Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2685

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
C/17/148750 KG ZA 16/141 en C/17/148755 KG ZA 16/142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

schorsing executie; juridische misslag; noodtoestand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/148750 KG ZA 16/141

en

zaaknummer / rolnummer: C/17/148755 KG ZA 16/142

vonnis van de voorzieningenrechter van 7 juni 2016

in de zaak van (C/17/148750 KG ZA 16/141)

de naamloze vennootschap

CAPARIS N.V.,

gevestigd te Drachten,

eiseres,

advocaat mr. D.F.W. Schalkwijk te Leeuwarden,

tegen

[A] ,

wonende te Nes,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Veldjesgraaf te Leeuwarden

en in de zaak van (C/17/148755 KG ZA 16/142)

[A] ,

wonende te Nes,

eiser,

advocaat mr. W.M. Veldjesgraaf te Leeuwarden

tegen

de naamloze vennootschap

CAPARIS N.V.,

gevestigd te Drachten,

gedaagde,

advocaat mr. D.F.W. Schalkwijk te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna Caparis en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 27 mei 2016 van de zijde van Caparis;

  • -

    de dagvaarding van 27 mei 2016 van de zijde van [A] ;

  • -

    de mondelinge behandeling van 31 mei 2016 alwaar partijen aan de hand van pleitnota’s hun standpunten en verweren in beide zaken nader hebben toegelicht. Vanwege de verknochtheid van de zaken zijn deze gelijktijdig behandeld.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Caparis is in 2002 opgericht om de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW, thans Participatiewet) voor acht Friese gemeenten uit te voeren.

2.2.

Op basis van overeenkomsten van opdracht heeft [A] vanaf 2010 werkzaamheden als interim manager voor Caparis verricht. Sinds 2013 maakt [A] deel uit van de directieraad.

2.3.

Partijen hebben onder meer op 5 juli 2013 een overeenkomst interim management gesloten voor de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2015. Deze overeenkomst is namens Caparis ondertekend door de toenmalig plaatsvervangend algemeen directeur, de heer [B] (hierna te noemen: [B] ).

2.4.

In december 2013 heeft Caparis een corporate governance code ingevoerd. Op grond van deze corporate governance code dient transparantie en integer handelen de boventoon te voeren binnen Caparis.

2.5.

Voorts heeft Caparis in december 2013 een directiereglement ingevoerd. Artikel 6 van dit reglement bepaalt onder meer dat benoeming en ontslag van de leden van het directieteam van Caparis goedgekeurd moeten worden door de Raad van Commissarissen (hierna te noemen: de RvC). Ook volgt uit dit artikel dat voor inhuur van derden een separate regeling geldt. Die regeling betreft de procesbeschrijving 'inhuur kader', die op 6 juni 2013 was vastgesteld.

2.6.

Blijkens de (op het intranet van Caparis gepubliceerde) procesbeschrijving 'inhuur kader' dient bij de inhuur van derden een stappenplan te worden toegepast, inhoudende - kort samengevat - de hiernavolgende stappen:

  1. Selectie van een kandidaat door een lid van de directieraad of een manager samen met HRM, waarbij als uitgangspunt voor de duur van de overeenkomst een termijn van maximaal een jaar geldt. De tussentijdse opzegtermijn is maximaal een maand. Op 13 juni 2013 heeft de RvC besloten dat de maximale termijn hoogstens zes maanden mag zijn;

  2. Beoordeling van de overeenkomst door de afdeling Legal;

  3. Definitieve besluitvorming door de algemeen directeur;

  4. In geval van inhuur door de algemeen directeur of bij inhuur voor een functie op managers- of directieniveau geldt voorts dat de voltallige directieraad dient in te stemmen met het voornemen tot inhuur. Bij het ontbreken van consensus wordt het voorstel voorgelegd aan de RvC.

2.7.

Begin 2015 heeft er op initiatief van Caparis een overleg plaatsgevonden tussen [A] en [B] over een verlenging van de tussen partijen bestaande interim management overeenkomst. Dit overleg heeft geresulteerd in een verlenging van de overeenkomst, zoals bevestigd door [B] bij brief van 18 februari 2015, waarin staat vermeld:

‘Wij hebben recentelijk over een eventuele voortzetting gesproken en hebben beide geconcludeerd dat de samenwerking tot ieders volle tevredenheid verloopt. Wij hebben dan ook afgesproken om de huidige overeenkomst te verlengen met 2 jaren. Dit betekent dat de huidige overeenkomst van rechtswege en zonder dat opzegging nodig is, uiterlijk 31 december 2017 eindigt. (…) Wij hebben expliciet afgesproken de mogelijkheid te willen hebben om tussentijds de overeenkomst open te breken indien de ontwikkelingen rondom een nieuwe samenstelling van de directieraad hiertoe aanleiding geven. Dit dan met de intentie om de huidige overeenkomst om te zetten in een dienstverband. Beide partijen kunnen hiertoe het initiatief nemen.’

2.8.

Door de invoering van de Participatiewet per 1 januari 2015 was er geen nieuwe instroom in de WSW meer mogelijk, waardoor Caparis diende te herstructureren wilde zij bestaansrecht hebben.

2.9.

In de loop van 2015 heeft [B] aan [A] aangegeven dat er een overeenkomst van opdracht zou worden gesloten met een looptijd van vier jaar, ingaande 1 januari 2016. In verband met de pensionering van [B] is de nieuwe overeenkomst van opdracht getekend door de toenmalig waarnemend algemeen directeur, de heer [C] (hierna te noemen: [C] ). In deze overeenkomst, gedateerd 30 oktober 2015, staat onder andere vermeld:

Overwegende dat :

(…)

* Partijen uitdrukkelijk niet beogen om een arbeidsovereenkomst aan te gaan (…)

(…)

3.1

De opdracht vangt aan op 1 januari 2016 en wordt aangegaan tot 1 januari 2020.

(….)

5. Opzegging overeenkomst

5.1

Elk van partijen heeft het recht de overeenkomst met onmiddellijke ingang geheel of gedeeltelijk tussentijds te beëindigen, zonder dat een opzegtermijn in acht hoeft te worden genomen (….):

* In geval de wederpartij ernstig tekort schiet in de nakoming van enige verplichting voortvloeiende uit de overeenkomst en dit tekortschieten niet binnen vier weken na schriftelijke kennisgeving hiervan door de eerstgenoemde partij is hersteld;

* In geval de wederpartij een beroep doet op overmacht (…);

* In geval door de wederpartij surseance van betaling is aangevraagd, de wederpartij in staat van faillissement is verklaard, in staat van liquidatie is verklaard of een bewindvoerder over diens activa of een deel daarvan is aangesteld;

* Indien de wederpartij niet behoorlijk of niet tijdig aan een voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting voldoet, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld en ondanks daartoe te zijn aangemaand.’

2.10.

Op 12 februari 2016 is de heer [D] (hierna te noemen: [D] ) aangesteld als algemeen directeur. Begin maart 2016 is [D] door een medewerker op de hoogte gebracht van het feit dat er kort voor zijn aanstelling een nieuwe overeenkomst van opdracht was gesloten met [A] voor de duur van vier jaren, terwijl enkele maanden daarvoor reeds een overeenkomst van opdracht was gesloten voor de duur van twee jaren. De RvC was hiervan niet op de hoogte.

2.11.

Op 9 maart 2016 heeft [D] hierover telefonisch contact opgenomen met [A] , die op dat moment op vakantie was. [A] heeft in dit verband - kort gezegd - aangegeven dat er niets mis was met de overeenkomst van opdracht. Daarop is [A] medegedeeld dat hij voorlopig ontheven was uit zijn functie, althans dat de gebruikmaking van zijn diensten tot nader order werd opgeschort. Bij brief van 9 maart 2016 heeft (de advocaat van) Caparis in dit verband aan [A] geschreven:

‘In de loop van deze week is er bij cliënte het concrete vermoeden ontstaan dat u de verplichtingen die voortvloeien uit de bestaande rechtsverhouding hebt geschonden doordat de met u overeengekomen (interim) overeenkomst is opengebroken en is verlengd zonder dat de relevante organen van de vennootschap daar voorafgaand aan zijn gekend. Daardoor bestaat het vermoeden dat er in strijd is gehandeld met het op basis van de statuten van de vennootschap vastgestelde directiereglement, een door de Raad van Commissarissen vastgestelde processenbeschrijving inhuur kader, de toepasselijke corporate government code, het mandaat- en volmachtbesluit en dat er daarnaast in weerwil is gehandeld met de concrete instructies van de Raad van Commissarissen betreffende de maximale duur om gebruik te mogen maken van interim-krachten, althans in strijd is gehandeld met de belangen van cliënte. (…).’

Voorts werd het [A] verboden om contact te onderhouden met zijn collega's en om de terreinen en gebouwen van Caparis te betreden. Bij brief van 15 maart 2016 heeft (de advocaat van) [A] tegen voornoemde gang van zaken geprotesteerd.

2.12.

Vervolgens is er een onderzoek ingesteld. In dat kader is [A] gehoord en is er tevens door Hoffman Bedrijfsrecherche onderzoek gedaan naar de e-mailaccounts van [A] .

2.13.

In het kader van voornoemd onderzoek is ook door [B] een vragenlijst van Caparis ingevuld. [B] heeft op 24 maart 2016 onder meer de hiernavolgende antwoorden gegeven:

‘Kunt u aangeven waarom deze nieuwe opdrachtovereenkomst (lees: de overeenkomst van 18 februari 2015, toevoeging van de voorzieningenrechter) (in tegenstelling tot de overeenkomst van medio 2013) niet voorgelegd is aan de RvC?

Er zijn mij geen afspraken bekend op grond waarvan ik de verlenging had moeten voorleggen aan de RvC.

(…)

Is er na 18 februari 2015 nog gesproken over een eventuele (tussentijdse) verlenging van de opdrachtovereenkomst? Zo ja, wanneer (ongeveer) en met wie hebben die gesprekken plaatsgevonden?

(…) Er is afgesproken dat zodra er meer duidelijkheid was over de termijn van de herstructurering, we opnieuw in gesprek zouden om te kijken naar de inzet van (…) [A] bij Caparis. Omstreeks april 2015 werd meer duidelijk over de herstructurering en de mogelijke termijn hiervan. Toen heb ik met (…) [A] (in aanwezigheid van (…) [C] ) afgesproken zijn managementovereenkomst aan te passen aan de periode in het herstructureringsplan (…). We zijn toen uitgegaan van een periode van vier jaar. (….) Er is toen niet gekozen voor een arbeidsovereenkomst i.v.m. de consequenties van het sociaal statuut.’

2.14.

Bij dagvaarding van 14 april 2016 heeft [A] onder andere gevorderd dat Caparis zou worden veroordeeld om [A] binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden weer op normale wijze te verrichten zoals deze werden verricht tot 9 maart 2016.

2.15.

Naar aanleiding van de bevindingen uit het door Hoffman Bedrijfsrecherche onderzoek heeft Caparis bij brief van 20 april 2016 onder andere het volgende geschreven aan [A] :

‘(…) dat de opdrachtovereenkomsten d.d. 18 februari 2015 en 30 oktober 2015 tot stand zijn gekomen zonder dat daarbij de Procesbeschrijving inhuur kader is gevolgd. HRM en Legal zijn daarbij niet betrokken geweest. Voorts blijkt in geen van de gevallen van een besluit van de DR (lees: de directieraad, toevoeging van de voorzieningenrechter) en is in elk geval bij het sluiten van de laatste overeenkomst het 4-ogen principe niet toegepast. Bovendien is in beide gevallen de maximale bandbreedte voor wat betreft de duur niet toegepast en zijn de regels met betrekking tot tussentijdse opzegging niet gevolgd. (…) Caparis stelt zich primair op het standpunt dat zij niet is gebonden aan de met u afgelopen jaar gesloten opdrachtovereenkomsten, omdat bevoegdheidsregels zijn geschonden. Deze overeenkomsten zijn onbevoegd gesloten. Voor zover nodig vernietigt Caparis de besluiten die ten grondslag hebben gelegen aan het sluiten van de opdrachtovereenkomst d.d. 30 oktober 2015 en de opdrachtovereenkomst d.d. 18 februari 2015. Mede gelet op artikel 6:2 lid 2 BW acht Caparis zich niet gebonden aan de opdrachtovereenkomsten. De vernietigbaarheid (…) wordt daarnaast (zelfstandig) ingeroepen op grond van artikel 2:7 BW. Subsidiair wordt de overeenkomst d.d. 30 oktober 2015 en voor zover nodig die d.d. 18 februari 2015 ontbonden op grond van artikel 6:265 BW. Caparis is van mening dat u dusdanig tekort bent geschoten in de nakoming van uw verplichtingen dat ontbinding gerechtvaardigd is. In dat kader is van belang dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn. (…) Meer subsidiair wordt de overeenkomst d.d. 30 oktober 2015 en voor zover nodig d.d. 18 februari 2015 met onmiddellijke ingang opgezegd op grond van artikel 7:408 BW.’

2.16.

Deze rechtbank heeft de vordering van [A] zoals geformuleerd in rechtsoverweging 2.14 bij vonnis van 18 mei 2016 uitvoerbaar bij voorraad toegewezen. Tot op heden heeft Caparis geweigerd uitvoering te geven aan het vonnis.

3 De vorderingen

3.1.

Caparis vordert in het door haar aanhangig gemaakt kort geding dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de executie van het tussen partijen gewezen vonnis van 18 mei 2016 met kenmerk C/17/148049 KG ZA 16-102 voor wat betreft de beslissing dat [A] zijn werkzaamheden moet hervatten, als verwoord in rechtsoverweging 5.1 van het dictum, schorst, althans schorst totdat in de onderhavige kwestie een in kracht van gewijsde gegaan arrest is gewezen;

II. [A] verbiedt iedere vorm van executie van bovengenoemd vonnis voor wat betreft de executie van rechtsoverweging 5.1 van het dictum, te staken en/of gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 en van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [A] dit verbod overtreedt;

III. [A] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder alle kosten verband houdende met de onrechtmatige executie van voormeld vonnis.

3.2.

[A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Caparis, met veroordeling van Caparis in de proceskosten.

3.3.

[A] vordert in het door hem aanhangig gemaakt kort geding dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Caparis veroordeelt:

I. om [A] binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in staat te stellen zijn werkzaamheden weer op normale wijze te verrichten zoals deze werden verricht tot 9 maart 2016, zulks op verbeurte van een dwangsom van

€ 2.000,00 voor iedere dag dat Caparis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

II. in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

Caparis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [A] , met veroordeling van [A] in de proceskosten.

3.5.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

in zaaknummer / rolnummer C/17/148750 KG ZA 16/141

Spoedeisendheid

4.1.

Gelet op de aard van de vordering moet worden geoordeeld dat Caparis een spoedeisend belang heeft bij haar gevraagde voorzieningen.

Schorsing vonnis

4.2.

De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of er termen aanwezig zijn om het tussen partijen gewezen vonnis van 18 mei 2016 (rechtsoverweging 2.16) voor wat betreft de beslissing dat [A] zijn werkzaamheden moet hervatten, te schorsen.

4.3.

Caparis meent van wel en stelt daartoe, verkort weergegeven, dat er sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis en dat zij in een noodtoestand komt te verkeren wanneer het vonnis ten uitvoer wordt gelegd.

4.4.

[A] heeft één en ander nadrukkelijk betwist.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Naar vaste jurisprudentie kan de voorzieningenrechter in een executiegeschil de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ, 1984/145, Ritzen/Hoekstra). De beide grondslagen zullen hieronder afzonderlijk worden beoordeeld.

Juridische misslag

4.6.

Caparis stelt ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van een misslag, dat de voorzieningenrechter in voornoemd vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat de overeenkomst van opdracht niet kon worden opgezegd en dat in het verlengde daarvan de gevorderde werkhervatting toewijsbaar was. Opzegging kan namelijk altijd plaatsvinden, aldus Caparis, en leidt tot beëindiging van de contractuele relatie tussen partijen. Caparis verwijst hierbij naar het door de wetgever verwoorde uitgangspunt dat het principe van partijautonomie meebrengt dat een opdrachtgever te allen tijde een opdrachtovereenkomst kan opzeggen.

Partijautonomie is het belangrijkste element dat een opdrachtovereenkomst onderscheidt van een arbeidsovereenkomst. Caparis stelt dat door het gegeven oordeel, het principe van partijautonomie in de onderhavige opdrachtovereenkomsten volledig buitenspel is gezet. Zelfs indien de overeenkomst nog zou bestaan, dan kan het volgens Caparis niet leiden tot de gevolgtrekking dat de vordering tot tewerkstelling toewijsbaar is. In de opdrachtovereenkomst is niet bedongen dat er een recht bestaat op het verrichten van arbeid. Dat is ook volkomen logisch aangezien zo een recht nu juist afbreuk doet aan de kern van de opdrachtovereenkomst: de partijautonomie. Het vonnis berust dan ook, aldus nog steeds Caparis, onmiskenbaar op een kennelijke misslag.

4.7.

Anders dan door Caparis is gesteld is de voorzieningenrechter van oordeel dat het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 18 mei 2016 niet op een juridische of feitelijke misslag berust. Het volgende is daartoe redengevend.

Zoals reeds is overwogen in het vonnis van 18 mei 2016 is de overeenkomst van opdracht van 30 oktober 2015 rechtsgeldig tot stand gekomen. Ingevolge artikel 7:408 BW kan een opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen. Voor zover de wet niet anders bepaalt, kunnen partijen evenwel overeenkomen dat een overeenkomst van opdracht niet kan worden opgezegd dan wel dat de overeenkomst gedurende een bepaalde periode onopzegbaar is. Maar ook andere modaliteiten zijn denkbaar voor een professionele opdrachtgever om af te wijken van genoemde wetsbepaling (zie E. Tjong Tjin Tai, Asser serie 7 IV, Bijzondere overeenkomst, Kluwer, Deventer 2009, nr. 161). Niet in geschil is tussen partijen dat zij in artikel 5 van de op 30 oktober 2015 gesloten overeenkomst van opdracht zijn overeengekomen dat zij beiden het recht hebben de overeenkomst met onmiddellijke ingang geheel of gedeeltelijk tussentijds te beëindigen, zonder dat een opzegtermijn in acht hoeft te worden genomen, als aan één van de daarin genoemde voorwaarden wordt voldaan (rechtsoverweging 2.9). Niet is evenwel komen vast te staan dat aan één van de overeengekomen voorwaarden voor opzegging is voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het vonnis van 18 mei 2016 dan ook op juiste gronden geoordeeld dat de opzegging van Caparis geen doel heeft getroffen. Het verweer van Caparis dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om artikel 7:408 BW uit te sluiten maar - zo begrijpt de voorzieningenrechter - om deze alleen nader uit te werken, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Immers, door [A] is onweersproken gesteld dat deze bepaling juist is opgenomen om voor [A] meer zekerheid te verschaffen, nu partijen - in weerwil van hun wens - geen arbeidsovereenkomst konden aangaan. Bovenstaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat eerdergenoemde overeenkomst van opdracht nog steeds tussen partijen van kracht is. De stelling van Caparis in dat kader dat zelfs in dát geval niet geoordeeld kan worden dat de vordering tot nakoming toewijsbaar is, omdat, aldus nog steeds Caparis, in de opdrachtovereenkomst niet is bedongen dat er een recht bestaat op het verrichten van de afgesproken werkzaamheden, zal worden verworpen. Immers, een partij kan altijd nakoming van een tussen partijen bestaande overeenkomst vorderen, zo ook van de onderhavige.

Noodtoestand

4.8.

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij in een noodtoestand komt te verkeren wanneer het vonnis ten uitvoer wordt gelegd, heeft Caparis - kort gezegd - het volgende aangevoerd. [A] (als lid van de directieraad) weigert mee te werken aan een mediation, waarbij ook een afvaardiging van de RvC en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders ( hierna te noemen: AvA) moet worden betrokken. Immers, niet alleen de bestuurder, maar ook de RvC en de AvA van Caparis moeten, aldus Caparis, vertrouwen hebben in leden van de directieraad en mediation is nodig om tot herstel van de relatie en het vertrouwen te komen. Door alle onrust die de “tewerkstelling” van [A] met zich zou brengen, terwijl het vertrouwen niet hersteld is, dreigt escalatie. Daarnaast geldt dat het vonnis van 18 mei 2016 heeft gezorgd voor onrust en verdeeldheid binnen het MT van Caparis, waarvan [A] krachtens zijn opdrachtovereenkomst de leidinggevende was. Caparis meent dat haar belang bij rust binnen de organisatie en derhalve bij schorsing van het vonnis groter is dan het belang van [A] bij werkhervatting

4.9.

Zoals reeds overwogen dient op grond van het arrest Ritzen/Hoekstra de noodtoestand te zijn ontstaan door na het vonnis opgekomen feiten en omstandigheden. Caparis heeft in dat kader gesteld dat [A] weigert mee te werken aan een mediation. [A] heeft dit evenwel gemotiveerd betwist door aan te voeren dat hijzelf degene is geweest die mediation heeft voorgesteld, maar dan alleen tussen hem en [D] , de huidige bestuurder van Caparis, welk aanbod door Caparis is geweigerd. Nog daargelaten dat [A] noch met de RvC noch met de AvA een functionele relatie heeft, overweegt de voorzieningenrechter dat [A] onbetwist heeft aangevoerd dat zijn loyaliteit en functioneren nooit ter discussie hebben gestaan bij de RvC en/of de AvA, zodat niet valt in te zien dat de relatie tussen enerzijds [A] en anderzijds de RvC en de AvA hersteld zou moeten worden. Voor zover relevant overweegt de voorzieningenrechter voorts nog dat Caparis de vermeende vertrouwensbreuk enkel baseert op de verwijten die zij [A] eerder heeft gemaakt bij het opzeggen van de overeenkomst en derhalve al bestonden ten tijde van de eerdere procedure. In het eerdere kort geding heeft de voorzieningenrechter al geoordeeld dat deze verwijten niet terecht zijn en dat van onbevoegd tot stand gekomen overeenkomsten niet is gebleken. De voorzieningenrechter overweegt dan ook dat geen sprake is van na voormeld vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten of omstandigheden die aan de zijde van Caparis een noodtoestand zullen doen ontstaan.

4.10.

Nu voorts evenmin kan worden gezegd dat [A] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis als gevolg van het feit dat hij al sinds 9 maart 2016 niet meer in staat is gesteld zijn werkzaamheden uit te voeren, zal de vordering tot schorsing van de executie worden afgewezen.

Proceskosten

4.11.

Caparis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.104,00.

in zaaknummer / rolnummer C/17/148755 KG ZA 16/142

Spoedeisendheid

4.12.

Gelet op de aard van de vordering moet worden geoordeeld dat [A] een spoedeisend belang heeft bij zijn gevraagde voorzieningen.

Hervatten werkzaamheden

4.13.

Gelet op hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor in de zaak tussen Caparis en [A] heeft geoordeeld, zal hij de vordering van [A] , inhoudende om Caparis te veroordelen om [A] in staat te stellen zijn werkzaamheden weer op normale wijze te verrichten zoals deze werden verricht tot 9 maart 2016, toewijzen.

Dwangsommen

4.14.

Waarbij in het vonnis van 18 mei 2016 er nog van uit werd gegaan dat Caparis zich ook zonder de dreiging van het verbeuren van dwangsommen zou houden aan wat er beslist was ter zake de hervatting van de werkzaamheden door [A] , oordeelt de voorzieningenrechter in de onderhavige zaak anders. Immers, Caparis heeft tot op heden geweigerd invulling te geven aan de veroordeling zoals geformuleerd in voornoemd vonnis. De gevorderde dwangsommen zal de voorzieningenrechter dan ook toewijzen en wel telkens voor een bedrag van € 2.000,00 per dag dat Caparis in gebreke blijft aan bovengenoemde veroordeling te voldoen. Aan deze te verbeuren dwangsommen zal een maximum worden verbonden van € 50.000,00, waarbij zal worden bepaald dat deze niet eerder verbeurd zullen worden dan 24 uur na betekening van dit vonnis.

Proceskosten

4.15.

Caparis zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 77,75

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.181,75.

Nakosten en wettelijke rente

4.16.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in zaaknummer / rolnummer C/17/148750 KG ZA 16/141

5.1.

wijst de vorderingen van Caparis af;

5.2.

veroordeelt Caparis in de kosten van de procedure, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 1.104,00;

5.3.

verklaart het vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in zaaknummer / rolnummer C/17/148755 KG ZA 16/142

5.4.

veroordeelt Caparis om [A] , binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, in staat te stellen zijn werkzaamheden weer op normale wijze te verrichten, te weten op de wijze zoals deze werden verricht tot 9 maart 2016;

5.5.

veroordeelt Caparis tot betaling van een dwangsom van € 2.000,00 aan [A] voor iedere dag dat Caparis in gebreke blijft om aan de in rechtsoverweging 5.4 genoemde veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,00, ingaande 24 uur na betekening van dit vonnis;

5.6.

veroordeelt Caparis in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 1.181,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt Caparis in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Caparis niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel

6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

fn 375