Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2222

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
458419 CV EXPL 15-15351
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vogelgriep voor risico werkgever

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 627
Burgerlijk Wetboek Boek 7 628
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 611a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0959
JAR 2016/140 met annotatie van mr. dr. A.F. Bungener
PS-Updates.nl 2016-0319
JAR 2016/140 met annotatie van mr. dr. A.F. Bungener
AR 2016/2561

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 458419 CV EXPL 15-15351

Vonnis d.d. 4 mei 2016

inzake

[eiser sub 1] ,

wonende te [adres] ,

[eiser sub 2] ,

wonende te [adres] ,

eisers, hierna te noemen [eisers] ,

gemachtigde mr. J.S. Mennega, jurist FNV te Groningen (POSTBUS 11047, 9700 CA Groningen),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bv] ,

gevestigd en kantoorhoudende aan [adres] ,

gedaagde, hierna te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde mr. J. Frons, advocaat te Assen (postbus 300, 9400 AH).

PROCESVERLOOP

Ingevolge het tussenvonnis van 17 februari 2016 heeft op 5 april 2016 in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden - [gedaagde] deugdelijk vertegenwoordigd - een comparitie plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen nog stukken in het geding gebracht. Van het verhandelde ter comparitie heeft de griffier aantekening gehouden. Aansluitend is vonnis bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

1.1

[eisers] zijn als medewerker verwerkingsafdeling sedert 2003 krachtens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst bij [gedaagde] , welk bedrijf zich, kort gezegd, bezighoudt met het slachten en verwerken van pluimvee, alsmede de export van en groothandel in pluimvee. In de vestiging te Kornhorn zijn 442 werknemers actief.

1.2

Op de arbeidsovereenkomsten is de CAO voor de werknemers werkzaam in de Pluimvee verwerkende Industrie, hierna de CAO, van toepassing.

1.3

Artikel 13 van de CAO luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Verkorting arbeidsduur

  1. de werknemer heeft recht op 16 roostervrije dagen op jaarbasis, waarvan 6 dagen vast te stellen door de werkgever en 9 dagen vast te stellen door de werkgever in onderling overleg met de ondernemingsraad c.q. personeelsvertegenwoordiging c.q. de werknemers.(…)

  2. deze roostervrije dagen dienen te worden opgenomen in blokken van 4 uur of van 8 uur met dien verstande dat de werknemers ten minste 1 maand van tevoren op de hoogte worden gesteld van het tijdstip van hun inroostering.

1.4

Artikel 16 van de CAO luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Overwerk

3. In geval van overwerk kan door de werkgever een regeling worden getroffen, waarin het aan de werknemer wordt toegestaan in een daarop volgende periode afwezig te zijn met behoud van loon gedurende een tijdsruimte gelijk aan het gemaakte aantal overuren. De vaststelling hiervan geschiedt door de werkgever, doch moet plaatsvinden binnen het tijdsverloop van 3 weken na de dag waarop de overuren worden gemaakt.

1.5

In verband met het uitbreken van de vogelgriep, de zeer besmettelijke hoog pathogene aviaire variant van influenza, heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken onder meer vanaf 20 november 2014 een algeheel vervoersverbod voor onder meer pluimvee en ander gevogelte, eieren, pluimveemest en strooisel ingesteld voor de duur van 72 uur. Er was sprake van een volledige stand still.

1.6

Als gevolg van bedoelde overheidsmaatregelen heeft het productieproces van [gedaagde] op 17, 18 en 20 november 2014 gedeeltelijk en op 21 november 2014 geheel stilgelegen. Middels een algemeen schrijven heeft [gedaagde] op 17 november 2014 onder meer het volgende aan de werknemers bericht:

Personeel

We hebben afgesproken dat we de uren die medewerkers niet kunnen werken in verband met de vogelpest zullen verrekenen met een min/plussysteem. Uren die nu niet worden gewerkt kunnen worden gecompenseerd met uren die op een later moment extra worden gewerkt.

1.7

[gedaagde] heeft de in verband met de sluiting niet gewerkte uren in overleg met de Centrale Ondernemingsraad en zonder toestemming van [eisers] verrekend met gemaakte overuren en met verlofuren. Bij [eiser sub 1] ging het daarbij om 15,2 niet gewerkte uren en bij [eiser sub 2] om 22,8 uren.

2 De standpunten van partijen

2.1

[eisers] hebben gesteld dat de tijdelijke sluiting van het bedrijf als gevolg van het uitbreken van de voorzienbare vogelgriep behoort tot het ondernemersrisico van [gedaagde] , zodat op haar gedurende die tijd de loonbetalingsverplichting ex artikel 7: 628 BW rust. De CAO biedt geen mogelijkheid om daarvan af te wijken.

2.2

[gedaagde] heeft in essentie betoogd dat het uitbreken van de onderhavige, uitzonderlijke vorm van vogelgriep/pest en de daarmee samenhangende van overheidswege afgekondigde, onverwacht strenge maatregelen niet voorzienbaar waren, zodat het niet verrichten van de arbeid geen oorzaak heeft die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Volgens haar heeft artikel 7: 628 BW – geen arbeid, geen loon – hier dan ook te gelden. Los daarvan geeft de CAO, de artikelen 16 en 13, uitgelegd naar kennelijke bedoeling, haar de mogelijkheid om te verrekenen op de wijze die zij na goedkeuring van de ondernemingsraad heeft gehanteerd.

2.3

voor zover nodig zullen de standpunten van partijen bij de beoordeling nader worden besproken.

3 De beoordeling

3.1

In deze zaak ligt voor de aan de hand van de wet en de CAO te beantwoorden vraag of [eisers] recht hebben op doorbetaling van loon gedurende de periode van 4 dagen dat het productieproces bij [gedaagde] noodgedwongen heeft stilgelegen als gevolg van het uitbreken van de vogelgriep en de daaraan inherente maatregelen van overheidswege waardoor zij, [eisers] , geen arbeid hebben kunnen verrichten.

3.2

Ingevolge artikel 7: 627 BW heeft als hoofdregel te gelden dat de werkgever geen loon verschuldigd is indien de werknemer geen arbeid verricht. Krachtens artikel 7: 628 BW dient de werkgever het bedongen loon evenwel door te betalen als de werknemer niet kan werken door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt. Daarbij speelt de voorzienbaarheid van bedoelde oorzaak een cruciale rol.

3.3

Met [eisers] is de kantonrechter van oordeel dat een besmettelijke ziekte als de vogelgriep c.q. de vogelpest en de daarbij behorende maatregelen, zoals ruimingen en vervoersverboden, in beginsel als voorzienbaar moeten worden aangemerkt, waar de intensieve, verhoogd vatbare pluimveehouderij, zowel nationaal als internationaal, van tijd tot tijd door deze ziekte, waarvan algemeen bekend is dat de verspreiding niet wordt opgehouden door landsgrenzen, wordt geplaagd.

3.4

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat het niet werken van [eisers] een oorzaak heeft die in de risicosfeer van ondernemer [gedaagde] ligt en die in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] dient te komen. Niettemin moet [gedaagde] worden nagegeven dat de in het geding zijnde uitbraak en daarmee samenhangende maatregelen ingrijpender zijn geweest dan tot dan gebruikelijk hier te lande, hetgeen een in tijd beperkte loondoorbetalingsverplichting zou kunnen rechtvaardigen. Zulks is hier evenwel niet aan de orde nu het gaat om een in tijd beperkte verplichting van hoogstens 4 dagen.

3.5

Thans is aan de orde de vraag of de CAO [gedaagde] het juridische kader biedt om tot verrekening over te gaan gelijk zij heeft gedaan. Daaromtrent overweegt de kantonrechter het volgende.

3.6

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de CAO moet worden uitgelegd overeenkomstig de zogeheten CAO-uitlegnorm (vgl. HR 17 september 1993, NJ 1994, 173). Deze norm strekt ertoe dat bepalingen van een CAO, die erdoor worden gekenmerkt dat de individuele werknemers voor wie de CAO geldt bij de totstandkoming ervan niet betrokken zijn en dat de daaraan ten grondslag liggende overwegingen voor hen niet kenbaar zijn, moeten worden uitgelegd naar de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO-bepalingen (en een eventuele toelichting daarop) zijn gesteld, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zich zelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. HR 31 mei 2002, NJ 2003, 110). Bij de uitleg volgens de CAO-norm is de bedoeling van de contractspartijen, anders dan bij de Haviltex-uitleg, voor zover deze voor de individuele werknemers niet uit het desbetreffende geschrift blijkt, niet van betekenis.

3.7

In het licht van voormeld criterium stond het [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter niet vrij om op grond van de CAO tot verrekening met verlof- en overuren over te gaan.

3.8

Zo geeft artikel 16 lid 3 CAO de werkgever de mogelijkheid een regeling te treffen waarin aan de werknemer wordt toegestaan in een daaropvolgende periode afwezig te zijn met behoud van loon gedurende een tijdvak gelijk aan het gemaakte aantal overuren, waarbij de vaststelling daarvan door de werkgever moet plaatsvinden binnen een tijdsverloop van drie weken na de dag waarop de overuren worden gemaakt. De door [gedaagde] gehanteerde methode voldoet niet aan deze uitgangspunten, al was het maar omdat [gedaagde] overuren inzet die nog niet gemaakt zijn, terwijl de regeling nu juist ziet op betaling van reeds gemaakte overuren in de vorm van doorbetaalde vrije tijd en wel binnen drie weken nadat de overuren zijn gemaakt. Voorts kent de bepaling geen verplichting aan de werknemer om zijn overuren op die wijze op te nemen. De werkgever kan de werknemer toestaan op die manier te werk te gaan. Indien de werknemer van de mogelijkheid gebruik wenst te maken, is het aan de werkgever om het concrete tijdvak vast te stellen. [eisers] hebben geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid.

3.9

Ook artikel 13 van de CAO kan [gedaagde] niet baten, waar de door de werkgever imperatief aan te wijzen roostervrije dagen ten minste een maand van te voren aan de werknemer kenbaar moeten worden gemaakt. Daarvan is hier geen sprake. Nu bovendien noch de overige formuleringen in de CAO, noch enige toelichting daarop steun bieden voor de stelling van [gedaagde] dat het de kennelijke bedoeling van de CAO is om de door haar beproefde verrekenmethode mogelijk te maken, zullen de weren van [gedaagde] worden gepasseerd. Mutatis mutandis liggen de vorderingen van [eisers] voor toewijzing gereed, zij het dat de dwangsom zal worden gemaximeerd.

3.10

Als in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de kosten van de procedure veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] het verlofsaldo van [eiser sub 1] met 15,2 uren op te plussen onder overlegging van een deugdelijke specificatie daarvan binnen een week na dagtekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen, zulks met een maximum van € 5000,00;

veroordeelt [gedaagde] het verlofsaldo van [eiser sub 2] met 22,8 uren op te plussen onder overlegging van een deugdelijke specificatie daarvan binnen een week na dagtekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen, zulks met een maximum van € 5000,00;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eisers] gevallen en stelt deze vast op € 99,99 aan explootkosten, € 78,00 aan vastrecht en € 300,00 aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en op 4 mei 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

Typ: AF