Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2680

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
4909657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

erfrecht; artikel 4:218, derde en vijfde lid, BW; FW; verzet tegen uitdelingslijst; niet-erkende vorderingen; dagvaardingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0132
AR 2016/1632
JERF 2018/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 4909657 \ ER VERZ 16-23

beschikking van de kantonrechter van 7 juni 2016

in de zaak van

1 de besloten vennootschapMoolenstaete Beheer B.V.,
gevestigd te Breezand,
gemachtigde: de heer J. G.M. Bontje,

2. de vennootschap onder firma V.O.F. Tweespan,
gevestigd te Wolphaartsdijk,
gemachtigde: de heer J.C. Kristelijn,

3. [opposant 3] , wonende te [woonplaats opposant 3] ,
die procedeert in persoon,
opposanten,

4. de commanditaire vennootschap CV VIII,

5. de commanditaire vennootschap CV X,

6. de commanditaire vennootschap CV XI,

7. de stichting Stichting CV9 Belang (CV IX),

tegen

mr. A.J. van Bekkum,

kantoorhoudende te Assen,

gemachtigde: mr. P.A.Th. Kostwinder,
in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van:
de heer [erflater] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
overleden te [plaats van overlijden] op [datum overlijden] 2013.

Partijen worden hierna opposanten en de vereffenaar genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzetschrift van Moolenstaete Beheer B.V., ingekomen ter griffie op 14 maart 2016;
- het verzetschrift van V.O.F. Tweespan, ingekomen ter griffie op 15 maart 2016;
- het verzetschrift van de heer [opposant 3] , ingekomen ter griffie op 16 maart 2016;
- de aanvulling op het verzetschrift van Moolenstaete Beheer B.V., ingekomen ter griffie op 21 maart 2016;
- het verzetschrift, ingekomen ter griffie op 4 mei 2016 van CV VIII, CV X, CVXI en Stichting CV9 Belang.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2016. Ter zitting is de heer J.G.M. Bontje verschenen namens Moolenstate Beheer B.V. en is voor V.O.F. Tweespan de heer J.C. Kristelijn verschenen. Ook is de heer [opposant 3] verschenen. Verder was mr. Van Bekkum aanwezig, bijgestaan door mr. Kostwinder en is de echtgenote van erflater verschenen. Mr. Kostwinder heeft ter gelegenheid van de zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op [datum overlijden] 2013 is in [plaats van overlijden] de heer [erflater] (hierna erflater), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, overleden. Hij heeft in zijn testament zijn echtgenote, met wie hij onder huwelijkse voorwaarden was gehuwd, en zijn twee kinderen benoemd tot erfgenamen.
De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en bij beschikking van 4 april 2014 is mr. Van Bekkum tot vereffenaar van de nalatenschap benoemd. In artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald:

"(…)dat indien het huwelijk wordt ontbonden door overlijden, met de langstlevende zal worden afgerekend alsof de echtgenoten in gemeenschap van goederen waren gehuwd en dat dit beding toepassing mist indien bij ontbinding van het huwelijk door overlijden (…) het privé vermogen van één van de partijen een negatief saldo blijkt te vertonen(…)".
2.2. De vereffenaar heeft in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap op
23 maart 2015 een onderhandse boedelbeschrijving opgemaakt. Ook heeft de vereffenaar, nadat de kantonrechter bij beschikking van 20 mei 2014 daarvoor een termijn had gegeven, de schuldeisers op 5 juni 2014 in de Staatscourant en in het Dagblad van het Noorden opgeroepen om hun vorderingen in te dienen.

2.3.

Erflater was samen met de heer [medebestuurder] bestuurder bij het concern Steenwell B.V./S2 Beheer B.V. De onderneming bestond uit het oprichten en beheren van commanditaire vennootschappen (C.V.'s) door middel waarvan in diverse vastgoedprojecten kon worden belegd. Opposanten hebben ofwel in persoon ofwel via hun onderneming belegd in enkele door
Steenwell B.V./S2 Beheer B.V. beheerde C.V.'s, te weten de C.V.'s Vastgoed VIII, IX, XI.

2.4.

Opposanten hebben hun vorderingen tijdig bij de vereffenaar ingediend. De vordering van Moolenstaete Beheer B.V. bedraagt € 150.000,00, de vordering van [opposant 3] € 350.000,00 en die van Kristelijn € 300.000,00.

2.5.

Op 23 maart 2015 heeft de vereffenaar een lijst met vorderingen en een onderhandse boedelbeschrijving gedeponeerd. Blijkens de toelichting bij de lijst van vorderingen heeft de vereffenaar de vorderingen van opposanten niet erkend omdat hij ze, kort gezegd, onvoldoende onderbouwd acht.

2.6.

Op 29 september 2015 heeft de vereffenaar een uitdelingslijst en een rekening en verantwoording gedeponeerd. De vorderingen van opposanten zijn daarin niet opgenomen, althans zijn in de slotuitdelingslijst op nihil gesteld onder verwijzing naar de op 23 maart 2015 gedeponeerde lijst met vorderingen.

2.7.

Op 18 februari 2016 is de neerlegging van de rekening en verantwoording en van de uitdelingslijst bekend gemaakt in de Staatscourant.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Opposanten komen in verzet tegen de door de vereffenaar opgemaakte uitdelingslijst omdat daarin volgens hen ten onrechte de door hen ingediende vorderingen niet zijn opgenomen. Zij stellen daartoe, samengevat weergegeven, dat zij erflater om diverse redenen persoonlijk aansprakelijk houden voor zijn onrechtmatig handelen als bestuurder van S2 Beheer B.V. Erflater heeft hen hierdoor, zo stellen zij, schade berokkend die bestaat uit het door hen geleden verlies dat voor hen gezamenlijk voorlopig neerkomt op
€ 20.571.668,00. Opposanten hebben nog geen procedure geëntameerd maar zijn bezig met een onderzoek ter voorbereiding op een gerechtelijke procedure. Opposanten zijn van mening dat hun vorderingen alsnog in de uitdelingslijst opgenomen moeten worden.

3.2.

De vereffenaar betwist de vorderingen van de indieners van het verzetschrift en heeft deze daarom niet opgenomen in de uitdelingslijst. De vereffenaar stelt zich op het standpunt, samengevat weergegeven, dat de vorderingen niet erkend kunnen worden omdat de feitelijke grondslag voor de vorderingen onvoldoende duidelijk is nu er te weinig wordt gesteld en hetgeen gesteld is niet door middel van verifieerbare bescheiden is onderbouwd. Het in opdracht van de opposanten door BDO Audit & Assurance uitgevoerde onderzoek, waarvan de vereffenaar de uitkomst heeft afgewacht, biedt geen aanknopingspunten voor bestuurdersaansprakelijkheid. Verder voert de vereffenaar aan dat niet is aangetoond dat opposanten een persoonlijk vorderingsrecht hebben en dat niet is gebleken van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid van de bestuurder of het schenden van een beroepsmatige zorgvuldigheidsnorm door de bestuurder. Volgens de vereffenaar is onvoldoende gebleken van feitelijke schade die aan erflater valt toe te rekenen.
4. De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 4:218, derde lid, BW, voor zover hier van belang, kan iedere belanghebbende een maand na de openlijke bekendmaking tegen de rekening en verantwoording of tegen de uitdelingslijst in verzet komen bij de kantonrechter. Opposanten
sub 1, sub 2 en sub 3 kunnen als belanghebbenden worden aangemerkt omdat zij stellen een vordering te hebben op de nalatenschap van erflater. De neerlegging van de rekening en verantwoording met de uitdelingslijst zijn op 18 februari 2016 gepubliceerd zodat de op
13, 14 en 15 maart 2016 ingekomen verzetschriften tijdig zijn gedaan en opposanten ontvankelijk zijn in hun verzet. De kantonrechter heeft de brief van 4 mei 2016 opgevat als een aanvulling op de eerder ingediende verzetschriften. Voor zover met het op 4 mei 2016 ingediende stuk is bedoeld afzonderlijk namens de opposanten sub 4, 5, 6, en 7 verzet in te dienen, is dit verzet te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk.

4.2.

De bezwaren van opposant sub 1, sub 2 en sub 3 overlappen elkaar en opposanten zijn ter zitting samen opgetreden zodat de verzetschrift hierna gezamenlijk zullen worden behandeld.
4.3. De kantonrechter moet beoordelen de juistheid van de uitdelingslijst beoordelen en of de vereffenaar heeft gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht. Op grond van artikel 4:218, vijfde lid, vinden bij het verzet tegen de uitdelingslijst de in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat de bezwaren van de opposanten zich richten tegen het feit dat hun vorderingen zijn betwist en niet op de lijst van erkende vorderingen zijn geplaatst, maar dat de bezwaren niet zijn gericht tegen de overige inhoud van de uitdelingslijst en rekening en verantwoording. Of de vorderingen van opposanten gegrond zijn en of de uitdelingslijst in zoverre onjuist is, is niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Het betreft namelijk substantiële vorderingen in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid waarvan nog een inhoudelijke beoordeling zal moeten plaatsvinden op minstens 13 door opposanten opgeworpen geschilpunten. Niet is uitgesloten dat daarbij bewijslevering of nader onderzoek door een deskundige dient plaats te vinden. De kantonrechter is van oordeel dat onderhavige procedure zich niet leent voor een diepgaande beoordeling van een inhoudelijk geschil en dat de dagvaardingsprocedure daarvoor de aangewezen procedure is. In die procedure kan bewijslevering plaatsvinden en kan de tegenpartij (behalve de erfgenamen van erflater ook de medebestuurder de heer [medebestuurder] ) gehoord worden. De kantonrechter ziet geen mogelijkheid om, naar analogie van de bepalingen van de FW, een renvooiprocedure te starten. In de vereffeningsprocedure is namelijk, anders dan in de faillissementsprocedure, geen afzonderlijke verificatie voorgeschreven omdat daarin geen akkoord kan voorkomen (zie parlementaire geschiedenis BW Boek 4 2002, p. 1012) maar gaat de vereffenaar onmiddellijk over tot het opmaken van de uitdelingslijst. In de parlementaire geschiedenis wordt er vervolgens op gewezen dat een belanghebbende een procedure tot erkenning van zijn vordering kan instellen. In artikel 4:223, tweede lid, BW, is bepaald, voor zover hier van belang, dat een schuldeiser ook tijdens de vereffening zijn vorderingsrecht bij vonnis kan doen vaststellen.

4.5.

Omdat de gegrondheid van de vorderingen niet vaststaat maar ook niet valt uit te sluiten, ziet de kantonrechter aanleiding om de vereffenaar een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4:210 BW in die zin dat hij de opposanten een redelijke termijn biedt om een dagvaardingsprocedure aanhangig te maken. De kantonrechter bepaalt deze termijn op drie maanden en zal het verzet voor het overige ongegrond verklaren.

Beslissing

De kantonrechter:

-
verklaart het verzetschrift van opposanten sub 4, 5, 6, en 7 niet-ontvankelijk;

- stelt vast dat de verzetschriften ongegrond zijn behoudens wat betreft de onduidelijkheid over het mogelijke bestaan van vorderingen aan de zijde van opposanten sub 1, sub 2 en sub 3;

- draagt de vereffenaar op aan opposanten sub 1, sub 2 en sub 3 schriftelijk een termijn van drie maanden te stellen voor het aanhangig maken van een procedure ter vaststelling van hun vorderingsrechten;

- draagt de vereffenaar op voor zover bij onherroepelijk vonnis of arrest een vorderingsrecht van opposanten is vastgesteld in een tijdig aanhangig gemaakte procedure als hiervoor bedoeld, een aanvullende rekening en verantwoording en een nadere uitdelingslijst op te maken;

- verstaat dat de uitdelingslijst en de rekening en verantwoording definitief worden als opposanten niet binnen voormelde termijn een procedure ter vaststelling van hun vorderingsrechten aanhangig hebben gemaakt;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door de kantonrechter mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.

typ: 361/cd

coll:

Beschikking verzonden op:

Tegen deze beschikking staat voor de belanghebbenden, waaronder verzoeker(s), die voor de kantonrechter zijn verschenen, beroep in cassatie open bij de Hoge Raad te 's-Gravenhage overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak. Het beroep wordt aangebracht bij een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verzoekschrift en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad.