Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1888

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
C/17/146878 / KG ZA 16-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. schending mededelingsplicht. Is hert aanvraagformulier in alle opzichten duidelijk tot wie de vraag zich richt? Opzet tot misleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/146878 / KG ZA 16-28

Vonnis in kort geding van 20 april 2016

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BROEKEMA 'S CAMPING SERVICE B.V.,

gevestigd te Anloo,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.W. de Vries te Leeuwarden,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.L.H.M. van Riel, juridisch adviseur bij Achmea.

Eisers zullen hierna afzonderlijk BCS en [eiser 2] en gezamenlijk BCS c.s. genoemd worden. Gedaagde zal hierna Achmea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de bij e-mailbericht van 7 april 2016 overgelegde producties van de zijde van Achmea;

  • -

    de mondelinge behandeling op 8 april 2016;

  • -

    de pleitnota van de zijde van BCS c.s.;

  • -

    de pleitnota van de zijde van Achmea.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

BCS exploiteert een camping en verhuurt onroerend goed te Anloo.

2.2.

Bestuurder van BCS is sedert 20 februari 2009 de heer [A] (hierna te noemen: [A] ).

2.3.

BCS heeft twee werknemers in dienst, te weten [eiser 2] en de heer [B] (hierna te noemen: [B] ). [B] is met ingang van 1 november 2013 in dienst getreden in de functie van beheerder tegen een bruto-maandsalaris van € 1.477,00 (exclusief vakantietoeslag). In de arbeidsovereenkomst is bij het artikel over het salaris met de hand bijgeschreven "Extra: woning à € 500,- wordt vergoedt door de B.V.". [eiser 2] is eveneens als beheerder in dienst bij BCS.

2.4.

[A] heeft op 1 oktober 2013 een volmacht ondertekend waarin - voor zover van belang - is geschreven:

"Hierbij wordt er toestemming verleend aan [eiser 2] (…) te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde in het ruimste zin des woords van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Broekema 's Camping Service BV"

[eiser 2] heeft deze volmacht voor akkoord ondertekend.

2.5.

[eiser 2] en [B] zijn met ingang van 4 april 2014 bestuurders van de Stichting Anloo Recreatiebeheer (hierna te noemen: de Stichting). De heer [C] (hierna te noemen: [C] ) is met ingang van 19 augustus 2014 eveneens bestuurder van de Stichting.

2.6.

In de statuten van de Stichting is onder meer het volgende bepaald:

"Doel

Artikel 2

De stichting heeft ten doel: beheer van het vermogen van de heer [B] en de heer R. [eiser 2] , en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

De stichting beoogt niet het maken van winst."

2.7.

Medio 2014 heeft BCS een verzuimverzekering bij Achmea aangevraagd. Bij brief van 8 augustus 2014 heeft Achmea aan BCS een offerte voor een verzuimverzekering uitgebracht. Daarbij heeft Achmea eveneens een "Klantprofiel Advisering Verzuimverzekering voor [A] 's Camping Service BV" gevoegd.

2.8.

In de "Toelichting op de reikwijdte van de mededelingsplicht" (hierna te noemen: de toelichting) behorende bij het "Aanvraagformulier verzuimverzekering" (hierna te noemen: het aanvraagformulier) is het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"Toelichting op de reikwijdte van de mededelingsplicht

1. Als aanvrager/kandidaat-verzekeringnemer moet u de gestelde vragen in dit aanvraagformulier zo volledig mogelijk beantwoorden. Dit geldt ook voor feiten en omstandigheden die betrekking hebben op een bij het sluiten van deze verzekering bekende derde, wiens belangen worden meeverzekerd en die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Vragen waarvan u vermoedt dat wij het antwoord al weten moet u toch beantwoorden. Feiten en omstandigheden waarnaar in het aanvraagformulier gevraagd wordt, waarvan u op de hoogte komt nadat u het aanvraagformulier heeft verzonden, maar voordat wij al dan niet tot acceptatie zijn overgegaan, moet u alsnog aan ons melden.

2. Als deze verzekering ook wordt aangevraagd voor een maatschap, een vennootschap onder firma of een rechtspersoon, dan gelden de vragen die gericht zijn op het strafrechtelijk verleden, opgezegde verzekeringen en de slotvraag, ook voor:

• de leden van de maatschap;

• de (commanditaire) vennoten van de vennootschap onder firma (VOF);

• de statutaire directeur(en)/ bestuurder(s) van de rechtspersoon;

• de aandeelhouder(s) met een belang van 33,3% of meer en - als hij/zij zelf een rechtspersoon is/zijn - hun statutair directeur(en)/ bestuurder(s) en aandeelhouder(s) met een belang van 33,3% of meer.

3. Bent u, of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste acht jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking geweest met politie of justitie in verband met: (…)

Zo ja, geef dan aan om welk strafbaar feit het ging, of het tot een rechtszaak is gekomen, wat het resultaat daarvan was en of eventuele (straf)maatregelen al ten uitvoer zijn gelegd. Als het niet tot een rechtszaak is gekomen, geef dan aan of er sprake is geweest van een schikking met het Openbaar Ministerie, en zo ja, tegen welke voorwaarden de schikking tot stand kwam. U kunt deze informatie desgewenst vertrouwelijk aan de directie zenden.

4. In afwijking van het bepaalde in artikel 7.17.1.4(7:928), lid 6, BW gelden ten aanzien van de

mededelingsplicht voor deze verzekering bovendien de volgende uitgangspunten:

• een niet beantwoorde of open gelaten vraag wordt geacht ontkennend te zijn beantwoord;

• de slotvraag moet u volledig beantwoorden. De slotvraag wordt geacht onvolledig te zijn beantwoord, indien daarbij feiten en omstandigheden zijn verzwegen of verkeerd voorgesteld, waarvan aanvrager, bij voorbeeld op grond van de overige op het aanvraagformulier gestelde vragen en/of de aard van de aangevraagde verzekering in relatie tot hetgeen niet is opgegeven of verkeerd is voorgesteld, in redelijkheid moest begrijpen dat deze voor de beoordeling van het ter verzekering aangeboden risico van belang konden zijn.

5. Als u niet of niet volledig aan uw mededelingsplicht heeft voldaan, kan dat ertoe leiden dat het recht op uitkering wordt beperkt of zelfs vervalt. Als u met opzet tot misleiden van ons heeft gehandeld of wij deze bij kennis over de ware stand van zaken de verzekering nooit zouden hebben gesloten, hebben wij tevens het recht de verzekering op te zeggen."

2.9.

Op 12 augustus 2014 heeft [eiser 2] het aanvraagformulier ondertekend. [eiser 2] heeft alle bladzijden van het aanvraagformulier ondertekend met zijn handtekening, onder vermelding van "Voor accoord [A]". Op de laatste bladzijde heeft [eiser 2] zijn handtekening gezet en heeft hij bij naam en functie de naam van [A] en bestuurder ingevuld.

2.10.

Achmea heeft de aanvraag van BCS geaccepteerd en het risico van verzuim verzekerd.

2.11.

Omstreeks eind september/begin oktober 2014 is [B] volledig arbeidsongeschikt geworden.

2.12.

Sinds 29 december 2014 is de Stichting bestuurder van BCS.

2.13.

Achmea heeft de uitkering aan BCS per 21 augustus 2015 geblokkeerd. Achmea heeft tot dan toe in totaal een bedrag van € 21.847,68 uitgekeerd.

2.14.

Op 1 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser 2] enerzijds en - namens Achmea - mevrouw [D] en mevrouw [E] (hierna te noemen: [D] respectievelijk [E] ) anderzijds. Om het recht op uitkering te toetsen is onder meer gesproken over de aanvraag voor de verzekering, het verzuim van [B] en het werknemerschap van [B] . In het verslag van het gesprek is - voor zover van belang - het volgende aangegeven:

"Mevrouw [D] geeft aan dat op de verzekeringsaanvraag alle moraliteitsvragen met 'nee' zijn beantwoord terwijl er toen al van alles speelde. Op het aanvraagformulier wordt expliciet gevraagd of er wijziging in de bedrijfsorganisatie worden verwacht. De heer [eiser 2] geeft aan dat [A] deze vragen niet onwaar heeft beantwoord. Hij kon niet weten wat er toen allemaal speelde. De gesprekken met [F] van de Rabobank over de bedrijfsvoering liepen toen al wel. De handtekening op de verzekeringsaanvraag is door de heer [A] gezet op 12 augustus 2014. Mevrouw [E] merkt op dat de contacten over het afsluiten van de verzekering tussen Centraal Beheer en uitsluitend de heer [eiser 2] liepen.

(…)

De verzuimverzekering is aangevraagd in augustus en het polisblad is in september verstuurd. Meneer [B] werd erg kort daarop ziek gemeld. De heer [eiser 2] antwoordt dat daar niks achter zit. Hij kan er ook niks aan doen dat de heer [B] vanaf die datum klachten kreeg.

Mevrouw [D] vraagt of de heer [eiser 2] en de heer [B] beide voldoen aan de eisen die gesteld worden aan werknemerschap. De heer [eiser 2] antwoordt bevestigend. Hij geeft aan dat ze volgens de Belastingdienst beide werknemer zijn. Mevrouw [D] geeft aan dat wij als verzekeraar in tegenstelling tot de Belastingdienst naar de feitelijke situatie kijken. Volgens ons is er geen sprake van een gezagsverhouding. Volgens de heer [eiser 2] wel. De heer [B] staat niet als werkgever te boek. Hij kan morgen zo uit de stichting gezet worden.

(…)

Toen de heer [B] aan het werk was, kreeg hij opdrachten. Nu niet meer; hij kan niks meer. Hij zal waarschijnlijk nooit meer kunnen werken. Er zal een ander traject ingezet moeten worden, voor afkeuren. De heer [eiser 2] benoemt nog eens dat de heer [B] geen werkgever is en dat hij voor de Belastingdienst werknemer is. Hij weet waar hij over praat, hij kent de regels. "

2.15.

Bij brief van 6 oktober 2015 heeft Achmea aan BCS het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Wij keren niet uit

Uw verzoek tot loondoorbetaling voor de zieke [B] wijzen wij af.

Valsheid in geschrifte

In augustus 2014 is het aanvraagformulier voor de verzuimverzekering ondertekend. Op dat moment was [A] directeur van [A] ’s Camping Service B.V. Hij was alleen en zelfstandig bevoegd om als bestuurder op te treden. In ons gesprek heeft u bevestigd dat de handtekening onder dit aanvraagformulier van [A] is. Uit onderzoek is gebleken dat de handtekening onder het aanvraagformulier voor de verzuimverzekering niet die van [A] is.

Vertrouwen geschaad

Als zakenpartner van [A] had u kunnen weten dat de aan u getoonde handtekening niet van de heer [A] zelf was. Daarbij komt dat u [B] als werknemer heeft aangemeld terwijl hij niet als werknemer moet worden gezien. Immers als mede eigenaar van [A] ’s Camping Service B.V. en als uw partner wordt niet voldaan aan de vereiste gezagsverhouding. Ook is bij het aangaan van de verzekering geen melding van gemaakt dat de ontluikende ziekte van [B] geen onzeker voorval was, wat eveneens een vereiste is.

Voorgenomen maatregelen

1. Wij beëindigen de verzuimverzekering met onmiddellijke ingang.

2. Wij vorderen de reeds uitgekeerde bedragen terug.

3. Wij betalen geen premie terug.

4. Wij nemen de gegevens van [A] ’s Camping Service en uw persoonlijke gegevens op in het Externe Verwijzingsregister.

5. Wij leggen aan de Commissie Klantintegriteit van Interpolis uw handelen voor. Deze commissie neemt een besluit of uw verzekeringspakket bij het merk Interpolis kan blijven bestaan.

Opnemen gegevens in register

Financiële instellingen in Nederland kunnen in dit Extern Verwijzingsregister toetsen of u hierin

voorkomt. Dit is toegestaan volgens het protocol incidentenwaarschuwingssysteem Financiële

Instellingen. Dit register wordt door financiële instellingen gebruikt om de integriteit van hun

relaties te beoordelen.

Degene die toetst of u voorkomt in dit register is verplicht om bij ons navraag te doen naar de

reden van registratie voordat zij hieraan gevolgen verbindt die voor u nadelig kunnen zijn. Wij realiseren ons dat de registratie gevolgen voor u kan hebben als u bijvoorbeeld een verzekering of ander financieel product aanvraagt of solliciteert bij een financiële instelling. Daarom hebben wij een zorgvuldige afweging gemaakt tussen uw belangen en de belangen van de financiële instellingen. In dit geval is de schending van ons vertrouwen in u zo ernstig dat wij het belang van uw gegevens in een waarschuwingssysteem op te nemen groter achten.De informatie kan worden getoetst via het Centraal waarschuwingssysteem van de in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (CIS), (…). Doelstelling van de verweking van persoonsgegevens bij stichting CIS ia voor verzekeraars en

gevolmachtigd agenten risico’s te beheersen en fraude tegen te gaan. (…). Daarnaast brengen wij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte van de inhoud van deze registratie. Het CBV gebruikt deze informatie voor het coördineren van onderzoeken en het uitvoeren van analyses. De verzekeringsbranche kan via CBV de registratie ook raadplegen bij sollicitatie en aanstellingen. (…).

Wederhoor

U heeft de gelegenheid om binnen 7 dagen na dagtekening op de inhoud van deze brief te reageren. Wanneer u niet inhoudelijk reageert, nemen wij de voorgenomen maatregelen."

2.16.

Bij e-mailbericht van 12 oktober 2015 heeft [eiser 2] Achmea geschreven het niet eens te zijn met het besluit van Achmea en heeft hij Achmea gevraagd of zij bereid is tot een gesprek om tot een minnelijke oplossing te komen.

2.17.

Bij e-mailbericht van 13 oktober 2015 heeft [D] aangegeven dat een gesprek op dat moment geen toegevoegde waarde heeft en dat [eiser 2] tot uiterlijk 20 oktober 2015 de gelegenheid heeft om schriftelijk bewijs in te dienen.

2.18.

Vervolgens hebben de raadsman van BCS c.s. en [D] met elkaar gemaild over het besluit van Achmea en de voorgenomen maatregelen.

2.19.

Bij brief van 21 november 2015 heeft Achmea een bedrag van € 21.847,68 aan teveel door BCS ontvangen uitkering teruggevorderd.

2.20.

Bij brief van 25 november 2015 heeft Interpolis de Interpolis Bedrijven Compact polissen van BCS met nummer 00100328813 en nummer 00149568044 beëindigd met ingang van 15 augustus 2016 respectievelijk 19 mei 2016. In haar brief heeft Interpolis het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Ons vertrouwen in de verzekeringsrelatie is weggevallen

De Commissie Klantintegriteit Interpolis oordeelt over de moraliteit van onze klanten. Wederzijds vertrouwen is voor ons de basis om zaken met elkaar te doen. Wij ontvingen informatie over de aangetoonde fraude op de Verzuimverzekering bij Central Beheer Achmea. Deze informatie is voor ons zo zwaarwegend dat wij uw lopende schadeverzekeringen beëindigen. (…)

Uw persoonsgegevens nemen wij op in de interne database van Achmea

Interpolis is een van de merken van Achmea. Door deze registratie zijn uw persoonsgegevens ook zichtbaar voor de andere merken van Achmea. Het doel van deze registratie is een bijdrage leveren aan het voeren van een verantwoord beleid in het acceptatie-en claimproces van Achmea. De duur van deze registratie is 8 jaar."

2.21.

Op 10 december 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Achmea en [eiser 2] .

2.22.

Bij e-mailbericht van 17 december 2015 heeft [D] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Ondertekening aanvraagformulier verzuimverzekering

Wat betreft de ondertekening van het aanvraagformulier voor de verzuimverzekering door u maar met de naam van [A] , gaf u aan dat u inderdaad beter met uw eigen naam en in opdracht had kunnen tekenen. U gaf aan dat u niet bewust heeft willen oplichten, wel erkende u dat fout was om met iemand anders naam te ondertekenen.

In ons eerste gesprek heeft u gezegd dat de heer [A] zelf het aanvraagformulier had ondertekend nadat wij u de handtekening hebben laten zien. Uw intentie was dat de BV verzekerd zou worden. U had zich niet gerealiseerd wat de consequenties zijn van de valse handtekening.

Opgave werknemer [B]

U heeft ons een verklaring van de huisarts van [B] laten lezen, waarin staat dat [B] altijd heeft gewerkt. Door een operatie kan hij nu niet werken. De huisarts vindt dat wij moeten uitkeren.

U begrijpt niet dat u bij de aanvraag voor de verzuimverzekering had moeten melden dat er een groter risico op uitval is door de aandoening waaraan [B] lijdt. De verzekeraar moet alle risico's kunnen beoordelen bij het aangaan van een verzekering, verzekeringstechnisch als ook op moreel en financieel vlak.

(…)

Conclusie

Wij hebben gekeken of uw spijtbetuigingen in dit gesprek tot een andere beoordeling kan leiden. Dit is niet het geval. Wij vinden de aard van de overtredingen dermate ernstig dat wij een Externe Registratie blijven handhaven voor [A] Campingservice B.V. als ook voor u, R, [eiser 2] ."

2.23.

[eiser 2] heeft vervolgens bij e-mailbericht van 21 december 2015 aan [D] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Ter volledigheid wil ik u er op wijzen dat ik het volgende heb gezegd en bedoeld en niet zoals u het schets in het verslag

Ik heb gezegd: "ik had beter in opdracht van [voorletters] [A] kunnen tekenen dan tekenen met de naam [voorletters] [A] "

dit omdat ik mij van geen kwaad bewust ben geweest, maar na bespreking met u wel de logica begrijp van waarom uw dit zo suggereert, maar ik er nogmaals geen kwade intenties mee heb gehad, en waar ik mijn spijt meerdermalen voor heb getoond/geuit"

2.24.

Bij e-mailbericht van 30 maart 2016 heeft [A] aan Achmea - in reactie op een e-mailbericht van 30 maart 2016 van Achmea aan hem over een verslag van het gesprek dat [A] en [D] op 8 september 2015 met elkaar hadden - aangegeven dat er geen onjuistheden staan in het verslag van [D] . In het verslag is onder meer het volgende opgenomen:

"Aan [voornaam] [A] gevraagd of hij voor [A] 's Camping Service B.V. een verzuimverzekering bij Centraal Beheer Achmea in augustus 2014 heeft afgesloten. Nee, zijn verzekeringen werden allemaal geregeld via zijn portefeuillehouder bij de Rabobank Gieten (…). Hij heeft geen idee bij welke verzekeraar zij de polissen heeft ondergebracht.

Hij heeft in ieder geval nooit een aanvraagformulier voor een verzuimverzekering bij Centraal Beheer Achmea ondertekend. Hij heeft een vermoeden maar wilde dit niet met mij delen. Hij is betrokken bij een groter geheel en wil geen olie op het vuur gooien.

Ik gaf aan dat ik R. [eiser 2] heb gesproken, die stelde dat hij - [A] - het aanvraagformulier heeft ondertekend. [A] gaf aan dta hij een langlopend conflict heeft met [eiser 2] .

Ik vertelde dat ik de faillissementsverslagen van [eiser 2] en [B] heb gelezen. [A] vertelde dat in de faillissementsverslagen ook te lezen is dat onder de loonaangifte ook een vervalste handtekening is gebruikt."

3 Het geschil

3.1.

BCS c.s. heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. Achmea veroordeelt en gebiedt binnen een week na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van BCS c.s. in het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS, het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars en de Interne database van Achmea, dan wel dat Achmea medewerking verleent die harerzijds noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde (persoons)gegevens in de registers, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Achmea daarmee in gebreke blijft, dan wel een nadere in goede justitie te bepalen bedrag aan dwangsom;

  2. Achmea veroordeelt en gebiedt de beëindiging van de verzuimverzekering binnen twee dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken dan wel een in goede justitie nader te bepalen beslissing;

  3. Achmea veroordeelt en gebiedt alle medewerking te verlenen die harerzijds noodzakelijk is om de beëindiging van de Interpolis Bedrijven Compact polissen met nummer 00100328813 en nummer 00149568044 ongedaan te maken dan wel een in goede justitie nader te bepalen beslissing;

  4. Achmea veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Achmea heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan

4.1.

BCS c.s. heeft - samengevat - gesteld dat er geen sprake is van (opzettelijk) frauduleus handelen en dat er geen reden is om aan te nemen dat het vertrouwen zou zijn geschaad. In dit verband heeft BCS aangevoerd dat [eiser 2] destijds door [A] is gevolmachtigd, dat hij het aanvraagformulier heeft ondertekend namens [A] en dat Achmea geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van het feit dat [eiser 2] de vennootschap vertegenwoordigde, nu hij steeds als contactpersoon is aangemerkt en vermeld. Voorts heeft BCS c.s. gesteld dat er sprake is van een gezagsrelatie op basis waarvan Achmea het loon van [B] bij ziekte dient uit te keren. In dit kader heeft BCS c.s. aangevoerd dat er een arbeidsovereenkomst bestaat tussen BCS en [B] , dat er loonheffing en WGA-premie wordt ingehouden, dat [B] is aangesloten bij het door BCS aangewezen pensioenfonds en dat de omstandigheid dat [B] in de uitvoering van zijn dagelijkse werkzaamheden veel vrijheid had, niet afdoet aan het bestaan van een gezagsrelatie. Volgens BCS c.s. heeft Achmea zich ten onrechte beperkt tot de constatering dat [eiser 2] en [B] partners zijn en dat [B] indirect bestuurder is van BCS. Met betrekking tot de aandoening van [B] heeft BCS c.s. gesteld dat hij lijdt aan een zeldzame aandoening, waarmee hij tot 4 oktober 2014 zonder beperkingen heeft kunnen functioneren, dat [eiser 2] niet wist en ook niet kon weten dat het besluit ter zake van de acceptatie van de verzuimverzekering afhankelijk was van mededeling van dit feit en dat geen sprake is van een zeker voorval. Volgens BCS c.s. was niet in redelijkheid te verwachten dat [B] op enig moment arbeidsongeschikt zou worden. Voor zover BCS de aandoening van [B] had moeten melden, heeft BCS c.s. opgemerkt dat dit niet per definitie tot een verval van recht op uitkering zou hebben geleid. Achmea heeft verder nagelaten aan te tonen dat de verzuimverzekering voor iemand met de aandoening van [B] wordt geweigerd dan wel dat andere voorwaarden worden gesteld. Voorts heeft BCS c.s. aangevoerd dat Achmea geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld de verdenkingen te weerleggen. Voorts heeft BCS c.s. gesteld dat de toegepaste maatregelen buitenproportioneel zijn en dat het enkele vermoeden van fraude onvoldoende is voor registratie in de verwijzingsregisters. Met betrekking tot het spoedeisend belang heeft BCS c.s. gesteld dat zij gehouden is tot terugbetaling van een bedrag van € 21.847,68, dat twee Interpolis Bedrijven Compact Polissen zullen worden beëindigd en dat opname in het Intern Verwijzingsregister reeds heeft plaatsgevonden, hetgeen een diffamerend karakter heeft.

4.2.

Achmea heeft allereerst de spoedeisendheid van de vordering van BCS c.s. betwist. Volgens haar leveren registratie in het Extern Verwijzingsregister en in haar interne database en het diffamerende effect daarvan geen spoedeisend belang op. Voorts heeft zij gesteld dat de onderhavige procedure zich niet leent voor toewijzing van de onderhavige vorderingen. Verder heeft Achmea ten verwere - samengevat - aangevoerd dat zij op grond van de geconstateerde feiten en omstandigheden de gerechtvaardigde overtuiging heeft dat sprake is van fraude. Volgens Achmea heeft [eiser 2] het aanvraagformulier ondertekend als ware hij [A] en heeft hij niet kenbaar gemaakt dat hij in opdracht handelde, op volmacht of met toestemming van de bevoegde persoon van BCS. Daar komt, aldus Achmea, bij dat [eiser 2] tijdens het gesprek op 1 september 2015 heeft verklaard dat de handtekening van [A] zelf was. Voorts heeft Achmea aangevoerd dat zij vraagtekens heeft bij de onzekerheid van het ziekteverzuim van [B] bij de aanvang van de verzekering op 12 augustus 2014. Volgens Achmea had [eiser 2] bij de aanvraag van de verzekering melding moeten maken van een gezondheidsrisico van [B] , omdat zij in staat moet worden gesteld het risico te kunnen beoordelen. Verder heeft Achmea aangevoerd dat het, gelet op de rol van [B] als bestuurder van de Stichting en gelet op de omstandigheid dat hij partner van [eiser 2] is, ervoor gehouden moet worden dat van werkelijk werknemerschap geen sprake is, en dat [eiser 2] melding had moeten maken van de faillissementen van vennootschappen waarbij hij betrokken was. Ten aanzien van de opname in het Extern Verwijzingsregister heeft Achmea gesteld dat er sprake is van (opzet tot) misleiding, dat kwade opzet daarvoor niet vereist is, maar naïviteit van handelen voldoende kan zijn, en dat het belang van de sector om te worden gewaarschuwd zwaarder weegt dan het belang van BCS c.s. om beschermd te worden tegen mogelijk nadelige gevolgen van de registratie. Ten aanzien van de opname in de interne database heeft Achmea gesteld dat de Commissie Klantintegriteit van Interpolis heeft besloten de verzekeringsrelatie te beëindigen en dat gelet daarop is besloten tot opname in de betreffende database.

4.3.

Ten aanzien van het spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Achmea heeft het bestaan van een spoedeisend belang betwist. Anders dan Achmea is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang afdoende gegeven is met het feit dat BCS c.s. zich tot nu toe vanwege de opname in de interne database en het Externe Verwijzingsregister bij geen enkele andere verzekeringsmaatschappij heeft kunnen verzekeren. Het feit dat, zoals door Achmea ter zitting is gesteld, er in ieder geval één verzekeringsmaatschappij is waar BCS c.s. wel terecht kan, maakt dit niet anders, nu Achmea ter zitting op dat punt desgevraagd heeft toegegeven dat de premie dan bovengemiddeld hoog zal zijn. Gelet hierop moet BCS c.s. dan ook geacht worden een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen.

4.4.

Met betrekking tot de aard van de vorderingen in relatie tot de onderhavige procedure en hetgeen Achmea daaromtrent heeft gesteld, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Indien in de onderhavige procedure geconcludeerd wordt tot toewijzing van de vorderingen van BCS c.s. zal Achmea de beëindiging van de verzekeringen ongedaan moeten maken en de persoonsgegevens van BCS c.s. uit genoemde registers dienen te verwijderen. Dit betekent echter niet dat, in het geval een bodemprocedure volgt, waarin zou worden geoordeeld dat Achmea terecht besloten heeft tot beëindiging van de verzekeringen en opname in de registers van de persoonsgegevens, Achmea daartoe niet meer zou kunnen overgaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt een toewijzing van de vorderingen van BCS c.s. dan ook niet tot een declaratoir oordeel, zoals door Achmea gesteld, en leent de onderhavige procedure zich voor een beoordeling van de vorderingen van BCS c.s.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de misleiding voor Achmea gelegen is in de echtheid van de handtekening, de voorzienbaarheid van het ziekteverzuim van [B] bij aanvang van de verzekering, het werknemerschap van [B] en een eerder faillissement van (een vennootschap van) [eiser 2] . De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling het volgende voorop. In artikel 7:928, lid 1 BW is bepaald dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, deze zich er niet op kan beroepen dat vragen niet zijn beantwoord, of feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, en evenmin dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden.

4.6.

In artikel 7:930, lid 1 BW is bepaald dat, indien aan de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, alleen recht op uitkering overeenkomstig de leden 2 en 3 bestaat. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat in afwijking van de leden 2 en 3 geen uitkering verschuldigd is indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Artikel 7:930, lid 5 BW bepaalt dat in afwijking van de leden 2 en 3 geen uitkering is verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928 lid 2 of lid 3, die heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de derde. In de MvT op deze bepaling wordt dit begrip opzet tot misleiding aldus omschreven, dat de verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde "tegen beter weten in hebben gehandeld" (Parl. Gesch. Verzekering, p. 35). In de MvT op art. 7:928 BW wordt daarvan de volgende omschrijving gegeven (Parl. Gesch. Verzekering, p. 15): "Hieronder is te verstaan: het opzet de verzekeraar te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders in het geheel niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten."

4.7.

In zijn arrest van 25 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:507) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat mede gelet op de tussen de art. 7:928 BW en 7:930 BW bestaande samenhang onder opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW dient te worden verstaan dat de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

4.8.

In het licht van het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter dat het op de weg van Achmea ligt om bij een dergelijke verzekering in het aanvraagformulier een vraag op te nemen die gericht is op het risico van verzuim. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat een dergelijke concrete vraagstelling ontbreekt. Ook uit de toelichting bij het aanvraagformulier blijkt niet dat de toekomstige verzekeringnemer gehouden is medische informatie te verstrekken over zijn werknemer(s). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Achmea daarmee te kennen gegeven dat zij alleen over de gevraagde feiten wil worden geïnformeerd en dat alleen die feiten voor haar van belang zijn (vgl. Hof 's-Hertogenbosch 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3903). Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat BCS het opzet heeft gehad op misleiding van Achmea ten aanzien van de medische toestand van [B] . Achmea kan zich er, gelet op het bepaalde in artikel 7:928, lid 6 BW, dan ook niet op beroepen dat BCS haar mededelingsplicht ten aanzien van de medische toestand van [B] heeft geschonden.

4.9.

Met betrekking tot de handtekening op het aanvraagformulier is de voorzieningenrechter van oordeel dat van een vervalste handtekening geen sprake is geweest, nu vaststaat dat de handtekening afkomstig is van [eiser 2] en bij de handtekening enkel een andere naam, te weten die van [A] , die destijds bestuurder van BCS was, is vermeld. De voorzieningenrechter acht dit op zijn hoogst onhandig, gezien het bestaan van de aan [eiser 2] door [A] verleende volmacht, maar acht dit - mede op basis van diezelfde machtiging - onvoldoende om aan te nemen dat BCS c.s. bedoeld heeft Achmea te misleiden.

4.10.

Ten aanzien van het werknemerschap overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat [B] op hetzelfde adres is ingeschreven als [eiser 2] onvoldoende is om aan te nemen dat geen sprake is van werknemerschap, nog daargelaten dat [eiser 2] niet als werkgever van [B] heeft te gelden. Immers, beiden zijn in dienst van BCS.

4.11.

Ten aanzien van de stelling van Achmea dat [eiser 2] melding had moeten doen van een faillissement van hemzelf en van zijn vennootschap, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In het aanvraagformulier is daaromtrent een vraag opgenomen, te weten "Bent u in de afgelopen acht jaar betrokken geweest bij een faillissement?" In de toelichting bij het aanvraagformulier wordt in het bijzonder ingegaan op een eventueel strafrechtelijk verleden van onder meer bestuurders van een vennootschap. Over betrokkenheid van een (middellijk) bestuurder bij een faillissement wordt niet gesproken in de toelichting. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het aanvraagformulier in samenhang met de toelichting niet in alle opzichten duidelijk is tot wie de vraag zich richt. Niet duidelijk is of de vraag zich enkel richt op de vennootschap ten behoeve van wie een verzekering wordt aangevraagd of op haar bestuurder(s) of dat die vraag zich ook richt tot een niet-bestuurder, die op basis van een volmacht handelt, zoals in het onderhavige geval. Nu in de toelichting niets wordt gezegd over een situatie als de onderhavige, had [eiser 2] niet hoeven begrijpen dat deze vraag zich ook tot hem als gevolmachtigde richtte. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan Achmea zich er dan ook niet op beroepen dat BCS c.s. de vraag naar betrokkenheid bij een faillissement onjuist heeft beantwoord, zodat misleiding van Achmea door BCS c.s. in deze niet is komen vast te staan.

4.12.

Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorgaande omstandigheden voorshands onvoldoende zijn om aan te nemen dat sprake is geweest van misleiding van Achmea door BCS c.s. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft Achmea dan ook op onjuiste gronden de persoonsgegevens van BCS c.s. in de interne database en het Externe Verwijzingsregister opgenomen en heeft Achmea op onjuiste gronden besloten tot beëindiging van de verzekeringen. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van BCS c.s. dan ook toewijzen.

4.13.

Ten aanzien van de gevorderde dwangsom overweegt de voorzieningenrechter dat deze hem uit oogpunt van proportionaliteit te hoog voorkomt. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom dan ook beperken als in het dictum te melden.

4.14.

Achmea zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BCS c.s. worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 94,08

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.529,08.

4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt en gebiedt Achmea binnen een week na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering van de persoonsgegevens van BCS c.s. in het Extern Verwijzingsregister voor financiële instellingen van de Stichting CIS, het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van Verzekeraars en de Interne database van Achmea, dan wel dat Achmea medewerking verleent die harerzijds noodzakelijk is ter verwijdering van de bedoelde (persoons)gegevens in de registers;

5.2.

veroordeelt Achmea om aan BCS c.s. een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt;

5.3.

veroordeelt en gebiedt Achmea de beëindiging van de verzuimverzekering binnen twee dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht ongedaan te maken;

5.4.

veroordeelt en gebiedt Achmea alle medewerking te verlenen die harerzijds noodzakelijk is om de beëindiging van de Interpolis Bedrijven Compact polissen met nummer 00100328813 en nummer 00149568044 ongedaan te maken;

5.5.

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van BCS c.s. tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 1.529,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1

1 type: coll: 613.