Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2508

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
18.920228-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke taakstraf met onder andere als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting

wegens het exploiteren van een hennepkwekerij en diefstal van elektriciteit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920228-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2016.

De verdachte is verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2014 tot 3 februari 2015 te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente Emmen, opzettelijk in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf, althans opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 336 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in of omstreeks 3 februari 2014 tot 3 februari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (minimaal 69.961 kWh), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met onderstaande opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, registratienummer: PL0100-2015020656, inhoudende op pagina 5 e.v. de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en op pagina 14 e.v. de aangifte namens [energiebedrijf]

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 3 februari 2014 tot 3 februari 2015 te [pleegplaats] , opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt en verkocht in een woning aan [adres] een hoeveelheid van in totaal 336 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 3 februari 2014 tot 3 februari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Emmen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit (minimaal 69.961 kWh), toebehorende aan [energiebedrijf] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De verdachte zal van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

  2. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 130 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting zoals door de reclassering is geadviseerd.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in reclasseringscontact, een ambulante behandeling en begeleiding door [stichting] .

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in zijn woning een hennepkwekerij aanwezig gehad. Daarnaast werd de stroomvoorziening voor de kwekerij illegaal afgetapt.

De uit hennepplanten te verkrijgen stof is bij gebruik niet alleen schadelijk voor de

volksgezondheid, maar is daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van

criminaliteit.

De rechtbank is gelet op de hiervoor vermelde overwegingen van oordeel dat aan de verdachte -aansluiting zoekend met oriëntatiepunten voor de straftoemeting en overeenkomstig de eis van de officier van justitie - een deels onvoorwaardelijke werkstraf dient te worden opgelegd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Daarnaast zal aan dit strafdeel, ter voorkoming van recidive, als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling voor zijn psychische en verslavingsproblemen bij het FACT team van VNN en begeleiding door [stichting] , worden verbonden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 130 uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt, dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde uiterlijk 2 weken na het onherroepelijk worden van het vonnis zich (telefonisch) meldt bij de GGZ VNN Assen, [telefoonnummer] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de GGZ VNN Assen dit noodzakelijk acht.

2. dat de veroordeelde zich ambulant laat behandelen voor zijn psychische en verslavingsproblemen bij het FACT team van VNN (of soortgelijke ambulante zorg), zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de VNN zullen worden gegeven.

3. dat de veroordeelde zich ambulant laat begeleiden door [stichting] (of soortgelijke ambulante zorg), zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de begeleiding door of namens [stichting] zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering van de verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter,

mrs. C.P. van Gastel en H. de Wit, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2016.

Mr. De wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.