Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2286

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2016
Datum publicatie
22-05-2016
Zaaknummer
18.830389-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft - samen met twee medeverdachten - geprobeerd aangever, die net als de verdachten in een TBS-kliniek verbleef, van het leven te beroven. Daarnaast heeft verdachte - in vereniging met zijn medeverdachten - het slachtoffer van zijn geld beroofd. De rechtbank acht verdachte schuldig aan medeplegen van poging tot moord en diefstal door twee of meer verenigde personen. De rechtbank legt, conform de eis van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging, opnieuw de maatregel van terbeschikkingstelling op met bevel tot verpleging van overheidswege

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830389-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 25 januari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in [verblijfadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

7 januari 2016 en 11 januari 2016.

De verdachte is op beide terechtzittingen verschenen, telkens bijgestaan door

mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie werd op beide terechtzittingen vertegenwoordigd door

mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 december 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm

beraad en rustig overleg,

- [slachtoffer] op het bed heeft geduwd en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of in

het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht in de maag heeft gestompt

en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt en/of

-een mes op de keel van [slachtoffer] heeft gezet en/of tegen [slachtoffer]

heeft gezegd: "Ik snijd je keel door" althans woorden van gelijke dreigende

aard en/of strekking en/of

-een mok tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft kapot gegooid en/of

-een sweater op de mond van [slachtoffer] heeft gedrukt en/of

-met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de pols van [slachtoffer]

heeft gestoken en/of

-een koord om de keel/hals van [slachtoffer] heeft gelegd en meermalen, althans

eenmaal, dat koord heeft aangetrokken waardoor de zuurstoftoevoer van [slachtoffer]

enige tijd werd afgesloten en/of

-met een stok of een steel op/tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen

en/of

-tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "vieze pedo, je moet dood, je moet dood"

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 december 2014 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk

en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- [slachtoffer] op het bed heeft geduwd en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of in

het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht in de maag heeft gestompt

en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt en/of

-een mes op de keel van [slachtoffer] heeft gezet en/of tegen [slachtoffer]

heeft gezegd: "Ik snijd je keel door" althans woorden van gelijke dreigende

aard en/of strekking en/of

-een mok tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft kapot gegooid en/of

-met een schaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de pols van [slachtoffer]

heeft gestoken en/of

-een koord om de keel/hals van [slachtoffer] heeft gelegd en meermalen, althans

eenmaal, dat koord heeft aangetrokken waardoor de zuurstoftoevoer van [slachtoffer]

enige tijd werd afgesloten en/of

-met een stok of een steel op/tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen

en/of

-tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "vieze pedo, je moet dood, je moet dood",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2.

hij op of omstreeks 13 december 2014 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen E 50,- althans een geldbedrag, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Zij heeft met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde aangevoerd dat er van tevoren over is gesproken om aangever te vermoorden en dat er een plan is bedacht om aangever zijn kamerdeur te laten openen Aangever is vervolgens meermalen met de vuist in het gezicht geslagen en in zijn maag en hij heeft op minimaal twee verschillende momenten een karatetrap tegen het hoofd gekregen. Ook is hij met de steel van een mop op het hoofd geslagen en is een mok tegen zijn hoofd kapotgeslagen. Samen met [medeverdachte 1] heeft verdachte het koord uit de capuchon van de trui van aangever getrokken en afgeknipt. Vervolgens heeft verdachte dit koord om de hals van aangever gedaan en meermalen aangetrokken, met de bedoeling om aangever te wurgen. Het is niet gelukt om aangever te laten stikken, omdat aangever erin slaagde zijn vingers onder het koord te krijgen en zodoende wat ruimte te creëren. Ondertussen werd door [medeverdachte 1] de trui van aangever op zijn mond gedrukt om te voorkomen dat aangever zou schreeuwen of anderszins geluid zou maken. [medeverdachte 2] heeft op enig moment een broodmes, dat hij vooraf had meegenomen, tegen de keel van aangever gezet en daarbij iets gezegd in de trant van: "Ik snijd je keel door. Ik snijd je dood".

Het letsel bij aangever is door een forensisch arts onderzocht en beschreven. In de hals van aangever zijn in totaal vijf horizontaal en verticaal evenwijdig verlopende oppervlakkige schaafverwondingen aangetroffen. Dit past bij meerdere momenten van inwerking van geweld. Er is volgens de arts op dat moment een bedreiging geweest van de ademweg waardoor er ademhalingsproblemen hadden kunnen ontstaan. Verder had aangever veel bloeduitstortingen op het hoofd en een snijwond op zijn hoofd en op zijn neus. Op de linker pols van aangever zat ook een snijwond. Aangever heeft zelf verklaard dat hij met een schaar in zijn linker pols is gestoken.

De door de verdachten ondernomen handelingen zijn er naar uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar op gericht geweest om aangever van het leven te beroven. Precies zoals van tevoren was besproken. Niet alleen in daden, ook in woorden hebben verdachten geen misverstand laten bestaan over hun intentie. Zij hebben meermalen geroepen: "Vieze pedo, je moet dood, we willen je vermoorden." of teksten van gelijke strekking. Verdachte heeft die nacht ook vanuit zijn separeercel tegen een beveiliger gezegd dat er sprake was van een poging tot moord. Hij heeft weliswaar ter terechtzitting van 7 januari 2016 aangegeven dat het nooit de bedoeling is geweest om aangever daadwerkelijk van het leven te beroven, maar dit strookt niet met zijn geweldshandelingen en zijn uitlatingen die nacht en ook niet met zijn verklaring ter terechtzitting dat aangever zijn leven te danken heeft aan de komst van de beveiliging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 1 gesteld dat verdachte en zijn twee medeverdachten alle ten laste gelegde handelingen hebben verricht. De rol van alle drie was dusdanig dat van medeplegen kan worden gesproken. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dit dient te worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling, zoals onder 1 subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft haar standpunt als volgt toegelicht.

Voor een poging tot moord is de voorbedachte rade, het kalm beraad en rustig overleg nodig. Verdachte heeft verklaard dat van tevoren niet echt besproken is wat er zou gebeuren. Hij en zijn medeverdachten hadden geen concreet plan, het gebeurde gewoon. Het was de bedoeling om aangever angst aan te jagen, niet om hem dood te maken. [medeverdachte 2] riep ook de hele tijd dat het een martelgang moest zijn. En dan is een koord om de nek een uiterst geschikt middel om iemand angst aan te jagen. Maar daarmee is nog niet gezegd dat verdachte aangever daadwerkelijk wilde doden. Verdachte wilde niet dat aangever dood ging. Daarom heeft hij niet doorgezet met het trekken aan het koord en kan van een vrijwillige terugtred op dat moment - ten aanzien van de dood - worden gesproken. Het is onjuist dat aangever niet gestorven is omdat de beveiliging werd ingelicht. Wel zou de mishandeling dan hebben voortgeduurd. Met het touwtje waren de verdachten op dat moment al gestopt. Als verdachten aangever daadwerkelijk hadden willen doden, dan zou dat in dat uur dat ze binnen zijn geweest, gebeurd zijn. Daaruit blijkt des te meer dat het enkel de bedoeling was om aangever angst aan te jagen. Als je iemand enkel angst aan wilde jagen en je om die reden zelf steeds op tijd bent gestopt zodat de dood niet intrad, is enerzijds geen sprake van voorbedachte rade op de dood en anderzijds sprake van vrijwillige terugtred ten aanzien van die dood.

Met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft de raadsvrouw aangevoerd dat afgevraagd moet worden of het gebruikte middel - het slaan/trappen - wel geleid heeft tot een aanmerkelijke kans op de dood. Ondanks de hoeveelheid klappen die aangever blijkens de verklaringen gehad moet hebben, heeft hij blijkens de medische verklaring opmerkelijk weinig verwondingen. Er zijn geen breuken en zelfs het aantal blauwe plekken is beperkt. Dat wijst erop dat er waarschijnlijk niet bijzonder hard is geslagen en getrapt. Voor wat betreft het gebruik van het koordje om de hals van aangever zijn de striemen zichtbaar, dus er is met kracht aan getrokken. Maar dit middel was in dit geval niet geschikt om tot de dood te leiden, omdat tijdig is gestopt, omdat verdachte aangever niet echt wilde doden. Er kan niet worden vastgesteld dat lang genoeg en krachtig genoeg aan het koord is getrokken om dit een geschikt middel te laten zijn dat tot de dood kon leiden. Er is daarom geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood en dus niet van voorwaardelijk opzet. Voor zover het middel wel geschikt was, was ook hier sprake van vrijwillige terugtred ten aanzien van het intreden van de dood.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij heeft aangevoerd dat strikt juridisch sprake is van heling. [medeverdachte 2] heeft de diefstal gepleegd en er is met betrekking tot deze diefstal geen sprake van medeplegen. Verdachte heeft het geld wel van [medeverdachte 2] aangenomen en voelt zich wel schuldig.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven. Daarbij is ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot het feit of de feiten waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De verklaring van verdachte op de terechtzitting van 7 januari 2016 afgelegd:

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en ik hebben aangever [slachtoffer] met zijn drieën op het bed geduwd. Ik heb aangever als eerste geslagen. Er is door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en mij gescholden. Wij hebben alle drie geprobeerd om de keel van aangever dicht te snoeren met een touw uit een vest van aangever. Wij hebben dat touw om de keel van aangever gedaan en eraan getrokken. Ik snap dat aangever dacht dat hij dood ging.

[medeverdachte 2] heeft geld van aangever uitgedeeld. Ik heb het geld van [medeverdachte 2] aangepakt.

Het geweld tegen aangever heeft, met onderbrekingen, minimaal een uur geduurd, tot de beveiliging kwam. Ik heb geroepen dat aangever dood moest. Dat aangever niet is overleden is te danken aan de komst van de beveiliging.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 december 2014, opgenomen op pagina 44 e.v. van dossier nummer PL0100-2014179967 d.d. 16 januari 2015 van Politie Eenheid Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Ik zit op de [locatie 1] te [pleegplaats] . Dit is een uitstroomafdeling.

Rond 00:30 uur zei [verdachte] tegen me dat er telefoon voor me was van mijn moeder. Ik wist dat dit niet kon. Na ongeveer 10 minuten of een kwartier werd er opnieuw op mijn deur geklopt. [medeverdachte 1] zei tegen mij dat hij me persoonlijk moest spreken. Ik deed de deur open. Toen sprongen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] mijn kamer in. Ze duwden me op bed. [verdachte] sloeg mij met zijn vuist in mijn gezicht. Ik kreeg meer stompen tegen mijn gezicht van [verdachte] . Dit gebeurde met een vuist en met kracht.

[medeverdachte 1] pakte mijn bruine sweater en deed deze voor mijn mond, zodat ik geen geluid kon maken. [verdachte] gaf me weer een stomp in mijn gezicht. Hij sloeg veel en achter elkaar. [verdachte] pakte mijn mok en gooide die met kracht tegen mijn gezicht aan. De mok kwam tegen mijn hoofd en ging toen kapot. Er kwam bloed uit mijn hoofd.

Iemand haalde het touwtje uit mijn sweater. Deze deden ze om mijn nek en trokken dit strak. Ik dacht dat ik doodging. Ik denk dat dit een paar minuten heeft geduurd. Ik kreeg mijn vingers eronder. [medeverdachte 1] drukte opnieuw mijn sweater op mijn mond.

[medeverdachte 2] vroeg: "Waar is je portemonnee, waar is je geld? Dat geld moet je afstaan." Ik heb in totaal 50 euro aan [medeverdachte 2] gegeven, drie briefjes van tien en een van twintig. Het geld werd verdeeld. [medeverdachte 2] gaf geld aan [medeverdachte 1] en [verdachte] . Ze bleven ook continu schelden, "pedofiel en vermoorden".

De beveiliging kwam in mijn kamer oog in oog te staan met [medeverdachte 2] en [verdachte] . Toen was er volgens mij een uur voorbij. Toen ze de kamer allemaal uit waren, was het rond 01:00 uur. Het begon om ongeveer 00:00 uur.

Ik ben ook met een steel op mijn hoofd geslagen. Ik ben ook met mijn eigen schaar gestoken, in mijn linker pols. Ik had de indruk dat ze mij echt dood wilden maken. Het is maar goed dat de beveiliging is gekomen.

Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 22 december 2014, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

[verdachte] begon met slaan. Hij stompte met zijn vuist in mijn maag, vijf à zes keer. Hij sloeg mij met zijn vuist aan de zijkant op mijn hoofd, hij deed dit met twee vuisten. Hij ging hier een hele tijd mee door. Hij sloeg me ook op mijn neus. [medeverdachte 1] gaf me twee karatetrappen op mijn hoofd. Alle drie de jongens zeiden "vieze pedo, je moet dood, je moet dood".

[medeverdachte 2] pakte een mes uit zijn broekzak en zei "ik snijd je keel door". Ik voelde het mes tegen mijn keel aan. Ik weet niet meer wie het koord om mijn nek deed. Doordat het koord werd aangetrokken voelde ik dat ik bijna geen lucht meer kreeg.

[medeverdachte 2] pakte mijn portemonnee van het bureau en haalde er geld uit. [medeverdachte 2] verdeelde het geld tussen hun drieën. [medeverdachte 2] heeft mij ook gestoken met een schaar, die lag op mijn bureau. Dit gebeurde nadat [verdachte] mij sloeg met de mok. Hij stak de schaar in mijn arm, hierdoor heb ik een wond op mijn arm.

Een geneeskundige verklaring, op 13 december 2014 opgemaakt en ondertekend door

[deskundige 1] , forensisch arts, voor zover inhoudende, als haar verklaring:

De vele bloeduitstortingen op het hoofd kunnen goed passen bij inwerking van uitwendig

botsend en/of samendrukkend geweld, zoals door slaan of stoten met of aan een hard

voorwerp en/of door krachtig samendrukken van weefsels zoals bijvoorbeeld krachtig stompen of schoppen.

De snijwonden links op het hoofd en op de neus kunnen passen bij inwerking van druk door een scherp voorwerp. De snijwond in de linker pols past bij de inwerking van een scherp voorwerp.

In de hals van betrokkene zijn meerdere schaafverwondingen zichtbaar welke kunnen passen

bij de inwerking van geweld op meerdere momenten. Ook de verschillende richtingen van de

schaafverwondingen passen bij meerdere momenten van inwerking van uitwendige druk.

Gezien deze bevindingen is er op dat moment een bedreiging geweest van de ademweg

waardoor er ademhalingsproblemen hadden kunnen ontstaan.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 december 2014, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Vrijdagavond 12 december 2014 zaten [medeverdachte 2] en ik bij mij op de kamer in de kliniek. [medeverdachte 2] kwam toen met het idee om [slachtoffer] te gaan vermoorden. Hij had het de hele tijd over gestoorde pedofielen en zo en dat we [slachtoffer] moesten pakken. Toen kwam [medeverdachte 1] beneden bij ons zitten. [medeverdachte 2] stond op en [medeverdachte 1] en ik zijn achter [medeverdachte 2] aan gegaan. Toen heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] met een praatje uit zijn kamer gelokt, zodat [slachtoffer] zijn deur los deed.

Toen gebeurde het eigenlijk. We zijn met z'n drieën naar binnen gegaan en drukten hem op zijn bed. Hij heeft klappen van ons gekregen en we hebben hem geprobeerd te wurgen. We zijn wel een uur en een kwartier in zijn kamer geweest.

Ik had een stuk touw van zijn vest afgeknipt. Dat heb ik om zijn nek gedaan en aangetrokken. Ik zag angst bij [slachtoffer] . Hij riep "nee nee, ik wil niet dood. Ik vertel niets aan het personeel" Ik zag dat hij zelfs in zijn broek had geplast van angst. Ik denk dat ik het drie keer heb gedaan, met dat koord.

Ik heb hem met mijn vuist klappen gegeven op zijn gezicht. Dit waren stevige vuistslagen. Ik denk dat ik dat een stuk of vijf à zes keer heb gedaan. Ik was de eerste die begon te slaan.

Ik heb nog met een soort van staaf in zijn gezicht geslagen, dit was op de zijkant van zijn gezicht op zijn wang.

[medeverdachte 2] heeft een mes meegenomen naar boven naar [slachtoffer] toe. [medeverdachte 2] heeft dit langs de strot van [slachtoffer] gehaald en ik hoorde dat [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer] hierbij zei "ik snijd je dood kankerpedofiel". [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] steeds met de dood bedreigd, woordelijk. Ook heeft hij hem een paar flinke tikken gegeven. [medeverdachte 2] gaf [slachtoffer] vooral tikken met die staaf die ik net noemde. Als je [slachtoffer] daarmee sloeg boog die staaf helemaal door. [slachtoffer] werd op zijn hoofd geslagen. Ook heeft [slachtoffer] trappen met zijn voet in het gezicht gekregen, een stuk of vier/vijf keer. [medeverdachte 1] stond hierbij en trapte met zijn volle gewicht in het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] dacht dat hij dood zou gaan.

Ik heb hem gevraagd waar zijn geld was. [slachtoffer] gaf toen zijn portemonnee. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en ik hebben allemaal een tientje gepakt.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 14 december 2014, opgenomen op pagina 101 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik zit op de uitstroomafdeling van [locatie 2] te [pleegplaats] . Vrijdagavond 12 december 2014, het was na twaalven denk ik, zat ik beneden met [verdachte] en [medeverdachte 2] . [verdachte] vroeg mij om op de deur te kloppen bij [slachtoffer] . Ik geloof dat [verdachte] ook zei dat ik [slachtoffer] maat was en dat hij voor mij wel zou opendoen. [medeverdachte 2] , [verdachte] en ik hebben [slachtoffer] min of meer met z'n drieën op het bed geduwd. [verdachte] nam hem eerst te grazen met klappen en misschien nog een trap. [verdachte] sloeg tegen zijn hoofd, van dichtbij met zijn vuist, met zijn knokkels op de bovenkant van [slachtoffer] hoofd. Ik heb toen een highkick tegen zijn hoofd gegeven. In het begin en ergens in het midden nog een keer. In zijn gezicht. [verdachte] heeft hem veel klappen gegeven en heeft nog een zwart kopje tegen [slachtoffer] hoofd kapot geslagen, waardoor [slachtoffer] hevig bloedde. [verdachte] heeft nog geprobeerd om [slachtoffer] te wurgen. Ik denk dat [verdachte] [slachtoffer] wel honderd keer geslagen heeft. [verdachte] sloeg snel en hard met beide handen op min of meer dezelfde plek in [slachtoffer] gezicht. Ik heb geprobeerd om [slachtoffer] hoofd af te dekken met een trui. Ik heb twee jaar op kickboksen gezeten. Ik zou iemand dood kunnen trappen.

[verdachte] knipte met een schaar een touw af van een sweater van [slachtoffer] . [verdachte] draaide dat touw om [slachtoffer] hals en trok dit aan. Het is echt [verdachte] geweest die er niet vanaf te brengen was om hem te vermoorden. Wij alle drie riepen wel "doodmaken". Het duurde maar en duurde maar. [medeverdachte 2] en [verdachte] vroegen om de portemonnee en kregen hem toen van [slachtoffer] . [slachtoffer] pakte eerst geld. Volgens mij drie briefjes van tien en een van twintig. [medeverdachte 2] verdeelde dit geld. [medeverdachte 2] had een mes bij zich. Ik dacht dat [medeverdachte 2] die voor [slachtoffer] keel hield. [medeverdachte 2] zei zoiets van: "Zie je dit mes, hiermee ga je dood." [verdachte] was er op gebrand om [slachtoffer] te vermoorden. Daar is geen twijfel over mogelijk.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 december 2014, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] :

We zouden niet met goede bedoelingen daar naar binnen gaan. Dat was wel duidelijk.

Het is waar dat ik, [medeverdachte 2] en [verdachte] het erover eens waren dat het een kankerpedo was.

Ik of [verdachte] heeft het koordje afgeknipt. De een hield het koord vast en de ander knipte. [verdachte] wilde dat koord hebben. Hij wilde [slachtoffer] daarmee laten stikken.

[verdachte] heeft 10 tot 30 keer ermee gepoogd definitief zijn adem af te sluiten. Het scheelde maar weinig. Ik zag dat het bijna lukte dat [verdachte] hem van het leven zou beroven. [verdachte] trok met twee handen aan het touw. Het koord zat op zijn adamsappel. Ik zag dat [slachtoffer] begon te stikken. Hij kreeg weinig lucht. Hij kon op dat moment ook niet meer schreeuwen. Zijn mond ging open en ik hoorde het geluid van iemand die weinig lucht kreeg. Het is één keer gebeurd dat [slachtoffer] zo stikte. Ik hoorde dat [medeverdachte 2] zei dat hij sowieso dood ging.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 15 december 2014, opgenomen op pagina 81 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige]:

[verdachte] zei dat hij [slachtoffer] in elkaar heeft geslagen, omdat [slachtoffer] een pedofiel is. Dit was allemaal gepland en hij heeft het samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gedaan. Dit gold zowel voor het plannen als het uitvoeren. Later nam [medeverdachte 2] contact op en hij bekende ook. Hij zei dat hij dit met de andere twee had gedaan omdat zij een hekel hebben aan pedofielen. Hij zei dat het een geplande actie was. Ik zei tegen [verdachte] dat zij [slachtoffer] goed hadden mishandeld. Toen vroeg [verdachte] : "Mishandeld? Dit was toch poging tot moord?"

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachten rade" moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Terwijl verdachte en zijn twee medeverdachten bij elkaar zitten, wordt het plan geopperd om aangever te vermoorden. Met de mededeling dat er iets persoonlijks moet worden besproken, wordt aangever ertoe gebracht om de deur van zijn kamer te openen. Aangever wordt, nadat hij de deur heeft geopend, door de drie verdachten op bed geduwd en er wordt vervolgens een uur lang geweld tegen aangever gepleegd, waarbij het verdachte is die begint met het geven van vuistslagen. Aangever wordt gedurende dit uur meermalen tegen het hoofd en in de maag gestompt of geslagen en krijgt twee karatetrappen tegen het hoofd. Er wordt een mok tegen zijn hoofd kapot gegooid, met een steel van een mop op zijn hoofd geslagen en een trui op zijn mond gedrukt. Ook krijgt hij een mes, dat van tevoren is meegenomen door één van de verdachten, tegen zijn keel gezet, wordt er een koord om zijn hals gelegd, welk koord meermalen wordt aangetrokken en wordt hij in zijn pols gestoken met een schaar. Daarnaast wordt meermalen tegen aangever gezegd dat hij dood moet.


Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte - samen met zijn medeverdachten - het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven. Gelet op het tijdsverloop tussen de gepleegde handelingen, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Ook is naar het oordeel van de rechtbank uit de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten af te leiden dat zij (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van aangever en met hun handelen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij aangever zouden doden. Dat het niet is gelukt om aangever met het koord te wurgen, is te danken aan het feit dat aangever zijn vingers onder het koord heeft kunnen krijgen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht medeplegen van poging tot moord bewezen.

Daarnaast acht de rechtbank met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde diefstal bewezen dat sprake is van medeplegen. De wegnemingshandeling door [medeverdachte 2] vond plaats onder de ogen van verdachte en verdachte heeft het geld van [medeverdachte 2] aangenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 13 december 2014 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- [slachtoffer] op het bed heeft geduwd en

- [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd of het gezicht heeft gestompt en/of

geslagen en

- [slachtoffer] meermalen met kracht in de maag heeft gestompt en

- [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd heeft geschopt en

- een mes op de keel van [slachtoffer] heeft gezet en tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Ik

snijd je keel door" en

- een mok tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft kapot gegooid en

- een sweater op de mond van [slachtoffer] heeft gedrukt en

- met een schaar in de pols van [slachtoffer] heeft gestoken en

- een koord om de keel/hals van [slachtoffer] heeft gelegd en meermalen dat koord heeft

aangetrokken waardoor de zuurstoftoevoer van [slachtoffer] enige tijd werd afgesloten en

- met een stok of een steel tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en

- tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "Vieze pedo, je moet dood, je moet dood.",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 13 december 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen € 50,-, toebehorende aan [slachtoffer] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primairmedeplegen van poging tot moord;

2 diefstal door twee of meer verenigde personen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 11 december 2015, opgemaakt door [deskundige 2] , psychiater en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 17 december 2015, opgemaakt door [deskundige 3] , psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, alsmede van een ziekelijke stoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Beide deskundigen adviseren verdachte het hem ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Oplegging maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikking-stelling (hierna ook: TBS) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft plaatsgevonden in een TBS-kliniek, tijdens een lopende TBS-behandeling en om herhaling te voorkomen moet prioriteit worden toegekend aan voortzetting van de behandeling. Bij oplegging van de maatregel TBS met verpleging van overheidswege gaat verdachte van een gemaximeerde naar een ongemaximeerde TBS. Verdachte gaat van een TBS met een concreet uitzicht op terugkeer in de maatschappij naar een TBS met een ongewisse toekomst, hetgeen voldoende bestraffing is voor verdachte.

Om te voorkomen dat verdachte op 30 januari 2016, wanneer de lopende TBS van verdachte eindigt, zonder titel voor vrijheidsbeneming op straat komt te staan, heeft de officier van justitie tevens gevorderd dat een bevel tot gevangenneming wordt afgegeven per 30 januari 2016.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval poging tot moord dan wel doodslag bewezen mocht worden geacht, de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar te volstaan met de oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft - samen met twee medeverdachten - geprobeerd aangever, die net als de verdachten in een TBS-kliniek verbleef, van het leven te beroven. Verdachte heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Daarnaast heeft verdachte - in vereniging met zijn medeverdachten - het slachtoffer van zijn geld beroofd. Verdachte heeft met zijn handelen geen respect getoond voor andermans eigendommen.

Motivering van de maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.

Blijkens de hiervoor al genoemde psychiatrische en psychologische rapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het door verdachte begane feit, medeplegen van poging tot moord, is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een of meer personen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank heeft haar oordeel gegrond op het advies van de gedragsdeskundigen

[deskundige 2] , psychiater, en [deskundige 3] , Gz-psycholoog.

Het advies van [deskundige 2] houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale, en ook borderline en narcistische trekken en zwakbegaafdheid (mogelijk is er zelfs sprake van een nog beperktere begaafdheid). Verder is er bij hem sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van problematisch middelengebruik.

Verdachtes pathologie is nog steeds aanwezig. Tijdens de TBS-behandeling heeft hij enige vaardigheden aangeleerd om hier mee om te gaan, maar deze zijn nog onvoldoende om zich autonoom staande te kunnen houden in de maatschappij, en vooral onvoldoende om onder spanningen - die hij vanwege zijn beperkingen zeker zal tegenkomen - zijn agressie- en impulscontrole op orde te houden. Daarbij heeft hij een grote neiging tot herhaald middelengebruik, welk gebruik de agressie- en impulsregulatie bij verdachte verder ondermijnt. Bij terugkeer in de maatschappij acht rapporteur de kans op herhaling van feiten als het ten laste gelegde groot. Bij gebruik van risicotaxatie-instrumenten wordt deze inschatting bevestigd.

Een langdurige klinische behandeling is aangewezen, welke behandeling dient plaats te vinden in een omgeving met een hoog beveiligingskader. Vrijheden en verloven dienen zorgvuldig te worden opgebouwd. Rapporteur adviseert verdachte de maatregel van TBS met bevel tot verpleging op te leggen.

Het advies van [deskundige 3] houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Er kan bij verdachte worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven (met antisociale, narcistische en borderline trekken), alsmede van een ziekelijke stoornis in de vorm van misbruik van alcohol, cannabis en amfetamine (momenteel volledig in gedwongen remissie onder toezicht).

De emotie- en agressieregulatie schieten tekort bij verdachte en zijn frustratietolerantie en impulscontrole zijn beperkt. Voorts zijn zijn verstandelijke vermogens beperkt, is zijn empathisch vermogen gebrekkig, evenals zijn gewetensfunctie en zijn zijn coping-vaardigheden ontoereikend. Ondanks de reeds jarenlange hulpverlening is het ook in het TBS-kader al meermalen mis gegaan en waren er (forse) agressieve incidenten en conflicten, waaronder het onderhavige ten laste gelegde. Zijn zelfredzaamheid is beperkt en hij heeft als gevolg van zijn beperkingen veel behoefte aan externe sturing en structuur. Al deze factoren versterken elkaar en leiden tot de inschatting van een hoog recidiverisico.

Onderzoeker is van mening dat de klinische behandeling van verdachte in een TBS-kader dient te worden voortgezet. Er resteert niets anders dan verdachte opnieuw een TBS met bevel tot verpleging op te leggen.

De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tevens van overheidswege moet worden verpleegd omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 182,50 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schade redelijk is en dat de vernieling van de televisie niet is ten laste gelegd. De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering hoofdelijk toe te wijzen en de hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel te beperken tot één dag.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Ook de schade aan de televisie is verdachte toe te rekenen, nu deze vernieling deel heeft uitgemaakt van de gewelddadige handelingen van de verdachten. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57, 289 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de gevangenneming van verdachte met ingang van 30 januari 2016, met dien verstande dat dit bevel vervalt als dit vonnis vóór 30 januari 2016 onherroepelijk wordt.

(ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.182,50 (zegge: tweeduizend honderd tweeëntachtig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.182,50 (zegge: tweeduizend honderd tweeëntachtig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

13 december 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 182,50 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A. Jongsma en

mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2016.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.