Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2178

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
18.950075-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar en verdachte daarvoor strafbaar.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft de brandstichting bij [postduivenvereniging] medegepleegd en tevens een poging brandstichting bij de ijsbaanvereniging te [pleegplaats] gepleegd. Daarnaast heeft hij de auto van zijn vriendin en de brommobiel van zijn broer in de brand gestoken om verzekeringsgelden uitgekeerd te krijgen. De afgelopen jaren is [pleegplaats] geteisterd door brandstichtingen. De maatschappelijke impact hiervan is groot. Verdachte, die bovendien zelf woonachtig is in [pleegplaats], heeft zich er niet van laten weerhouden om zelf brand te stichten terwijl hij kon en moest weten van de brandstichtingen in [pleegplaats] en de onrust en angst die deze brandstichtingen veroorzaakten. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij in weerwil van die onrust en angst branden heeft gesticht.

Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tot tweemaal toe heeft ingebroken in verenigingspanden en daar een groot aantal goederen heeft gestolen. Door zijn handelen zijn deze verenigingen gedupeerd en hebben zij veel schade opgelopen.

Tevens rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tweemaal doelbewust een verzekeringsmaatschappij heeft opgelicht en daarmee het vertrouwen heeft ondermijnd dat gesteld moet kunnen worden in de juistheid van schademeldingen aan verzekeringsmaatschappijen.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank er rekening mee dat aan verdachte wegens verminderde toerekeningsvatbaarheid de feiten in mindere mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op al deze factoren en met name de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een lichtere straf dan een langdurige gevangenisstraf kan worden volstaan. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2013-11-15
Wetboek van Strafrecht 310, geldigheid: 2012-05-09
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2004-08-10
Wetboek van Strafrecht 328, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950075-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 mei 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is krachtens een ter terechtzitting van 19 april 2016 toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de nacht van 22 op 23 oktober 2015, te [pleegplaats 1] , tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand

heeft gesticht in/bij het verenigingsgebouw van de [postduivenvereniging]

[postduivenvereniging] , gevestigd aan de [straat 1] , door in/bij dat verenigingsgebouw open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat verenigingsgebouw geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat verenigingsgebouw en/of voor omliggende percelen (door asbestemissie), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 22 op 23 oktober 2015, te [pleegplaats 1] , tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit het verenigingsgebouw van de [postduivenvereniging] , gevestigd aan de [straat 1] , heeft weggenomen een groot aantal zakken duivenvoer en/of drank- en/of etenswaren en/of een koffiezetapparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [postduivenvereniging] , en elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik

hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2015 tot en met 21 november 2015, te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in/aan het clubgebouw van de ijsbaanvereniging, gelegen aan de [straat 2] , met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een brandbare vloeistof (wasbenzine) heeft gesprenkeld tegen de binnenmuur van het gebouw en dit vervolgens in brand heeft gestoken, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met wasbenzine, althans met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor dat clubgebouw en/of het interieur van dat clubgebouw, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2015 tot en met 21 november 2015, te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit het clubgebouw van de ijsbaanvereniging, gelegen aan de [straat 2] , heeft weggenomen een geluidsinstallatie, versterker, radio, microfoon, een koffieautomaat, twee koffiekannen, twee waterkokers, de inhoud van een verbandkist, een tosti-ijzer en/of drank- en/of etenswaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [ijsbaanvereniging] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 7 juni 2015, te [pleegplaats 1] , aan of nabij de [locatie] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand heeft gesticht in enig tegen brandgevaar verzekerd goed, te weten een personenauto, merk Rover, [kenteken 1] ;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 07 juni 2015 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, merk Rover, [kenteken 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

6.

hij op of omstreeks 02 augustus 2014, te [pleegplaats 2] , gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand heeft gesticht in enig tegen brandgevaar verzekerd goed, te weten een brommobiel, merk Aixam E3, [kenteken 2] ;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 02 augustus 2014 te [pleegplaats 2] , gemeente Hoogeveen, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een brommobiel, merk Aixam E3, [kenteken 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank zal waar in de tenlastelegging staat "en/of zijn mededaders" lezen alsof daar staat "en/of zijn medeverdachten". De term mededader impliceert immers dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 5 primair en 6 tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat verdachte de brand niet heeft aangestoken en dat van medeplegen geen sprake is. Ten aanzien van het onder 5 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad om de verzekering te benadelen. Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van broer [slachtoffer 2] niet meegenomen kunnen worden omdat [slachtoffer 2] geestelijk zwak is. Op deze verklaring mag derhalve niet worden vertrouwd en bovendien is dit het enige bewijsmiddel, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past bij de beoordeling van de tenlastelegging de volgende bewijsmiddelen toe. De rechtbank volstaat ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Feit 1

Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit stelt de rechtbank vast dat verdachte en zijn [medeverdachte] nadat zij hadden ingebroken bij [postduivenvereniging] zich kennelijk zorgen maakten over de vingerafdrukken die [medeverdachte] in het pand zou hebben achtergelaten. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte dat [medeverdachte] de brand heeft aangestoken. Toen verdachte en [medeverdachte] na de brandstichting bij het huis van verdachte kwamen hebben zij aan [getuige 1] en [getuige 2] verteld dat zij het pand in brand hadden gestoken. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat moet worden gesproken van medeplegen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is –ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016

Ik was in het gebouw toen de brand begon.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 29 oktober 2015, opgenomen op pagina 217 van het dossier met nummer NN3R015033 Koronis d.d. 1 maart 2016, inhoudende de aangifte van [persoon 1] namens [postduivenvereniging] .

Ik doe namens [postduivenvereniging] aangifte van brandstichting. Het pand ligt aan de [straat 1] in [pleegplaats 1] . Het gebouw is verloren gegaan.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 november 2015 opgenomen op pagina 233 van voornoemd dossier, inhoudende een proces-verbaal van brandonderzoek van [verbalisant] .

Er zijn in totaal drie primaire brandhaarden in het pand aangetroffen. In geval van brandhaard II en III kon met volledige zekerheid worden aangetoond dat hier sprake was van het opzettelijk stichten van brand. Een technische oorzaak of een ontstaan als gevolg van brandoverslag kon volledig worden uitgesloten. Door de brand is er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 november 2015, op pagina 662 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2] .

[medeverdachte] en ik zijn na het uitladen van de auto van [verdachte] teruggereden naar de duivenvereniging. Daar hebben we de auto met z'n drieën nog een keer ingeladen. Toen ben ik weggereden en bleven [medeverdachte] en [verdachte] daar achter. Ik heb in het huis van [verdachte] en [slachtoffer 1] op hen gewacht. Toen zij terugkwamen vertelden ze dat ze het gebouw in brand hadden gestoken.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 8 december 2015, op pagina 329 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] .

Op een zeker moment kwamen [verdachte] en [medeverdachte] vol trots de woning van [verdachte] en [slachtoffer 1] binnen. Ze zeiden dat de boel in de brand stond. [verdachte] zei dat [medeverdachte] vingerafdrukken had achtergelaten omdat hij geen handschoenen had gedragen. [verdachte] had wel handschoenen gedragen maar omdat de vingerafdrukken van [medeverdachte] aanwezig waren moest alles in de brand zo zei [verdachte] . Dit was om sporen te vernietigen.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 16 december 2015, op pagina 592 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte] .

[medeverdachte] was helemaal achterin het gebouw bezig met een rol. Hij was in het gedeelte waar de duivenmanden stonden. De brand is dus ook begonnen aan de kant van de manden. Daar is de brand ontstaan. [medeverdachte] had een rol in de handen en die had hij afgewikkeld en dat heeft hij allemaal aangestoken.

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 12 november 2015, opgenomen op pagina 222 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 1] namens [postduivenvereniging] .

Feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 21 november 2015, opgenomen op pagina 341 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 3] namens de [ijsbaanvereniging] .

Feit 4

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 21 november 2015, opgenomen op pagina 341 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 3] namens de [ijsbaanvereniging] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 9 december 2015, opgenomen op pagina 344 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 3] namen de [ijsbaanvereniging] .

Feit 5

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 1 februari 2016, opgenomen op pagina 39 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [aangever 1] namens Delta Lloyd Groep.

[verdachte] heeft in de periode van 8 juni 2015 tot en met 22 juli 2015 wederrechtelijk een beroep gedaan op de verzekering voor de schade die [verdachte] en [slachtoffer 1] hebben geleden aan de Rover met het [kenteken 1] . Wij hebben € 700,- als schadebedrag en € 108,23 aan expertisekosten vergoed.

De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 19 april 2016.

Ik heb eerst schade gereden met de auto van mijn vriendin [slachtoffer 1] en toen heb ik de auto in de brand gestoken. Ik was bang voor de reactie van mijn vriendin op het zien van de schade en van het uitgekeerde geld van de verzekering wilde ik een nieuwe auto kopen.

Feit 6

In tegenstelling tot de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op de verklaring van [slachtoffer 2] kan worden vertrouwd. Het is de rechtbank niet gebleken dat [slachtoffer 2] zijn verklaring uit angst zijn verklaring heeft afgelegd. De enkele stelling de raadsvrouw dat [slachtoffer 2] geestelijk zwak is, is hiertoe onvoldoende.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 13 april 2016, opgenomen op pagina 1 en verder van dossier met nummer PL0100-2016105054-1 d.d. 13 april 2016, inhoudende de aangifte van [aangever 2] namens Centraal Beheer Achmea.

Naar aanleiding van een claim van verzekerde [slachtoffer 2] hebben wij € 3.000,- aan [slachtoffer 2] uitgekeerd. Daarnaast hebben wij op grond van de WAM € 140,51 uitgekeerd aan de gemeente Hoogeveen. Verder zijn er expertisekosten € 195,25 en behandelingskosten € 250,00 gemaakt.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 februari 2016, op pagina 844 van het dossier met nummer NN3R015033 Koronis d.d. 1 maart 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Toen we reden had [verdachte] iets in zijn handen. Hij was ergens mee bezig en toen kwamen de vlammen. Hij zei tegen mij dat het beter is dat de auto weg zou gaan. Dat zei hij toen hij aan de auto aan het sleutelen was. Onderweg zei hij niets. Hij had ruitenvloeistof in zijn handen of zoiets en toen kwam er rook en ik zag dat hij iets strooide en toen kwamen de vlammen. Hij strooide iets op het dashboard en hij stak het aan. Hij zei je bent van het autootje af. Koop maar een nieuwe van dat geld.

De rechtbank acht het onder 1,2, 3, 4, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat

1.

hij in de nacht van 22 op 23 oktober 2015, te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in het verenigingsgebouw van de [postduivenvereniging] , gevestigd aan de [straat 1] , door in dat verenigingsgebouw open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat verenigingsgebouw is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

2.

hij in de nacht van 22 op 23 oktober, te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het verenigingsgebouw van de postduivenvereniging heeft weggenomen zakken duivenvoer en drank- en etenswaren en een koffiezetapparaat, toebehorende aan [postduivenvereniging] , waarbij verdachte en zijn medeverdachten zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

3.

hij in de periode van 16 november 2015 tot en met 21 november 2015, te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om, opzettelijk brand te stichten in het clubgebouw van de ijsbaanvereniging, gelegen aan de [straat 2] , met dat opzet, een brandbare vloeistof (wasbenzine) heeft gesprenkeld tegen de binnenmuur van het gebouw en dit vervolgens in brand heeft gestoken, waardoor gemeen gevaar voor dat clubgebouw en het interieur van dat clubgebouw te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

hij in de periode van 16 november 2015 tot en met 21 november 2015, te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het clubgebouw van de ijsbaanvereniging, gelegen aan de [straat 2] , heeft weggenomen, een microfoon en een koffieautomaat en twee koffiekannen en een waterkoker en de inhoud van een verbandkist en een tosti-ijzer en drank- en etenswaren, toebehorende aan de [ijsbaanvereniging] waarbij verdachte en zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

5.

hij op 7 juni 2015, te [pleegplaats 1] , aan de [locatie] , met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand heeft gesticht in enig tegen brandgevaar verzekerd goed, te weten een personenauto, met Rover, [kenteken 1] .

6.

hij op 02 augustus 2014, te [pleegplaats 2] , gemeente Hoogeveen, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand heeft gesticht in enig tegen brandgevaar verzekerd goed, te weten een brommobiel, merk Aixam E3, [kenteken 2] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 157 in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

2.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikelen 310 en 47 van het Wetboek van Strafrecht

3.

poging opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 157 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht

4.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikelen 310 en 47 van het Wetboek van Strafrecht

5.

met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand stichten, strafbaar gesteld bij artikel 328 van het Wetboek van Strafrecht

6.

met het oogmerk om zich of een ander, ten nadele van de verzekeraar, wederrechtelijk te bevoordelen, brand stichten, strafbaar gesteld bij artikel 328 van het Wetboek van Strafrecht

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 12 maart 2016 opgemaakt door E. van der Vorst, MSc, GZ-psycholoog/Pro Justitia Rapporteur i.o. Onder supervisie van drs. F. Jonker, GZ-psycholoog, rapporteur NRGD. De rapporteurs geven aan dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van afhankelijkheid van alcohol en misbruik van cocaïne en canabis. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid. Hierdoor zijn de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Verdachte lijkt overvraagd, waarbij de draaglast de draagkracht al langere tijd overschrijdt. De onderzoekers adviseren de rechtbank om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1,2,3,4,5 primair en 6 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat bijzondere voorwaarden zoals benoemd in de reclasseringsrapportage en de psychologische rapportage worden opgelegd, met uitzondering van het contactverbod met neef [medeverdachte] . Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van 6 maanden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel beperkt is vanwege de problematiek van verdachte en de behandeling die hij hiervoor zal moeten ondergaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage van 3 maart 2016, de over hem opgemaakte psychologische rapportage d.d. 12 maart 2016 en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de vordering nadere omschrijving tenlastelegging is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft de brandstichting bij [postduivenvereniging] medegepleegd en tevens een poging brandstichting bij de ijsbaanvereniging te [pleegplaats 1] gepleegd. Daarnaast heeft hij de auto van zijn vriendin en de brommobiel van zijn broer in de brand gestoken om verzekeringsgelden uitgekeerd te krijgen. De afgelopen jaren is [pleegplaats 1] geteisterd door brandstichtingen. De maatschappelijke impact hiervan is groot. Verdachte, die bovendien zelf woonachtig is in [pleegplaats 1] , heeft zich er niet van laten weerhouden om zelf brand te stichten terwijl hij kon en moest weten van de brandstichtingen in [pleegplaats 1] en de onrust en angst die deze brandstichtingen veroorzaakten. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij in weerwil van die onrust en angst branden heeft gesticht.

Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tot tweemaal toe heeft ingebroken in verenigingspanden en daar een groot aantal goederen heeft gestolen. Door zijn handelen zijn deze verenigingen gedupeerd en hebben zij veel schade opgelopen.

Tevens rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tweemaal doelbewust een verzekeringsmaatschappij heeft opgelicht en daarmee het vertrouwen heeft ondermijnd dat gesteld moet kunnen worden in de juistheid van schademeldingen aan verzekeringsmaatschappijen.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank er rekening mee dat aan verdachte wegens verminderde toerekeningsvatbaarheid de feiten in mindere mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank heeft gelet op de onderzoeksrapportage van E. van der Vorst, MSc, GZ-psycholoog/Pro Justitia Rapporteur i.o. Onder supervisie van drs. F. Jonker, GZ-psycholoog, rapporteur NRGD waarin de onderzoekers aangeven dat er een verband is geconstateerd tussen de gediagnostiseerde psychische problematiek en de tenlastegelegde feiten. De onderzoekers adviseren om een verplicht reclasseringstoezicht en ambulante behandeling bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Daarnaast adviseren zij dat verdachte zich dient te onthouden van het gebruik van drugs en alcohol en dient hij mee te werken aan urinecontroles. Ook adviseren zij een contactverbod met neef [medeverdachte] op te leggen. Inhoudelijk is het volgens onderzoekers van belang om de middelenproblematiek te behandelen en de copingsvaardigheden te versterken, met parallel daaraan begeleiding bij de financiële problemen en aandacht voor een constructieve daginvulling zoals begeleiding naar werk.

De rechtbank heeft voorts gelet op de reclasseringsrapportage van 3 maart 2016 waarin wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting.

Gelet op al deze factoren en met name de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een lichtere straf dan een langdurige gevangenisstraf kan worden volstaan. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich onder toezicht stelt van de reclassering zal en zich hierna blijft melden zo frequent en zo lang de reclassering dit nodig acht. Daarnaast dient verdachte zich te laten behandelen voor zijn middelenprobleem bij de forensische verslavingszorg of soortgelijke ambulante zorginstelling en zich te houden aan aanwijzingen die hem in dat kader worden gegeven. Tevens dient verdachte medewerking te verlenen aan contact met het forensisch ACT waarbij een kortdurende klinische opname (maximaal 7 weken) ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in dat kader door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven. Daarnaast dient de verdachte zich te onthouden van gebruik van alcohol en drugs en dient hij medewerking te verlenen aan de reclassering voor het ondergaan van urinecontroles op dat verbod. Vanwege de persoon van verdachte en zijn problematiek legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist. Een contactverbod met de neef van verdachte acht de rechtbank niet opportuun.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c,14d, 45, 47, 157, 310, 311, 328 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Benadeelde partij

De gemeente Hoogeveen heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het ad informandum gevoegde en in deze zaak afgedane feit. De vordering bedraagt € 150,93

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw van verdachte hebben betoogd dat de vordering kan worden toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden. Deze schade staat in zodanig verband met het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen zeven dagen na zijn invrijheidsstelling meldt bij de reclassering van de verslavingszorg (Overcingellaan 19, 9401 LA Assen);

2. dat veroordeelde zich laat behandelen voor zijn middelenprobleem bij de forensische verslavingszorg of soortgelijke ambulante zorginstelling en zich houdt aan aanwijzingen die hem, in het kader van de behandeling, door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat veroordeelde medewerking verleent aan contact met het forensisch ACT waarbij een kortdurende klinische opname (maximaal 7 weken) ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject waarbij verdachte houdt aan de aanwijzingen die hem in dat kader door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven.

4. dat verdachte zich onthoudt van het gebruik van alcohol en drugs.

5. dat verdachte meewerkt aan urinecontroles van de reclassering om naleving van het alcohol- en drugsverbod te controleren.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij gemeente Hoogeveen toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 150,93 (zegge: honderdvijftig euro en drieënnegentig eurocent).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer, gemeente Hoogeveen, te betalen een bedrag van € 150,93 (zegge: honderdvijftig euro en drieënnegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van drie dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, gemeente Hoogeveen, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. J. van den Bosch, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2016