  • -

    de antwoordakte na comparitie van de erven [eiser 1 en 2]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] was in gemeenschap van goederen gehuwd met de op [overlijdensdatum] overleden [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster). Het huwelijk tussen [gedaagde] en erflaatster is op [datum] ontbonden door inschrijving van een echtscheidingsvonnis. De twee kinderen die uit voornoemd huwelijk zijn geboren, eisers, zijn de gezamenlijke erfgenamen van erflaatster.

2.2.

[gedaagde] heeft in 2006 twee levenslooppolissen met [polisnummers] respectievelijk [polisnummers] (hierna te noemen: de polissen) afgesloten bij de naamloze vennootschap Loyalis Leven N.V. De polissen zijn bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap onverdeeld gebleven.

2.3.

Bij e-mail van 22 april 2013 heeft [eiser 1] (eiser sub 1) het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“De uitvaartrekening zonder de poliskosten bedraagt €3000 en de rekening over het voor twee maanden teveel ontvangen PGB is €1500. Je kunt het op mijn rekening overschrijven: ...”,

in antwoord waarop [gedaagde] bij e-mail van 23 april 2013 heeft teruggeschreven:

“Ik heb € 3.000 overgemaakt als renteloze lening tot mei 2014 en € 1.500 als lening tegen 3% tot 2014.”,

en waarop [eiser 1] 24 april 2013 vervolgens heeft gereageerd:

“Het geld is ontvangen, waarvoor dank.”

3 Het geschil

3.1.

De erven [eiser 1 en 2] vorderen dat dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan (de rechtbank leest verbeterd:) de erven [eiser 1 en 2] een machtiging te geven die hen in staat stelt om bij Loyalis Leven N.V. te informeren naar de waarde van de polissen, althans [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan de erven [eiser 1 en 2] gedocumenteerde informatie te verschaffen over de waarde van de polissen op straffe van verbeurte van een dwangsom groot € 500,- voor elke dag waarop [gedaagde] nalatig blijft om aan dit vonnis te voldoen,

II. primair: verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn aandeel in de polissen heeft verbeurd en dat de gemeenschap van goederen die tussen [gedaagde] en de erven [eiser 1 en 2] als erfgenamen van erflaatster bestaat, en die bestaat uit de polissen, zo wordt verdeeld dat de polissen aan de erven [eiser 1 en 2] worden toegedeeld althans dat deze aan [gedaagde] worden toegedeeld onder diens gehoudenheid om de waarde van de polissen aan de erven [eiser 1 en 2] te betalen,

subsidiair: de gemeenschap van goederen die tussen [gedaagde] en de erven [eiser 1 en 2] als erfgenamen van erflaatster bestaat, en die bestaat uit de polissen, zo verdeelt dat de beide polissen aan [gedaagde] worden toegedeeld, onder diens gehoudenheid om de helft van de waarde van de polissen aan de erven [eiser 1 en 2] te betalen,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer met conclusie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zoveel wettelijk toegestaan, de vorderingen van de erven [eiser 1 en 2] afwijst en subsidiair, voor het geval enig bedrag zal worden toegewezen, voor recht verklaart dat [gedaagde] een beroep op verrekening toekomt van een bedrag van € 4.545,- met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2014, alles met veroordeling van de erven [eiser 1 en 2] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.

4 De beoordeling

Internationaal privaatrecht

4.1.

Nu partijen woonachtig zijn in verschillende landen, te weten [land] en [land] , draagt de zaak een internationaal karakter. De vraag naar de internationale bevoegdheid dient te worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX II-Vo). Uitgangspunt van artikel 4 EEX II-Vo is dat de bevoegdheid ligt bij de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft. De Nederlandse rechter kan de internationale bevoegdheid ontlenen aan dit artikel nu [gedaagde] zijn woonplaats in [land] heeft.

4.2.

De rechtbank zal voorts, nu partijen desgevraagd ter comparitie daarom hebben verzocht, het geschil naar Nederlands recht beoordelen.

Machtiging opvragen waarde-overzichten polissen

4.3.

De erven [eiser 1 en 2] leggen - samengevat - het volgende aan het onder I gevorderde ten grondslag. Het onverdeelde aandeel van erflaatster in de polissen behoort tot de nalatenschap, waarin de erven [eiser 1 en 2] gerechtigd zijn. [gedaagde] is op grond van de tussen deelgenoten in acht te nemen redelijkheid en billijkheid gehouden om de erven [eiser 1 en 2] te informeren over de waarde van de polissen . Gelet op de weigerachtige houding van [gedaagde] vorderen de erven [eiser 1 en 2] dat zij gemachtigd worden om waarde-overzichten bij Loyalis Leven N.V. op te vragen.

4.4.

De rechtbank zal de gevorderde machtiging afwijzen, nu de erven [eiser 1 en 2] daar geen belang meer bij hebben. Hiertoe overweegt de rechtbank dat [gedaagde] bij akte na comparitie waarde-overzichten per 1 januari 2010 in het geding heeft gebracht, terwijl voorts de erven [eiser 1 en 2] in hun antwoordakte een volgens hen van de verzekeraar afkomstige berekening van de totale actuele contante-waarde per 15 oktober 2015 hebben overgelegd.

Artikel 3:194 lid 2 BW

4.5.

De erven [eiser 1 en 2] leggen - samengevat - het volgende aan het onder II, primair gevorderde ten grondslag. [gedaagde] is op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in de polissen verbeurd aan de erven [eiser 1 en 2] , nu hij deze voor erflaatster en de erven [eiser 1 en 2] verborgen heeft gehouden.

4.6.

[gedaagde] ontkent de polissen verzwegen te hebben. Volgens hem zijn de polissen destijds niet bij de afwikkeling van de boedelscheiding meegenomen, omdat deze onder de toen geldende regeling niet afkoopbaar waren en dus geen contante waarde vertegenwoordigden.

4.7.

Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt dat de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere echtgenoot. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijk handelen aan de zijde van [gedaagde] geen sprake is geweest. Hiertoe is doorslaggevend hetgeen [eiser 2] (eiseres sub 2) ter comparitie heeft verklaard: “Mijn broer en ik wisten van de levensloopregeling. Mijn moeder wist het ook, zij had nog een afspraak met haar advocaat daar over staan.” Daarop strandt het betoog van de erven [eiser 1 en 2] dat [gedaagde] opzettelijk de polissen heeft verzwegen. Dat [gedaagde] aanvankelijk geweigerd heeft om inzage te verlenen in de waarde van de polissen, maakt het voorgaande niet anders. Het primaire deel van vordering II zal gelet hierop afgewezen.

Verdeling van de polissen

4.8.

Subsidiair vorderen de erven [eiser 1 en 2] verdeling van de polissen. Bij antwoordakte na comparitie hebben de erven [eiser 1 en 2] een berekening, volgens hen afkomstig van de verzekeraar, overgelegd waaruit een totale actuele contante-waarde van € 32.250,52 per 15 oktober 2015 blijkt. Bij de verdeling moet hiervan uitgegaan worden en niet van de waarde per echtscheidingsdatum, aldus de erven [eiser 1 en 2] . Voorts wordt er volgens hen ten onrechte uitgegaan van een belastingdruk van 52%.

4.9.

Bij akte na comparitie heeft [gedaagde] twee waarde-overzichten overgelegd met betrekking tot de polissen, waarop als saldi per 1 januari 2010 € 23.059,40 respectievelijk € 5.200,83 staan vermeld. De groei tot 10 maart 2010 is volgens [gedaagde] tientjeswerk. In de saldi zit volgens [gedaagde] een belastinglatentie van 52%, zodat de nettowaarde van de polissen € 13.564,91 bedraagt.

4.10.

Op grond van de artikelen 3:178 en 3:185 BW kan iedere deelgenoot verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. De rechtbank zal dan ook desgevorderd de (wijze van) verdeling van de polissen bepalen en wel als volgt. De polissen zullen aan [gedaagde] worden toebedeeld, onder gehoudenheid om wegens overbedeling de helft van de waarden daarvan aan de erven [eiser 1 en 2] te betalen.

4.11.

Voor de bepaling van de hoogte van de overbedelingsschuld zullen de waarden van de polissen per echtscheidingsdatum als startpunt worden genomen. Anders dan de erven [eiser 1 en 2] betogen, kunnen zij namelijk geen aanspraak maken op (waardevermeerderingen als gevolg van) inleggen die [gedaagde] na de echtscheidingsdatum en dus vanuit zijn eigen vermogen heeft gedaan. Omdat de verdeling heden tot stand zal worden gebracht, zal de datum van dit vonnis als peildatum worden gehanteerd. [gedaagde] heeft nagelaten om een actuele contante-waardeberekening over te leggen, ondanks het feit dat de rechtbank hem na sluiting van de comparitie bevolen heeft om deze bij akte na comparitie over te leggen. Op grond van artikel 22 Rv zal de rechtbank hieruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht door de door de erven [eiser 1 en 2] overgelegde berekening bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt nemen.

4.12.

Uit die berekening, die de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk voorkomt, volgt dat de waarden per 10 maart 2010 € 23.083,57 respectievelijk € 5.306,28 bedragen en dat deze waarden met 12,22% gegroeid zijn, zodat de totale actuele contante-waarde op 15 oktober 2015 € 32.205,52 bedraagt. Nu gesteld noch gebleken is dat deze waarde tot en met heden - de peildatum - aanmerkelijk is gewijzigd, zal hiervan verder worden uitgegaan. De rechtbank volgt de erven [eiser 1 en 2] niet in hun betoog dat niet van een belastingdruk van 52% kan worden uitgegaan, omdat in diezelfde berekening wel met dit tarief is gerekend en het aandeel van de belasting aldus is becijferd op € 16.770,27. Met inachtneming van het voorgaande bedraagt de overbedelingsschuld van [gedaagde] aan de erven [eiser 1 en 2] (€ 32.250,52 - € 16.770,27) × ½ = € 7.740,12.

De geldlening van [gedaagde] aan de erven [eiser 1 en 2]

4.13.

[gedaagde] beroept zich op verrekening met zijn vordering op de erven [eiser 1 en 2] wegens een geldlening met rente van in totaal € 4.545,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2014. De rechtbank houdt het ervoor dat het genoemde bedrag een verschrijving betreft, nu uit de hiervoor onder 2.3 weergegeven e-mailwisseling blijkt dat er in totaal € 4.500,- door [gedaagde] aan de erven [eiser 1 en 2] is overgemaakt.

4.14.

Ter comparitie heeft de advocaat van de erven [eiser 1 en 2] na aanvankelijk de geldlening betwist te hebben, verklaard dat de geldlening wel wordt erkend met dien verstande dat het niet om een rentedragende lening gaat. De rechtbank kan de erven [eiser 1 en 2] in hun betwisting van verschuldigdheid van rente niet volgen, nu uit de inhoud van de hiervoor onder 2.3 weergegeven e-mailwisseling blijkt dat € 3.000,- is overgemaakt als renteloze lening tot mei 2014 en € 1.500,- als lening tegen 3% tot mei 2014 waartegen door de erven [eiser 1 en 2] , althans [eiser 1] vervolgens niet is geprotesteerd. [gedaagde] kan dan ook in beginsel aanspraak maken op de wettelijke rente vanaf 1 juni 2014 (zijnde de vervaldatum van de geldlening), welke rente door de rechtbank is berekend op € 209,12 tot en met heden.

4.15.

Bij antwoordakte na comparitie voeren de erven [eiser 1 en 2] aan dat dat de schuld van de erven [eiser 1 en 2] aan [gedaagde] al door verrekening teniet is gegaan als gevolg van een regresvordering van de erven [eiser 1 en 2] uit hoofde van een door erflaatster voldane gemeenschappelijke schuld aan het CAK. Naar het oordeel van de rechtbank is het in strijd met de eisen van goede procesorde om, nadat ter comparitie reeds wisselende standpunten over de geldlening zijn ingenomen, het verweer op dit punt andermaal te wijzigen. Dit klemt temeer nu de feiten en omstandigheden waarop de erven [eiser 1 en 2] zich beroepen ten tijde van de zitting al bekend waren of hadden moeten zijn, terwijl [gedaagde] zich hierover nog niet heeft kunnen uitlaten. De rechtbank zal deze nieuwe stellingen van de erven [eiser 1 en 2] gelet op het voorgaande buiten beschouwing laten.

4.16.

De slotsom is dat [gedaagde] uit hoofde van de verdeling van de polissen per saldo nog een bedrag van (€ 7.740,12 - € 4.500 - € 209,12 =) € 3.031,- aan de erven [eiser 1 en 2] verschuldigd is. Het subsidiaire deel van vordering II zal met inachtneming hiervan worden toegewezen.

4.17.

De gevorderde proceskostenveroordeling zal worden afgewezen, omdat de rechtbank in de familierelatie tussen partijen aanleiding ziet om de kosten te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verdeelt de gemeenschap van goederen die tussen [gedaagde] en de erven [eiser 1 en 2] als erfgenamen van erflaatster bestaat, en die bestaat uit de polissen, zo dat de polissen aan [gedaagde] worden toegedeeld, onder diens gehoudenheid om € 3.031,- aan de erven [eiser 1 en 2] te betalen;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijs het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2016.1

1 type: 588coll: 342