Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2638

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
18.830220-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal door middel van braak en verbreking, poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen door middel van braak, diefstal door twee of meer verenigde personen en poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen door middel van braak. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/830220-15 en 18/820405-15 (gevoegd ter terechtzitting)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

12 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 januari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/830220-15

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2015 tot en met 25 juli 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

(personen)auto (van het merk Ford, type Escort en voorzien van het kenteken

[kenteken 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 25 juli 2015, te [pleegplaats 2] , (althans) in de gemeente Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 1] aldaar) heeft weggenomen een krat bier (merk Grolsch), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [supermarkt 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 25 juli 2015, te [pleegplaats 3] , (althans) in de gemeente Menterwolde, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan [straatnaam 2] aldaar) weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, (alles) geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [supermarkt 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, opzettelijk met een auto de zogenaamde uitgangspui uit de gevel van dat pand heeft gereden, in elk geval met een auto

tegen de zogenaamde uitgangspui van dat pand heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 25 juli 2015, te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine (te weten (ongeveer) 15 liter), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation] en/of [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 25 juli 2015, te [pleegplaats 4] , (althans) in de gemeente Delfzijl, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een (personen)auto (van het merk Fiat, type Punto SX en voorzien van het kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, weg te nemen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, opzettelijk met een steen (de ruit van) het (linker achter)portier van die auto heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 25 juli 2015 te [pleegplaats 4] , (althans) in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto (van het merk Fiat, type Punto SX en voorzien van het kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Parketnummer 18/820405-15

hij op of omstreeks 17 april 2015 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (dames)fiets (merk Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 april 2015 te [pleegplaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (dames)fiets (merk Gazelle) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde fiets wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder parketnummer 18/830220-15 onder

1, 2, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte en zijn medeverdachte samen op pad waren die nacht. Dat brengt mee dat er sprake is van medeplegen. Ook het onder parketnummer 18/820405-15 primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18/830220-15 onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte uit de auto is gestapt voordat de medeverdachte de winkelpui van de [supermarkt 1] met een auto ramde. Verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd aan de diefstal met braak. Er kan dan ook niet worden bewezen dat verdachte medepleger is geweest van de diefstal met braak.

Over de rest van de ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich niet uitgelaten.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak van het onder parketnummer 18/830220-15 onder 2 ten laste gelegde

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder parketnummer 18/830220-15 onder 2 ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

De rechtbank past met betrekking tot het onder parketnummer 18/830220-15 onder 1, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2015, opgenomen op pagina 51 e.v. van dossier nummer 2015219972 d.d. 22 september 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2015, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] .

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 27 juli 2015, opgenomen op pagina 101 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] .

Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2015, opgenomen op pagina 160 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder parketnummer 18/820405-15 primair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 21 april 2015, opgenomen op pagina 5 e.v. van dossier nummer PL0100-2015113816, d.d. 9 oktober 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] , zakelijk weergegeven:

Op 17 april 2015 omstreeks 18:20 uur zag ik mijn fiets nog voor mijn huis staan. Omstreeks 18:50 uur werd ik gebeld door mijn [vriendin] . Zij vroeg of mijn fiets misschien gestolen was. Ik zag toen dat mijn fiets niet meer op de plek stond waar ik hem had achtergelaten. Mijn vriendin vertelde mij dat zij een fiets via Marktplaats wilde kopen.

Zij kwam bij een man uit en hij gaf als adres op [adres] . Toen mijn vriendin daar heen ging, kwam er een man op mijn fiets aanrijden.

Een proces-verbaal d.d. 21 april 2015, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:

Ik kwam bij [adres] aan. Er kwam een man op een fiets aanrijden. Ik zag dat het de fiets van [slachtoffer 3] was.

Een proces-verbaal d.d. 22 september 2015, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:

Er stonden een man en een vrouw voor mijn deur. Ik woon aan [adres] . De vrouw zei dat ze voor een fiets kwam. Omdat ik daar niets van af wist heb ik gezegd dat ze maar even op mijn vriend moesten wachten. Binnen enkele minuten kwam [verdachte] weer thuis en hij is toen met die mensen in gesprek gegaan.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat de diefstal van de fiets wettig en overtuigend kan worden bewezen. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het moment dat verdachte op de gestolen fiets werd aangetroffen in combinatie met het uitblijven van een aannemelijke verklaring van verdachte op dat punt, wordt het ervoor gehouden dat verdachte de fiets zelf heeft gestolen (vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880).

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 18/830220-15 onder 1, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/820405-15 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Parketnummer 18/830220-15

1.

hij in de periode van 24 juli 2015 tot en met 25 juli 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (van het merk Ford, type Escort en voorzien van het kenteken [kenteken 1] ), toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

3.

hij op 25 juli 2015 te [pleegplaats 3] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand weg te nemen geld en/of (een) goed(eren) van zijn/hun gading, toebehorende aan het winkelbedrijf [supermarkt 2] en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, opzettelijk met een auto de zogenaamde uitgangspui uit de gevel van dat pand heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 25 juli 2015, te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine, toebehorende aan [tankstation]

5. primair

hij op 25 juli 2015, te [pleegplaats 4] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een personenauto (van het merk Fiat, type Punto SX en voorzien van het kenteken [kenteken 2] ) weg te nemen, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak en/of inklimming, opzettelijk met een steen de ruit van het (linker achter)portier van die auto heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 18/820405-15

hij op 17 april 2015 te [pleegplaats 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een damesfiets (merk Gazelle), toebehorende aan [slachtoffer 3] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/830220-15:

1: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking;

3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

4: diefstal door twee of meer verenigde personen;

5 primair: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Parketnummer 18/820405-15:

primair: diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/830220-15 onder 1, 2, 3, 4 en 5 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/820405-15 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals opgenomen in de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de op de dagvaarding ter zake van parketnummer 18/830220-15 ad informandum gevoegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie, zij het dat de gevangenisstraf moet worden gematigd, nu verdachte van het onder parketnummer 18/830220-15 onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en die door verdachte zijn erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen het tijdsbestek van één nacht schuldig gemaakt aan een diefstal van een auto, een diefstal in vereniging van benzine en aan een poging tot diefstal met braak in vereniging bij een supermarkt. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bij een supermarkt in [pleegplaats 3] met een auto de pui geramd om zich toegang te verschaffen tot deze winkel. Door deze ramkraak hebben zij enorme schade aan dit pand aangericht. Later die nacht heeft hij met zijn medeverdachte een auto proberen weg te nemen in [pleegplaats 4] .

In [pleegplaats 4] heeft verdachte tevens de plaats van een ongeval verlaten. Door zo te handelen wordt belet dat het slachtoffer zijn schade op de dader kan verhalen.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee fietsendiefstallen.

Door het plegen van vermogensdelicten heeft verdachte de slachtoffers schade, ongemak en overlast bezorgd. Verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij geen respect heeft voor andermans eigendom. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft er bij het bepalen van de straf rekening mee gehouden dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

De rechtbank van oordeel dat er een deels voorwaardelijke straf moet worden opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals door de reclassering geadviseerd.

Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 18/830220-15 onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 1.424,42 aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in diens vordering, nu de machtiging waaruit moet blijken dat de indiener bevoegd was om namens de benadeelde partij een vordering in te dienen, niet is ondertekend.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een algemene machtiging bevindt waaruit blijkt dat de indiener bevoegd is om namens de benadeelde partij een vordering in te dienen. De benadeelde partij is aldus ontvankelijk in zijn vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/830220-15 onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/830220-15 onder 1, 3, 4 en 5 primair en onder parketnummer 18/820405-15 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 158 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de Reclassering VNN op het adres Canadalaan 1 in Groningen. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

 dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van twee jaar onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek VNN of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van deze behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd toe laat leiden naar dagbesteding bij WerkPro of een soortgelijke organisatie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van deze dagbesteding door of namens de organisatie zullen worden gegeven;

 dat veroordeelde zich laat begeleiden door een nader te bepalen schuldhulpverleningsinstantie, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van deze schuldhulpverlening door of namens de instantie zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.424,42 (zegge: duizend vierhonderd vierentwintig euro en tweeënveertig eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.424,42 (zegge: duizend vierhonderd vierentwintig euro en tweeënveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.424,42 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Stuiver, voorzitter, mrs. L.W. Janssen en

A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 februari 2016.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.