Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2177

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
18.950077-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het onder één tot en met drie ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar en verdachte daarvoor strafbaar.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in de nacht van 22 op 23 oktober 2015 met een ander brand gesticht in het verenigingsgebouw van Postduivenvereniging in pleegplaats. De afgelopen jaren is pleegplaats geteisterd door brandstichtingen. De maatschappelijke impact hiervan is hoog. Verdachte die bovendien zelf woonachtig is in pleegplaats heeft zich er niet van laten weerhouden om zelf brand te stichten terwijl hij kon en moest weten van de brandstichtingen in pleegplaats en de onrust en angst die deze brandstichtingen veroorzaakten. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij in weerwil van deze onrust en angst brand heeft gesticht.

Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tot tweemaal toe heeft ingebroken in verenigingspanden en daar een groot aantal goederen heeft gestolen. Door zijn handelen zijn deze verenigingen gedupeerd en hebben zij veel schade opgelopen.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank er rekening mee dat aan verdachte wegens verminderde toerekeningsvatbaarheid de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gelet op al deze factoren en met name de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een lichtere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950077-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 mei 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] ,

thans verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.T. van Daatselaar advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is krachtens een ter terechtzitting van 19 april 2016 toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de nacht van 22 op 23 oktober 2015, te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij het verenigingsgebouw van de [postduivenvereniging] , gevestigd aan de [straat 1] , door in/bij dat verenigingsgebouw open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat verenigingsgebouw geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor dat verenigingsgebouw en/of voor omliggende percelen (door asbestemissie), in elk

geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 22 op 23 oktober 2015, te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit het verenigingsgebouw van de [postduivenvereniging] , gevestigd aan de [straat 1] , heeft weggenomen een groot aantal zakken duivenvoer en/of drank- en/of etenswaren en/of een koffiezetapparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [postduivenvereniging] , en elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik

hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2015 tot en met 21 november 2015, te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit het clubgebouw van de ijsbaanvereniging, gelegen aan de [straat 2] , heeft weggenomen een geluidsinstallatie, versterker, radio, microfoon, een koffieautomaat, twee koffiekannen, twee waterkokers, de inhoud van een verbandkist, een tosti-ijzer en/of drank- en/of etenswaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [ijsbaanvereniging] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank zal waar in de tenlastelegging staat "en/of zijn mededaders" lezen alsof daar staat "en/of zijn medeverdachten". De term mededader impliceert immers dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder één tot en met drie tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder twee en drie tenlastegelegde kan worden bewezen maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder één tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat hoewel er voldoende wettig bewijs is dat verdachte de brandstichting heeft (mede)gepleegd, er niet de overtuiging kan bestaan dat verdachte dit heeft gedaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past bij de beoordeling van de tenlastelegging de volgende bewijsmiddelen toe. De rechtbank volstaat ten aanzien van de feiten 2 en 3 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Feit 1

Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit stelt de rechtbank vast dat verdachte en zijn [medeverdachte] nadat zij hadden ingebroken bij [postduivenvereniging] zich kennelijk zorgen maakten over de vingerafdrukken die verdachte in het pand zou hebben achtergelaten. De rechtbank volgt de verklaring van [medeverdachte] dat verdachte de brand heeft aangestoken. Hierbij is voor de rechtbank van belang dat [medeverdachte] als getuige gehoord tijdens de terechtzitting van 19 april 2016 onder ede heeft verklaard dat hij verdachte "er niet bij wil lappen" en daarmee kennelijk zijn verklaring handhaaft die hij op 16 december 2015 bij de politie heeft afgelegd. Toen verdachte en [medeverdachte] na de brandstichting bij [medeverdachte] thuis kwamen hebben zij aan [getuige 1] en [getuige 2] verteld dat zij het pand in brand hadden gestoken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat moet worden gesproken van medeplegen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is –ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016

Mijn roepnaam is [roepnaam verdachte] . Ik was in het gebouw toen de brand begon.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 29 oktober 2015, opgenomen op pagina 217 van het dossier met nummer NN3R015033 Koronis d.d. 1 maart 2016, inhoudende de aangifte van [persoon 1] namens [postduivenvereniging] .

Ik doe namens [postduivenvereniging] aangifte van brandstichting. Het pand ligt aan de [straat 1] in [pleegplaats] . Het gebouw is verloren gegaan.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 12 november 2015 opgenomen op pagina 233 van voornoemd dossier, inhoudende een proces-verbaal van brandonderzoek van [verbalisant] .

Er zijn in totaal drie primaire brandhaarden in het pand aangetroffen. In geval van brandhaard II en III kon met volledige zekerheid worden aangetoond dat hier sprake was van het opzettelijk stichten van brand. Een technische oorzaak of een ontstaan als gevolg van brandoverslag kon volledig worden uitgesloten. Door de brand is er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 november 2015, op pagina 662 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] .

[roepnaam verdachte] en ik zijn na het uitladen van de auto van [medeverdachte] teruggereden naar de duivenvereniging. Daar hebben we de auto met z'n drieën nog een keer ingeladen. Toen ben ik weggereden en bleven [roepnaam verdachte] en [medeverdachte] daar achter. Ik heb in het huis van [medeverdachte] en [vriendin medeverdachte] op hen gewacht. Toen zij terugkwamen vertelden ze dat ze het gebouw in brand hadden gestoken.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 8 december 2015, op pagina 329 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] .

Op een zeker moment kwamen [medeverdachte] en [roepnaam verdachte] vol trots de woning van [medeverdachte] en [vriendin medeverdachte] binnen. Ze zeiden dat de boel in de brand stond. [medeverdachte] zei dat [roepnaam verdachte] vingerafdrukken had achtergelaten omdat hij geen handschoenen had gedragen. [medeverdachte] had wel handschoenen gedragen maar omdat de vingerafdrukken van [roepnaam verdachte] aanwezig waren moest alles in de brand zo zei [roepnaam verdachte] . Dit was om sporen te vernietigen.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 16 december 2015, op pagina 592 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] .

[roepnaam verdachte] was helemaal achterin het gebouw bezig met een rol. Hij was in het gedeelte waar de duivenmanden stonden. De brand is dus ook begonnen aan de kant van de manden. Daar is de brand ontstaan. [roepnaam verdachte] had een rol in de handen en die had hij afgewikkeld en dat heeft hij allemaal aangestoken.

De verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting van 19 april 2016 waarin hij als getuige onder ede verklaart.

Vraag: heeft u hem erbij gelapt?

Antwoord: nee.

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 12 november 2015, opgenomen op pagina 222 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 1] namens [postduivenvereniging] .

Feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 21 november 2015, opgenomen op pagina 341 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2] namens de [ijsbaanvereniging] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland d.d. 9 december 2015, opgenomen op pagina 344 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2] namen de [ijsbaanvereniging] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1,2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat

1.

hij in de nacht van 22 op 23 oktober 2015, te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in het verenigingsgebouw van de postduivenvereniging [postduivenvereniging] , gevestigd aan de [straat 1] , door in dat verenigingsgebouw open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat verenigingsgebouw is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

2.

hij in de nacht van 22 op 23 oktober, te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het verenigingsgebouw van de postduivenvereniging heeft weggenomen zakken duivenvoer en drank- en etenswaren en een koffiezetapparaat, toebehorende aan [postduivenvereniging] , waarbij verdachte en zijn medeverdachten zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

3.

hij in de periode van 16 november 2015 tot en met 21 november 2015, te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het clubgebouw van de ijsbaanvereniging, gelegen aan de [straat 2] , heeft weggenomen, een microfoon en een koffieautomaat en twee koffiekannen en een waterkoker en de inhoud van een verbandkist en een tosti-ijzer en drank- en etenswaren, toebehorende aan de [ijsbaanvereniging] waarbij verdachte en zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 157 in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

2.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikelen 310 en 47 van het Wetboek van Strafrecht

3.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikelen 310 en 47 van het Wetboek van Strafrecht

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op psychologische onderzoeksrapportage d.d. 1 april 2016 opgemaakt door mr. drs. Sterk, psycholoog.

De deskundige concludeert dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een cannabisafhankelijkheid en van misbruik van alcohol. Voorts is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van intellectuele capaciteiten op matig tot licht zwakzinnig niveau. Van deze problematiek was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Het geheel overziend brengt voornoemde psychische problematiek met zich mee dat verdachte niet goed in staat was om de consequenties van zijn handelen ten tijde van het tenlastegelegde te kunnen overzien en om, mede als gevolg van zijn overmatig alcoholgebruik, adequaat weerstand te kunnen bieden tegen de voorstellen van zijn neef Marcel, afgaand op het verhaal van verdachte. Onderzoeker acht dan ook een verband aanwezig tussen de geconstateerde psychische problematiek en zijn gedrag ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien. Hij kan echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig bovengenoemd inzicht geheel in vrijheid te kunnen bepalen. De rechtbank wordt geadviseerd om verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten - indien bewezen- verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder één tot en met drie tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd en een alcohol- en drugsverbod waarop door de reclassering controle zal worden uitgeoefend.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, in het geval de rechtbank tot een veroordeling voor alle tenlastegelegde feiten zou komen gepleit voor oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd en een gevangenisstraf lager dan door de officier van justitie geëist.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage d.d. 31 maart 2016, de over hem opgemaakte psychologische rapportage d.d. 1 april 2016, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in de nacht van 22 op 23 oktober 2015 met een ander brand gesticht in het verenigingsgebouw van [postduivenvereniging] in [pleegplaats] . De afgelopen jaren is [pleegplaats] geteisterd door brandstichtingen. De maatschappelijke impact hiervan is hoog. Verdachte die bovendien zelf woonachtig is in [pleegplaats] heeft zich er niet van laten weerhouden om zelf brand te stichten terwijl hij kon en moest weten van de brandstichtingen in [pleegplaats] en de onrust en angst die deze brandstichtingen veroorzaakten. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij in weerwil van deze onrust en angst brand heeft gesticht.

Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tot tweemaal toe heeft ingebroken in verenigingspanden en daar een groot aantal goederen heeft gestolen. Door zijn handelen zijn deze verenigingen gedupeerd en hebben zij veel schade opgelopen.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank er rekening mee dat aan verdachte wegens verminderde toerekeningsvatbaarheid de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank heeft gelet op de onderzoeksrapportage van mr. drs. Sterk, psycholoog van 1 april 2016, waarin de onderzoeker aangeeft dat er een verband is geconstateerd tussen de gediagnostiseerde psychische problematiek en de tenlastegelegde feiten. Volgens de onderzoeker kan verdachte niet in staat worden geacht om geheel zelfstandig veranderingen te kunnen brengen in de geconstateerde problematiek en wordt de kans op herhaling verhoogd ingeschat. De onderzoeker geeft aan dat behandeling geïndiceerd is en dat die behandeling zich dient te richten op verdachtes middelenproblematiek en zijn beperkte copingsvaardigheden waaronder zijn gebrekkige weerbaarheid als gevolg van zijn intellectuele beperkingen.

De rechtbank heeft eveneens gelet op de reclasseringsrapportage van Tactus verslavingszorg d.d. 31 maart 2016 waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een meldplicht bij VNN en een behandelverplichting op te leggen.

Gelet op al deze factoren en met name de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een lichtere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich onder toezicht van de reclassering zal stellen en zich hierna blijft melden zo frequent en zo lang de reclassering dit nodig acht. Binnen dit kader dient verdachte zich te houden aan de opgestelde aanwijzingen en afspraken. Voorts dient verdachte zich te laten behandelen voor door de psycholoog gesignaleerde problematiek bij de VNN of soortgelijke forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven. Daarnaast dient de verdachte zich te onthouden van gebruik van alcohol en drugs en dient hij medewerking te verlenen aan de reclassering voor het ondergaan van urinecontroles op dat verbod. Vanwege de persoon van verdachte en zijn problematiek legt de rechtbank een lagere straf op dan door de officier van justitie geëist.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c,14d, 47, 157, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder één tot en met drie ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

1. dat de veroordeelde zich na zijn invrijheidsstelling op uitnodiging van VNN moet melden bij VNN reclassering.

2. dat veroordeelde zich onder behandeling laat stellen van VNN of soortgelijke forensische zorginstelling voor ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelengebruik en psychische problematiek, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

3. dat verdachte zich onthoudt van het gebruik van alcohol en drugs.

4. dat verdachte meewerkt aan urinecontroles van de reclassering om naleving van het alcohol- en drugsverbod te controleren.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. J. van den Bosch, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2016.