Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2635

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
18.930341-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een hogere straf dan door de officier van justitie was geëist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930341-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verblijvende in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.M.M.M. Vogels, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 28 augustus 2015 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kantine/gebouw aan/nabij [straatnaam 1] heeft weggenomen een geldkistje met geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Vereniging 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

2. hij in of omstreeks de periode van 5 september 2015 tot en met 6 september 2015 te [pleegplaats 2] , gemeente Hoogeveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kantine/gebouw aan/nabij [straatnaam 2] heeft weggenomen een een of meer geldbedragen en/of een hoeveelheid blikjes drinken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Vereniging 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

3. hij in of omstreeks de periode van 20 september 2015 tot en met 21 september 2015 te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een eetgelegenheid/gebouw aan/nabij [straatnaam 3] heeft weggenomen een of meer laptops en/of een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ( [bedrijf 1] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

4. hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2015 tot en met 26 oktober 2015 te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)gebouw aan/nabij [straatnaam 4] heeft weggenomen een hoeveelheid koperdraad, een handkar, een geldkistje met geld, een laptop en/of een sleutel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

5. hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2015 tot en met 2 november 2015 te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meer (bedrijfs)gebouw(en) aan/nabij [straatnaam 5] heeft weggenomen een of meer geldbedragen, een bankpasje, frisdrank en/of snoep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;

en/of

hij op of omstreeks de periode van 2 november 2015 in de gemeente Coevorden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie baseert haar standpunt dat verdachte bij deze feiten betrokken is geweest op de gedetailleerde verklaringen van [medeverdachte] over de verweten feiten. [medeverdachte] noemt in zijn verklaringen uiteindelijk de naam van verdachte als degene met wie hij de inbraken heeft gepleegd en verklaart ook gedetailleerd over verdachte. [medeverdachte] heeft er geen enkel belang bij de naam van verdachte te noemen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Verdachte ontkent zowel bij de politie als op de terechtzitting dat hij bij deze feiten betrokken is geweest.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat het DNA van verdachte dat is aangetroffen op een lampje dat kennelijk is achtergebleven op de plaats delict onvoldoende is voor een betrokkenheid van verdachte bij dit feit. Verdachte heeft door zijn manier leven altijd een zaklampje bij zich en dat zaklampje kan daarom heel makkelijk van de ene persoon op de andere persoon overgaan.

Voorts heeft [persoon 1] , een vriend van verdachte, aan verdachte verteld dat [medeverdachte] de jas van verdachte op enig moment heeft gedragen. Mogelijk heeft het aantroffen zaklampje daar iets mee te maken.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat aangever op enig moment camerabeelden van de diefstal op zijn facebookpagina heeft geplaatst. In reactie op die beelden werden vele namen genoemd als mogelijke dader doch de naam van verdachte wordt daar niet bij niet genoemd. Vervolgens worden aan aangever laptops aangeboden en de aanbieder noemt dan de naam van verdachte. Aangever gaat dan opnieuw de beelden bekijken en aangever zou verdachte dan in het bijzonder herkennen aan het loopje van verdachte. De politie heeft dit deel van de verklaring van aangever kennelijk niet nader onderzocht omdat daarover geen nader proces-verbaal is opgemaakt.

De raadsman trekt daarnaast de verklaring van aangever in twijfel waar het gaat om de aanbieding van twee laptops nu [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een van de gestolen laptops aan zijn vriendin heeft gegeven.

Ook heeft de aangever verklaard verdachte te herkennen naar aanleiding van het gebruik van een fiets met een mand voorop de fiets. Naar het standpunt van de raadsman is dat niet uniek omdat er veel van dergelijke fietsen worden gebruikt.

Aangaande feit 5 acht de raadsman de verklaring van [medeverdachte] zeer discutabel waar het gaat om het feit dat er nooit een tas of iets dergelijks zou worden meegenomen naar een klus. Ook is het niet voorstelbaar dat [medeverdachte] niet zou zien wat de ander zou hebben meegenomen helemaal als het gaat om een laptop of printer.

Voorts kan op grond van de beschrijving van de jassen van degenen die het geld hebben gepind met de gestolen bankpas niet worden gezegd dat verdachte het bewuste geld heeft gepind.

Het aanvullende bewijs is dusdanig onduidelijk dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 4 heeft de raadsman aangevoerd dat alleen als bewijsmiddelen kunnen gelden de aangiftes en de verklaring van [medeverdachte] en dat is onvoldoende om deze feiten wettig en overtuigend bewezen te achten.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de feiten 2 en 4 is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken omdat het wettige bewijs ontbreekt. Naast de aangiftes en de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte bij deze inbraken aanwezig was is er geen ander ondersteunend bewijs waaruit kan blijken dat verdachte bij deze feiten betrokken is geweest. Dit is onvoldoende om deze feiten wettig bewezen te achten.

De rechtbank acht voldoende wettige bewijsmiddelen in het dossier aanwezig waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde feiten kan worden afgeleid.

Aangaande feit 1 heeft verdachte niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de op de plaats van het delict aangetroffen zaklamp, met daarop zijn DNA, niet door hem daar is achtergelaten. De aangehaalde verklaring van [persoon 1] kan het betoog van de raadsman niet ondersteunen nu [persoon 1] niet bij de inbraak betrokken is geweest en daarover niet uit eigen waarneming kan verklaren. Voorts kan [persoon 1] ook niet verklaren op welk moment [medeverdachte] de jas van verdachte zou hebben gedragen.

Gelet hierop en gezien de omstandigheid dat [persoon 1] kennelijk alleen iets kan zeggen over omstandigheden die de verweten feiten niet rechtstreeks raken acht de rechtbank het niet noodzakelijk om [persoon 1] als getuige te horen zoals dat door de verdediging was verzocht.

Met betrekking tot feit 3 ziet de rechtbank in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen aanleiding om de verklaring van [slachtoffer] waarin hij verdachte van de beelden herkent niet te bezigen voor het bewijs dat verdachte bij deze inbraak betrokken is geweest.

De rechtbank merkt daarbij op dat de persoon die aangever heeft benaderd en laptops aanbood uiteindelijk 1 laptop van aangever heeft aangeboden en bij die gelegenheid de naam van verdachte heeft genoemd.

Ten aanzien van feit 5 acht de rechtbank de beschrijving door verbalisanten van de kleding voldoende specifiek om daarmee de betrokkenheid van verdachte, met daarbij genomen de verklaring van [medeverdachte] , bij dit feit bewezen te achten.

De rechtbank past met betrekking tot de feiten 1, 3 en 5 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is –ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De bewijsmiddelen zijn steeds zakelijk weergegeven.

Feit 1.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina 35ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [persoon 2] namens [Vereniging 1] :

op vrijdagmorgen 28 augustus 2015 kreeg ik bericht dat er was ingebroken in de kantine. Ik begreep van de politie dat zij afgelopen nacht om 3:26 uur een melding hadden gekregen van een alarmmelding in meerdere zones.

Onder andere is een voorraadkast opengebroken, het hangslot van een ladeblok werd doorgeknipt en een binnendeur naar de bezemkast werd opengebroken.

Vervolgens is men de trap opgegaan naar de eerste verdieping. Hier kom je eerst in een vergaderruimte. Hier zijn 6 binnendeuren die elk naar een aparte ruimte gaan. Alle 6 binnendeuren waren opengebroken.

In de ruimte waar ook de schoonmaakspullen liggen stond een geldkistje op een plank rechts achterin de ruimte. Dit geldkistje is weggenomen. Hier zat circa 200 tot 300 euro in afkomstig uit de fooienpot van de bar.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 28 oktober 2015, opgenomen op pagina 44ev van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van [verbalisant 1] :

- een forensisch onderzoek naar biologische sporen verricht aan een handlamp in verband met een gekwalificeerde diefstal op 28 augustus 2015 te [pleegplaats 1] . De handlamp lag op een plank op de eerste etage van een kantine, daar waar de kluis had gestaan.

Ik heb de lamp bemonsterd met behulp van een wattenstaafje en de bemonstering veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AAIR0578NL.

- een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, d.d. 20 november 2015 opgemaakt door [deskundige] ,:

aan de bemonstering AAIR0578NL#01 is DNA-onderzoek verricht. Daarvan is een DNA-profiel verkregen. Bij vergelijking in de Nederlandse DNA-databank is één match gevonden met één persoon met DNA-profielcluster 34184.

Uit de bij het rapport gevoegde bijlage blijkt dat het DNA-profielcluster 34184 hoort bij [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . Voorts: de matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 26 november 2015, opgenomen op pagina 353ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :

ik zie dat het gebouwtje waar ik ingebroken heb de [Vereniging 1] betreft.

Aan de achterzijde was een deur open. Daar zijn wij naar binnen gegaan. Wij zijn het hele

pand door geweest. Boven vonden wij in een kamertje een geldkistje. Die hebben wij opengebroken en daar zat geld in. Volgens mij zat er E. 200.— in.

Samen met [verdachte] ben ik daar geweest.

Feit 3

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 september 2015, opgenomen op pagina 152ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] namens [bedrijf 1] :

ik ben eigenaar van [bedrijf 1] , gelegen aan [straatnaam 3] te [pleegplaats 3] .

Op zaterdag 19 september 2015, omstreeks 23.30 uur heb ik het pand verlaten. Wij hebben de achterdeur goed afgesloten.

Op maandag 21 september 2015, omstreeks 08.40 uur, kwam ik aan bij [bedrijf 1] . Ik wilde de achterdeur middels de sleutel openen. Ik voelde dat de deur niet afgesloten was.

Ik zag dat het raam dat zich bevindt aan de rechterzijde van de achterdeur geforceerd was.

Ik zag dat de laptop die op het bureau stond weggenomen was. Ik zag dat een tweede laptop die in een big shopper op de grond stond ook weggenomen was. Ik zag dat het geld uit de kassalade verdwenen was. In totaal zat er ongeveer 40 euro in de kassalade.

Ik zag dat een glazen pot, gevuld met kleingeld leeggehaald was. In deze pot zat ongeveer 20 euro. Ik zag dat een rode portemonnee geopend was. In deze rode portemonnee zat ongeveer 20 euro.

Ik zag dat de fooienpot leeggehaald was. In deze fooienpot zat ongeveer 400 euro.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 30 september 2015, opgenomen op pagina 160ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] namens [bedrijf 1] :

Op 22 september 2015 werd ik rond 22.10 uur op mijn werktelefoon gebeld door een persoon die vroeg of ik naar de zaak wilde komen want hij had een laptop voor mij.

Ik heb van hem mijn laptop gekregen en hij vertelde mij dat [verdachte] ofwel [alias] hem de laptop had aangeboden. Ik ken [verdachte] al jaren.

Hierna heb ik de beelden van de inbraak opnieuw bekeken. Ik herken 1 persoon inderdaad als [alias] . Dit is de persoon met de donkere jas. Ik herken hem aan zijn houding en manier van lopen. [alias] loopt altijd een beetje krom en gehaast en dit zie in de beelden terug. Bovendien heeft [verdachte] ook altijd een dergelijk petje op.

Vervolgens heeft mijn vrouw op de facebookpagina van [verdachte] gekeken. In zijn vriendenlijst vond zij [medeverdachte] uit [pleegplaats 3] . [medeverdachte] heeft een opvallend spitse neus.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 06 november 2015, opgenomen op pagina 307ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :

ik ben ook bij [bedrijf 1] geweest. Ik heb daar geld meegenomen en een laptop.

Het lag in een hokje daar waar ik ben binnengekomen. Ik ben daar binnen gekomen via het raam. Toen naar rechts gegaan. Daar was ook zo’n kantoortje daar stond het geld en de laptop. Deze heb ik weggenomen.

Ik weet niet wat mijn maatje heeft weggenomen. Een potje met geld heb ik in de tas gedaan.

Er is inderdaad een ander op de camerabeelden te zien.

Feit 5

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 03 november 2015, opgenomen op pagina 245ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [persoon 3] namens [bedrijf 3] :

Ik heb vrijdag 30 oktober 2015 omstreeks 17.00 uur heb ik als laatste het gebouw verlaten.

Vanmorgen 2 november 2015 omstreeks 06.20 uur was ik weer aanwezig als eerste bij de [bedrijf 3] [adres 1] te [pleegplaats 3] . Ik ben naar binnen gegaan en hoorde het alarm piepen. Ik ben iets verder gelopen en zag dat het kantoor van de kantine doorzocht was, alle laden stonden open.

Een kluis die in een kast stond in het kantoor is daar uit gehaald en opengebroken uit deze kluis mis ik: 189,50 euro en 60 euro kleingeld kassa, een bankpasje [bank 1] . Het papiertje met de pincode lag ook in de kluis en volgens de bank is er maandagochtend voor half 5, 1000 euro gepind van deze rekening.

In het halletje voor het kantoor van de kantine stond een kast die was afgesloten deze is ook opengebroken en daar is een geldkistje uitgehaald. Uit dit kistje mis ik 2475,10 euro.

Het kantoor van de werkplaats is ook geheel doorzocht. Uit de kluis is een geldkistje gehaald, die nu op het bureau stond. Hieruit mis ik 647,00 euro.

Het slot van de frisdrankenautomaat in de kantine is verbroken hier mis ik: 19 pakjes capri Sun. Achter de bar in de kantine stond gele boodschappentas waarin allerlei snoepgoed lag.

Ik heb gezien dat gezien vanaf de voorzijde, rechts achter in de hoek van ons terrein er een groot gat geknipt is in het hek.

In totaal zijn er 2 toegangsdeuren opengebroken, de deur van kantoor kantine en van opslagruimte kantine. Verder is een kast open gebroken waar het geldkistje van algemeen nu in zat.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 22 december 2015, opgenomen op pagina 367ev van met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende als relatering van [verbalisant 2] :

Op 10 december 2015 is [verdachte] aangehouden. Ten tijde van de aanhouding droeg [verdachte] de na volgende kleding:

* Pet, kleur bruin met camel kleur, aan de voorzijde de letters PSV. Aan de voorzijde is de pet donkerbruin van kleur en geribbeld.

* Jas: Donker zwarte/blauw van kleur , van het merk PME. Deze jas is voorzien van de volgende unieke kenmerken:

— capuchon met 2 zogenaamde vouwen. Deze capuchon is voorzien van een koord welke aangespannen kan worden, ter hoogte van de kraag van de jas kan deze capuchon aangetrokken worden middels dit koortje en kan tevens geborgd worden door 2 borgingsknopen. Door het borgen van dit koortje ontstaat er aan weerszijde een klein lusje.

— de linkermouw is aan de bovenzijde voorzien van een PME merklogo.

— de rechtermouw is niet voorzien van een logo.

— ter hoogte van de linkerborst zit een embleem van het merk PME.

— ter hoogte van de rechterborst zit een horizontale ritssluiting

— de jas is te sluiten middels een metalen rits, koper/goud van kleur. Aan de ritssluiting zit een labeltje van het merk PME. Dit labeltje is voorzien van een ovale opening aan de onderzijde. Met dit zogenaamde labeltje is de rits af te sluiten.

De rits is over de gehele lengte af te dekken door middel van een stoffen vlak van de jas.

* Onder—jas, van het merk Jack Wolfskin. Kleur taupe. Voorzien van 3 opbergvakken met ritsen. Genoemde ritsen zijn licht roze/oranje van kleur.

Onder procesnummer 2015319686 is aangifte opgenomen van een bedrijfsinbraak van de [bedrijf 3] Groep in [pleegplaats 3] gepleegd op 02/11/2015. Tijdens deze inbraak zijn onder andere een pinpas met bij behorende pincode weggenomen. Met deze gestolen pinpas werd op 02/11/2015 om 03.38 uur bij de [bank 2] , gelegen aan [adres 2] , een bedrag gepind van 250,- euro. Tevens werd met deze pinpas op 02/11/2015 om 03.57 uur bij de [bank 1] , gelegen aan [adres 3] , een bedrag van 750,— euro gepind.

BEVINDINGEN [bank 2] -beelden:

Een (1) camera is, wanneer men voor de pinautomaat staat, aan de rechterzijde van het pand gepositioneerd en bied zicht op de rechterzijde van personen die voor de pinautomaat staan.

Ik, verbalisant, zag op de beelden, vanuit het pinapparaat gezien, twee (2) personen staan.

Ik zag dat een van de personen de zogenaamde pin handeling uitvoerde en ik zag dat er een andere persoon schuin achter deze persoon stond mee te kijken naar deze handelingen.

Ik zag dat de persoon, welke de pin handeling uitvoerde, een capuchon en daaronder een pet droeg. Ik zag dat deze persoon zijn gezicht had afgedekt met vermoedelijk een sjaal.

Ik zag dat de persoon, welke aan het pinnen was, een donkere jas droeg en een blauwe spijkerbroek aan had.

BEVINDINGEN [bank 1] -beelden

Een (1) camera is gepositioneerd vanuit het pinapparaat en geeft zicht op de voorkant. Hierbij worden personen die pin handelingen uitvoeren van de voorzijde vastgelegd op beeld.

Ik, verbalisant, zag op de beelden van de [bank 1] , twee (2) personen staan.

Ik zag dat een (1) persoon een capuchon op heeft met daaronder een pet. Ik zag dat schuin achter deze persoon nog een persoon staat mee te kijken en dat deze persoon ook een capuchon op heeft. Ik zag dat beide personen hun gezichten hadden afgedekt met een sjaal dan wel een kledingstuk. Ik zag dat beide personen nagenoeg dezelfde lengte hadden.

Uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat “ [verdachte] altijd een spijkerbroek draagt. Heeft wel verschillende jassen aan, allemaal donker gekleurd. Draagt altijd een petje. Volgens mij is dit een PSV pet maar dat weet ik niet zeker.” en “ [verdachte] is net zo groot als ik ben, ik ben ongeveer 177 cm lang.”

BEVINDINGEN beelden en kleding

Ik, verbalisant, zag op de camerabeelden dat de kleding die gedragen wordt door de persoon die de pin handeling uitvoert overeen komt met de kleding van [verdachte] ten tijde van diens aanhouding op 10 december 2015.

Hierbij zijn er een aantal duidelijke overeenkomsten:

Met betrekking tot de jas

— het labeltje van de ritssluiting

— koortjes (lussen) te behoeve van het aantrekken / vernauwen van de capuchon

— borgingsknopen te behoeve van de koortjes

— 2 geribbelde vouwen in de capuchon

— embleem linkerborst

— embleem linkermouw

— horizontale ritssluiting rechter borstzak

— kleur van de jas

Met betrekking tot de pet

— bruine kleur

— geribbelde zonneklep

— met zwarte letters PSV aan de voorzijde.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 november 2015, opgenomen op pagina 341ev van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :

Wij zijn toen naar de [bedrijf 3] gelopen. Wij zagen dat er een schuifdeur open ging bij [bedrijf 3] . Wij zijn daar toen naar binnen gegaan. Wij hebben volgens mij nog een paar deuren in het pand opengebroken.

Wij zijn toen verder gegaan naar een kantoortje. In het kantoortje lag een kluis en een geldkistje. Die hebben wij losgebroken en daar hebben wij het geld uitgehaald.

We hadden een gat gemaakt in het hek tussen [bedrijf 4] en [bedrijf 3] .

We hebben dus geld weggenomen, drinken uit frisdrankautomaat, een bankpas met pincode, daar is 2 keer geld mee gepind. Dat was in [pleegplaats 3] bij de [bank 1] en in [plaats] . Ik was bij het pinnen. Ik droeg zwarte kleding. Mijn maatje heeft het geld gepind.

- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 26 november 2015, opgenomen op pagina 346 van het dossier met nummer PL0100-2016005064 d.d. 07 januari 2016, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :

weet je ik wil geen matennaaier zijn. Ik heb nog nooit iemand verraden. Wat als jij nu de naam zegt en ik bevestig of het hem wel of niet is. Jullie denken dat [verdachte] hier mee te maken heeft. Ja, dat klopt hij is het.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 28 augustus 2015 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kantine aan [straatnaam 1] heeft weggenomen een geldkistje met geld, toebehorende aan [Vereniging 1] , waarbij verdachte en zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking;

3. hij in de periode van 20 september 2015 tot en met 21 september 2015 te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een eetgelegenheid aan de Bentheimerstraat heeft weggenomen twee laptops en geld, toebehorende aan [slachtoffer] ( [bedrijf 1] ), waarbij verdachte en zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming;

5. hij in de periode van 30 oktober 2015 tot en met 2 november 2015 te [pleegplaats 3] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsgebouw aan [straatnaam 5] heeft weggenomen geld, een bankpasje, frisdrank en snoep, toebehorende aan [bedrijf 3] , waarbij verdachte en zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking;

en

hij op 2 november 2015 in de gemeente [pleegplaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, tweemaal, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen geld, telkens toebehorende aan [bedrijf 3] , waarbij verdachte en zijn medeverdachte dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

3. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

5. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking,

en

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit op grond waarvan verdachte in vrijheid zou moeten worden gesteld. Voor zover de rechtbank enig feit bewezen acht kan worden volstaan met een gevangenisstraf die qua duur de duur van de voorlopige hechtenis niet overtreft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte rapport van de reclassering en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte in een relatief korte tijd een drietal inbraken heeft gepleegd bij een sportvereniging en twee bedrijven. De gepleegde inbraken gingen veelal gepaard met het aanrichten van braakschade. Voor de sportverenigingen geldt dat veel vrijwilligers de verenigingen in stand houden en veelal aangewezen zijn op donaties van derden. De benadeelden worden opgezadeld met aanzienlijke braakschade waarvan niet altijd duidelijk is of deze op een of andere wijze wordt vergoed.

Verdachtes handelen is dan ook laakbaar te noemen mede omdat hij zijn eigen financieel gewin liet prevaleren boven het aan de slachtoffers toegebrachte nadeel.

Het betreffen naar het oordeel van de rechtbank verwerpelijke en hinderlijke feiten.

De rechtbank is op grond van de ernst en de omvang van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Voor de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen de oriëntatiepunten voor de straftoemeting waarin als uitgangspunt een gevangenisstraf van 10 weken voor een inbraak geldt. Daarnaast is er sprake van recente recidive.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van 8 maanden op zijn plaats is.

Benadeelde partijen

1. [bedrijf 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 5 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de vordering kan worden toegewezen nu deze voldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat in geval van bewezenverklaring de vordering tot 1000 euro, zijnde de gepinde bedragen, toewijsbaar is. Voor het overige ontbreekt een onder-bouwing en dient de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot een bedrag van 1000 euro toewijsbaar is nu de verdediging de vordering tot dat bedrag niet heeft betwist.

Voor het overige acht de rechtbank met de verdediging de vordering onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

2. [slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de vordering kan worden toegewezen, althans dat de rechtbank de hoogte van het toe te wijzen bedrag zou kunnen vaststellen naar redelijkheid en billijkheid.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat in geval van bewezenverklaring de vordering tot 213,79 euro, zijnde de herinstallatie van een laptop, toewijsbaar is. Voor het overige ontbreekt een onderbouwing en dient de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot een bedrag van 213,79 euro toewijsbaar is nu de verdediging de vordering tot dat bedrag niet heeft betwist.

Voor het overige acht de rechtbank met de verdediging de vordering onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1000,-- (zegge: duizend euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de medeverdachte van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 3], te betalen een bedrag van € 1000,-- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de medeverdachte van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 213,79 (zegge: tweehonderddertien euro en negenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum dat de schade is ontstaan, in dier voege, dat indien dit bedrag door de medeverdachte van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 213,79 (zegge: tweehonderddertien euro en negenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum dat de schade is ontstaan, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de medeverdachte van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mrs. O.J. Bosker en P.J. van Steen, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2016.

Mr. Van Steen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.