Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2019

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
LEE 15-2547
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat verweerder al handhaaft op overtreding van geurvoorschrift 8.2.2 heeft verweerder het verzoek om handhaving terecht afgewezen. Het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning is terecht afgewezen, nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van ontoelaatbare milieugevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

Zaaknummer: LEE 15/2547

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2016 in de zaak tussen

[eisers] , te Wijster, eisers,

(gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden)

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe, verweerder.

als derde partij heeft [derde belanghebbende] (vergunninghouder) aan het geding deelgenomen (gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers tot handhaving en intrekking van de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning,

afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen bovengenoemd besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. de Muinck en F. van der Veen. Namens belanghebbende zijn [derde belanghebbende] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde bovengenoemd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Vergunninghouder exploiteert een inrichting voor het verwerken van dierlijke bijproducten. Bij besluit van 1 juni 2010 is voor de inrichting een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend, met voorschriften over onder andere de geurimmissie veroorzaakt door de inrichting. De milieuvergunning wordt op grond artikel 1.2, derde lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld met een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor de betreffende activiteit.

1.2.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft verweerder aan vergunninghouder een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de voorschriften 8.2.1 en 8.2.2 van de vergunning. Met ingang van de inwerkingtreding van de beschikking verbeurt vergunninghouder een dwangsom van € 50.000,- voor iedere week dat vergunninghouder niet blijvend voldoet aan de voorschriften 8.2.1 en 8.2.2 van de vergunning. De in totaal te verbeuren dwangsom is vastgesteld op € 200.000,-.

1.3.

Bij brief van 21 december 2012 heeft verweerder aan vergunninghouder bericht dat, doordat bij meting van 14 december 2012 een overschrijding van de geurnorm is vastgesteld, vergunninghouder een dwangsom heeft verbeurd van €50.000,-.

1.4.

Bij besluit van 13 februari 2013 heeft verweerder besloten tot invordering van door vergunninghouder van rechtswege verbeurde dwangsom wegens het niet naleven van de opgelegde last.

1.5.

Bij brief van 29 augustus 2013 heeft verweerder aan vergunninghouder bericht dat, doordat bij meting van 7 augustus 2013 een overschrijding van de geurnorm is vastgesteld, vergunninghouder een dwangsom heeft verbeurd van €50.000,-.

1.6.

Bij brief van 29 augustus 2013 heeft verweerder aan vergunninghouder bericht dat, doordat bij meting van 15 augustus 2013 een overschrijding van de geurnorm is vastgesteld, vergunninghouder een dwangsom heeft verbeurd van €50.000,-.

1.7.

Bij besluit van 6 november 2013 heeft verweerder de bezwaren van vergunninghouder tegen de besluiten van 8 november 2012 en 13 februari 2013 ongegrond verklaard.

1.8.

Bij besluit van 28 april 2014 heeft verweerder besloten tot invordering van door vergunninghouder van rechtswege verbeurde dwangsommen wegens het niet naleven van de opgelegde last.

1.9.

Bij brief van 31 juli 2014 hebben eisers verweerder verzocht om voorschrift 8.2.2 van de omgevingsvergunning per omgaande en onverkort te handhaven. Subsidiair hebben eisers verzocht de omgevingsvergunning per omgaande in te trekken en vervolgens het verbod van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo te handhaven.

1.7.

Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 9 september 2014 afgewezen. Verweerder is, net als eisers, van mening dat geurvoorschrift 8.2.2 wordt overtreden en heeft overwogen dat al op 13 november 2012 een last onder dwangsom is opgelegd om te voldoen aan de geurvoorschriften. Daarnaast is een vooraankondiging gezonden voor het opnieuw opleggen van een last onder dwangsom wegens het onnodig openhouden van de deuren van de fabriekshal (vergunningvoorschrift 8.1.1). Nu al wordt gehandhaafd is het verweerder niet duidelijk waarom eisers alsnog verzoeken om handhavend op te treden. Verweerder wijst daarom het verzoek af. Ook ziet verweerder geen aanleiding de omgevingsvergunning in te trekken aangezien verweerder van vergunninghouder verwacht dat deze aan de geurnormen voldoet.

1.8.

Onder overneming van het advies van 13 april 2015 van de Commissie bezwaarschriften heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 9 september 2014 bij thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat er strikt genomen geen sprake is van een aanvraag en geen besluit. Het door het handhavingsverzoek beoogde rechtsgevolg was immers al verwezenlijkt in de handhavingsbeschikking van 8 november 2012.

2.2.

De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Nog afgezien van de vraag of verweerders overwegingen juridisch juist zijn, behelst het verzoek van eisers van 31 juli 2014 niet enkel een verzoek om handhaving, maar ook een verzoek om intrekking van de vergunning. Nu verweerder ook dit verzoek heeft afgewezen, heeft het besluit van 9 september 2014 wel degelijk rechtsgevolg.

3.1.

Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van een voortdurende overtreding. Omdat sprake is van een voortdurende overtreding is de maximale dwangsom reeds lang geleden verbeurd.

3.2.

Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

3.3.

In het dwangsombesluit van 8 november 2012 is bepaald dat vergunninghouder een dwangsom van € 50.000,- verbeurt voor iedere week dat vergunninghouder niet blijvend voldoet aan de voorschriften 8.2.1 en 8.2.2 van de vergunning.

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zoals de uitspraak van 13 november 2013 in zaak nr. 201204385/1/A4, overweegt de rechtbank dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen. Hierbij is met name van belang dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag. Zo al sprake is van een voortdurende overtreding, moet dat conform de vereisten worden vastgesteld.

Ten tijde van het verzoek van eisers om handhaving van de geurnormen op 31 juli 2014 had verweerder driemaal een overtreding van de voorschriften geconstateerd, waarbij in totaal een dwangsom van €150.000,- verbeurd was verklaard. Hieruit blijkt dat verweerder nog steeds op basis van het dwangsombesluit van 8 november 2012 kon handhaven, zodat een verzoek om handhaving kon worden afgewezen.

4.1.

Eisers hebben betoogd dat verweerder de omgevingsvergunning ten onrechte niet heeft ingetrokken.

4.2.

Ingevolge artikel 2.31, tweede lid onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is;

Ingevolge artikel 2.33, eerste lid onder d van de Wabo, trekt het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van deze bepaling niet doorslaggevend is of de vergunde situatie in het belang van de bescherming van het milieu opnieuw zou kunnen worden vergund. Om tot intrekking van een eenmaal verleende onherroepelijk vergunning over te kunnen gaan, moeten de door die vergunning toegestane milieugevolgen dermate ernstig zijn, dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt, vgl ECLI:NL:RVS:2012:BX7699. Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een dergelijke situatie, heeft verweerder het verzoek om intrekking terecht afgewezen.

5. Het beroep is gelet op bovenstaande overwegingen ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.J. Bastin, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 25 april 2016 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: