Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:2018

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
LEE 14-4861
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2690, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Realisering busstation op industrieterrein Bolsward. Busstation past grotendeels binnen bestemming. Afwijking. Ruimtelijke onderbouwing ondeugdelijk voor wat betreft geluidsaspecten, met name voor wat betreft de binnenwaarden in de bedrijfswoning van eisers. Bescherming bedrijfswoning op gezoneerd industrieterrein. Verhouding Wet geluidhinder en Wet ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2016/7345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/4861

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2016 in de zaak tussen

[eisers] eisers,

(gemachtigde: mr. C. Zeldenrust),

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân, verweerder,

(gemachtigde: W.G. ten Klooster).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en onder weerlegging van de zienswijze van eisers aan de gemeente Súdwest-Fryslân (hierna: de vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een busstation en het kappen van bomen op het perceel [plaats] te Bolsward.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 mei 2015. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 16 september 2015 heeft de StAB aanvullend gerapporteerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016.

Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, R. Tekstra en

L. Slootjes.

Overwegingen

Feiten

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân (hierna: de raad) een verklaring van geen bedenkingen (hierna: de Vvgb) afgegeven ten behoeve van de aanleg van een nieuw busstation op de locatie [plaats] te Bolsward.

Verder heeft de raad bij dit besluit een krediet van € 765.000,-- ter beschikking gesteld voor de aanleg van een nieuw busstation en de bijbehorende fiets- en loopverbinding.

1.2.

Op 8 mei 2014 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevingsvergunning voor het realiseren van een busstation en het kappen van 85 bomen op het perceel [plaats] te Bolsward bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteiten:

- bouwen;

- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening;

- kappen;

- het aanleggen of veranderen van een uitrit;

- het aanleggen of veranderen van een weg.

1.3.

Verweerder heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg (hierna: de welstandscommissie). In een advies van 23 juni 2014 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. In dit verband wijst de welstandscommissie erop dat de kritiek het plan op zichzelf betreft in verband met de omgeving. De chauffeursruimte is voor een permanent gebouw onvoldoende aansprekend. In opmaak oogt het vooral in negatieve zin te zeer als een tijdelijke oplossing en daarbij is sprake van een onvoldoende ondergeschiktheid in het omgevingsbeeld.

1.4.

Verweerder heeft op 24 juli 2014 een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning genomen.

Verweerder heeft het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant, de huis-aan-huisbladen en op de gemeentelijke website.

1.5.

Eisers hebben bij brief van 9 september 2014 een zienswijze bij verweerder ingediend.

1.6.

Bij besluit van 3 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en onder weerlegging van de zienswijze van eisers aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen, strijdig planologisch gebruik, het aanleggen van een inrit/uitweg en het kappen van enkele bomen ten behoeve van het realiseren van een busstation en het kappen van enkele bomen op het perceel [plaats] te Bolsward.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevings- vergunning geweigerd, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a en ten derde.

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

2.1.

De in artikel 2.12, derde lid, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 5.20 van het Bor zijn, voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde, van de wet, de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, voor zover thans van belang, wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet en waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, verklaard heeft dat zij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is.

Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

2.2.

De in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de Wabo bedoelde gemeentelijke verordening is de Algemene Plaatselijke Verordening Súdwest-Fryslân 2014 (APV).

Op grond van artikel 2:12, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Op grond van artikel 2:12, derde lid, van de APV kan het college de vergunning weigeren:

a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien het openhaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

Op grond van artikel 4:11, eerste lid, van de APV is het verboden een houtopstand die onderdeel uitmaakt van een groencluster of ís opgenomen in het bomenregister, zoals vastgesteld in het bomenbeleidsplan, zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.

Op grond van artikel 4:12a, eerste lid, van de APV kan het bevoegd gezag de vergunning weigeren op één of meer van de volgende gronden:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.

2.3.

Ingevolge het bestemmingsplan “Bolsward Kom” zijn aan de percelen de bestemmingen “Bedrijventerrein-2” met de aanduiding “Zone D”, “Verkeer” en “Groen” met de nadere aanduiding “beschermenswaardig groen” toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a en ten vierde van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Bedrijventerrein-2” aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en 3 binnen het gebied dat op de plankaart is aangeduid als “zone D”, met daaraan ondergeschikt:

c. restauratieve voorzieningen;

d. parkeervoorzieningen;

e. groenvoorzieningen;

f. wegen, straten en paden;

g. openbare nutsvoorzieningen;

h. water;

met de daarbij behorende:

i. tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Groen” aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwaarden van de aanwezige bomen en het houtgewas, ter plaatse van de aanduiding “beschermenswaardig groen”;

met daaraan ondergeschikt:

c. bermen en beplanting;

d. wegen en paden;

e. parkeervoorzieningen.

f t/m k. (…).

Ingevolge artikel 13, vierde lid, onder 4.1, van de planvoorschriften mogen ter plaatse van de aanduiding “beschermenswaardig groen” zonder of in afwijking van een aanlegvergunning geen bomen en houtgewas over een oppervlakte groter dan 100 m² worden gekapt en/of verwijderd.

Ingevolge artikel 13, vierde lid, onder 4.3, van de planvoorschriften kan deze vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden van de gronden.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor “Verkeer” aangewezen gronden bestemd voor:

a. ontsluitingswegen en –straten;

b. paden;

c. bermen en beplanting;

d. parkeervoorzieningen en carpoolplaatsen;

waarbij gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer;

met daaraan ondergeschikt:

e. geluidwerende voorzieningen;

f. groenvoorzieningen;

g. tuinen, erven en terreinen;

h. openbare nutsvoorzieningen;

i. water.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, onder 2.1, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend andere bouwwerken, zoals wachtruimtes voor openbaar vervoer en stallingsruimten voor (brom)fietsen worden gebouwd.

Beoordeling

3. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen in geschil is of verweerder in dit geval gebruik heeft kunnen maken van de aan hem toekomende bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a ten derde, van de Wabo om af te wijken van voormeld bestemmingsplan voor de realisering van een busstation op de percelen [plaats] te Bolsward. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

3.1.

Het besluit om aan een activiteit in afwijking van het bestemmingsplan al dan niet medewerking te verlenen is een bevoegdheid van - in dit geval – verweerder, waarbij hij beleidsvrijheid heeft en de rechter dat besluit terughoudend dient te toetsen (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7700). Verder stelt de rechtbank vast dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een busstation in afwijking van het bestemmingsplan in dit geval mede is ingegeven en noodzakelijk is, omdat verweerder en vergunninghoudster het bestaande bedrijfsgebouw niet willen slopen vanwege financiële motieven. Dit brengt met zich dat de afwijking van het bestemmingsplan daarmee een noodzakelijke voorwaarde is geworden voor de realisering van het busstation op de percelen Industriepark 2 en 3 te Bolsward.

3.2.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder de ruimtelijke onderbouwing van 24 april 2014 van de Interegion Groep B.V. ten grondslag gelegd. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat het grootste gedeelte van het busstation geprojecteerd is op de gronden met de bestemming “Bedrijventerrein-2” met de aanduiding “Zone D”. Blijkens de planvoorschriften, behorende bij deze bestemming, mogen deze gronden worden gebruikt voor bedrijven in de categorieën 1, 2 en 3 van bijlage 1 van het bestemmingsplan. Gelet op deze bedrijvenlijst zijn onder andere een busstation en –remise toegestaan. Een deel van de gronden met de bestemming “Groen” zal als gevolg van het te realiseren busstation gebruikt gaan worden voor verkeersdoeleinden en als gevolg daarvan worden verhard. Onder vigeur van het bestemmingsplan “Bolsward Kom” kunnen deze gronden worden gebruikt ten behoeve van wegen en paden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze wegen en paden ondergeschikt dienen te zijn aan het gebruik ten behoeve van groenvoorzieningen. Als gevolg van het te realiseren busstation worden deze gronden voor het merendeel gebruikt als weg, zodat dit gebruik niet ondergeschikt is aan groenvoorzieningen. In de ruimtelijke onderbouwing is verder ingegaan op ruimtelijk relevante aspecten als de planopzet, de locatiekeuze, de verkeersituatie en –veiligheid en de groenstructuur. In de ruimtelijke onderbouwing is tevens ingegaan op de randvoorwaarden en omgevingsaspecten (bodem, cultuurhistorie inclusief archeologie, geluid, luchtkwaliteit, geur, zonering, externe veiligheid, ecologie (gebiedsbescherming en soortbescherming) en archeologie). Geconcludeerd wordt dat de genoemde omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor het realiseren van een busstation en dat het project planologisch uitvoerbaar is. Voor wat betreft de economische uitvoerbaarheid is in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat de gemeente voor de realisatie van het project een sluitende begroting heeft. In dit verband wordt van belang geacht dat de raad bij besluit van 4 juli 2013 een krediet van € 765.000,-- ter beschikking heeft gesteld voor de aanleg van een nieuw busstation en de bijbehorende fiets- en loopverbinding. Geconcludeerd wordt dat, gelet op het voorgaande, de financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende gewaarborgd is.

3.3.

Eisers betogen dat er in dit geval sprake is van een grotere afwijking van het bestemmingsplan “Bolsward Kom” dan in de ruimtelijke onderbouwing is beschreven. In dit verband wijzen eisers erop dat de functie busstation niet past binnen de geldende bestemming “Bedrijventerrein-2”. Bovendien heeft verweerder geen rekening gehouden met het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid dat een inwaartse zonering voorschrijft binnen de bedrijfsbestemmingen. Dat de bestemming “Bedrijventerrein-2” niet passend is, blijkt volgens eisers ook uit de afwijkende bestemming van het huidige busstation. Verder zijn eisers van mening dat het busstation niet binnen de bestemming “Groen” met de aanduiding “beschermenswaardig groen” past.

3.4.1.

De rechtbank stelt vast dat het grootste deel van het te realiseren busstation geprojecteerd is op gronden met de bestemming “Bedrijventerrein-2” met de aanduiding “zone D”. Blijkens de planvoorschriften, behorende bij deze bestemming, mogen deze gronden worden gebruikt voor bedrijven in de categorieën 1, 2 en 3 van bijlage 1 van het bestemmingsplan. In deze bijlage is onder SBI-Code 6021.1 opgenomen de categorie bus-, tram- en metrostations en -remises, vallend onder de milieucategorie 3. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er, voor zover de realisering van een busstation geprojecteerd is op gronden met de bestemming “Bedrijventerrein-2” met de aanduiding “zone D”, geen sprake is van strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan. In zoverre volgt de rechtbank dan ook niet de stelling van eisers dat er sprake is van een grotere afwijking van het bestemmingsplan “Bolsward Kom” dan in de ruimtelijke onderbouwing is beschreven. Dat het huidige busstation aan de Snekerstraat geen bedrijfsbestemming heeft, doet hier niet aan af. Er bestaat geen aanleiding om tot de conclusie te komen dat de ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft dit aspect, naar gesteld, ondeugdelijk is gemotiveerd. De verwijzing van eisers naar het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) maakt dit niet anders, nu dit geen algemeen verbindende voorschriften zijn. Deze grond van eisers slaagt niet.

3.4.2.

De rechtbank stelt vast dat in de plantoelichting aangegeven is dat het bedrijventerrein Hollandiabuurt/De Wymerts inwaarts gezoneerd is. Daarbij is aangegeven dat dit inhoudt dat de toegelaten milieucategorie van de bedrijvigheid zwaarder wordt, naarmate de afstand tot gevoelige functies groter is. Daarbij zijn de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (hierna: de VNG-brochure) en de daarin opgenomen maximaal toelaatbare afstand ten opzichte van gevoelige functies als uitgangspunt genomen. In de planvoorschriften is de zonering opgenomen door middel van de aanduidingen “zone A” tot en met “zone F” binnen de bestemming “Bedrijventerrein-2”. Het perceel Industriepark 2-3 heeft op grond van het bestemmingsplan de aanduiding “zone D”, waarmee dit perceel bestemd is voor bedrijven in milieucategorie 3. Nu de omgevingsvergunning geen functie met een zwaardere milieucategorie mogelijk maakt op dit perceel, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van het afwijken van het beleid tot inwaarts zoneren. Gelet hierop slaagt deze grond van eisers niet.

3.4.3.

Voor zover eisers stellen dat het busstation niet past binnen de bestemming “Groen” met de aanduiding “beschermingswaardig groen” overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat een gedeelte van het te realiseren busstation in strijd komt met voormelde bestemming. Dit brengt echter niet met zich dat het bestreden besluit om die reden onrechtmatig dient te worden geacht. Om de strijdigheid met voormeld bestemmingsplan op te heffen, heeft verweerder gebruik gemaakt van de hem toekomende bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde van de Wabo. Aan deze afwijking van het bestemmingsplan heeft verweerder een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat de ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft dit aspect niet voldoet aan de daaraan te stellen wettelijke vereisten of anderszins ondeugdelijk is. Deze grond van eisers slaagt niet.

4.1.

Eisers betogen dat vanwege de korte afstand tussen het te realiseren busstation en hun woning er in dit geval geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij achten eisers van belang dat de richtafstanden die genoemd zijn in de VNG-brochure zijn veronachtzaamd. Ook worden, zo blijkt volgens hen uit akoestisch onderzoek, de richtwaarden voor de maximale geluidsniveaus in de avond- en nachtperiode overschreden.

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in dit geval sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit verband wijst verweerder erop dat de woning van eisers op een gezoneerd industrieterrein staat, waardoor de richtafstanden uit de VNG-brochure niet bepalend zijn. Bovendien blijkt uit het akoestisch onderzoek dat aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat in het akoestisch onderzoek de geluidsproductie van het gehele busstation is beschouwd en niet alleen van het deel waarvoor is afgeweken van het bestemmingsplan. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat uit de milieumelding blijkt dat het te realiseren busstation (inclusief de bijdrage van het stemgeluid) kan voldoen aan de geluidgrenswaarden van het van toepassing zijnde Activiteitenbesluit.

In de ruimtelijke onderbouwing is met betrekking tot het aspect geluid aangegeven dat, gelet op de uitkomsten van het door AGEL Adviseurs uitgevoerde akoestische onderzoek, in dit geval kan worden voldaan aan de geluidsnormen op grond van de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’ (hierna: de Handreiking). In dit akoestische onderzoek is aangegeven dat de bescherming tegen het geluid, als bedoeld in het Activiteitenbesluit, en de richtwaarden voor geluid op basis van de VNG-brochure niet gelden voor bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein. Om die reden is voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geluidssituatie aansluiting gezocht bij de Handreiking. Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de woning van eisers aan de Twibaksdyk 2 waarden zijn berekend van maximaal 59 dB(A). Daarmee wordt, zo volgt uit het akoestisch onderzoek, niet voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A), maar wordt de maximale waarde van 65 dB(A) niet overschreden. Voor de maximale geluidsniveaus ter plaatse van de woning van eisers zijn waarden berekend van maximaal 70 dB(A) in zowel de dag-, avond- en nachtperiode. Gelet hierop is in het akoestische onderzoek geconstateerd dat in de dagperiode wordt voldaan aan de richtwaarde van 70 dB(A), maar dat in de avond- en nachtperiode de richtwaarde wordt overschreden met 5 dB respectievelijk 10 dB. Vervolgens wordt in het akoestische onderzoek geconcludeerd dat, hoewel er sprake is van een overschrijding van de richtwaarden, er wel sprake is van een goede ruimtelijke ordening, omdat de woning van eisers op het gezoneerde industrieterrein ligt en niet beperkend mag zijn voor de vestiging van een bedrijf op dat industrieterrein. Met betrekking tot de indirecte hinder is in het akoestische onderzoek aangegeven dat waarden berekend zijn van maximaal 45 dB(A) ter plaatse van de woning van eisers, waarmee voldaan wordt aan de gehanteerde toetsingswaarde van 50 dB(A).

4.3.

In hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, heeft de rechtbank aanleiding gezien de StAB als deskundige in te schakelen.

4.3.1.

De StAB heeft op 29 mei 2015 verslag uitgebracht aan de rechtbank. In dit verslag heeft de StAB met betrekking tot het aspect geluid aangegeven dat uit het akoestische onderzoek naar voren komt dat de richtwaarden voor de maximale geluidsniveaus (LAmax) uit de Handreiking worden overschreden in de avond- en nachtperiode. In de Handreiking is in paragraaf 3.2 namelijk aangegeven dat gestreefd dient te worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige equivalente geluidsniveau uitkomen. In die gevallen waarin niet aan de streefwaarde van LAeq + 10 dB(A) kan worden voldaan, wordt in de Handreiking sterk aanbevolen om de maximale geluidsniveaus in ieder geval niet hoger te laten zijn dan 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Uit het akoestische onderzoek blijkt dat in de avond- en nachtperiode een maximaal geluidsniveau optreedt van 70 dB(A) op de gevel van eisers, waarmee deze aanbevolen maximale geluidsniveaus worden overschreden. Of deze hogere maximale geluidsniveaus daadwerkelijk voor geluidsoverlast kunnen zorgen is in de visie van de StAB niet beschreven. Daarvoor had gekeken kunnen worden naar de optredende binnenniveaus. Uit wetenschappelijke onderzoeken is volgens de StAB gebleken dat bij maximale geluidsniveaus in een woning vanaf 35 dB(A) slaapverstoringen en vanaf 42 dB(A) ontwaakreacties kunnen optreden. Het optredende binnenniveau is afhankelijk van de gevelbelasting en de gevelisolatie. De gevelisolatie van de woning van eisers is echter niet onderzocht. Aangezien er normaal gesproken uitgegaan wordt van een gevelisolatie van 20 dB(A) en dit voor de woning van eisers zeker niet beter zal zijn, zijn bij het optredende maximale geluidsniveau van 69,7 dB(A) op de gevel zowel slaapverstoring als ontwaakreacties niet uitgesloten. Of, dan wel wanneer de slaapverstoringen of ontwaakreacties als gevolg van de maximale geluidniveaus zullen optreden, is afhankelijk van de dienstregeling. Uit het akoestische onderzoek blijkt dat uitgegaan wordt van 25 bussen in nachtperiode.

4.3.2.

In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 24 juli 2015 te kennen gegeven dat in het akoestische onderzoek van 14 februari 2014 de geluidsafstraling van het gehele busstation is beschouwd. Dit is volgens verweerder een worst case-benadering, omdat 90% van het busstation reeds past binnen het bestemmingsplan en derhalve bij recht is toegestaan. In de visie van verweerder is het busstation geluidstechnisch beschouwd alsof het er niet deels mocht worden gerealiseerd, terwijl het slechts noodzakelijk is om inzichtelijk te maken wat de extra geluidsafstraling is als gevolg van het wijzigen van de strook met de bestemming “Groen” naar “Bedrijventerrein-2, zone D”. Naar de mening van verweerder is het optredende maximale geluidsniveau van 69,7 dB(A) op de gevel het gevolg van het afblazen van remlucht bij een op de opstelplaats geparkeerde bus. In de nachtperiode zijn er slechts twee bussen die op de opstelplaats parkeren. Voor de overige 23 bussen geldt een passage exclusief parkeren. De bussen rijden dan één rondje om het eilandperron in plaats van twee rondjes bij het parkeren van de bussen. Voor een passage exclusief parkeren is volgens verweerder een maximaal geluidsniveau van 68 dB(A) op de gevel berekend. Dit is dus 1,7 dB(A) lager dan bij de twee bussen die wel parkeren.

4.3.3.

In een aanvullende rapportage van 16 september 2015 heeft de StAB met betrekking tot het aspect geluid aangegeven dat in het eerdere verslag vermeld is dat verweerder niet heeft onderzocht of de maximale geluidsniveaus die kunnen optreden tot onaanvaardbare geluidsoverlast voor eisers leiden. Een maximaal geluidsniveau van 69,7 dB(A) vanwege het ontluchten van remmen zou, gelet op het aantal bussen dat in de nachtperiode van het busstation gebruik maakt, kunnen leiden tot slaapverstoring en ontwaakreacties. Daarmee is niet gezegd dat die piekniveaus 25 keer in de nachtperiode optreden.

4.4.

In een uitspraak van 24 augustus 2011 heeft de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2011: BR5678, met betrekking tot een bedrijfswoning op een gezoneerd industrieterrein onder meer het volgende overwogen:

‘(…) Dat de betreffende bedrijfswoning op een bestaand bedrijventerrein staat, waarbij in zekere mate een minder goed woonklimaat moet worden aanvaard, neemt echter niet weg dat voor deze gevoelige functie een minimaal beschermingsniveau noodzakelijk is. Bij de zonering van het plan had de raad daarom rekening dienen te houden met deze bedrijfswoning. Uit het bestreden besluit noch uit de plantoelichting blijkt waarom een afstand van 20 m tussen de bedrijfswoning en het nieuwe bedrijventerrein aanvaardbaar is. Het gegeven dat de bedrijfswoning op een bestaand bedrijventerrein ligt, waar bedrijven zijn toegelaten met een hinderzone van 200 m, is geen rechtvaardiging voor een nieuw bedrijventerrein op korte afstand van deze woning. De opmerking van de raad dat in een mogelijke vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorschriften kunnen worden opgenomen ter bescherming van de bewoners van de bedrijfswoning is in dit verband onvoldoende. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient een planologische afweging plaats te vinden, waarbij milieuaspecten dienen te worden meegenomen. Bovendien bedraagt de afstand tussen de gevel van de bedrijfswoning en de grens van andere bedrijfspercelen op het bedrijventerrein Tussen de Zijlroeden tenminste 45 m, terwijl de kortste afstand tussen de gevel van de bedrijfswoning op het perceel [locatie] en de grens van het nieuwe plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" slechts 20 m is.

Gelet op het bovenstaande kan het standpunt van de raad dat een afstand van 20 m uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening niet bezwaarlijk is, niet gedragen worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.’

Verder blijkt uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2009:BI3669, dat de geluidbelasting ter plaatse van een woning op een gezoneerd industrieterrein geen grond kan vormen voor weigering van een milieuvergunning voor een inrichting op dat industrieterrein. Voor dergelijke inrichtingen is de geluidbelasting op de zone en de geluidbelasting op gebouwen die binnen de zone maar buiten het industrieterrein staan bepalend bij vergunningverlening. Wel kunnen voorschriften worden gesteld waardoor woningen op een gezoneerd industrieterrein een zekere bescherming wordt geboden zolang daardoor het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein niet wordt aangetast.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect geluid slechts gedeeltelijk wordt ingevuld door de Wet geluidhinder (Wgh) en daarbuiten een zelfstandige betekenis heeft (vgl. AbRvS, 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:810). Hieruit volgt dat de geluidsbelasting van het gezoneerde industrieterrein op de omgeving uitdrukkelijk dient te worden betrokken. Gelet op de onderzoeksbevindingen van de StAB, waarbij is aangegeven dat er gelet op de optredende binnenniveaus in de bedrijfswoning van eisers sprake kan zijn van slaapverstoring en ontwaakreacties, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende onderbouwd heeft dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de realisering van het busstation. Dit klemt te meer, nu het te realiseren busstation op grond van een uitspraak van 22 juli 2004 van de Voorzitter van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL: RVS:2004:AQ5745, en categorie 1.1, onder a, in samenhang gelezen met categorie 1.2, onder a, van onderdeel C van bijlage I van het Bor, niet als een inrichting in de zin van de milieuregelgeving kan worden aangemerkt, zodat een goed woon- en leefklimaat uitsluitend in het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden gewaarborgd. In hetgeen verweerder voor wat betreft dit aspect, onder verwijzing naar het door AGEL adviseurs uitgevoerde akoestische onderzoek, in de ruimtelijke onderbouwing naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de bevindingen en de daaropvolgende conclusies van de StAB. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de door verweerder ingenomen stelling dat woningen op een gezoneerd industrieterrein niet beperkend mogen zijn voor de vestiging van een bedrijf op het bedrijventerrein slechts onder omstandigheden geldt in het milieuspoor (vgl. AbRvS, 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009: BI3669). Dit laat echter onverlet, zoals hiervoor reeds eerder is overwogen, dat een goed woon- en leefklimaat van eisers over de band van een goede ruimtelijke ordening gewaarborgd dient te worden. De rechtbank tekent daarbij aan dat het de keuze van verweerder en vergunninghoudster is geweest om op financiële gronden het bedrijfsgebouw op het betrokken perceel niet te slopen, zodat het busstation in de nabijheid van de woning van eisers gerealiseerd moet worden. Voorts blijkt, zoals door de gemachtigden van verweerder ter zitting is aangegeven, dat de nodige maatregelen denkbaar zijn om de geluidhinder van het busstation te beperken. In zoverre berust het bestreden besluit op een ontoereikende motivering, hetgeen schending van het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met zich brengt. Deze grond van eisers slaagt. Gelet hierop is het beroep van eisers gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

5.1.

Eisers betogen dat vanwege de nieuwe in- en uitritten van het busstation op de Twibaksdyk de verkeersveiligheid op de Twibaksdyk zal verslechteren. In verband met de komst van het busstation heeft verweerder volgens eisers besloten de fietsroute naar het Marne College via het Industriepark te laten lopen door het aanleggen van een fiets- en voetgangersbrug. Op het Industriepark vinden volgens eisers laden en lossen plaats op de openbare weg en rijden vrachtwagens vaak achterwaarts vanwege het gebrek aan ruimte om te keren. De verplaatsing van de fietsroute zal in de visie van eisers om die reden een negatieve invloed hebben op de verkeersveiligheid voor fietsers. De route voor voetgangers van het busstation naar het Marne College zal ook via het Industriepark en de fiets- en voetgangersbrug lopen en volgens eisers eveneens onveilig zijn. Eisers stellen verder dat ook in een gemeentelijk rapport is aangegeven dat deze fiets- en wandelroute niet veilig zal zijn.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat gemotoriseerde voertuigen, fietsers en voetgangers op het Industriepark al gebruikmaken van dezelfde rijbaan. Daarnaast wijst verweerder erop dat het laden en lossen van bedrijven op het bedrijventerrein in eerste instantie op eigen terrein dient plaats te vinden. Indien dit toch op de openbare weg plaatsvindt, geldt de wettelijke verplichting het verkeer niet te hinderen. Naar de mening van verweerder wordt de situatie in zijn geheel beschouwd er niet onveiliger van. In dit verband wijst verweerder erop dat door het creëren van een alternatieve fietsroute voor scholieren van het Marnecollege, die in de huidige situatie over de Twibaksdyk moeten fietsen, de verkeersveiligheid juist wordt verbeterd.

5.3.

Voorts hebben eisers bij brief van 17 augustus 2015 te kennen gegeven dat een toename van 400 verkeersbewegingen per etmaal tot een verkeersonveilige situatie op de Twibaksdyk leidt. Een dergelijke gebiedsontsluitingsweg behoort volgens de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (hierna: de SWOV) tot de gevaarlijkste wegencategorie in Nederland. Verder wijzen eisers erop dat de in het StAB-verslag genoemde suggestiestroken inderdaad bijdragen aan een verlaging van de snelheid, maar dat deze stroken juist verwijderd zullen worden.

5.4.

In een aanvullende rapportage van 16 september 2015 heeft de StAB met betrekking tot het aspect verkeersveiligheid aangegeven dat in het eerdere verslag is ingegaan op de huidige en toekomstige verkeerssituatie nabij het busstation. Daarbij is aangegeven dat de toekomstige haakse bocht in de Twibaksdyk snelheidsverlagend zal zijn. Ook is gesteld dat door de korte afstand tussen de VRI en het busstation de snelheid ter plaatse (nog) niet hoog zal zijn. In het eerdere verslag is volgens de StAB geen relatie gelegd tussen de suggestie-stroken op de rijbaan en de rijsnelheid van het verkeer op de Twibaksdyk. Wel is in een voetnoot aangegeven wat de functie is van suggestiestroken. In het verslag is geconstateerd dat de inrichting van de Twibaksdyk bij het busstation zodanig is, dan wel zal worden, dat er geen onoverzichtelijke verkeerssituatie zal ontstaan. De StAB merkt bovendien op dat in het eerdere verslag aangegeven is dat de veiligheid op de Twibaksdyk nabij de in- en uitritten kan worden vergroot door het plaatsen van bijvoorbeeld waarschuwingsborden. Uit de reactie van de gemeente blijkt volgens de StAB dat deze ook geplaatst zullen worden.

5.5.

In de ruimtelijke onderbouwing is verweerder ingegaan op het aspect verkeersveiligheid. Aangegeven is dat voor busreizigers van en naar Bolsward een goede bereikbaarheid en ontsluiting van het busstation van belang is. Vooral ‘s winters maakt een groot aantal leerlingen van het Marne College gebruik van het openbaar vervoer. In de huidige situatie is er geen directe verbinding tussen het Industriepark en Bolsward-Noord (de wijk waarin het Marne College is gelegen). Fietsers uit de richtingen Witmarsum, Exmorra en Workum maken gebruik van de kortste route: via de Twibaksdyk. Door het ontbreken van bebouwing aan weerszijden van de weg nodigt de Twibaksdyk (gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom, snelheidsregime 50 km/u) voor de automobilist uit tot te hard rijden. De hoge snelheden en inhaalmanoeuvres, in combinatie met een beperkte

zichtlengte bij de brug over de Wytmarsumer Feart, zorgen voor een groot onveiligheidsgevoel onder de fietsers en voor bezorgdheid onder de ouders van de fietsende scholieren. Daarom wordt een fiets-/loopbrug over de Wytmarsumer Feart, van het

Industriepark naar de A.H. v.d. Venstraat aangelegd. In combinatie met de aanleg van een voetpad en fietssuggestiestroken op het Industriepark ontstaat de meest directe verbinding tussen het busstation en het Marne College. Deze oplossing is tweeledig: enerzijds zorgt deze voor een goede ontsluiting van het fiets- en voetverkeer van/naar het busstation, anderzijds voor een betere, veiliger fietsroute naar het Marne College. Met betrekking tot de situatie rond de kruising Harlingerstraat – Twibaksdyk is in de ruimtelijke onderbouwing onder meer het volgende aangegeven. De huidige aansluiting van de Twibaksdyk op de Harlingerstraat is niet optimaal. Het aantal verkeersbewegingen op de Harlingerstraat bedraagt circa 6.000 voertuigen per etmaal, de Twibaksdyk verwerkt gemiddeld 3.000 voertuigen per dag. De Harlingerstraat heeft voorrang op de Twibaksdyk, waardoor de congestie en wachttijden op de Twibaksdyk toenemen met het vestigen van het busstation. Dit is voor het openbaar vervoer een onwenselijke situatie. Begin 2014 start de gezamenlijke voorbereiding van de aanpak van de provinciale kruising N359-Bolsward en de aanpassing van de aansluitende gemeentelijke infrastructuur. De uitvoering gaat op zijn vroegst in 2015 van start. Naar verwachting is vóór de ingebruikname van het busstation (streefdatum december 2014) duidelijk hoe de oplossing voor de kruising en omgeving eruit ziet. Aan de hand van deze oplossing wordt gekeken hoe de kruising Harlingerstraat - Twibaksdyk op voorhand kan worden verbeterd. Dit met het oog op de aanpassing van de vervoerslijnen als gevolg van de nieuwe locatie van het busstation.

5.7.

In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de StaB getrokken conclusie in het verslag van 29 mei 2015 dat de vergunde in- en uitritten op de Twibaksdyk niet tot een onoverzichtelijke verkeerssituatie zullen leiden. Eventueel kan volgens de StAB een voorziening worden getroffen om het verkeer vanuit noordelijke richting te waarschuwen voor invoegende bussen. Voor fietsers (en voetgangers) zijn de erftoegangswegen Industiepark en de A.H. van der Venstraat volgens de StAB meer geschikt dan de Twibaksdyk. Wel wijst de StAB erop dat de situatie op het Industriepark voor wat betreft de verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers niet optimaal is. Het deel vanaf het Industriepark tot het Marne College over de A.H. van de Venstraat voldoet volgens de StAB wel. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het aspect verkeersveiligheid geen aanleiding hoeven zien om geen gebruik te maken van de hem toekomende bevoegdheid op grond van artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo. Deze grond van eisers slaagt niet.

6.1.

Eisers betogen dat er voor het busstation locaties beschikbaar zijn die beter voldoen aan de gestelde voorwaarden dan de gekozen locatie. Vooral de locatie aan de Twibaksdyk nabij het Marne College voldoet volgens eisers beter, aangezien de bereikbaarheid van deze school dan zou verbeteren. Eisers hebben bovendien alternatieve inrichtingsvoorstellen gedaan die zouden leiden tot een geringere overlast bij hun woning. Deze alternatieve inrichtingsvoorstellen zijn volgens hen op basis van onjuiste informatie terzijde geschoven. In dit verband wijzen eisers erop dat met behulp van een second opinion van het bureau RoQuest beoordeeld is of de verkeerskundige motivering van de keuze voor het busstation correct is en of de afweging tussen de alternatieve locaties zorgvuldig is gedaan. RoQuest concludeert dat geen zorgvuldige, objectieve beoordeling van verkeerskundige en ruimtelijke criteria is gemaakt. De opsomming van voor- en nadelen bij de genoemde varianten is volgens RoQuest onzorgvuldig en willekeurig.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de locatiekeuze voor het busstation heeft plaatsgevonden na een uitvoerig proces. Verder geeft verweerder aan dat de aangedragen alternatieven met eisers besproken zijn, waarbij is aangegeven dat en waarom deze alternatieven geen adequate oplossing zijn.

6.3.

Met betrekking tot de door eisers naar voren gebrachte alternatieve locaties heeft de StaB in het verslag van 29 mei 2015 het volgende aangegeven. Voor wat betreft de locatie Twibaksdyk nabij het Marne College merkt de StAB op dat uit een besluit van 20 april 2010 van verweerder en correspondentie met de provincie (zie bijlage StAB-20) blijkt dat de raad eerder de voorkeur gaf aan een locatie voor het busstation aan de Twibaksdyk nabij het Marne College. Uit de brief van 14 februari 2014 blijkt dat deze locatie afgevallen is, onder andere omdat deze moeilijk is in te passen in de dienstregeling, zonder dat er omgereden zou moeten worden naar het Marne College. Een directe route door de bebouwde kom zou door woonstraten en langs een basisschool voeren. Met verweerder is de StAB van mening dat in geval van een busstation aan de Twibaksdyk de bussen zouden moeten omrijden, hetgeen een verslechtering van de dienstregeling zou betekenen. Deze locatie voldoet daardoor niet aan de eisen die de raad in haar vergadering van 16 september 2008 heeft vastgelegd. Verder blijkt uit een reactie van de provincie van 13 juli 2010 overigens dat de provincie, die verantwoordelijk is voor de aanbesteding van de dienstregeling, niet kan instemmen met deze locatie, aangezien daarmee extra reistijden gemoeid zijn, terwijl de voordelen beperkt zijn. Met betrekking tot de locatie aan de Harlingerstraat wijst de StAB er in het verslag van 29 mei 2015 op dat eisers ten onrechte menen dat de voorkeur is uitgegaan naar de locatie

Industriepark, terwijl de locatie aan de Harlingerstraat niet minder geschikt is. In de brief van 14 februari 2014 is aangegeven dat uit nader onderzoek is gebleken dat de locatie aan de Harlingerstraat te weinig ruimte biedt voor een verkeersveilige inpassing van een busstation. Daarnaast is aangegeven dat er een grote kans is op verkeersopstoppingen vanwege de nabijheid van het kruispunt Harlingerstraat - Twibaksdyk. Verder zou een busstation op deze locatie de oplossing van ter plaatse heersende parkeerdruk in de weg staan. Bovendien is er

geen directe looproute van en naar het Marne College voorhanden. Op de kaart in bijlage StAB-24 is een mogelijke inpassing van een busstation op de locatie Harlingerstraat weergegeven. Uit deze situatietekening blijkt volgens de StAB inderdaad dat de locatie beperkte ruimte biedt voor een busstation. Bovendien is er onvoldoende ruimte voor een eventuele uitbreiding van het busstation vanwege bijvoorbeeld een verlegging van de Harlingerstraat. Verder zullen bij een busstation aan de Harlingerstraat zowel de aankomende als de vertrekkende bussen het verkeer op de Harlingerstraat, de westelijke invalsweg van Bolsward, moeten kruisen. Daardoor ontstaan meer conflicterende situaties en

kan er oponthoud optreden op de Harlingerstraat. Voorts kan uit ingetekende bochtstralen op de inrichtingstekening in de visie van de StAB worden afgeleid dat vertrekkende bussen van de beide weghelften van de Harlingerstraat gebruik moeten maken, hetgeen eveneens kan leiden tot verkeersonveilige situaties en oponthoud. Met verweerder is de StAB van mening dat dit vanuit verkeerstechnisch oogpunt onwenselijk is. Ook constateert de StAB dat er bij dit alternatief geen directe looproute aanwezig is vanaf de locatie naar het Marne College.

6.4.1.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014: 35, volgt dat verweerder dient te besluiten op de aanvraag zoals die is ingediend. Indien dit plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (vgl. AbRvS, 22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010: BO8312).

6.4.2.

In hetgeen eisers, onder verwijzing naar het rapport van RoQuest, naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om de bevindingen en de daarop gebaseerde conclusie van de StAB voor onjuist te houden. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eisers er niet in geslaagd zijn om aannemelijk te maken dat er in dit geval sprake is van een alternatief met aanmerkelijk minder bezwaren. In zoverre slaagt deze grond van eisers niet.

6.5.

Met betrekking tot de door eisers naar voren gebrachte alternatieve inrichting van het busstation wijst de rechtbank erop dat verweerder de inrichtingsvoorstellen bij zijn beoordeling heeft betrokken. Uit de beoordeling door verweerder komt naar voren dat de door eisers ingebrachte inrichtingsvoorstellen onder meer verkeerstechnisch niet voldoen vanwege de te krappe bochten die de bussen moeten nemen. Verder hebben verkeerskundige medewerkers van de gemeente bij deze beoordeling vooral gekeken of de boogstralen voldoende ruim zijn voor de bussen. Daarbij zijn de boogstralen uit de ‘ASVV 2012 Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom’ als uitgangspunt genomen. Verder wijst de rechtbank erop dat de StAB in het verslag van 29 mei 2015 voor wat betreft de inrichtingsvoorstellen van eisers aangegeven heeft dat de door hen gewenste aanpassingen niet tot een verkeerstechnisch inpasbaar ontwerp zullen leiden in verband met de daarin opgenomen krappe bochten. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen aanleiding om de door verweerder verrichte beoordeling, die door de StAB wordt onderschreven, als onzorgvuldig aan te merken of inhoudelijk voor onjuist te houden. In zoverre slaagt deze grond van eisers niet.

7. Gelet op rechtsoverweging 4.7. is het beroep van eisers gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij staat voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

7.1.

De rechtbank overweegt dat de uitoefening van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan bij verweerder berust. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verder dienen alle relevante belangen die door het te nemen besluit worden geraakt te worden afgewogen. Deze afweging behoort primair tot de taak van verweerder, te meer nu de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd verklaard heeft dat er alternatieven zijn om de geluidsbelasting op de gevel van de bedrijfswoning van eisers te verminderen. In dit verband heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat er nagedacht zal worden over een andere situering van de maatgevende geluidsbronnen en eventueel te treffen geluidswerende voorzieningen dichtbij de bussen. Gelet op het verhandelde ter zitting en het bestaan van alternatieven om de geluidsbelasting op de gevel van de bedrijfswoning van eisers te verminderen zal worden volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen.

8. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 992,-- wegens verleende professionele rechtshulp.

8.1.

Eisers hebben voorts verzocht om vergoeding van verletkosten, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Bpb tot een bedrag van € 320,-- (4 uren maal € 80,--). Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis (Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Gelet op het ontbreken van een specificatie van de verletkosten van eisers zal de rechtbank de te vergoeden verletkosten met inachtneming van het Bpb in beroep vaststellen op een bedrag van € 42,--, uitgaande van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het minimaal te hanteren uurtarief van € 7,-- (vgl. AbRvS, 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511). Verder hebben eisers verzocht om vergoeding van hun reiskosten. Uit de door eisers bij het verzoek gegeven toelichting volgt dat hun reiskosten

€ 64,-- bedragen. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb zal de rechtbank de reiskosten van eisers vaststellen op een bedrag van € 61,08 (Bolsward – Groningen v.v.). Dit brengt met zich dat het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eisers door de rechtbank wordt vastgesteld op € 1.095,08.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 1.095,08 en bepaalt dat verweerder deze kosten alsmede het door eisers betaalde griffierecht ad

€ 164,-- aan hen dient te vergoeden.

Deze uitspaak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, mr. R.L. Vucsán en mr. L. Mulder, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.

De griffier De voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: