Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2506

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
18.850014-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden op voor witwassen van een geldbedrag van 34.290 euro en het voorhanden hebben van een boksbeugel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Opiumwet 13
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850014-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 februari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. de Mare, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 2 februari 2015, in de gemeente Groningen, althans in Nederland,

a.

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 34.290 euro, de vindplaats en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of

b.

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 34.290 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij op of omstreeks 2 februari 2015, in de gemeente Groningen, een wapen, van categorie I, onder 3°, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte het feit ontkent en dat hij voor de herkomst van het grootste deel van het geldbedrag van 34.290 euro een plausibele verklaring heeft; immers hij heeft in 2012 30.000 euro van zijn vader in Turkije geleend. Zijn vader beschikte over het geld door de verkoop van een winkel. Het geldbedrag dat verdachte in Turkse lira heeft gekregen heeft hij bij een vriend omgewisseld in euro's. Verder heeft verdachte tot 2012 bij [naam] gewerkt, waardoor hij geen kosten voor eten en drinken heeft gehad en behoorlijke geldbedragen aan fooien heeft ontvangen. Verdachte is van 24 september 2012 tot 8 oktober 2012 in Turkije geweest en daarna bestond zijn inkomen uit een uitkering van het UWV. Verdachte heeft al die tijd veel geld uitgeleend, terugontvangen en weer gestort op zijn bankrekening. Dit verklaart samen met de genoemde lening van 30.000 euro, de hoogte van geldbedragen die op zijn bankrekening circuleerden en de grootte van de coupures die in de stofzuiger zijn aangetroffen. Immers, in dergelijke coupures werd geld uitgeleend en terugontvangen.

De aanvankelijke verklaringen van verdachte bij de politie op 2 februari 2015, inhoudende onder meer dat hij nog nooit geld heeft geleend en geen geld heeft gespaard, kan niet voor het bewijs worden gebezigd. Verdachte heeft deze verklaringen afgelegd terwijl hij zich door zijn suikerziekte erg ziek voelde en terwijl de politie hem onder druk had gezet. De huisarts van verdachte zou hebben aangegeven zich al langere tijd zorgen te maken over de psychische conditie van verdachte.

Subsidiair heeft de raadsman gevraagd de behandeling van de zaak aan te houden om in de gelegenheid te worden gesteld een leenovereenkomst, die volgens verdachte tussen hem en zijn vader is opgesteld, aan de rechtbank te overleggen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen reden heeft om aan de juistheid van de verklaringen die verdachte op 2 februari 2015 tegenover de politie heeft afgelegd te twijfelen. Dat verdachte tijdens het verhoor op 2 juni 2015 te kampen zou hebben gehad met zodanig ernstige medische klachten dat hij strijdig met de waarheid is gaan verklaren is niet aannemelijk geworden. De medische klachten zijn door de verdediging niet onderbouwd met bijvoorbeeld een medische verklaring. Voorts zijn deze klachten door de betrokken verbalisant niet gesignaleerd (p. 364) en heeft inschakeling van een arts, op het verzoek van verdachte, kennelijk ook geen aanleiding gegeven tot stopzetting van het verhoor. Voor uitsluiting van deze verklaring als bewijsmiddel, zoals door de raadsman bepleit, bestaat dan ook geen grond.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven, steeds zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 6 februari 2015, opgenomen op pagina 348 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015029346, d.d. 24 juni 2015, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op maandag 2 februari 2015 waren wij belast met de zoeking naar een vuurwapen in de woning aan [adres] te [plaats] . Vooraan in de kast stond een stofzuiger. Ik, [verbalisant] , opende de stofzuiger en zag dat er achter de normale stofzak een blauw plastic zakje zat. Ik zag dat er in de blauwe plastic zak een doorzichtig plastic zakje zat. Ik zag dat er een grote stapel bankbiljetten in zat. Ik zag dat het grootste gedeelte bestond uit briefjes van 200 euro biljetten. De RC en haar collega telden een bedrag van 34.290 euro.

2. De door verdachte op de terechtzitting afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

De 34.290 euro die op 2 februari 2015 in de stofzuiger in mijn woning is aangetroffen is van mij. Het geld is, nadat ik het er in 2012 in heb gestopt, er niet meer uit geweest.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 2 februari 2015, opgenomen op pagina 351 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte (in vraag- en antwoordstijl):

(p. 352) V: Heeft u wel eens geld geleend van iemand?

A: Nee nog nooit.

(p. 353) V: Heeft u een persoonlijke lening, hypotheek en dergelijke?

A: Nee nog nooit gehad.

V: Hoeveel spaargeld heeft u?

A: niets.

V: Hoeveel kunt u sparen als u spaart?

A: Soms eens een keer 200 euro, maar dat gaat dan een maand later wel weer op.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 6 februari 2015, opgenomen op pagina 369 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsman als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde is vereist dat komt vast te staan dat het betreffende geldbedrag, middellijk of onmiddellijk afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dat wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden. Daarbij is het niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid door wie, waar en wanneer het misdrijf is gepleegd waaruit het geldbedrag is verkregen. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een vermoeden van een criminele herkomst. Voorts is het aan de verdachte om een verklaring te geven waaruit van een legale herkomst van het geld blijkt. In deze verklaring dient een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld te worden aangewezen.

De raadsman heeft ter ondersteuning van zijn verweer stukken ingezonden waaruit zou blijken dat de vader van verdachte in 2012 aan verdachte 30.000 euro heeft geleend en thans een vordering van dat bedrag op verdachte heeft.

De rechtbank is echter van oordeel dat met deze stukken geen duidelijkheid wordt verschaft over de gestelde herkomst van het geldbedrag. De leenovereenkomst die tussen verdachte en zijn vader zou zijn opgemaakt is tot op heden niet aan justitie overgelegd, terwijl daar aan verdachte ruim de tijd voor is gegeven. Gelet op die ruime tijdspanne zal de rechtbank het aanhoudingsverzoek met het doel om alsnog die overeenkomst te overleggen afwijzen, bij gebrek aan noodzaak daartoe. Verder is uit de stukken gebleken dat verdachte in de periode voorafgaand aan de vermeende lening zelf nog geld aan zijn vader heeft overgemaakt. Verdachte heeft ter terechtzitting geen plausibele verklaring kunnen geven voor het overmaken van deze geldbedragen aan zijn vader, terwijl hij kort daarop zelf geld van zijn vader zou hebben geleend. Verder zijn geen stukken overgelegd betreffende de vermeende wisseltransactie van de Turkse lira in euro’s en de door de raadsman gestelde hoge kosten welke hiermee gemoeid zijn gegaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat met vorenstaand verweer geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld is aangegeven.

De rechtbank acht verder de volgende omstandigheden van belang.

Het geld is op een zeer ongebruikelijk plaats in de woning van verdachte aangetroffen in veel coupures van 200 euro. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dergelijke coupures voornamelijk circuleren in het criminele circuit. Verdachte heeft verder antecedenten op het gebied van hennepteelt en er zijn goederen in de schuur van zijn woning aangetroffen die gerelateerd zijn aan hennepteelt (p. 349). Verder is er een boksbeugel in de auto van verdachte aangetroffen hetgeen, in combinatie met het voorgaande, het vermoeden versterkt dat verdachte zich met criminele activiteiten heeft ingelaten. Dit vermoeden wordt verder versterkt door de omstandigheid dat er op de bankrekening van verdachte in 2012 en 2013 grote geldbedragen circuleerden die volstrekt niet in verhouding staan tot de legale inkomsten van verdachte over die jaren. Het verweer van de raadsman van verdachte dat deze bedragen ook kunnen worden verklaard met het geld uit de lening van de vader (dat door verdachte steeds opnieuw voor gelduitleenpraktijken zou worden gebruikt) van verdachte is door verdachte zelf ter terechtzitting weersproken; immers hij heeft verklaard dat de 30.000 euro de stofzuiger niet uit zijn geweest nadat hij ze er in 2012 in heeft gestopt. De verklaring van verdachte dat hij vaak geld heeft uitgeleend dat hij na terugbetaling weer op zijn rekening stortte wordt op geen enkele wijze door hem onderbouwd; verdachte weigert namen te noemen van personen die deze uitleenpraktijken zouden kunnen bevestigen.

De verklaring van verdachte daarbij dat hij uitgeleend geld na teruggave altijd direct weer op zijn rekening stortte en het korte tijd later er weer van afhaalde voor andere leningen komt de rechtbank bovendien vreemd voor in het licht van de wijze waarop hij de 34.290 euro in zijn huis bewaarde en niet op zijn rekening stortte. Verdachte heeft daar ter terechtzitting geen plausibele verklaring voor gegeven.

Voorts heeft verdachte verklaard dat veel geld aan hem betaald zou zijn als “aandachtsgeld” voor zijn ouders in Turkije, in verband met de ziekte en het overlijden van zijn moeder. Nu verdachte ook hier geen namen kan noemen acht de rechtbank ook deze verklaring niet plausibel.

Verder heeft verdachte diverse tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Eerst zou verdachte nog nooit geld hebben geleend (verklaring d.d. 2 februari 2015), daarna zou hij 30.000 euro van zijn vader hebben geleend. Zijn vader zou in Turkije een winkel hebben verkocht en verdachte zou daar bewijzen van hebben (verklaring d.d. 2 juni 2015, p. 359), echter verdachte heeft dergelijke bewijzen niet getoond. Gelet op de ernst van de verdenking zou het voor de verdediging zeer voor de hand hebben gelegen dergelijke bewijsstukken, indien aanwezig, te overleggen. Nu dit niet is gebeurd gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte, in tegenstelling tot hetgeen hij hierover heeft verklaard, kennelijk niet de beschikking over dergelijke stukken heeft (gehad). Verder heeft verdachte verklaard dat hij 30.000 euro van zijn vader heeft ontvangen. Daarover doorgevraagd heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij het geld in Turkse lira heeft gekregen en dat hij deze later heeft omgewisseld in euro's.

In aanmerking genomen de genoemde wijze van verbergen van het geld, de hoogte en coupures van het geldbedrag en de niet-verifieerbare verklaringen die de verdachte omtrent de herkomst van het geld heeft afgelegd, alsmede in aanmerking genomen dat verdachte in verband kan worden gebracht met de teelt van hennep, in combinatie met het voorhanden hebben gehad van een boksbeugel, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat het aangetroffen geld onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf en dat de verdachte dat wist.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 2 februari 2015, in de gemeente Groningen, althans in Nederland,

a.

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 34.290 euro, de vindplaats heeft verborgen, en

b.

een voorwerp, te weten een geldbedrag van 34.290 euro, voorhanden heeft gehad,

terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij op 2 februari 2015, in de gemeente Groningen, een wapen, van categorie I, onder 3°, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Witwassen, meermalen gepleegd.

2. Handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft - voor het geval de rechtbank tot strafoplegging zal overgaan - ervoor gepleit deze te beperken tot de oplegging van een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van 34.290 euro. Door deze manier van handelen heeft hij geprobeerd inkomsten uit misdrijven te onttrekken aan het zicht van justitie en de belastingdienst, hetgeen doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel in het bijzonder en schade aan de maatschappij in het algemeen. Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand.

Verder heeft verdachte een boksbeugel voorhanden gehad, zijnde een verboden wapen op grond van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft voor deze feiten ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid willen nemen.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, in het recente verleden niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur als gevorderd door de officier van justitie passend en geboden. Een strafafdoening als bepleit door de raadsman van verdachte doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van 34.290 euro, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het bewezen verklaarde met betrekking tot dit in beslag genomen voorwerp is begaan.

De rechtbank ziet gelet hierop geen reden om te bepalen dat het beslag moet worden teruggegeven aan verdachte, zoals door de raadsman terechtzitting is bepleit.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomene: een geldbedrag van 34.290 euro.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. H.L. Stuiver en

mr. M.J.B. Holsink, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 februari 2016.