Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1996

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
18.830392-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke jeugddetentie voor poging tot doodslag (meermalen met een ploertendoder tegen het hoofd slaan) en diefstal.

Toepassing jeugdstrafrecht voor bijna 22-jarige verdachte.

Afwijzing beroep op psychische overmacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830392-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 april 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

verblijvende te [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 april 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.S. Wachters, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 december 2015 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen en/of met kracht) met een ploertendoder, althans een (hard) voorwerp op het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 december 2015 te [pleegplaats] , [slachtoffer] heeft

mishandeld door (meermalen en/of met kracht) met een ploertendoder, althans

een (hard) voorwerp op het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer]

te slaan;

2.

hij op of omstreeks 19 december 2015 te [pleegplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Sony Experia Z3 compact), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en het onder 2 ten laste gelegde kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een klap met een ploertendoder tegen het hoofd niet zonder meer potentieel dodelijk is. Dit is afhankelijk van het soort ploertendoder en de kracht waarmee is geslagen. In deze zaak kan uit de aard van de verwondingen en de diverse verklaringen niet worden afgeleid dat verdachte met een dermate grote kracht heeft geslagen dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het intreden van de dood. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar diverse uitspraken waarbij werd vrijgesproken van een poging tot doodslag na een klap met een ploertendoder tegen het hoofd dan wel na trappen tegen het hoofd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 11 april 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer] op 19 december 2015 te [pleegplaats] met een ploertendoder tegen het hoofd geslagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Eenheid Noord-Nederland d.d. 20 december 2015, opgenomen op pagina 210 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2015372508 d.d. 25 februari 2016, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer] :

Op 19 december 2015, tussen 23:00 en 24:00 uur, stak ik de kruising over op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] . Ik zag toen dat er een man naar mij toe kwam lopen. Ik zag toen dat die man op mij in begon te slaan. Ik zag namelijk dat hij zijn rechterarm ophief en van bovenaf naar beneden in de richting van mijn hoofd sloeg. Ik voelde toen dat ik met kracht op mijn hoofd geraakt werd. Ik voelde meteen een hevige pijn aan mijn hoofd. Ik voelde dat ik geraakt werd op mijn hoofd door iets wat langer aanvoelde dan een vuist. Ik weet zeker dat de man mij meerdere keren heeft geslagen. In ieder geval 2 keer. Ik voelde bij iedere slag dat het pijn deed. Ik ben toen gevallen. Vanaf dat moment ben ik even weggevallen. Daarna hoorde ik sirenes. Het volgende moment kwam ik bij op de Intensive Care van het UMCG.

3. Een geneeskundige verklaring, op 21 december 2015 opgemaakt door A.J.E. Waalkens, aios neurologie, namens C.A.J. Vroomen, neuroloog, opgenomen op pagina 223 van voornoemd dossier, inhoudende:

Patiënt [slachtoffer] werd overgenomen van de intensive care, en was op 20 en 21 december 2015 opgenomen op de afdeling neurologie van het UMCG. Conclusie: mishandeling met licht traumatisch schedelhersenletsel, zonder traumatische intracraniele afwijkingen. De plotse achteruitgang in EMV-score is geduid als vroeg post traumatisch insult.

4. Een letselrapportage, op 8 maart 2016 opgemaakt door T. Naujocks, forensisch arts werkzaam bij GGD Groningen, inhoudende:

Een slag met een ploertendoder op het hoofd van iemand kan diens dood bewerkstelligen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Eenheid Noord-Nederland d.d. 23 december 2015, opgenomen op pagina 230 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik zag op 19 december 2015 op de [straat 1] te [pleegplaats] dat een man een andere man sloeg. Eén van de mannen kwam ten val. Ik noem deze man MAN 1. MAN 1 werd geslagen door de andere man. Ik noem deze man MAN 2. Ik zag dat MAN 2 een staaf in zijn handen had waar hij meerdere malen MAN 1 mee sloeg. Ik zag dat MAN 2 de staaf boven zijn hoofd hief en meerdere malen MAN 1 met kracht sloeg. Ik geloof dat MAN 2 ongeveer MAN 1 vier keer heeft geslagen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 april 2016;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte Politie Noord-Nederland d.d. 20 december 2015, opgenomen op pagina 210 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een verklaring van [slachtoffer] .

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het volgende.

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte aangever meerdere malen met kracht met een ploertendoder op het hoofd en tegen het gezicht heeft geslagen. Het hoofd is een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Indien aldus meerdere malen met kracht geweld wordt uitgeoefend met een hard voorwerp zoals een ploertendoder, bestaat de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer het leven zal laten. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank deze aanmerkelijke kans ook willens en wetens aanvaard. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 december 2015 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen en met kracht met een ploertendoder, op het hoofd en tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 december 2015 te [pleegplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon (Sony Experia Z3 compact), toebehorende aan [slachtoffer] .

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot doodslag.

2. Diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Beroep op psychische overmacht

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging indien kan worden vastgesteld dat hij heeft gehandeld uit psychische overmacht. Verdachte heeft verklaard dat hij door twee personen met een taser is bedreigd en onder druk is gezet. Dit wordt deels ondersteund door de verklaring van [getuige 2] , die heeft verklaard dat één van die twee mannen een taser uit zijn tas pakte en dat hij het idee had dat die man verdachte daarmee onder druk wilde zetten. Gelet hierop - in combinatie met de persoonlijkheid van verdachte zoals omschreven in het rapport d.d. 31 maart 2016 van psycholoog H.K. Meijer - is er mogelijk sprake geweest van een dermate grote druk of drang, dat verdachte daar redelijkerwijze geen weerstand aan kon bieden of hoefde te bieden.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het verweer moet worden verworpen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen. Een beroep op psychische overmacht kan eerst slagen indien sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon noch behoefde te bieden.

De van buiten komende drang zou volgens verdachte hebben bestaan uit geuite bedreigingen door [persoon 1] en een onbekende man, waarbij zij onder meer gebruik hebben gemaakt van een taser. Anders dan de verdediging heeft gesteld, wordt de verklaring van verdachte op dit punt onvoldoende ondersteund door de verklaring van [getuige 2] . Deze getuige heeft weliswaar verklaard de indruk te hebben gehad dat één van de twee mannen verdachte onder druk wilde zetten met een taser, maar zijn verklaring over de gang van zaken in de woning van verdachte die avond wijkt verder op veel punten af van de verklaring van verdachte. Zo heeft [getuige 2] verklaard dat verdachte samen met [persoon 1] en de onbekende man eerst - op kennelijk normale wijze - een gesprek met verdachte in diens woonkamer heeft gevoerd en dat zij daarna naar de slaapkamer van verdachte zijn gegaan, kennelijk zonder dat verdachte eerst zou zijn weggevlucht of door hen zou zijn geduwd, terwijl verdachte heeft verklaard dat [persoon 1] en de onbekende man direct na binnenkomst hem hebben bedreigd en hem de slaapkamer in hebben geduwd. Nu de door verdachte geschetste gang van zaken in zijn woning evenmin door de overige personen die zich voorafgaand aan het feit in de woning van verdachte hebben bevonden wordt bevestigd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte is bedreigd door [persoon 1] en de onbekende man. Overigens, ook indien wel vastgesteld had kunnen worden dat verdachte zich die avond door enig handelen van [persoon 1] en de onbekende man onder druk gezet heeft gevoeld, zou dit niet tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte bij het plegen van het feit uit psychische overmacht heeft gehandeld. De door [persoon 1] en de onbekende man uitgeoefende druk was volgens de verklaring van verdachte immers gericht op het meegaan naar [getuige 2] om daar iemand die nog schulden had bij [persoon 1] bang te maken en niet valt in te zien hoe verdachte hierdoor is gedrongen aangever, een willekeurige voorbijganger, op zijn hoofd te slaan. Verdachte heeft ter terechtzitting hierover ook verklaard dat hij er niet van uitging dat [persoon 1] en de onbekende persoon van hem verwachtten dat hij een willekeurige voorbijganger zou aanvallen.

Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport d.d. 31 maart 2016, opgemaakt door H.K. Meijer. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, in de zin van PDD-NOS en alcoholafhankelijkheid, en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van een zwakbegaafd intelligentieniveau. Onderzoeker adviseert verdachte deswege verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van hetgeen zij te bewijzen acht wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van
31 maart 2016.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor toepassing van het jeugdrecht en de oplegging van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest. Als bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd een meldplicht en een ambulante behandelverplichting.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag waarbij hij het slachtoffer meermalen met een ploertendoder tegen het hoofd en het gezicht heeft geslagen. Het slachtoffer is ten gevolge daarvan opgenomen in het ziekenhuis, waar hij enige tijd in coma heeft gelegen, en heeft ernstige verwondingen opgelopen. Tevens is het gebeuren een angstige ervaring voor hem geweest. Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten gedurende lange tijd daarvan psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Het feit heeft daarbij plaatsgevonden op voor het publiek zichtbaar terrein, 's avonds in het centrum van [pleegplaats] , waardoor tevens de gevoelens van onveiligheid kunnen toenemen bij hen die daar kennis van hebben kunnen nemen. Daarnaast heeft verdachte de telefoon van het slachtoffer gestolen, terwijl het slachtoffer door toedoen van verdachte gewond op de grond lag.

De rechtbank heeft gelet op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 11 maart 2016 eerder ter zake van een geweldsdelict is veroordeeld.

Uit het rapport van de psycholoog komt naar voren dat in het verleden meerdere ambulante trajecten zijn ingezet zonder dat een gewenste verandering voor langere duur bewerkstelligd is. Verdachte vervalt steeds opnieuw in overmatig drankgebruik en het is dan ook van belang dat verdachte een goed klinisch traject ingaat voor zeker minstens een jaar. Volgens de psycholoog is het met behulp van de wegingslijst ASR lastig een eenduidige uitspraak te doen betreffende afdoening via het jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht, maar nu wel duidelijk is dat verdachte gebaat is bij een klinische opname van langere duur, heeft de psycholoog voorkeur voor het toepassen van het volwassenenstrafrecht. Verdachte past gezien zijn kwetsbaarheden binnen een instelling zoals Hoeve Boschoord van Trajectum. Daar is echter sprake van een wachttijd van ongeveer een half jaar. Een overbrugging in Juvaid of DOK3 zou dan meer dan wenselijk zijn.

De reclassering heeft, onder verwijzing naar de conclusies van de psycholoog, toepassing van het volwassenenstrafrecht geadviseerd. Volgens de reclassering is het recidiverisico hoog indien verdachte zich niet klinisch laat behandelen. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan verbonden , een meldplicht bij de reclassering, een klinische behandelverplichting bij Trajectum dan wel een ambulante behandelverplichting indien verdachte niet tijdig kan worden opgenomen bij Trajectum en een verplichting tot opname in een instelling voor begeleid wonen na de klinische behandeling.

Nu uit de rapportages naar voren komt dat verdachte functioneert op een zwakbegaafd intelligentieniveau, kwetsbaar is, sinds kort wel zelfstandig woonde maar daarbij veel ondersteuning van zijn moeder nodig had, geen zinvolle dagbesteding had en ondanks de ingezette trajecten in het verleden toch nog baat zou kunnen hebben bij een pedagogische aanpak, ziet de rechtbank aanleiding het advies van de psycholoog en de reclassering wat betreft het toepassen van het volwassenenstrafrecht niet te volgen, en het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat het toepassen van jeugdstrafrecht niet uitsluit dat aan een voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarde van klinische behandeling wordt verbonden en juist wel de mogelijkheid geeft verdachte het onvoorwaardelijke deel van zijn straf door te laten brengen in een instelling zoals Juvaid, waar hij thans goed functioneert, hetgeen volgens de psycholoog ook meer dan wenselijk is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat Juvaid heeft aangegeven een behandelaanbod voor verdachte te hebben.

Verder mede rekening houdend met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, acht de rechtbank al met al een jeugddetentie van twee jaar op zijn plaats, waarvan één jaar voorwaardelijk. Een korter onvoorwaardelijk deel, zoals bepleit door de verdediging, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden een meldplicht, een klinische behandelverplichting en de verplichting om aansluitend aan de klinische opname mee te werken aan een opname in een instelling voor begeleid wonen. De maximale duur van de klinische behandeling zal de rechtbank bepalen op 15 maanden. Gezien het advies van de psycholoog gaat de rechtbank er daarbij van uit dat de klinische behandeling ongeveer een jaar in beslag zal nemen; door de termijn iets ruimer te bepalen wordt een vloeiende overgang vanuit de kliniek naar een traject van begeleid wonen mogelijk gemaakt. Nu het toezicht door de reclassering eerst zal gaan lopen na afronding van de klinische opname, op welk moment verdachte (bijna) 24 jaar zal zijn, zal de rechtbank het toezicht opgedragen aan de volwassenenreclassering.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 6.030,00. Daarbij dient de gestelde immateriële schade ad € 5.000,00 volledig te worden toegewezen en de materiële schade gedeeltelijk tot een bedrag van € 1.030,00 (bestaande uit kosten winterjas ad € 300,00, eigen risico ad € 380,00 en de telefoon

ad € 350,00). Voor het overige is de vordering naar de mening van de officier van justitie onvoldoende onderbouwd. Daarnaast dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de hoogte van de gestelde immateriële schade niet is onderbouwd en dat het bedrag beperkt dient te worden tot € 2.150,00. Ten aanzien van de winterjas kan de raadsvrouw zich niet vinden in een vergoeding van € 300,00, zijnde het bedrag waarvoor de benadeelde partij de jas heeft gekocht volgens de verklaring van [persoon 2] . Voor het overige is de vordering niet door de raadsvrouw bestreden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde schade tot een bedrag van

€ 3.180,00 (bestaande uit de posten winterjas ad € 300,00, eigen risico ad € 380,00 en telefoon ad € 350,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 2.150,00) voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van het overige deel van de vordering is de rechtbank van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van dat deel van de geleden immateriële

schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom ter zake het overige deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan voor wat het overige deel betreft slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich na zijn detentie en klinische opname bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland zal melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal 15 maanden op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zal laten opnemen bij Trajectum of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de

(geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde na de klinische behandeling in een 24-uurs voorziening of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, zal verblijven en zich

zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering

heeft opgesteld.

Draagt de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.180,00 (zegge: drieduizend honderdtachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 december 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 3.180,00 (zegge: drieduizend honderdtachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.030,00 aan materiële schade en € 2.150,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 april 2016.