Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2497

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
4294777 AR VERZ 16-63 en 5005629 AR VERZ 16-82
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

WWZ, weigering ontbinding arbeidsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0551
AR 2016/1458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer.: 4294777 AR VERZ 16-63 en 5005629 AR VERZ 16-82

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671 lid 1 BW d.d. 24 mei 2016

inzake

Noord Nederlands Stempel- en Leermiddelenfabriek

Gevestigd en kantoorhoudende te Groningen, [adres] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A.J. Riemslag advocaat te Enschede,

tegen

[A] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M.R. van der Veen, advocaat te Groningen.

Partijen zullen hierna NNSL en [A] worden genoemd.

PROCESGANG

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

NNSL heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 21 maart 2016. [A] heeft op 18 april 2016 een verweerschrift en een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, inhoudende dat voor het geval de kantonrechter mocht overgaan tot ontbinding van het verzoek [A] aanspraak maakt op een transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 65.000,00 bruto.

Op 26 april 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1

NNSL is een internationaal producent van op maat gemaakte houtproducten, stempels en additioneel leermateriaal.

1.2

[A] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 februari 1991 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van NNSL. De laatste functie die [A] vervulde, is die van houtbewerker met een salaris van € 2.404,06 bruto per maand exclusief 8 % vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.3

Op 24 november 2015 heeft er een verbaal incident op de werkvloer plaatsgevonden tussen [A] en zijn collega de heer [B] . Op 25 november 2015 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden tussen de algemeen directeur van NNSL, de heer [C] , en [A] . Medegedeeld is dat dergelijk incidenten niet worden geduld door NNLS en dat zij er van uit gaat dat [A] en [B] hun conflict met elkaar uitspreken. Dit is bevestigd in een brief van NNSL van 26 november 2015 aan zowel [A] als de heer [B] .

1.4

Als reactie op deze brief heeft [A] onder meer het volgende aan NNSL geschreven:

Tot slot wil ik u er van op de hoogte stellen dat dit incident, zoals ik al eerder

aanduidde, geen uniek voorval is. Ik ervaar al lange tijd herhaaldelijk intimiderend

gedrag van dhr. [B] op de werkvloer. Ik ben mij pijnlijk bewust van het feit dat

dhr. [B] en andere collega’s mij opzettelijk negeren, achter mijn rug om

negatief over mij praten en opzettelijk gegevens betreffende ontwikkelingen op de

werkvloer voor mij achterhouden zodat er een splitsing tussen ‘wetende’ en ‘nietwetende’

werknemers ontstaat. Dit leidt er toe dat ik mij niet een volwaardig onderdeel van de groep werknemers voel. U zult begrijpen dat dit alles een zeer onprettige werksituatie voor mij oplevert. Als gevolg hiervan heb ik al maanden last van slaapstoornissen en andere psychosomatische klachten. Ondanks dat probeer ik steeds mijn uiterste best te doen om goed te functioneren en de situatie werkbaar te houden.

Voor mij is het duidelijk dat stilzwijgend accepteren van deze situatie niet tot een

oplossing van het diepliggende probleem zal leiden. Heel graag zou ik tot de door u

genoemde constructieve en plezierige samenwerking tussen collega’s komen en ik

ben dan ook blij te horen dat ik hier in op uw steun kan rekenen. Het inzetten van

een mediator die ons van advies kan voorzien lijkt mij een uitstekende eerste stap. Ik

hoop dat hij handreikingen kan verlenen die ertoe bijdragen dat de werksfeer in ons

bedrijf normaliseert en dat er weer met respect voor elkaar samengewerkt kan

1.5

Op 30 november 2015 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden tussen [A] en [C] . In het verslag van dit gesprek is onder meer vermeld:

[C] geeft aan dat er eigenlijk maar 1 probleem op tafel ligt dat gerelateerd is aan [A] en dat is de onderlinge samenwerking met collega’s. In voorgaande functioneringsgesprekken met collega’s die op dezelfde werkvloer werkzaam zijn, wordt eendrachtig gemeld dat [A] niet coöperatief samenwerkt. Deze situatie heeft geleid tot een incident met dhr. [B] maar speelt al langer en moet op korte termijn worden opgelost. [A] herkent de problematiek en geeft aan dat hij misschien niet de makkelijkste is, maar dat het probleem op de werkvloer ook zeker aan de collega’s te wijten is. Om dit probleem te tackelen, wordt door NNSL externe mediation aangeboden en dat perspectief wordt door [A] onderschreven.

Samenvattend

Werkgever is tevreden over de werkzaamheden van [A] . Indien [A] een scholingswens heeft, zal hij deze indienen. Met betrekking tot de problematiek van ‘samenwerken met collega’s’ is gekozen om het traject van externe mediation te bewandelen.

1.6

[A] heeft dit verslag niet ondertekend. Op 22 januari 2016 heeft hij bij brief onder meer aan NNSL aangegeven dat hij zich niet kan vinden in de zinsnede dat hij misschien niet de makkelijkste is.

1.7

Met ingang van januari 2016 zijn [A] en zijn collega’s gestart met de externe mediation om tot afspraken te komen teneinde een betere onderlinge samenwerking en een veilig werkklimaat te bereiken.

1.8

De mediator heeft in januari 2016 met alle vijf medewerkers van de houtafdeling, afzonderlijk één gesprek gevoerd.

1.9

[A] heeft zich op 15 februari 2016 ziek gemeld. Op 2 maart 2016 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat er geen sprake is van ziekte maar van een arbeidsconflict.

1.10

Op 11 maart 2016 heeft [C] [A] thuis bezocht en drie voorstellen gedaan tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Op deze voorstellen is [A] niet ingegaan.

1.11

In een e-mail van 23 maart 2016 van de mediator aan de vijf medewerkers is onder andere het volgende vermeld:

Het is al weer even geleden dat jullie iets van ons hoorden. Na de individuele gesprekken die wij met jullie gevoerd hebben, heeft [C] de draad opgepakt en zelf nog enkele gesprekken gevoerd. Vandaag hebben wij contact met hem gehad en hebben we geconcludeerd dat verdere voortzetting van de mediation niet meer zinvol is. Graag hadden we het traject willen afronden met het vastleggen van afspraken maar helaas is het niet zover gekomen. Wij maken nu van de gelegenheid gebruik om jullie te laten weten dat we

de gevoerde gesprekken als uitermate coöperatief en openhartig hebben ervaren, dank daarvoor. Mochten er nog vragen zijn die jullie ons willen stellen, neem dan gerust contact met ons op. Wij beëindigen nu de mediation op neutrale gronden. Wellicht ten overvloede willen wij jullie erop wijzen dat de vertrouwelijkheid en geheimhouding, zoals vermeld in de mediationovereenkomst, ook nu de mediation beëindigd is van kracht blijft. Ik verwacht dat ieder conform zal handelen en dat er aan derden geen mededelingen over hetgeen besproken is, worden gedaan

3 Het geschil

3.1

NNSL verzoekt de arbeidsovereenkomst met [A] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.

Aan dit verzoek legt NNSL ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing stelt NNSL dat tussen [A] en zijn collega’s al langere tijd sprake van een samenwerkingsprobleem dat na verloop van tijd is geëscaleerd en is uitgemond in een ernstige verstoorde arbeidsverhouding. Hierdoor kan van NNSL niet langer gevergd worden om de arbeidsovereenkomst met [A] te laten voortduren. Opvallend is dat [A] de oorzaken van incidenten niet bij zichzelf legt maar bij zijn collega’s terwijl zijn collega allemaal verklaren dat het gedrag en de houding van [A] de oorzaak is van de incidenten. Ook de mediator heeft gemeld dat door middel van mediation geen oplossing in de samenwerkingsproblematiek kan worden bereikt. Binnen de organisatie van NNSL zijn geen andere passende functies voor [A] voor handen.

3.2

[A] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan dat er geen sprake is van een verstoring van de verhouding tussen partijen. Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [A] bij wijze van tegenverzoek om, naast de transitievergoeding, toekenning van een billijke vergoeding van € 65.000,00.

3.3

Waar nodig zal de kantonrechter bij de beoordeling nader op de standpunten van partijen ingaan.

4 De beoordeling

In de zaak van het verzoek

4.1

Nu niet anders is gesteld of gebleken, moet ervan worden uitgegaan dat er geen sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een naar aard en strekking daarmee vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift.

4.2

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [A] een billijke vergoeding moet worden toegekend. De kantonrechter overweegt als volgt.

4.4

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.5

NNSL voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door NNSL in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6

De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat uit voornoemd artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW volgt dat van de hierin genoemde ‘redelijke grond’ voor een ontbinding slechts sprake kan zijn indien een verstoorde arbeidsverhouding zodanig is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de zinsnede “zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren” ligt besloten dat de verstoring van de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam moet zijn.

4.7

De kantonrechter overweegt dat uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken weliswaar blijkt dat er tussen [A] en zijn collega’s over en weer irritaties zijn, maar zulks betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er sprake is van een duurzame verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van NNSL in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.8

De kantonrechter is van oordeel dat NNSL onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich heeft ingespannen om de verhoudingen tussen de collega’s te verbeteren. Niet duidelijk is geworden dat de irritaties tussen de collega’s en [A] onderling goed zijn uitgesproken. Zo is niet gebleken is dat NNSL haar werknemers met elkaar in gesprek heeft laten gaan, zo nodig onder leiding van een onafhankelijke derde. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg gelegen van NNSL, als werkgever, om een meer bemiddelende rol tussen de werknemers te spelen. Dat er in januari 2016 mediation heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. Partijen hebben zich vanwege de overeengekomen vertrouwelijkheid over de inhoud van die mediation niet kunnen uitlaten, maar vast staat dat deze mediation voortijdig is beëindigd, dat er maar één gesprek is gevoerd met de werknemers afzonderlijk en dat er tussen de werknemers onderling geen groepsgesprek is gevoerd.

4.9

NNSL voert voorts aan dat zij meerdere gesprekken heeft gehad met [A] over zijn gedrag maar dat bij [A] enige zelfreflectie ontbrak en hij steeds aangaf dat het niet aan hem lag. [A] heeft betwist dat dergelijke gesprekken zijn gevoerd. NNSL heeft haar stellingen terzake naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Zo is uit de stukken niet gebleken dat er gesprekken met [A] zijn geweest naar aanleiding van de verwijten die de collega’s hebben geuit omtrent het gedrag van [A] over bijvoorbeeld het te vroeg weg gaan naar huis, het gebruik van zijn telefoon onder werktijd en het te pas en te onpas koffie halen. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van NNSL ligt om zulke concrete zaken aan de orde te stellen en zo nodig [A] de gelegenheid te geven zijn gedrag ter zake te verbeteren door middel van bijvoorbeeld een verbetertraject. Dit is niet gebeurd. Ook is niet gebleken dat [A] is aangesproken op het verwijt dat hij de afspraken met betrekking tot de CNC-machine niet nakomt. Uit het functioneringsverslag blijkt juist dat NNSL tevreden is over de wijze waarop [A] zijn werkzaamheden uitvoert.

4.10

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat NNSL onvoldoende heeft gedaan om de onderlinge verhoudingen tussen [A] en zijn directe collega’s te verbeteren en heeft zij nadat het mediation voortijdig was beëindigd te snel aangestuurd op beëindiging van het dienstverband. Dit klemt te meer nu het hier om een werkgever gaat die 25 jaar in dienst is en al die tijd goed heeft gefunctioneerd. Gelet op voorgaande kan op dit moment niet worden geoordeeld dat van NNSL niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.11

Voorts is de kantonrechter van oordeel NNSL dat ten aanzien van de mogelijkheid om [A] elders binnen haar onderneming te herplaatsen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze mogelijkheid niet bestaat.

4.12

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van NNSL zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden.

4.13

De proceskosten komen, als de partij die in het ongelijk wordt gesteld, voor rekening van NNSL. De proceskosten tot op heden aan de zijde van [A] worden vastgesteld op

€ 600,00 wegens salaris gemachtigde.

in de zaak van het voorwaardelijk tegenverzoek

4.13

Het door [A] ingediende voorwaardelijke tegenverzoek behoeft - nu niet aan de daaraan verbonden voorwaarde is voldaan - geen nadere bespreking.

BESLISSING

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

wijst de verzochte ontbinding af;

veroordeelt NNSL in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [A] vastgesteld op € 600,00;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. van den Noort, kantonrechter, en op 24 mei 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.