Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2510

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
18.930239-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Bewijsuitsluiting.

Geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering of artikel 9 lid 1 onder b. van de Opiumwet.

Voorafgaand aan het binnentreden van het pand kon redelijkerwijze niet vermoed worden dat daar een overtreding werd gepleegd van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930239-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2016.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


1.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari
2015,
te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Meppel,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf
(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of
verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een
(unit ( [nummers] ) in een) (bedrijfs)pand aan [straatnaam] , aldaar,)
(ongeveer) 824, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in
elk geval een hoeveelheid of hoeveelheden van meer dan 30 gram van een
materiaal bervattende hennep,
zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
art 11 lid 3 Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 3 ahf/ond B Opiumwet

2.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari
2015,
te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Meppel,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
hoeveelheid of hoeveelheden electriciteit, in elk geval enig goed,
(alles) (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk
geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des
misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder
zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of
inklimming;
art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er naar aanleiding van de melding door de verhuurder een hennepkwekerij is aangetroffen in het door verdachte gehuurde pand. Daarnaast bleek er elektriciteit op illegale wijze te zijn afgenomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen redelijk vermoeden bestond dat er hennep in het pand werd geteeld. De binnentreding was derhalve onrechtmatig en bewijsuitsluiting dient te volgen. Subsidiair heeft zij gesteld dat er niet aan het bewijsminimum is voldaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en evenals de raadsvrouw van verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

De rechtbank kan uit het dossier niet afleiden dat er voorafgaand aan het binnentreden van het pand redelijkerwijze vermoed kon worden dat er in het betrokken pand een overtreding werd gepleegd van de Opiumwet. Er bestond geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering of artikel 9 lid 1 onder b. van de Opiumwet. Naast de door de verhuurder naar voren gebrachte - te weinig specifieke op de overtreding van de Opiumwet gerichte - omstandigheden, blijkt niet van verder zelfstandig onderzoek door de opsporingsambtenaren naar aanwijzingen van hennepkweek of een andere overtreding van de Opiumwet in het pand. De aanwezigheid van schoorsteenpijpen op het dak van het pand is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te komen tot het bestaan van een redelijk vermoeden, te meer nu verdachte in het kader van de huur had aangegeven dat een klussenbedrijf in het pand zou worden gevestigd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vorenoverwogene, het binnentreden van het pand onrechtmatig is geweest en dat derhalve de, in aansluiting op en als gevolg van dat binnentreden, aangetroffen hennepkwekerij en de gemanipuleerde elektriciteitsmeter voor het bewijs uitgesloten dienen te worden. Wegens het ontbreken van wettig bewijs wordt verdachte dan ook van de tenlastelegging vrijgesproken.

Benadeelde partij

[energiebedrijf] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [energiebedrijf] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter,

mrs. C.P. van Gastel en H. de Wit, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2016.

Mr. De Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.