Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2380

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
18.830037-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn medeverdachte hebben onder bedreiging met een mes twee medewerksters van een cafetaria gedwongen om een kassalade - met daarin € 462,00 - af te geven.

De rechtbank acht de verklaringen van beide verdachten tegenover een informant van de politie rechtmatig verkregen en voor het bewijs bruikbaar. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830037-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 15 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

1 februari 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.H. Tiemens, advocaat te Haarlem.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Super.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

A.

hij op of omstreeks 1 oktober 2014, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Groningen, bij [cafetaria] , gevestigd aan [straatnaam 1] aldaar, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld de medewerker(s) [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade (inhoudende

ongeveer 462,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), immers heeft hij, verdachte en/of (met)

zijn mededader;

- die cafetaria betreden en/of

- ( daarbij) zichtbaar een (slagers)mes getoond en/of

- met dat/een (slagers)mes op de toonbank geslagen en/of getikt en/of

- woorden hebben geroepen als: "Dit is een overval, geef de kassa";

en/of

B.

hij op of omstreeks 1 oktober 2014, te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente

Groningen, bij [cafetaria] , gevestigd aan [straatnaam 1] aldaar, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

kassalade (inhoudende ongeveer 462,- euro), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft hij, verdachte

en/of (met) zijn mededader;

- die cafetaria betreden en/of

- ( daarbij) zichtbaar een (slagers)mes getoond en/of

- met dat/een (slagers)mes op de toonbank geslagen en/of getikt en/of

- woorden hebben geroepen als: "Dit is een overval, geef de kassa".

De rechtbank heeft ter onderscheiding de verschillende onderdelen van de tenlastelegging aangeduid met A en B.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder A ten laste gelegde kan worden bewezen op basis van de stukken in het dossier. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [getuige 1] , [getuige 2] en een anonieme getuige hebben gehoord dat verdachte en zijn [medeverdachte] de overval hebben gepleegd. Daarbij is sprake van meerdere bronnen. Daarnaast zijn er de verklaring van [getuige 3] , en de WhatsApp- en spraakberichten op haar telefoon. Aanvullend bewijs wordt geleverd door een politieman/ informant, die met beide verdachten heeft gesproken op de luchtplaats van het arrestantencomplex van de politie Groningen. Tijdens deze gesprekken heeft de medeverdachte met betrekking tot de gepleegde overval details bevestigd, waarover [getuige 3] heeft verklaard. De ontkennende verklaringen van beide verdachten zijn ongeloofwaardig en onbetrouwbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] zijn de auditu-verklaringen, die geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Hoe de bronnen, die hebben geleid tot deze de auditu-verklaringen, aan hun informatie zijn gekomen, is geheel onbekend. Het is dus ook onbekend of die informatie wel betrouwbaar is. De informatie is niet te toetsen.

Ook de verklaringen van [getuige 3] kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd omdat deze getuige volstrekt onbetrouwbaar is. Zij is geen onafhankelijke getuige. Uit haar verklaringen komt naar voren dat zij bepaald geen warme gevoelens heeft richting beide verdachten. Haar verklaringen bij de rechter-commissaris zijn na het beëindigen van de relatie met de medeverdachte afgelegd en zij was boos toen de relatie over was. Uit haar verklaringen komt naar voren dat zij haar eigen conclusies trekt. Haar verklaringen staan vol gissingen en tegenstrijdigheden en kloppen op onderdelen niet met wat er volgens de aangevers is gebeurd. Bovendien heeft [getuige 3] verklaard dat zij op internet heeft gezien dat een cafetaria in [locatie] was overvallen. Haar verklaring bevat geen enkele informatie die zij niet had kunnen weten door de berichten op internet te lezen.

Tot slot moet ook het uit de inzet van de informant voorvloeiende bewijs worden uitgesloten. Er is in strijd gehandeld met de verbaliseringsplicht en er is een inbreuk gemaakt op het nemo tenetur-beginsel, zodat het bepaalde in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Er zijn grenzen aan toepassing van het inzetten van een informant. De Hoge Raad heeft in een arrest van

9 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AN9195) geoordeeld dat eerst moet worden getoetst of de ernst van het misdrijf de toepassing van artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wel rechtvaardigt en of andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn. In deze zaak betreft de verdenking een geweldloze overval waar een paar honderd euro is weggenomen. Er is niemand vastgebonden of gewond geraakt en er is geen vuurwapen gebruikt. Daarnaast heeft de [getuige 4] al bij de politie een naam genoemd van de persoon van wie hij de informatie heeft gekregen en deze persoon is niet gehoord. Afgezet tegen de ernst van de overval, voldoet de inzet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Minder zware maatregelen lagen nog voor de hand en die zijn niet gebruikt.

De verklaringen van beide verdachten die tegenover de informant zijn afgelegd, zijn in strijd met artikel 6 EVRM afgenomen, de tweede toets die volgens de Hoge Raad moet worden aangelegd. Verdachte heeft in de verhoren bij de politie ontkend iets met de overval te maken te hebben. Hij heeft bijna niets gezegd en vooral geantwoord met "Ik weet van niets", door de politie samengevat als een beroep op zijn zwijgrecht. Om te verklaren hoe het kan dat verdachte ineens zoveel details zou prijsgeven tegenover de informant, moet - gelet op de jurisprudentie van het ERHM en de Hoge Raad - de vraag worden gesteld hoe de inzet van die informant is vormgegeven. Wat heeft de informant zelf voor activiteiten ondernomen, welke druk heeft hij uitgeoefend en in hoeverre hebben de handelingen en activiteiten van de informant geleid tot de verklaring van verdachte? Om dat te kunnen toetsen zijn de processen-verbaal van belang die de informant heeft opgesteld. De informant heeft zijn processen-verbaal echter zodanig opgemaakt dat niet controleerbaar is wat de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens verdachte en de mate van druk zijn geweest. Blijkens het dossier en zijn verklaring bij de rechter-commissaris was de informant ook ingezet met geen ander doel dan zoveel mogelijk informatie over de feitelijke toedracht van de overval los te krijgen. In dat geval kan niet anders worden geoordeeld dan dat de verklaringen van beide verdachten niet spontaan zijn afgelegd, maar - deels en zeker op cruciale punten - het resultaat zijn van vragen aan verdachten zoals die door de informant zijn gesteld. Dat betekent dat sprake is geweest van een met een verhoor gelijk te stellen situatie, terwijl jegens verdachte geen juridische waarborgen behorend bij een normale verhoorsituatie in acht zijn genomen. Het Openbaar Ministerie heeft door misleiding getracht alsnog een verklaring van de verdachten over de feitelijke toedracht in de cafetaria te krijgen. Dit klemt temeer nu de verdachten zich in die periode in een gevoelige situatie bevonden. Zij zaten vast en kwamen net uit een tijd van beperkingen waarin zij volledig afhankelijk waren van de autoriteiten.

Beoordeling van het bewijs

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank ziet op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen reden om de verklaringen van [getuige 3] voor het bewijs uit te sluiten. Hoewel haar verklaringen niet volledig consistent zijn - wat begrijpelijk is, gelet op het tijdsverloop gerekend vanaf de datum van de overval en de eerste en daarna, met tussenpozen afgelegde verschillende verklaringen - heeft zij in de kern in lijn met het relaas van aangevers verklaard. [getuige 3] heeft details genoemd die zij alleen van één (of meer) van de daders gehoord kan hebben. [getuige 3] heeft steeds verklaard dat zij deze details van de medeverdachte heeft gehoord. Dat zij belastend ten opzichte van verdachte en zijn medeverdachte heeft verklaard uit wraak, zoals de raadsvrouw heeft gesuggereerd, is niet gebleken.

Daar komt bij dat de medeverdachte de door [getuige 3] met betrekking tot de overval genoemde details tegenover de informant goeddeels heeft bevestigd. De rechtbank acht de verklaringen van de verdachten tegenover de informant rechtmatig verkregen.

Daartoe overweegt de rechtbank dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, toepassing van artikel 126j Sv, waarvan in deze zaak sprake is, alleen in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf dat rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aan dit uitgangspunt voldaan, nu verdachte wordt verdacht van het medeplegen van een gewapende overval op een snackbar en het politieonderzoek op het moment dat tot het inzetten van [informant] (hierna ook: de informant) is overgegaan, weliswaar wat “losse eindjes” bevatte maar daarbij geen sprake was van dusdanige concrete aanwijzingen dat van nader onderzoek door de politie resultaten van betekenis waren te verwachten. Voorts dient beoordeeld te worden of de informatie van verdachte niet in strijd met de verklaringsvrijheid van verdachte, zoals besloten ligt in artikel 6, eerste lid EVRM en tot uitdrukking is gebracht in artikel 29, eerste lid Sv, is verkregen. Bij de beoordeling hiervan gaat de rechtbank uit van de inhoud van de door de informant opgemaakte processen-verbaal, nu de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Dat er (telkens) sprake is van een samenvatting van de gevoerde gesprekken, doet aan de betrouwbaarheid van de inhoud van die gesprekken niet af. Al hetgeen in de processen-verbaal is vermeld, is telkens door de informant teruggekoppeld naar zijn begeleiders die daarvan op hun beurt telkens proces-verbaal opmaakten en na elk gesprek met een verdachte is een debriefing gevolgd. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de werkwijze van de informant voldoende controleerbaar is. Ook gelet op de verklaring van de informant bij de rechter-commissaris omtrent zijn werkwijze, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de uitlatingen van verdachte en zijn medeverdachte direct en gericht door de informant zijn uitgelokt of dat er sprake is geweest van ongeoorloofd indringend doorvragen. Zowel verdachte als zijn medeverdachte heeft uit eigener beweging in de gesprekken met de informant informatie over de overval verstrekt. Dat de informant in de gesprekken zo nu en dan wel wat vragen heeft gesteld naar aanleiding van de van verdachten verkregen informatie, zoals de informant in het verhoor bij de rechter-commissaris heeft beaamd, is inherent aan het voeren van een gesprek en maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte daarvan zodanige druk moet hebben ervaren dat niet meer gezegd kan worden dat verdachte zijn verklaring spontaan heeft afgelegd. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachte en zijn medeverdachte feitelijk in een zodanige situatie zijn gebracht dat van hen verklaringen werden verkregen die in strijd met hun verklaringsvrijheid zijn afgelegd.

Nu de rechtbank de de auditu-verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 4] niet voor het bewijs zal gebruiken, zal de rechtbank op het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot deze verklaringen niet ingaan.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder A ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 2 oktober 2014, opgenomen op pagina 27 e.v. van dossier nummer 2014108483, 2014108661 en 2014108640 (onderzoek 01Thomond) d.d. 15 juni 2015 van Politie Eenheid Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik ben werkzaam bij [cafetaria] gevestigd aan [straatnaam 1] [huisnummer] te [pleegplaats] . Ik was daar op 1 oktober 2014 omstreeks 21.30 uur werkzaam samen met mijn collega [slachtoffer 2] . Iets na 21.30 uur kwamen twee jongens de cafetaria binnenrennen. Eén jongen tikte met een groot slagersmes van zo'n 20 centimeter op de balie. De man met het mes bevond zich op dat moment op ongeveer een kleine meter afstand van mij. Terwijl hij dit deed zei hij gelijk met luide stem "Dit is een overval". Binnen een seconde zei hij ook gelijk "Geef de kassa". Hij zei dit ook met luide stem. De andere man zat gelijk aan het beeldscherm van de kassa, aan de monitor. Hij scheurde er aan, ik had het idee dat hij hem probeerde mee te nemen. Terwijl de man aan de monitor scheurde gaf [slachtoffer 2] deze man de kassalade. Zodra [slachtoffer 2] de kassalade omhoog hield trok de man de kassalade gelijk wild uit haar handen.

Nadat de man de kassalade van [slachtoffer 2] had gepakt zijn ze gelijk richting de uitgang gelopen terwijl ze ondertussen de kassalade in de plastic tas probeerden te stoppen. Doordat de tas scheurde viel er allemaal losgeld uit de tas, allemaal munten.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 2 oktober 2014, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 1 oktober 2014 omstreeks 21:35 uur was ik samen met mijn collega [slachtoffer 1] aanwezig in [cafetaria] . Ik zag twee personen de winkel in rennen. Vervolgens stonden zij met zijn tweeën tegenover mij bij de toonbank. Degene die voor mij aan de rechterzijde stond had een mes in zijn handen. Ik zag dat hij ermee op de toonbank tikte. Hij hield de punt van het mes naar mij gericht, het leek alsof hij een hakkende beweging maakte met het mes op de toonbank. Ik hoorde dat de persoon riep: "dit is een overval, geef de kassa". Het was een model vleesmes, een centimeter of dertig lang. Ik ben direct naar de kassa gelopen. De twee personen waren al eerder bij de kassa dan ik. Ik probeerde de lade uit de kassa te halen. Ik had de lade eruit en wilde deze aanreiken. De lade werd uit mijn hand gegrist.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 1 oktober 2014, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik ben eigenaar van [cafetaria] aan [straatnaam 1] [huisnummer] te [pleegplaats] .

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2014, opgenomen op pagina 40 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Ik hoorde aangever/benadeelde [slachtoffer 3] zeggen: "Het bedrag dat is weggenomen, is 462 euro."

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 mei 2015 (in vraag/antwoord stijl), opgenomen op pagina 184 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[getuige 3] :

Ik denk dat ik vanaf september 2014 aan [straatnaam 2] woon. [medeverdachte] en ik hebben

acht maanden een relatie gehad. Het ging in november uit. Wij woonden de hele tijd samen.

Ik zag [medeverdachte] en [verdachte] die avond samen weggaan, in donkere kleding. Even daarna waren ze ook weer terug helemaal vol van adrenaline.

V: Dus de avond vóór de overval waren ze bij jou aan [straatnaam 2] ?

A: Ja. Ik heb hun weg zien gaan. Ze waren er vrij snel weer. [medeverdachte] heeft verteld dat zij een overval hadden gezet.

V: Heeft [medeverdachte] jou nog iets verteld over een kassalade die weggenomen is bij de overval?

A: Hij wou hem in die plastic tas doen, maar dat paste niet want de lade was te breed.

Daardoor zijn de briefjes van 50 gevallen. Volgens mij was het ook nog [verdachte] zijn schuld, die propte hem erin.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 399 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van [informant] :

Op 29 april 2015 heb ik op de luchtplaats verbleven en daar gesproken met [verdachte] . [verdachte] zei met zachte stem tegen mij dat als ik weer met zijn maat mocht luchten ik moest zeggen dat hij niet bang moest zijn dat zijn vingerafdrukken op de lade stonden. [verdachte] zei tegen mij dat zijn maat volgens hem de lade helemaal niet had vastgepakt. [verdachte] vertelde dat hij de enige was die de kassalade had vastgepakt en dat hij sokken om zijn handen had.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2015, opgenomen op pagina 411 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van [informant] :

Op 29 april 2015 heb ik gesproken met [medeverdachte] . [medeverdachte] zei dat ze begonnen over een kassalade en dat hij bang was dat ze die gevonden hadden. Hij zei dat hij de kassalade wel even had vastgepakt zonder handschoenen, dus dat zijn vingerafdrukken er op zouden kunnen staan.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder A ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

A.

hij op 1 oktober 2014 te [pleegplaats] bij [cafetaria] , gevestigd aan [straatnaam 1] aldaar, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld de medewerkers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een kassalade (inhoudende 462 euro), toebehorende aan [slachtoffer 3] , immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader:

- die cafetaria betreden en

- een (slagers)mes getoond en

- met dat (slagers)mes op de toonbank geslagen en/of getikt en

- woorden geroepen als: "Dit is een overval, geef de kassa".

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

A. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder A ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de officier van justitie in zijn eis onvoldoende rekening heeft gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben onder bedreiging met een mes twee medewerksters van een cafetaria gedwongen om een kassalade - met daarin € 462,00 - af te geven. Daarbij heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij beide medewerksters veroorzaakt. Daarnaast zorgen feiten als het thans bewezen verklaarde voor een ernstig gevoel van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit feit ernstig aan en acht het opleggen van een aanzienlijke gevangenisstraf zonder meer gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van overvallen, laatstelijk bij vonnis van 25 juni 2015, waarbij aan verdachte een gevangenisstraf van drie jaren is opgelegd.

Uit de omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten komt naar voren dat verdachte licht verstandelijk beperkt is en op vrijwel alle leefgebieden problemen kent. Hij is al jarenlang bekend binnen de professionele hulpverlening, maar zonder blijvend positief resultaat. De reclassering is van mening dat een opname in een instelling voor sterk gedragsgestoorde en licht verstandelijk gehandicapte jongeren noodzakelijk is teneinde de recidive te beperken. Gelet echter op de houding en motivatie van verdachte, acht de reclassering de slagingskans van een dergelijke opname klein. Daarnaast bestaat er een lange wachtlijst voor opname. Bij een eventuele langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden de mogelijkheden binnen een resocialisatietraject vanuit het gevangeniswezen onderzocht kunnen worden. De reclassering ziet geen mogelijkheden een gedegen reclasseringstraject aan te bieden.

Gelet op het advies van de reclassering, alsook de houding van verdachte ter zitting ziet de rechtbank ondanks de relatief jonge leeftijd van verdachte en het door de rechtbank ingeschatte hoge recidiverisico geen aanleiding een deel van de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm op te leggen en resteert haar niets anders dan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Bij het bepalen van de hoogte van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank voor enig vergelijk gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een overval op een winkel, waarbij sprake is van licht geweld en/of bedreiging wordt daar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar gehanteerd. Als strafverzwarende omstandigheid heeft in het onderhavige geval te gelden dat sprake is van een overval op een cafetaria door meerdere daders, waarbij gebruik is gemaakt van een wapen, alsmede dat verdachte eerder voor het plegen van overvallen is veroordeeld. De rechtbank moet evenwel ook rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen in dit geval een matigende werking op de hoogte van de straf heeft. Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder A ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mr. M. Haisma en

mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 februari 2016. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.