Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2507

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
18.950081-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 255 dagen voorwaardelijk, met onder andere een behandelverplichting,

wegens handel in harddrugs en aanwezigheid van harddrugs en hennep.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 91
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Opiumwet 10
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950081-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B.D. van der Burg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2014 tot en met 8 december
2015 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Hoogeveen,

al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in elk geval

alleen,
meermalen, in elk geval eenmaal, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd
en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/of
cocaïne en/of XTC ((3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)),
zijnde heroïne en/of cocaïne en/of XTC (3,4-methyleendioxymethamfetamine
(MDMA)), (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a
van die wet;
art 2 ahf/ond B Opiumwet
art 10 lid 4 Opiumwet

2.

verdachte op of omstreeks 8 december 2015,
te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Hoogeveen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 32,2 gram, in elk geval een hoeveelheid of hoeveelheden van een
materiaal bevattende cocaïne en/of
ongeveer 10,2 gram, in elk geval een hoeveelheid of hoeveelheden van een
materiaal bevattende heroïne en/of
ongeveer 92, in elk geval een groot aantal, pillen, bevattende XTC
(3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)), althans een hoeveelheid of
hoeveelheden van een materiaal bevattende XTC
(3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)),,
zijnde cocaïne en/of heroïne en/of XTC (3,4-methyleendioxymethamfetamine
(MDMA)), (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a
van die wet;
art 2 ahf/ond C Opiumwet
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 10 lid 3 Opiumwet


3.

verdachte op of omstreeks 8 december 2015,
te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Hoogeveen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 80 gram, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art 3 ahf/ond C Opiumwet
art 11 lid 2 Opiumwet

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen, behoudens het medeplegen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte kan zich in de zienswijze van de officier van justitie vinden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen, wegens het ontbreken van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking, niet bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met onderstaande opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 maart 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, registratienummer: PL0100-2015175098, inhoudende op pagina’s 96/97, 98/99 en 100/101 de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , op pagina 33 e.v. de kennisgevingen van inbeslagnemingen en op pagina 198 e.v. de verklaring van [getuige] .

3. een rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer: 2016.01.05.057, opgemaakt door ing. P.H. Walinga.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte in de periode van 1 februari 2014 tot en met 8 december 2015 te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogeveen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en cocaïne en XTC ((3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)), zijnde heroïne en cocaïne en XTC (3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)), middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

verdachte op 8 december 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogeveen, opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en 92 pillen bevattende XTC (3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)), zijnde cocaïne en heroïne en XTC (3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA)), middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I;


3.

verdachte op 8 december 2015, te [pleegplaats] , in de gemeente Hoogeveen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 80 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

3. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 255 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie CoVaplus, een ambulante behandelverplichting en verblijf in RIBW Boshuis te Emmen;

- een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;

- opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verklaard zich te kunnen vinden in de strafeis. Hij acht toezicht van de reclassering wenselijk en een werkstraf kan volgens hem meerwaarde hebben.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geruime tijd gehandeld in cocaïne, heroïne en XTC. Tevens zijn bij verdachte hoeveelheden van dergelijke middelen en hennep aangetroffen. Het gebruik van dergelijke middelen is niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar is daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft ter zitting te kennen gegeven zijn leven een positieve wending te willen geven. Hij heeft bewindvoering aangevraagd, heeft contact gehad met een psycholoog en volgt een CoVa-training.

Vanwege voormelde ernst van de bewezen verklaarde delicten en de persoon van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte -aansluiting zoekend met oriëntatiepunten voor de straftoemeting- een werkstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, dient te worden opgelegd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Daarnaast zal aan dit strafdeel, ter voorkoming van recidive, als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie bestaande uit een CoVa plus training, een ambulante behandeling bij de Poli VNN en verblijf bij RIBW Boshuis te Emmen, worden verbonden.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht van het inbeslaggenomen geldbedrag ten bedrage van € 498,71, een gedeelte groot € 300,00 vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit uit de baten van het onder 1 bewezenverklaarde feit is verkregen en dit toebehoort aan verdachte. Het restant van het inbeslaggenomen geldbedrag zal aan verdachte worden teruggegeven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 255 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde uiterlijk 2 weken na het onherroepelijk worden van het vonnis zich meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, Damsterdiep 271 te Groningen. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat de veroordeelde deelneemt aan de gedragsinterventie GI-LdH CoVaplus.

3. dat de veroordeelde zich ambulant laat behandelen door de Poli VNN of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

4. dat de veroordeelde verblijft in RIBW Boshuis te Emmen of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich houdt aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering van het Leger des Heils op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Verklaart verbeurd een gedeelte van het in beslag genomen geldbedrag, te weten een gedeelte groot € 300,00.

Gelast de teruggave aan verdachte van een gedeelte van het in beslag genomen geldbedrag, te weten een gedeelte groot € 198,71.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter,

mr. C.P. van Gastel en mr. H. de Wit, rechters,

bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2016.

Zijnde mr. De Wit buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.