Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2670

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-02-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
18.820367-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal, opzetheling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820367-15

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 19/196737-11

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 februari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 17 oktober 2015 en/of 18 oktober 2015,

te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Groningen

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een aan [straatnaam 1]

aldaar) geparkeerd staande (personen)auto (van het merk Kia,

type Venga en voorzien van het kenteken [kenteken 1] ) heeft weggenomen

een invaliden(parkeer)kaart, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die invaliden(parkeer)kaart, in elk geval die/dat weg te nemen

goed(eren), onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

2.

verdachte op of omstreeks 17 oktober 2015 en/of 18 oktober 2015,

te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan [straatnaam 2]

aldaar) geparkeerd staande (personen)auto (van het merk Renault,

type Megane Scenic en voorzien van het kenteken [kenteken 2] ) heeft weggenomen

een invaliden(parkeer)kaart, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die invaliden(parkeer)kaart, in elk geval die/dat weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming;

3.

verdachte op of omstreeks 26 juli 2015 en/of 27 juli 2015,

te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan [straatnaam 3]

aldaar) geparkeerd staande (personen)auto (van het merk Ford,

type Fiesta en voorzien van het kenteken [kenteken 3] ) heeft weggenomen

een invaliden(parkeer)kaart, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die invaliden(parkeer)kaart, in elk geval die/dat weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming;

4.

verdachte op of omstreeks 21 juli 2015 en/of 22 juli 2015,

te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan [straatnaam 4]

aldaar) geparkeerd staande (personen)auto (van het merk Opel,

type Agila en voorzien van het kenteken [kenteken 4] ) heeft weggenomen

een invaliden(parkeer)kaart/parkeervergunning, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die invaliden(parkeer)kaart/parkeervergunning, in elk geval

die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

verdachte op of omstreeks 2 juli 2015 en/of 3 juli 2015,

te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan [straatnaam 5]

aldaar) geparkeerd staande (personen)auto (van het merk Ford,

type Fiesta en voorzien van het kentekens [kenteken 5] ) heeft weggenomen

een invaliden(parkeer)kaart, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die invaliden(parkeer)kaart, in elk geval die/dat weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking

en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er aangiftes zijn gedaan van de verschillende diefstallen van invalidekaarten en dat verdachte deze feiten in eerste instantie bij de politie heeft bekend. Zijn latere verklaring waarin hij de feiten 2 tot en met 5 ontkent, acht de officier van justitie ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde diefstal heeft bekend, maar dat hij de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde diefstallen, in afwijking van zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaring, thans ontkent te hebben gepleegd. Hij had aanvankelijk bekend, omdat het slecht met hem ging en hij naar de gevangenis wilde. Over deze vier diefstallen heeft hij alleen in algemeenheden verklaard en heeft hij bevestigend geantwoord op suggestieve vragen van de politie. Uit de verklaringen van beide ouders is bovendien gebleken dat verdachte ten tijde van de diefstallen in juli bij hen verbleef in [plaats 1] en niet in [pleegplaats] kon zijn geweest. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte van de feiten 2, 3, 4 en 5 vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is –ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 5 van het dossier met nummer PL0100-2015304350 d.d. 29 oktober 2015:

Op maandag 19 oktober 2015 omstreeks 10.10 uur kreeg ik het verzoek van een collega om een persoon te woord te staan welke zich op het politiebureau had gemeld en aan gaf dat hij openheid van de door hem gepleegde strafbare feiten wilde geven. De man legitimeerde zich met een kopie van een identiteitskaart en de man gaf mij op te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] . Vervolgens hoorde ik dat de man verklaarde dat hij afgelopen zaterdag een autoruit had ingeslagen van een grijs kleurige auto welke geparkeerd stond aan [straatnaam 1] te [pleegplaats] . Ik hoorde van de man dat hij zei dat hij de invalidenkaart uit de auto had weggenomen. Ik hoorde van de man dat hij meerdere autoruiten had ingeslagen en meerdere invalidenkaarten had gestolen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier:

Op maandag 19 oktober 2015 omstreeks 12.30 uur zijn wij, verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met de [verdachte] langs verschillende locaties gereden waarover de verdachte kon verklaren dat hij daar diefstal(len) in/uit auto's had gepleegd.

Wij zijn met verdachte naar [straatnaam 1] te [pleegplaats] gereden. Op de hoek ter hoogte van nummer 12 zagen wij een verkeersbord staan met daarop de aanduiding 'parkeren voor invaliden'. Wij hoorden de verdachte zeggen: "Daar bij die vrouw, bij die auto daar, daar heb ik de ruit ingeslagen en een invalidenkaart weggenomen".

Vervolgens zijn wij naar [straatnaam 2] gereden. Verdachte verklaarde namelijk dat hij daar een autoruit had ingeslagen en een invalidenkaart had weggenomen. Op [straatnaam 2] en directe omgeving daarvan bevonden zich meerdere invalidenparkeerplaatsen. Wij hoorden dat verdachte zei: "Ik weet niet precies waar ik een autoruit heb ingeslagen, maar het is hier in [straatnaam 2] geweest".

Vervolgens zijn wij naar [straatnaam 4] gereden. Verdachte verklaarde namelijk dat hij daar een autoruit had ingeslagen en een invalidenkaart had weggenomen. Op [straatnaam 4] en directe omgeving daarvan bevonden zich meerdere invalidenparkeerplaatsen.

Vervolgens zijn wij naar [straatnaam 3] gereden. Verdachte verklaarde namelijk dat hij daar een autoruit had ingeslagen en een invalidenkaart had weggenomen. Wij hoorden dat verdachte zei: "Hier bij de flat moet ik een autoruit hebben ingeslagen".

Vervolgens zijn wij naar [straatnaam 5] gereden. Verdachte verklaarde namelijk dat hij daar een autoruit had ingeslagen en een invalidenkaart had weggenomen. Op [straatnaam 5] bevond zich een invalidenparkeerplaats. Wij hoorden dat verdachte zei: "In deze omgeving heb ik ook een ruit ingeslagen. Ik weet niet precies waar dat was".

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 20 oktober 2015, opgenomen op pagina 13 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

A: Ik heb meerdere auto's gepakt vanaf juni dit jaar. Als de kaart zichtbaar was dan pakte ik ze. Ze lagen altijd zichtbaar op het dashboard. Veel auto's stonden ook op een eigen invalidenparkeerplaats.

V: Naar aanleiding van de rondrit die we gisteren met je gemaakt hebben zijn er een aantal aangiftes aangetroffen. Ik wil die graag met jou bij langs gaan.

V: Wat kan jij je herinneren van de inbraak aan [straatnaam 1] ?

A: Het was 's avonds omstreeks 21.30 uur. De auto stond geparkeerd vooraan [straatnaam 1] , met de kruising [straatnaam 6] .

V: Hoeveel dagen geleden is die inbraak ongeveer?

A: De inbraak was afgelopen zaterdagavond.

V: Hoe laat ongeveer gepleegd?

A: Ongeveer 21.30 uur 's avonds.

V: En de buit?

A: De parkeerkaart.

V: Welk raam kapot gemaakt?

A: Aan de bestuurderskant. Het voorportier.

V: Waar lag de kaart?

A: Op het dashboard.

V: Wat kan jij je herinneren van de inbraak aan [straatnaam 2] ?

A: Die auto stond voor een rij woningen, die auto stond in een wijk.

V: Hoeveel dagen geleden is die inbraak ongeveer?

A: Niet zolang geleden. Een dag na inbraak [straatnaam 1] . Ik zag hem de dag daarvoor al liggen maar toen kon ik hem niet pakken, het was toen druk op straat. Ik ben eerst naar [straatnaam 1] gegaan, daar pakte ik de kaart. Die kaart verkocht ik, van dat geld heb ik vervolgens drugs gekocht. Toen heb ik zitten te gebruiken. Daarna ben ik nog weggegaan en heb ik die van [straatnaam 2] gedaan.

V: Hoe laat ongeveer gepleegd?

A: Ik heb hem laat op de avond gepakt. Tussen 22.00 uur en 24.00 uur bijvoorbeeld.

V: En de buit?

A: Een parkeerkaart.

V: Welk raam kapot gemaakt?

A: Het kleine zijraam vlakbij de zijspiegel. Dat raampje was makkelijker, ik kon via dat raam makkelijker bij de kaart. Je bent dan op dashboardhoogte.

V: Wat kan jij je herinneren van de inbraak aan [straatnaam 3] ?

A: De auto stond geparkeerd voor een flat.

V: Hoeveel dagen geleden is die inbraak ongeveer?

A: Dat kan ik mij niet precies meer herinneren. Dat is al wat langer geleden.

V: Hoe laat ongeveer gepleegd?

A: Het was in ieder geval donker. 's Avonds of 's nachts dus.

V: En de buit?

A: De parkeerkaart.

V: Waar lag de kaart?

A: Op het dashboard.

V: Wat kan jij je herinneren van de inbraak aan [straatnaam 4] ?

A: Het was ook 's avonds. Ik ben wel vaker in [straatnaam 4] geweest, in de [wijk] überhaupt

V: Hoe laat ongeveer gepleegd?

A: Ik denk in dezelfde periode als [straatnaam 3] . Al wat langer terug, een paar maanden geleden.

V: En de buit?

A: De parkeerkaart.

V: Welk raam kapot gemaakt?

A: Zijraam van de bestuurderskant.

V: Waar lag de kaart?

A: Op het dashboard.

V: Die mensen stellen dat hun auto op privé parkeerplaats stond (Parkeerplek op kenteken).

A: Dat zou heel goed kunnen, daar ben ik wel geweest.

V: Wat kan jij je herinneren van de inbraak aan [straatnaam 5] ?

A: Het was 's avonds.

V: Hoeveel dagen geleden is die inbraak ongeveer?

A: Ook al wel even terug.

V: Als je hem qua tijdslijn vergelijkt met die van [straatnaam 4] en [straatnaam 3]

?

A: Dat weet ik niet meer. Het is in ieder geval niet van de laatste week.

V: Hoe laat ongeveer gepleegd?

A: Ook 's avonds, laat ik de avond.

V: En de buit?

A: Parkeerkaart.

V: Welk raam kapot gemaakt?

A: Aan de bestuurderskant.

V: Waar lag de kaart?

A: Op het dashboard.

V: Verder nog wat?

A: Die auto stond voor een van die hoge flatgebouwen daar in de wijk.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 oktober 2015, opgenomen op pagina 24 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik parkeerde mijn auto op zaterdag 17 oktober 2015 omstreeks 17:30 uur voor mijn woning aan [straatnaam 1] [huisnummer 1] in [pleegplaats] . Ik heb een eigen invalidenparkeerplaats voor mijn woning. Ik liet mijn invalideparkeerkaart in mijn auto achter. Deze lag achter de voorruit van mijn auto. Ik sloot mijn auto af en liet hem onbeschadigd achter. Op zondag 18 oktober 2015 omstreeks 10:30 uur verscheen de politie aan mijn voordeur. Ik zag dat de linker voorportierruit van mijn auto kapot en vermoedelijk ingeslagen was. Er lag glas op de grond naast de auto maar ook in de auto. Verder zag ik dat mijn invalideparkeerkaart was weggenomen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 oktober 2015, opgenomen op pagina 26 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op zaterdag 17 oktober 2015 omstreeks 17:00 uur heb ik mijn auto, een grijze Renault Megane Scenic voorzien van kenteken [kenteken 2] geparkeerd in een parkeerhaven voor mijn woning aan [straatnaam 2] [huisnummer 2] te [pleegplaats] . Tevens heb ik mijn auto op dat moment afgesloten. Ik zag dat mijn auto op dat moment geen bijzonderheden had qua schade.

Op zondag 18 oktober 2015 omstreeks 11:15 uur hoorde ik van mijn buurvrouw dat er was

ingebroken in mijn auto. Toen ik naar mijn auto liep zag ik dat het voorste kleine ruitje in de

bestuurdersdeur (linksvoor) kapot was. Ook zag ik dat mijn invalidenparkeerkaart, welke op een anti-slip matje op het dashboard aan de linkerzijde lag, hier niet meer lag en dus was weggenomen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 juli 2015, opgenomen op pagina 29 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op zondag 26 juli 2015 omstreeks 17.00 uur heb ik mijn auto, een rode Ford Fiësta voorzien van kenteken [kenteken 3] , aan [straatnaam 3] afgesloten en onbeschadigd geparkeerd. Ik heb een invalidenkaart, dus had de auto op een invalidenparkeerplaats geparkeerd. Op maandag 27 juli 2015 omstreeks 09.30 uur kwam ik bij mijn auto en zag ik dat het raam aan de passagierszijde kapot was. Ook het kleine raampje naast de ruit aan de achterzijde van de passagierskant, was kapot. Ik zag vervolgens dat mijn invalidenkaart weg was. Deze lag voor in de auto, achter de voorruit.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 22 juli 2015, opgenomen op pagina [huisnummer 2] van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik ben [slachtoffer 4] en ben de eigenaar van een zilveren personenauto van het merk Opel en type Agila. Mijn personenauto is voorzien van het kenteken [kenteken 4] Op dinsdag 21 juli 2015 omstreeks 15.00 uur heb ik mijn personenauto aan [straatnaam 4] geparkeerd en afgesloten. Het is een door de gemeente aangewezen plek waarvoor ik een parkeervergunning heb gekregen. Deze parkeervergunning ligt in mijn personenauto en is vanaf buiten zichtbaar voor een ieder. Op woensdag 22 juli 2015 omstreeks 11.00 uur kwam ik bij mijn personenauto en zag dat de ruit van de bestuurderszijde was ingeslagen. Tevens zag ik dat mijn parkeervergunning weggenomen was.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 3 juli 2015, opgenomen op pagina 35 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Op donderdag 2 juli 2015 omstreeks 16.00 uur heb ik mijn blauwe Ford Fiësta met

kenteken [kenteken 5] weggezet op de parkeerplek naast de flat aan [straatnaam 5] te

Groningen waar ik woon. De auto stond niet ver van de ingang van onze flat op de

invalideparkeerplek die speciaal voor mij gemaakt is. Op vrijdag 3 juli 2015 omstreeks 06.35 uur kwam ik bij mijn auto en zag ik dat het raam van bestuurderszijde ingeslagen was. Er zat een groot gat in het raam en er lag glas in de auto en naast de auto. Ik heb in de auto gekeken en behalve de invalideparkeerkaart mis ik niets. De invalideparkeerkaart zat in een klemmetje aan de linkerkant van het voorraam geklemd.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft zich op 19 oktober 2015 rond 10.00 uur vrijwillig gemeld op het politiebureau. Hij verklaarde dat hij een invalideparkeerkaart had gestolen uit een auto aan [straatnaam 1] en dat hij dat bij meerdere auto's had gedaan in de afgelopen periode. Rond 12.30 uur is verdachte met de politie gaan rondrijden door de stad [pleegplaats] , zodat verdachte kon aanwijzen waar hij nog meer invalideparkeerkaarten had gestolen uit auto's. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat ze naar [straatnaam 1] , [straatnaam 2] , [straatnaam 3] , [straatnaam 4] en [straatnaam 5] zijn gereden, aangezien verdachte had verklaard dat hij daar een autoruit had ingeslagen en een invalideparkeerkaart had weggenomen. Vervolgens is verdachte hierover nader gehoord door de politie op 20 oktober 2015. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat naar aanleiding van de rondrit die verdachte de dag ervoor had gemaakt er een aantal aangiftes is aangetroffen. Dit betreffen aangiftes van diefstallen van invalideparkeerkaarten in de voornoemde straten in de periode waarvan verdachte heeft verklaard dat hij zich daar aan schuldig heeft gemaakt. De informatie die verdachte heeft gegeven komt overeen met de inhoud van de aangiftes, zoals een klein zijraam welk verdachte had kapot geslagen bij een auto aan [straatnaam 2] of een auto die geparkeerd stond voor de flat in [straatnaam 3] en de flat in [straatnaam 5] of een auto die op een privé parkeerplaats stond in [straatnaam 4] . Verdachte heeft de politie op voornoemde diefstallen gewezen en hij heeft ze bekend. Vervolgens is hij bij zijn eerste verklaring gebleven tijdens zijn verhoor bij gelegenheid van zijn voorgeleiding voor de rechter-commissaris, bij de reclassering en bij de raadkamerzittingen terzake de gevangenhouding en die ter behandeling van het door verdachte gedane schorsingsverzoek. Eerst in een brief die op 16 december 2015 ter griffie van de rechtbank is ontvangen laat hij weten dat hij een valse bekentenis heeft afgelegd ten aanzien van de diefstallen [straatnaam 2] , [straatnaam 3] , [straatnaam 4] en [straatnaam 5] , omdat hij in oktober 2015 naar de gevangenis zou hebben gewild. Ter terechtzitting is hij hierbij gebleven. Hij zou de daderinformatie hebben gekregen van een bekende. De rechtbank acht deze verklaring -bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden zoals deze uit voornoemde bewijsmiddelen naar voren komen- ongeloofwaardig. Ook de verklaringen van beide ouders, waaruit naar voren komt dat verdachte in de ten laste gelegde periode bij hen verbleef in [plaats 1] in afwachting voor een opname in de [verslavingskliniek] , acht de rechtbank niet voldoende overtuigend om als steunbewijs te dienen voor verdachtes latere ontkenning. De rechtbank is van oordeel dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde diefstallen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte op 17 oktober 2015 of 18 oktober 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan [straatnaam 1] aldaar geparkeerd staande personenauto van het merk Kia, type Venga, en voorzien van het kenteken [kenteken 1] , heeft weggenomen een invalidenparkeerkaart, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.

verdachte op 17 oktober 2015 of 18 oktober 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan [straatnaam 2] aldaar geparkeerd staande personenauto van het merk Renault, type Megane Scenic en voorzien van het kenteken [kenteken 2] , heeft weggenomen een invalidenparkeerkaart, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft

door middel van braak;

3.

verdachte op 26 juli 2015 of 27 juli 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan [straatnaam 3] aldaar geparkeerd staande personenauto van het merk Ford, type Fiesta en voorzien van het kenteken [kenteken 3] , heeft weggenomen een invalidenparkeerkaart, toebehorende aan [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

4.

verdachte op 21 juli 2015 of 22 juli 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan [straatnaam 4] aldaar geparkeerd staande personenauto van het merk Opel, type Agila en voorzien van het kenteken [kenteken 4] , heeft weggenomen een parkeervergunning toebehorende aan [slachtoffer 4] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5.

verdachte op 2 juli 2015 of 3 juli 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan [straatnaam 5] aldaar geparkeerd staande personenauto van het merk Ford, type Fiësta en voorzien van het kentekens [kenteken 5] , heeft weggenomen een invalidenparkeerkaart, toebehorende aan [slachtoffer 5] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

2. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

3. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

4. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5. Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest en dat het openbaar ministerie in de vordering tot ten uitvoer legging niet-ontvankelijk zal worden verklaard nu al bij gelegenheid van een eerdere veroordeling door de strafrechter de tenuitvoerlegging is gelast van de in de vordering bedoelde voorwaardelijk opgelegde straf.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de hoogte van de straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages van de reclassering d.d. 3 november 2015, 15 december 2015 en 3 februari 2016, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inslaan van autoruiten om vervolgens de invalideparkeerkaarten te kunnen stelen. Het gaat om vijf diefstallen. Hij heeft door zijn handelen te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen. Daarnaast heeft hij de eigenaren overlast en schade bezorgd.

Het voorarrest is met ingang van 15 december 2015 geschorst, zodat verdachte klinisch kon worden opgenomen in het IMC te [plaats 2] . Verdachte heeft deze opname echter zelf beëindigd waarna op 31 december 2015 de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven. De reclassering heeft in haar laatste rapport aangegeven geen mogelijkheden meer te zien voor recidive beperkende reclasseringsinterventies.

Verdachte heeft een uitgebreide justitiële documentatie opgebouwd, veelal betrekking hebbend op vermogensdelicten. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat verdachtes laatste veroordeling in 2013 is geweest.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, wordt voor een diefstal uit een auto met recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf van zes weken gehanteerd. De rechtbank ziet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken en acht derhalve een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide vorderingen toewijsbaar met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat hij de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] toewijsbaar acht, met uitzondering van de borg. De vordering van [slachtoffer 3] moet worden afgewezen nu hij dit feit niet bewezen acht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade door benadeelde partij [slachtoffer 1] voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade door benadeelde partij [slachtoffer 3] voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 15 juni 2012, gewezen door de politierechter van de rechtbank Assen, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 29 juni 2012.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 20 januari 2016 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Blijkens de justitiële documentatie van verdachte is door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, bij vonnis van 9 juli 2013 de tenuitvoerlegging van bedoelde voorwaardelijk opgelegde straf reeds gelast zodat de rechtbank de de officier van justitie in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 weken.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 63,30 (zegge: drieënzestig euro en dertig eurocent)

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 63,30 (zegge: drieënzestig euro en dertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 190,00 (zegge: honderdnegentig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 190,00 (zegge: honderdnegentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

19/196737-11:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Assen d.d. 15 juni 2012.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mr. J.J. Schoemaker en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 februari 2016.

Mr. Schoemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.