Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2414

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
18.830237-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 15 augustus 2015 tijdens een uit de hand gelopen ruzie een man doodgeschoten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag en niet aan moord, omdat het fatale schietincident direct volgde op het gevecht tussen de beide mannen en voor kalm en rustig beraad dus geen gelegenheid bestond. Hoewel verdachte zich mocht verdedigen tegen de aanval van het slachtoffer, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank door meteen op diens lichaam te schieten de grenzen van wat voor verdediging nodig was ver overschreden. Deze overschrijding acht de rechtbank niet verontschuldigbaar. Wel houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de context waarin de fatale confrontatie heeft plaatsgevonden. Het opleggen van een TBS-maatregel is niet mogelijk, nu op grond van de beschikbare gedragskundige informatie niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van 9 jaar op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2012-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830237-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 mei 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2015, 12 februari 2016, 25 april 2016 en 9 mei 2016.

De verdachte is op de zitting van 25 april 2016 verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te Groningen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) te schieten in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de impliciet primair ten laste gelegde moord kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft nagedacht, althans een moment heeft gehad om zich te beraden, voordat hij schoot met een wapen in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de impliciet primair ten laste gelegde moord niet kan worden bewezen en dat er sprake is van doodslag. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen tijd heeft gehad om na te denken alvorens hij schoot. Verdachte stond oog in oog met [slachtoffer] en heeft in een flits geschoten. De heel korte tijd die er theoretisch is geweest, heeft verdachte volgens de raadsman niet kunnen gebruiken om na te denken.

Het oordeel van de rechtbank

vrijspraak

De rechtbank acht de impliciet primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Vast staat dat verdachte geschoten heeft en daarbij [slachtoffer] heeft geraakt in het bovenlichaam, waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. Dat verdachte daarbij met voorbedachten rade heeft gehandeld, acht de rechtbank niet bewijsbaar. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting weliswaar heeft erkend dat hij op de bewuste dag een penpistool bij zich droeg, maar ook heeft verklaard dat hij dit vuurwapen altijd, zodra hij zijn woning verlaat, meeneemt, omdat hij zich bedreigd voelt door heel veel personen om zich heen. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat dit op de bewuste dag anders is gegaan. In het bijzonder acht de rechtbank de verklaring van de [getuige 1] , die kort gezegd inhoudt dat hij verdachte op enig moment voor de fatale confrontatie heeft horen zeggen dat hij “die shit, die ding” zou gaan ophalen, onvoldoende duidelijk om (alleen) op grond hiervan aan te moeten nemen dat verdachte het vuurwapen bewust en met het oog op een verdere confrontatie met het slachtoffer heeft gepakt. Uit het feit dat verdachte het vuurwapen bij zich had, kan dus niet het vooropgezette plan worden afgeleid om het vuurwapen die dag tegen het slachtoffer in te zetten.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte net voor het fatale schot werd aangevallen door het slachtoffer. De rechtbank zal daar hieronder nog nader op ingaan. Tussen die aanval en het schot zat slechts een zeer korte tijdspanne. Het enige moment van betrekkelijke rust in die tijdspanne was het moment waarop verdachte de straat overstak naar de middenberm. Dat moment was echter zo kort dat niet kan worden vastgesteld of er voor verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of te nemen besluit om het schot te lossen en na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daar komt bij dat de rechtbank de verklaring van verdachte dat op dat moment bij hem emoties als angst en woede de boventoon voerden aannemelijk acht en dat ook om die reden van kalm en rustig beraad geen sprake is geweest.

Bewijsmiddelen met betrekking tot het impliciet subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de door verdachte op de terechtzitting van 25 april 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Op 15 augustus 2015 heb ik op de [laan] te [pleegplaats] een schot gelost uit een penpistool in de richting van [slachtoffer] .

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 15 augustus 2015, opgenomen op pagina 89 van het dossier met nummer 2015238031 d.d. 20 oktober 2015, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :

Ik hoorde op 15 augustus 2015 iemand schreeuwen buiten op straat. Ik ben vervolgens gaan kijken. Vanuit mijn woonkamer heb ik zicht op de [laan] . Ik zag vervolgens een donkere man met een haarnet op zijn hoofd schreeuwen in de [laan] . Even later zag ik dat er iemand aan kwam rijden op een gele fiets over de stoep. Ik zag dat deze man iets van metaal in zijn handen had. Ik zag vervolgens toen hij vlakbij de man die aan het schreeuwen was aankwam hij deze een klap met het metalen voorwerp gaf waardoor de man op de grond viel. Hierop zag ik dat de man die een klap had gekregen weer opstond. Ik zag dat de man met haarnet naar de middenberm liep. Ik zag vervolgens dat de andere man, welke nog steeds een metalen voorwerp in zijn handen had ook naar de middenberm liep. Ik zag vervolgens dat beide mannen tegenover elkaar stonden. Ik hoorde vervolgens een knalletje en zag dat de man met het metalen voorwerp op de grond viel. Ik zag vervolgens een hoop bloed.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 15 augustus 2015, opgenomen op pagina 119 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] :

Ik zag een stuk onderarm van de dader en een pistool in zijn hand. Ik zag het slachtoffer tegenover hem staan. Het pistool werd gewoon recht naar voren gericht, in de richting van de borst. Het slachtoffer lag midden op de kruising van het zebrapad, in het midden van twee zebrapaden, bij de middengeleider.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 15 augustus 2015, opgenomen op pagina 130 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 4] :
Ik woon aan de [laan] [nummer] te [pleegplaats] , samen met mijn man [getuige 3] . Ineens hoorde ik een hoop geschreeuw. Ik ben voor het raam gaan staan kijken. Ik zag toen dat het slachtoffer op de middenberm van de [laan] stond, ter hoogte van de beide zebrapaden. Dus eigenlijk tussen de beiden zebrapaden in. Ik zag dat de verdachte tegenover hem stond. Ik zag dat de dader vervolgens een van zijn armen gestrekt naar voren richtte. Ik zag dat hij iets in zijn hand geklemd hield. Ik zag en hoorde ineens een soort knal, een geluid. Ik zag direct daarna dat de verdachte wegrende, terug naar het trottoir aan de zijde waar wij wonen en uit het zicht verdween.

5. Een voorlopig sectierapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2015.08.17.001, d.d. 17 augustus 2015 opgemaakt door arts en patholoog M. Buiskool en opgenomen op pagina 438 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als haar verklaring:

Bij sectie op [slachtoffer] werd letsel vastgesteld, welke bij leven was ontstaan ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld, namelijk een inschot. In relatie met het inschot waren vitale structuren geraakt, waaronder de grote lichaamsslagader en beide longen, met bloedophoping in beide borstholten en een klaplong onder spanning tot gevolg. Het overlijden wordt verklaard door opgetreden longfunctiestoornissen en substantieel bloedverlies ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld, namelijk een inschot aan de romp.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de hierboven opgenomen verklaringen van de [getuige 3] en [getuige 4] blijkt dat verdachte gericht op het lichaam van het slachtoffer heeft geschoten. Naar de uiterlijke verschijningsvorm is een dergelijke handeling zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van het slachtoffer, dat moet worden aangenomen dat verdachte daar het opzet op had.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 15 augustus 2015 te [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd door met een vuurwapen een kogel te schieten in het bovenlichaam van die [slachtoffer] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van verdachte

Het bewezen verklaarde levert op: doodslag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer of noodweerexces niet kan slagen, omdat de eerdere ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer] reeds was geëindigd op het moment dat verdachte met een wapen op [slachtoffer] schoot. Voorts stond het gebruik van een vuurwapen door verdachte niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, waardoor verdachte door te schieten met een wapen de grenzen die aan een noodzakelijke verdediging worden gesteld ver heeft overschreden. Daarnaast heeft verdachte zich zelf in de positie gebracht dat hij zich moest verdedigen, nu hij de confrontatie met [slachtoffer] heeft opgezocht door gedurende geruime tijd in de richting van [slachtoffer] te schreeuwen en te schelden. Van noodweerexces was volgens de officier van justitie geen sprake, omdat verdachte niet verkeerde in de vereiste hevige gemoedstoestand op het moment dat hij het fatale schot loste.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte gerechtvaardigd was, nu hij zich moest verdedigen tegen een aanval door [slachtoffer] met een breekijzer, waarmee het mogelijk is iemand dood te slaan. Verdachte was door een eerdere klap met het breekijzer tegen zijn been niet in staat om weg te lopen en kon zich op dat moment niet onttrekken aan de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan, omdat verdachte ten tijde van het incident behoorlijk in paniek was en er bij hem derhalve sprake was van een hevige gemoedsbeweging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de navolgende feiten zoals die uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken.

Op 15 augustus 2015, in de ochtend of in het begin van de middag, is sprake van een eerste confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] . Daarbij rijden zij, verdachte op een scooter en [slachtoffer] op een fiets, schreeuwend heen en weer en achter elkaar aan over de stoep van de [laan] waarbij verdachte volgens getuigen een op een mes gelijkend voorwerp in zijn hand heeft; vermoedelijk gaat het daarbij om het penpistool dat verdachte later gebruikt heeft. Nadat deze ruzie is geëindigd, bezoekt verdachte een coffeeshop in het centrum van de stad en treft hij kennissen op de [locatie] . [slachtoffer] gaat ondertussen naar [supermarkt] aan de kop van de [straat 1] .

Rond 14:00 uur is [slachtoffer] terug in de [laan] waar hij op straat bij een elektriciteitskastje koffie drinkt en een joint rookt, samen met onder meer de [getuige 5] en [getuige 1] . Verdachte bevindt zich volgens onder andere deze getuigen rond 14:00 uur in de buurt van zijn woning aan de [laan] waar hij schreeuwend heen en weer loopt. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat [slachtoffer] verdachte opmerkt en tegen de anderen zegt dat hij verdachte te pakken gaat nemen. Vervolgens, zo blijkt uit de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 1] , loopt [slachtoffer] bij hen weg. Even later komt [slachtoffer] op zijn fiets vanaf de [straat 2] de [laan] op fietsen en nadert hij verdachte van achteren. Verdachte kijkt op dat moment in de richting van het elektriciteitskastje waar [getuige 1] en [getuige 5] nog staan en ziet [slachtoffer] niet aan komen fietsen. Volgens [getuige 5] en [getuige 1] gooit [slachtoffer] wanneer hij dicht bij verdachte is zijn fiets tegen verdachte aan en slaat hij verdachte met een door hem meegevoerde ijzeren staaf met een scherpe punt; verdachte komt daarbij ten val. Nadat hij overeind is gekrabbeld, loopt verdachte naar de middenberm van de [laan] . [slachtoffer] moet om ook die middenberm te bereiken eerst een weggedeelte van de [laan] oversteken. In enig volgend moment beweegt verdachte zich in een richting van [slachtoffer] af. Vervolgens kijkt verdachte achterom, ziet dat [slachtoffer] wederom in zijn richting komt lopen, draait zich om en schiet met het door hem meegedragen penpistool in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] , die daardoor dodelijk wordt getroffen.

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient er sprake te zijn van een noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door [slachtoffer] op het moment dat [slachtoffer] verdachte onverhoeds van achteren aanviel en vervolgens sloeg met de ijzeren staaf. Het volgende moment, waarop verdachte zich naar de middenberm van de [laan] begaf en [slachtoffer] even moest wachten met oversteken van een weggedeelte van de [laan] alvorens de middenberm te bereiken, betreft een kort moment van betrekkelijke rust. De aanranding eindigde echter niet op dat moment. Een andersluidend oordeel zou de feitelijke situatie miskennen. De verdachte bevond zich immers in een situatie waarin het slachtoffer, die hem kort tevoren met een ijzeren staaf had geslagen, achter hem aankwam met de ijzeren staaf nog in zijn hand. Meteen daarna, toen verdachte bemerkte dat [slachtoffer] achter hem aankwam, heeft hij het fatale schot gelost. Op grond van de geschetste omstandigheden kan derhalve worden aangenomen dat verdachte heeft geschoten in een situatie waarin hij zich nog mocht verdedigen tegen het wederrechtelijke handelen van het slachtoffer. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte, door meteen over te gaan tot het gebruik van dodelijk geweld, de grenzen van de op dat moment noodzakelijke verdediging ver heeft overschreden. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het merendeel van de getuigenverklaringen, die de rechtbank voor wat betreft de vaststelling van de feitelijke situatie ter plaatse zal volgen, blijkt dat verdachte en [slachtoffer] op het moment van het fatale schot niet zo dicht bij elkaar stonden dat [slachtoffer] verdachte met het breekijzer had kunnen raken en evenmin dat [slachtoffer] op het moment dat verdachte schoot de ijzeren staaf slagklaar opgeheven in zijn hand hield. Derhalve was de aanval van [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank op het moment van het schieten door verdachte niet dusdanig acuut dreigend dat het dodelijk schieten de enige mogelijkheid voor verdachte was om zijn lijf hiertegen te verdedigen. Van verdachte mocht in redelijkheid een minder ingrijpende wijze van verdedigen worden gevergd, bijvoorbeeld door het dreigend tonen van het vuurwapen, het lossen van een waarschuwingsschot of – in het uiterste geval – het schieten in een niet-vitaal deel van het lichaam van [slachtoffer] .

De rechtbank concludeert dan ook dat het handelen van verdachte – het opzettelijk gebruik van dodelijk geweld – niet gerechtvaardigd was. Het beroep op noodweer wordt verworpen. Het bewezenverklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank het volgende.

Van noodweerexces kan sprake zijn wanneer de overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging onmiddellijk het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.

Verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het schieten tegenover de politie, ten overstaan van de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet veel verklaard, anders dan dat hij bang en in paniek was door de aanval van [slachtoffer] . Uit de afgelegde getuigenverklaringen over de houding en het gedrag van verdachte kort voor het fatale schietincident blijkt echter niet dat die emoties van een zodanige intensiteit waren dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging als hierboven bedoeld. Op grond van vorenstaande overweegt de rechtbank dat het weliswaar aannemelijk is dat bij verdachte als gevolg van de aanranding emoties als angst en woede zijn opgewekt, maar dat niet aannemelijk is geworden dat deze emoties van doorslaggevende invloed zijn geweest op het strafbare handelen van verdachte. Dat betekent dat de rechtbank de vergaande mate waarin verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden niet verontschuldigbaar acht.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen. Dat betekent dat verdachte, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid uitsluit, strafbaar is.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich aan een levensdelict schuldig gemaakt. Hij heeft op klaarlichte dag en op de openbare weg het slachtoffer met een vuurwapen doodgeschoten. Diverse personen die zich op straat of in hun woning aan de [laan] bevonden, hebben het feit zien gebeuren, hetgeen een traumatische ervaring voor hen moet zijn geweest. Door het slachtoffer van het leven te beroven, heeft verdachte bij diens nabestaanden veel verdriet en boosheid veroorzaakt. Zij moeten verder leven zonder hun dierbare.

Het feit waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt is één van de ernstigste in het Wetboek van Strafrecht en rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een lange duur. Bij het bepalen van deze duur zal de rechtbank er wel rekening mee houden dat het hier gaat om een uit de hand gelopen ruzie, waarbij het slachtoffer degene is geweest die, kort voor het fatale schietincident, de confrontatie met verdachte bewust heeft opgezocht en hem onverhoeds en met een breekijzer heeft aangevallen. De strafwaardigheid van het handelen van verdachte is daarin gelegen dat hij vervolgens de grenzen van wat noodzakelijk was om zich te verdedigen ver heeft overschreden en dat hij zodoende het slachtoffer nodeloos om het leven heeft gebracht.

Omtrent de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt de rechtbank dat een dergelijke maatregel alleen kan worden opgelegd indien bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Verdachte heeft voortdurend geweigerd mee te werken aan enig onderzoek door een psycholoog of een psychiater. Derhalve is hij op bevel van de rechtbank ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum. Hieromtrent hebben psycholoog T.W. van de Kant en psychiater M. van Berkel een rapport d.d. 15 april 2016 opgemaakt. Deze deskundigen concluderen: “Betrokkene heeft niet meegewerkt aan het onderzoek waardoor het niet mogelijk is om een vergaande diagnose vast te stellen. Maar op grond van alle beschikbare informatie en de observaties is het wel mogelijk om te concluderen dat er sprake is van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling. Betrokkene komt namelijk telkenmale in grote problemen waarbij hij niet in staat blijkt om deze problemen op te lossen en waarbij er aanwijzingen zijn voor diverse stoornissen. Zo is eerder de diagnose persoonlijkheidsstoornis gesteld (met borderline- en antisociale trekken) en tijdens het huidige onderzoek blijken ook aanwijzingen hiervoor op grond van gedragspatronen van betrokkene zoals terugkerende agressieve uitbarstingen, conflicten binnen relaties en zeer regelmatige contacten met justitie. Het is echter niet goed mogelijk om te beoordelen in hoeverre deze afwijkende gedragspatronen (deels) veroorzaakt worden door andere stoornissen zoals een psychotische stoornis of een verminderde intelligentie. Er zijn namelijk aanwijzingen voor wanen in de vorm van achterdocht en het feit dat betrokkene voortdurend denkt dat er “boobytraps” voor hem worden gezet. Daarnaast is het niet goed uit te maken of deze achterdochtige ideeën voortkomen uit de mogelijke persoonlijkheidsstoornis en/of een verminderde intelligentie. Tot slot zijn er aanwijzingen voor verslavingsproblematiek. Van al deze mogelijke stoornissen kan gesteld worden dat deze waarschijnlijk (deels) ook aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde. Het is door de beperkte informatie en doordat betrokkene niet meewerkt aan het onderzoek niet mogelijk om vast te stellen in hoeverre welke symptomen aanwezig waren.”

Eerder, in 2007, is door psycholoog A. Warnaar een rapport omtrent verdachte opgemaakt in verband met een aan verdachte ten laste gelegde zedenzaak. Warnaar is in dit kader tot de conclusie gekomen dat er bij verdachte sprake was van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale- en borderline kenmerken en dat er mogelijk sprake was van verslavingsproblematiek en zwakbegaafdheid.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde conclusies van psycholoog T.W. van de Kant en psychiater M. van Berkel niet kan worden gesteld dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was een te diagnosticeren gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. In zijn rapport uit 2007 is door psycholoog Warnaar vastgesteld dat bij verdachte sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. Aan deze diagnose kan naar het oordeel van de rechtbank echter thans geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat sprake is van een oud rapport dat bovendien gebaseerd is op beperkt onderzoek omdat verdachte ook in 2007 weinig medewerking aan het onderzoek verleend heeft. Bovendien concludeert Van Berkel dat de eerder door Warnaar gestelde diagnose thans niet op basis van de beschikbare informatie te stellen is. Dit betekent dat het niet mogelijk is om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Aan de vraag of en in hoeverre de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel nodig maakt, komt de rechtbank niet toe.

Wel overweegt de rechtbank dat het bewezenverklaarde naar haar oordeel op basis van de conclusies van bovengenoemde rapporteurs verdachte volledig kan worden toegerekend.

Alles in ogenschouw nemend acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaar passend en geboden.

Benadeelde partijen

[broer van het slachtoffer] [broer van het slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering behelst een bedrag van € 7.336,68, bestaande uit de volgende kosten:
- € 1.453,39 voor een ticket Curaçao-Nederland en vice versa voor de moeder van [slachtoffer] ;

- € 688,24 voor reiskosten van Rotterdam naar het politiebureau, het UMC, de begraafplaats en het gemeentehuis in Groningen;

- € 5.195,05 voor begrafeniskosten en grafrechten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet in staat is de gevorderde schadevergoeding te betalen. Voorts acht de raadsman het enigszins moeizaam om de consequentie van de keus van [slachtoffer] om geen begrafenisverzekering af te sluiten, bij verdachte neer te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 5.163,68 (bestaande uit de kosten voor een vliegticket, de reiskosten en de begrafeniskosten) voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, dat niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Het overige deel van de vordering dat ziet op de grafrechten voor 30 jaar wijst de rechtbank af, omdat deze kosten geen rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit zijn; wanneer [slachtoffer] op andere wijze was komen te overlijden, had zich het zelfde probleem ten aanzien van de grafrechten, op grond van het ontbreken van een begrafenisverzekering, voorgedaan.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot het toegewezen deel van de vordering aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

[dochter van het slachtoffer] [dochter van het slachtoffer] , vertegenwoordigt door [gemachtigde] , heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering behelst een bedrag van € 7.700,00 dat [slachtoffer] tot het bereiken van de leeftijd van 21 jaar door [dochter van het slachtoffer] aan alimentatie zou hebben betaald.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat voldoende onderbouwd is dat [slachtoffer] een alimentatieverplichting had tot de leeftijd van [dochter van het slachtoffer] van 18 jaar. Uitgaande van een redelijk bedrag van € 50,00 aan alimentatie per maand heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.900,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet in staat is de gevorderde schadevergoeding te betalen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 5.900,00 – inhoudende het verlies aan alimentatie van € 50,00 per maand tot het bereiken van de leeftijd van 18 jaar door [dochter van het slachtoffer] – voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, dat niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ook is de wettelijke rente gevorderd. Het toegewezen bedrag aan schadevergoeding is voor het grootste deel de optelsom van termijnen die het slachtoffer in de toekomst verschuldigd zou zijn geweest. Om deze reden kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van het opleggen van de verplichting tot het betalen van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag. De vordering dient op dit onderdeel te worden afgewezen.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering. Daartoe overweegt de rechtbank dat vooralsnog niet vast staat dat de verplichting voor [slachtoffer] zou hebben bestaan om alimentatie te betalen voor [dochter van het slachtoffer] gedurende de periode van haar 18de tot 21ste jaar. Wanneer de behandeling van dit geschil wordt aangehouden teneinde duidelijkheid te krijgen omtrent de verschuldigdheid van dit bedrag zal sprake zijn van een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarom kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot het toegewezen deel van de vordering aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

[zoon van het slachtoffer] [zoon van het slachtoffer] , vertegenwoordigt door [gemachtigde] , heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering behelst een bedrag van € 8.450,00,00 dat [slachtoffer] tot het bereiken van de leeftijd van 21 jaar door [zoon van het slachtoffer] aan alimentatie zou hebben betaald.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat voldoende onderbouwd is dat [slachtoffer] een alimentatieverplichting had tot de leeftijd van [zoon van het slachtoffer] van 18 jaar. Uitgaande van een redelijk bedrag van € 50,00 aan alimentatie per maand heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 6.650,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet in staat is de gevorderde schadevergoeding te betalen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 6.650,00 – inhoudende het verlies aan alimentatie van € 50,00 per maand tot het bereiken van de leeftijd van 18 jaar door [zoon van het slachtoffer] – voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering, dat niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ook is de wettelijke rente gevorderd. Het toegewezen bedrag aan schadevergoeding is voor het grootste deel de optelsom van termijnen die het slachtoffer in de toekomst verschuldigd zou zijn geweest. Om deze reden kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van het opleggen van de verplichting tot het betalen van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag. De vordering dient op dit onderdeel te worden afgewezen.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering. Daartoe overweegt de rechtbank dat vooralsnog niet vast staat dat de verplichting voor [slachtoffer] zou hebben bestaan om alimentatie te betalen voor [zoon van het slachtoffer] gedurende de periode van zijn 18de tot 21ste jaar. Wanneer de behandeling van dit geschil wordt aangehouden teneinde duidelijkheid te krijgen omtrent de verschuldigdheid van dit bedrag zal sprake zijn van een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarom kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot het toegewezen deel van de vordering aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [broer van het slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.163,68 (zegge: vijfduizend honderd drieënzestig euro en achtenzestig eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [broer van het slachtoffer] voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [broer van het slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 5.163,68 (zegge: vijfduizend honderd drieënzestig euro en achtenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [broer van het slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [dochter van het slachtoffer] [dochter van het slachtoffer] [dochter van het slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 5.900,00 (zegge: vijfduizend negenhonderd euro).

Bepaalt dat het deel van de vordering dat ziet op de wettelijke rente wordt afgewezen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [dochter van het slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [dochter van het slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 5.900,00 (zegge: vijfduizend negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [dochter van het slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [zoon van het slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 6.650,00 (zegge: zesduizend zeshonderdvijftig euro).

Bepaalt dat het deel van de vordering dat ziet op de wettelijke rente wordt afgewezen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [zoon van het slachtoffer] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [zoon van het slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 6.650,00 (zegge: zesduizend zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 68 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [zoon van het slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. A, Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 mei 2016.