Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2632

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
18.820229-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak witwassen, veroordeling wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en medeplichtigheid aan diefstal tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Verweren van de verdediging omtrent onrechtmatigheid van het verkregen bewijs verworpen door de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820229-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

4 maart in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

19 februari 2016. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 01 juni 2015 te

[pleegplaats] , gemeente Menterwolde,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk, meermalen,

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 1] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1.444, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 01 juni 2015 te

[pleegplaats] , gemeente Menterwolde, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

een of meer onbekend gebeleven personen in of omstreeks 01 januari 2015 tot en

met 01 juni 2015 te [pleegplaats] , gemeente Menterwolde, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, meermalen, telkens met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (uit de woning en/of schuur

behorende bij [adres 1] ) elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededader(s) en/of

aan verdachte

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of

omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 01 juni 2015 te [pleegplaats] ,

gemeente Menterwolde, in elk geval in Nederland,

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven

persoon/personen te laten weten dat er een sleutel van de woning [adres 1]

onder een pot op de veranda ligt en/of de woning [adres 1] met daarin de

meterkast ter beschikking te stellen, om een aftakking van de elektriciteit

naar de kwekerij te monteren;

3.

hij in of omstreeks 01 januari 2015 tot en met 01 juni 2015 te [pleegplaats] ,

gemeente Menterwolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging,

meermalen (telkens)

van voorwerpen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding,

de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad,

door

- verschillende geldbedragen, te weten (een deel van) de opbrengst en/of

huurpenningen van een hennepkwekerij, te verwerven, voorhanden te hebben en/of

uit te geven aan primaire levensbehoeften, financiële verplichtingen en/of

reizen voor zichzelf en/of [medeverdachte] ,

- ( ongeveer) 33.000 euro contant geld, in de woning van [medeverdachte] te

verstoppen, althans voorhanden te hebben,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die

voorwerpen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

waren uit enig misdrijf,

van welk(e) feit(en) hij een gewoonte heeft gemaakt.

(On)rechtmatigheid van het bewijs

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de politie op 1 juni 2015 onrechtmatig is binnengetreden in de schuur van verdachte, omdat er onvoldoende verdenking bestond met betrekking tot de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Noch in de anonieme meldingen van december 2014 en februari 2015, noch door de getuigen wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Hierdoor is in strijd gehandeld met artikel 9 lid 1 van de Opiumwet en is tevens artikel 8 van het Europees verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geschonden. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het privédomein van verdachte is betreden en daar zijn vernielingen aangericht zonder dat daar enige bevoegdheid aan ten grondslag lag. Het gaat derhalve om een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte. Gelet op de ernst van het nadeel van het verzuim dient het bewijs dat door de onrechtmatige binnentreding is verkregen en hetgeen daaruit rechtstreeks is voortgevloeid, te weten de aanhouding van verdachte en de door hem afgelegde verklaringen, van het bewijs te worden uitgesloten.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de politie de informatie die voorhanden was heeft opgeplust door melding te maken van tips over hennepteelt die er feitelijk niet waren dan wel niet alles heeft gerelateerd. In dat laatste geval is er gehandeld in strijd met artikel 152 Sv. In beide gevallen is de gang van zaken niet transparant, niet verifieerbaar en niet controleerbaar. De raadsman heeft betoogd dat door het op deze wijze opmaken van het proces-verbaal een eerlijk proces niet mogelijk is. Er is derhalve sprake van schending van artikel 6 EVRM en ook dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien door de rechtbank op grond van de stukken geen schending van artikel 6 EVRM wordt vastgesteld, heeft de raadsman verzocht de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] te horen als getuige.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie rechtmatig de schuur is binnengetreden. De politie had op basis van de anonieme melding van februari 2015 een vermoeden (van een hennepkwekerij).1 Dit vermoeden werd op 1 juni 2015 bevestigd toen de politie bij de schuur in gesprek raakte met drie personen, die op 2 juni 2015 als getuigen zijn gehoord.2Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 augustus 2015 betreft dit de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Op 1 juni 2015 was er derhalve sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de politie onrechtmatig de schuur is binnengetreden, dan is er geen sprake van een schending van een grondrecht, nu de politie een schuur en geen woning is binnengetreden, en kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij waarde hecht aan het door de officier van justitie ter zitting overgelegde aanvullende proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2016, waaruit volgt dat de politie op 1 juni 2015 voorafgaand aan het binnentreden van de schuur met een aantal daar aanwezige buurtbewoners heeft gesproken. De rechtbank gaat ervan uit dat deze getuigen de informatie die zij op 2 juni 2015 telefonisch aan de politie hebben verschaft, ook op 1 juni 2015 met de politie hebben gedeeld. Hoewel er door de getuigen niet letterlijk is gezegd dat er een hennepkwekerij in de schuur aanwezig was, is de rechtbank van oordeel dat de door deze getuigen omschreven activiteiten rondom de schuur (de aanwezigheid van andere mensen dan de bewoners bij de schuur, het rijden van auto’s en busjes naar de schuur, het branden van licht in de schuur ’s nachts en het deponeren van warm water vanuit de schuur in de nabijgelegen sloot) de anonieme melding zodanig bevestigen, dat na het ontvangen van deze informatie op
1 juni 2015 sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 9 van de Opiumwet. Het verweer dat ziet op schending van artikel 9 van de Opiumwet en artikel 8 van het EVRM met betrekking tot het binnentreden verwerpt de rechtbank dan ook.

Hoewel het proces-verbaal zeker geen schoonheidsprijs verdient, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van strijd met enige bepaling van strafvordering. Gelet op het door de officier van justitie ter zitting overgelegde aanvullende proces-verbaal d.d. 8 februari 2016 met betrekking tot de feitelijke situatie op 1 juni 2015, kan ook niet gezegd worden dat het proces-verbaal niet voldoende controleerbaar en verifieerbaar is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman dat artikel 6 EVRM is geschonden. Nu het op grond van het aanvullende proces-verbaal de rechtbank voldoende duidelijk is hoe de feitelijke gang van zaken op 1 juni 2015 is geweest, wijst zij het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om de betrokken verbalisanten als getuige te horen af nu van de noodzaak om genoemde getuigen te horen niet is gebleken.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van het telen van hennep. Ze heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een deel van een door hem gehuurde schuur heeft onderverhuurd in de wetenschap dat in dat gedeelte een hennepkwekerij zou worden opgezet. Naast de huur van € 700,- per maand heeft verdachte 25% van de opbrengst gekregen. Verdachte heeft voor de eerste oogst € 10.000,- ontvangen en voor de tweede oogst € 29.000,-. Volgens de verklaringen van omwonenden was verdachte zelf ook vaak in de schuur aanwezig, dat terwijl de politie in de schuur geen ander gebruik heeft geconstateerd dan dat voor de hennepkwekerij. Gelet op verdachtes betrokkenheid bij de kwekerij, zijn (dagelijkse) aanwezigheid bij de schuur en de forse beloningen die hij naast de huurpenningen kreeg, acht de officier het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft op grond van de aangifte van [energiebedrijf] , het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij en de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring aangevoerd dat het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van diefstal van elektriciteit kan worden bewezen. Verdachte heeft verklaard dat de onderhuurder in de woning kon komen met de sleutel die onder een bloempot lag. Verdachte betwist weliswaar dat hij wist van de omleiding van de elektriciteit of van de diefstal, maar heeft ook niet de hoge rekening betaald die past bij legaal afgenomen energie voor een kwekerij. Verdachtes ontkenning acht de officier van justitie daarom onaannemelijk.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde witwassen heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat indien het medeplegen van het telen van hennep door de rechtbank bewezen wordt verklaard, het enkel voorhanden hebben van een bedrag van ongeveer € 33.000,- contant geld, dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf (medeplegen van het telen van hennep), niet kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. In dat geval kan die gedraging niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd 3 en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het telen van hennep komt, heeft de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt gesteld dat op grond van de stukken in het dossier het medeplegen van witwassen door het voorhanden hebben van ongeveer € 33.000,- kan worden bewezen. Dit geldbedrag was verstopt in een kast in de woning waar verdachte en [medeverdachte] samen aanwezig waren en verdachte was ook op de hoogte van de aanwezigheid van dit geld. [medeverdachte] had geen bij de officiële instanties bekende legale bron van inkomsten en ook van verdachte zijn er geen of slechts heel geringe legale inkomsten bekend. Op basis van deze feiten en omstandigheden is er een gerechtvaardigd vermoeden dat het geldbedrag een criminele herkomst heeft. [medeverdachte] heeft verklaard dat het geld dat ze in huis had afkomstig was van de verkoop van haar appartement in Bulgarije. Ter onderbouwing heeft zij een vertaling van een voorlopige koopakte en een notariële akte met vertaling aan de politie gegeven. Zij heeft geen nadere stukken overgelegd, bijvoorbeeld een afrekening van de kosten bij de notaris of een ander bewijs van ontvangst van de som. [medeverdachte] heeft niet uitgelegd hoe en wanneer de betaling is verricht. Ook kon zij niet aangeven wanneer zij met dit geld heeft gereisd. Het geld heeft zij in Nederland niet op een rekening gestort. Haar verklaring kan derhalve niet worden geverifieerd. Gelet op de wijze van voorhanden hebben van het geld in het huis van [medeverdachte] , de hoogte van het geldbedrag en de niet-verifieerbare verklaringen die zij omtrent de herkomst van het geld heeft afgelegd, alsmede in aanmerking genomen dat verdachte in verband kan worden gebracht met de teelt van hennep, acht de officier van justitie bewezen dat het aangetroffen geld onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het meer of anders ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van het telen van hennep heeft de raadsman betoogd dat door geen enkel stuk in het dossier de verklaring van verdachte over zijn aandeel in de hennepkwekerij wordt weerlegd. Verdachte heeft de schuur onderverhuurd en hij zou 25% van de winst krijgen. Verdachte heeft verder geen bijdrage geleverd aan de hennepkwekerij, hij heeft slechts gefaciliteerd. Er is derhalve sprake van medeplichtigheid en niet van medeplegen. Verdachte heeft geen intellectuele of materiële bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. De dagelijkse aanwezigheid van verdachte bij de schuur maakt dit niet anders. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, geen onderlinge taakverdeling en verdachte heeft geen rol gehad in de planning dan wel de uitvoering. Verdachte dient dan ook van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van diefstal van elektriciteit heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij de diefstal van de elektriciteit, zodat ook daarvoor een vrijspraak dient te volgen.

Ook met betrekking van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van witwassen heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. [medeverdachte] heeft met betrekking tot de herkomst van het geld een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring afgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van hetgeen onder 1 aan hem is ten laste gelegd, te weten voor zover het betreft het medeplegen van het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep. Op grond van de stukken in het dossier kan geen verdere betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij worden vastgesteld dan dat hij als hoofdhuurder van de schuur een onderhuurovereenkomst heeft gesloten met derden, waarbij hij wist dat die derden de schuur zouden gaan gebruiken voor het telen van hennep, en 25% van de opbrengst van de hennepkwekerij heeft ontvangen als vergoeding naast de overeengekomen huurpenningen. Hiervan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de onbekend gebleven personen weliswaar behulpzaam is geweest bij de hennepteelt, maar dat die hulp niet zo ver is gegaan dat gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking, hetgeen vereist is voor medeplegen. Nu medeplichtigheid aan dit feit niet is tenlastegelegd, dient voor dit onderdeel van feit 1 vrijspraak te volgen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van diefstal van elektriciteit. Niet is gebleken dat er wat dit betreft sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

De rechtbank zal verdachte tevens vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van witwassen. Hiertoe overweegt de rechtbank (met betrekking tot de onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde gedraging) dat de opbrengst en huurpenningen van de hennepkwekerij afkomstig zijn uit eigen misdrijf en dat uit de door verdachte verrichte feitelijke handelingen - te weten het uitgeven van dit geld als leefgeld aan financiële verplichtingen - niet is gebleken dat verdachte gedragingen heeft verricht om de criminele herkomst van het geld te verbergen of te verhullen. Verder overweegt de rechtbank (met betrekking tot de onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde gedraging) dat [medeverdachte] zowel bij de politie als ter zitting heeft verklaard dat het door de politie aangetroffen geld in haar woning afkomstig is van de verkoop van een appartement in Bulgarije. Ter onderbouwing hiervan heeft [medeverdachte] aan de politie verschillende bescheiden overgelegd waarvan de juistheid door het openbaar ministerie niet is betwist en waarnaar door het openbaar ministerie evenmin onderzoek is gedaan. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte] ten aanzien van het in beslag genomen geld een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring heeft gegeven. Het had dan ook op de weg van het openbaar ministerie gelegen nader onderzoek te verrichten naar de inkomsten van [medeverdachte] en de door haar overgelegde schriftelijke stukken. Op grond van het dossier kan derhalve niet worden bewezen dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank past met betrekking tot de overige feiten de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 1

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van Politie Noord-Nederland d.d. 25 augustus 2015, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2014174235 d.d. 31 augustus 2015, inhoudende de relatering van

[verbalisant 2] :

In februari 2015 kwam een anonieme melding binnen dat er in een grote schuur achter perceel [adres 1] in [pleegplaats] een hennepkwekerij zou zitten. Het adres [adres 2] in [pleegplaats] bleek niet te kloppen. Hier staat een woning maar de schuur die in deze melding bedoeld werd, hoort niet bij perceel [nummer 1] maar bij perceelnummer [nummer 2] . In deze schuur zou de hennepkwekerij zich bevinden. Op maandag 1 juni 2015 zijn wij naar het genoemde adres gegaan om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke hennepkwekerij in dit pand. Wij verbalisanten hebben ons met dit onderzoek gericht op de schuur welke geheel los staat van de woning. Aan de achterzijde van het afgeschermde gedeelte van de schuur bevonden zich drie afgeschermde doorgangen. Via de tweede doorgang (later ruimte 2 genoemd) zagen wij een in werking zijnde hennepkwekerij. In totaal werd in beslag genomen:

- 710 stuks hennepplanten.4

2. Een ander geschrift, zich bevindende in het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van Politie Noord-Nederland d.d. 25 augustus 2015, opgenomen op p. 14 van voornoemd dossier, te weten de relatering van verbalisant [verbalisant 4] :

Uit eigen waarneming kon ik, verbalisant [verbalisant 4] , vaststellen dat het ging om de vrouwelijke hennep.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d.
2 juni 2015, opgenomen op pagina 105 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik woon aan de [adres 1] te [pleegplaats] . Ik ben sinds 5 juni 2014 huurder van deze woning met de daarbij bijbehorende schuur. De schuur heb ik vanaf 1 januari 2015 gedeeltelijk onderverhuurd. Ik ontvang € 700,- aan huur. Januari, februari en maart zijn via [naam] gegaan. Daar heb ik een afschrift van. In april was dit contant.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d.
4 juni 2015, opgenomen op pagina 115 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik wist van de hennepkwekerij. Die mensen hebben mij benaderd met het voorstel om in die schuur een plantage te starten. Na het oogsten en verkoop zou ik 25% van de opbrengst krijgen. De eerste keer was € 10.000,-. De tweede keer betrof het € 29.000,-. Ik heb het geld contant ontvangen. Ik weet niet of mijn vriendin in de kwekerij is geweest. Zij kan daar zijn geweest. Ik denk dat ik er één keer ben gaan kijken in de kwekerij.

Feit 2 subsidiair

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina 32 van het dossier met nummer PL0100-2014174235 d.d. 31 augustus 2015, met als bijlage een aangifteformulier van [energiebedrijf] d.d. 20 juli 2015, welke bijlage inhoudt als verklaring van [verklarende] namens [energiebedrijf] :

Ik ben namens benadeelde [energiebedrijf] bevoegd om aangifte te doen. [energiebedrijf] heeft met een persoon genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel (de rechtbank begrijpt: [adres 1] te [pleegplaats] ). De fraude-inspecteur constateerde op 1 juni 2015 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan. De deksel van de aansluitkast is ongeoorloofd open geweest. Hiervoor heeft [energiebedrijf] geen toestemming verleend. Op de onderzijde van de patroonhouders van de hoofdbeveiligingen van [energiebedrijf] is een driefasen aftakking gemonteerd. Deze aftakking loopt via de groepenkast van de klant naar de kwekerij. Het verbruik van de kwekerij wordt hierdoor niet geregistreerd door de KWh meter. Voorts was het gelijktijdige af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Naar aanleiding van een inventarisatie en het door [energiebedrijf] ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 147.694 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage en eventueel huishoudelijk verbruik.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d.
4 juni 2015, opgenomen op pagina 115 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik woon aan de [adres 1] te [pleegplaats] . Ik ben sinds 5 juni 2014 huurder van deze woning. Vanaf 1 januari 2015 heb ik de schuur behorend bij het perceel [adres 1] onderverhuurd. Ik wist van de hennepkwekerij in de schuur. Je kunt wel stellen dat ik het gefaciliteerd heb. Er zijn nog meer mensen die in de woning kunnen, behalve de verhuurder namelijk de onderhuurder, omdat hij wist dat er een sleutel onder een pot op de veranda ligt.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover het betreft het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, overweegt de rechtbank als volgt. Voor het opzettelijk aanwezig hebben in de zin van artikel 3 van de Opiumwet is voldoende dat de hennepplanten zich in de machtssfeer van verdachte bevinden. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de huurder is van de schuur waar de hennepplanten zijn aangetroffen. Hij heeft een deel van de schuur verhuurd aan derden, terwijl hij wist dat zij dit deel van de schuur zouden gaan gebruiken voor het telen van hennepplanten. Uit zijn eigen verklaring is verder af te leiden dat hij en zijn vriendin de mogelijkheid hadden om in het afgeschermde gedeelte van de schuur waar de hennepplanten stonden te komen. Daarmee is voldoende komen vast te staan dat de in de schuur aangetroffen hennepplanten zich in de machtssfeer van verdachte bevonden. Nu verdachte, naast het ter beschikking stellen van de schuur, met de onderhuurder heeft afgesproken 25% van de opbrengst van de hennepkwekerij te krijgen, is de rechtbank van oordeel dat tevens sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het opzettelijk aanwezig hebben van de hennepplanten.

Met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat voor strafbare medeplichtigheid is vereist dat het opzet van verdachte zowel moet zijn gericht op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp wordt verleend als op de eigen hulpverlening.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wist dat de onderhuurders een hennepkwekerij in zijn schuur zouden opzetten. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepkwekerijen vaak illegaal van stroom worden voorzien door een aftakking op een bestaande elektriciteitsinstallatie aan te brengen. Ook verdachte moet geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Verdachte heeft aan de onderhuurder van de schuur laten weten dat er een sleutel van zijn woning onder een pot op de veranda lag. Door toegang te verschaffen tot de woning waar zich de meterkast bevond, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat illegaal elektriciteit zou worden afgenomen ten behoeve van de hennepkwekerij.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 juni 2015 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 1] een hoeveelheid van 710 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2. subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 juni 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen uit de woning behorende bij [adres 1] elektriciteit, toebehorende aan [energiebedrijf] ,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 juni 2015 te [pleegplaats] , opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen te laten weten dat er een sleutel van de woning [adres 1] onder een pot op de veranda ligt.

De verdachte zal van het onder 1 en 2 subsidiair meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2. subsidiair medeplichtigheid aan diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van
5 maanden met aftrek.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten komt, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezen- en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen de raadsman ter verdediging heeft aangevoerd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 710 hennepplanten. Verdachte heeft een deel van zijn schuur onderverhuurd aan personen die een hennepkwekerij in de schuur hebben opgezet. Verdachte heeft van twee oogsten 25% van de opbrengst gekregen. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad. Hij heeft door het ter beschikking stellen van de schuur en door te delen in de opbrengst naar het oordeel van de rechtbank enkel gehandeld uit eigen financieel belang. Daarnaast is verdachte medeplichtig geweest aan diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij.

De rechtbank heeft gelet op een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d.

20 januari 2016, waaruit is gebleken dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Gelet op het bovenstaande en het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie, acht de rechtbank oplegging van de maximale taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie en de raadsman hebben omtrent de inbeslaggenomen goederen geen standpunt ingenomen.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat de Saab 95 ( [kenteken] ), 3 fietsen, een horloge en het bedrag van € 1.565,-, moeten worden teruggegeven aan [verdachte] .

Benadeelde partij

[energiebedrijf] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 11.290,97 aan materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet wordt betwist. Nu verdachte over een inkomen beschikt, dat uitwinbaar is, is het niet noodzakelijk dat de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte wordt opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet aangewezen nu de benadeelde partij geacht moet worden over voldoende middelen te beschikken om de vordering zelf bij verdachte te innen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 57 en 311 van het Wetboek van strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair en 3 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit schuldig maakt.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten:

- auto, merk Saab 95 ( [kenteken] );

- 3 fietsen;

- horloge;

- geldbedrag van € 1.565,-.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [energiebedrijf] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 11.290,97 (zegge: elfduizend tweehonderdnegentig euro en zevenennegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M. Haisma, voorzitter, H.H.A. Fransen en

M.J.B. Holsink, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Fennema als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 maart 2016.

Mr. H.H.A. Fransen en mr. M. Haisma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie proces-verbaal van bevindingen pagina 1 en verder van het dossier met nr. PL0100-2014174235.

2 Zie het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2016, als los document gevoegd.

3 HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888

4 Proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 252 van dossier met nummer PL0100-2014174235