Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1834

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
18.730418-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opiumwet. Oplegging van 5 jaren gevangenisstraf. Overwegingen omtrent bruikbaarheid van getuigenverklaringen, medeplegen, poging en voorbereiding van invoer van cocaïne en de deelname aan een criminele organisatie als omschreven in artikel 11a Opiumwet.

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het invoeren van cocaïne vanuit Zuid-Amerikaanse landen. Hiertoe werden koeriers vanuit Nederland naar Zuid-Amerika gezonden, die de drugs in hun bagage mee terug moesten nemen. Ook is getracht cocaïne in te voeren door het versturen van een postpakket. Dit heeft geleid tot één voltooide invoer, twee pogingen daartoe en tweemaal voorbereiding daarvan. Daarnaast is in de door verdachte gebruikte woonruimte een hoeveelheid van nagenoeg 5 kilogram cocaïne aangetroffen. De rol van verdachte bestond hierbij telkens uit het onderhouden van contacten in het buitenland, het financieren en organiseren van de reis en aankoop van de verdovende middelen en het vervolgens in ontvangst nemen van die middelen. De medeverdachten omschrijven verdachte als hun (uiteindelijke) opdrachtgever en stonden allen onder diens instructie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730418-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte ] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

thans verblijvende in de [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

5 november 2015, 14 december 2015 en 9 en 10 maart 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam .

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de maand april 2014, in de gemeente Leeuwarden en/of

elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

- voor [persoon 1] (ondermeer) een paspoort en/of ticket voor een vlucht

naar Argentinië geboekt/gekocht en/of betaald en/of

- voor [persoon 1] (ondermeer) een grote hoeveelheid contant geld geregeld

en/of een creditcard (met daarop geld) aangeschaft/geregeld en/of

(vervolgens) dat contante geld en/of die creditcard aan [persoon 1]

verstrekt en/of

- die [persoon 1] naar een luchthaven gebracht, waarna die [persoon 1]

naar Argentinië is afgereisd en/of

- die [persoon 1] na diens reis en/of met medebrenging van een hoeveelhe(i)d(en)

cocaïne weer heeft opgehaald;

2.

hij in of omstreeks de maand juli 2014, in elk geval in de periode van 1 juli

2014 tot en met 29 juli 2014, te [pleegplaats 1] en/of te [pleegplaats 2] en/of elders in

Nederland en/of buiten Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in

artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

(telkens) opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

- voor [persoon 1] (ondermeer) een creditcard (met daarop geld) en/of

contant geld heeft geregeld en/of (vervolgens) die creditcard en/of dat

contante geld aan die [persoon 1] heeft verstrekt en/of (vervolgens)

- voor [persoon 1] (ondermeer) (een) ticket(s), althans (een) vlucht(en),

heeft geboekt en/of heeft laten boeken naar Colombia en/of (een)

hotelaccomodatie(s) in Colombia heeft geboekt en/of heeft laten boeken en/of

(vervolgens)

- die [persoon 1] door hem, verdachte en/of door een of meer van verdachtes

mededader(s) naar het/een vliegveld heeft gebracht waarna die [persoon 1]

is afgereisd naar Colombia en/of

- met die [persoon 1] heeft overlegd over de wijze waarop verdachte

het geld moest afleveren en/of (vervolgens) in ruil voor dat geld de

cocaïne in ontvangst moest nemen en/of vervoeren naar Nederland,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 18 oktober 2014

te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland en/of

buiten Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in

artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

(telkens) opzettelijk tezamen met een ander of anderen, althans alleen,

- er op aangedrongen dat [medeverdachte 1] (met spoed) een paspoort moest

aanvragen en/of (vervolgens)

- dat [medeverdachte 1] zijn mailadres en/of inlogcode aan hem, verdachte en/of

aan een of meer van zijn mededader(s) moest afgeven, zodat een of meer

document(en) (te weten: (ondermeer) een vliegticket) in/naar de mail/het

mailadres van die [medeverdachte 1] kon(den) worden verzonden/afgedrukt/vermeld

en/of (vervolgens)

- een creditcard met daarop geld en/of contant geld aan die [medeverdachte 1]

heeft verstrekt en/of (vervolgens)

- die [medeverdachte 1] een koffer en/of kleding heeft gegeven en/of geld voor de

aanschaf van (die) goederen heeft gegeven en/of

- via internet (een) vlucht(en) voor die [medeverdachte 1] heeft geboekt en/of

heeft laten boeken naar [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of

(vervolgens)

- die [medeverdachte 1] naar het/een vliegveld heeft gebracht waarna die [medeverdachte 1]

is afgereisd naar Argentinië en/of (vervolgens)

- die [medeverdachte 1] , in afwachting van de leverancier(s) van de cocaïne en in

afwachting van de retourvlucht naar Nederland, (in een hotel) in [plaats 3]

heeft gehuisvest/(laten) huisvesten en/of (vervolgens)

- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s)

heeft overlegd over de wijze waarop die [medeverdachte 1] het geld moest

afleveren en/of (vervolgens) in ruil voor dat geld de cocaïne in ontvangst

moest nemen en/of moest vervoeren naar Nederland,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, in dien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 18 oktober 2014

te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Leeuwarden en/of elders in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van in elk

geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en/of

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het

plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te

vermoeden, dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

opzettelijk

- bij [medeverdachte 1] er op aangedrongen dat hij (met spoed) een paspoort

moest aanvragen en/of (vervolgens)

- voor die [medeverdachte 1] een creditcard met daarop geld en/of contant

geld geregeld en/of aan die [medeverdachte 1] verstrekt en/of (vervolgens)

- die [medeverdachte 1] een koffer en/of kleding gegeven en/of geld voor de

aanschaf van die goederen gegeven en/of

- via internet (een) vlucht(en) voor die [medeverdachte 1] geboekt en/of

laten boeken naar [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of

(vervolgens)

- die [medeverdachte 1] naar een luchthaven gebracht waarna die [medeverdachte 1]

is afgereisd naar Argentinië en/of (vervolgens)

- die [medeverdachte 1] (in afwachting van de leverancier(s) van de cocaïne en

in afwachting van de retourvlucht naar Nederland) (in een hotel) in [plaats 3]

gehuisvest/laten huisvesten en/of (vervolgens)

- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s)

overlegd over de wijze waarop die [medeverdachte 1] het geld moest

afleveren en/of (vervolgens) in ruil voor dat geld de cocaïne in ontvangst moest nemen

en/of vervoeren naar Nederland en/of

- voorafgaande aan en/of tijdens de reis van [medeverdachte 1] en/of tijdens het

verblijf van [medeverdachte 1] in (ondermeer) Argentinië via Whats-app en/of

via Facebook contact met die [medeverdachte 1] gelegd en/of gehouden en/of die

[medeverdachte 1] van informatie voorzien;

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2014 tot en met 17 november 2014

te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen en/of

- zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het

plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij en/of of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te

vermoeden, dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), opzettelijk

- een creditcard (met daarop geld) en/of contant geld voor [medeverdachte 1] ,

geregeld en/of die creditcard en/of dat contante geld aan die [medeverdachte 1]

verstrekt en/of (vervolgens)

- voor die [medeverdachte 1] (een) vliegticket(s) geboekt en/of laten boeken

en/of betaald/laten betalen en/of (vervolgens)

- met die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s)

overlegd over de wijze van aflevering van het geld en/of in ruil daarvoor

het in ontvangst nemen van de cocaïne en/of het vervoeren van die cocaïne

naar Nederland,

en/of/althans een creditcard (met daarop geld) en/of een hoeveelheid contant

geld en/of (een) vliegticket(s) en/of (een) telefoon(s) (bestemd voor die

[medeverdachte 1] ) voorhanden gehad;

5.

hij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2013 tot en met 30 november

2014 te [pleegplaats 1] en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in

artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

(telkens) opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (ondermeer)

- een postpakket, met als inhoud (ondermeer) (in totaal) (ongeveer) 500 gram

cocaïne, vanaf een adres in [plaats 4] (Brazilië) heeft

verzonden en/of heeft laten verzenden naar een adres in [woonplaats 2]

(Nederland), te weten: naar het adres van [medeverdachte 2] , [adres 1] ,

[woonplaats 2] en/of

- een postpakket, met als inhoud (ondermeer) (in totaal)(ongeveer) 500 gram

cocaïne, vanaf een adres in [plaats 5] (Argentinië) heeft verzonden en/of

heeft laten verzenden, naar een adres in [plaats 6] (Nederland),

te weten: naar het adres van [medeverdachte 2] , [adres 1] , [woonplaats 2]

,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2014 tot en met 8 december

2014, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden en/of te [pleegplaats 2] , in de

gemeente [pleegplaats 2] en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

gevormd door hem verdachte en/of een of meer andere(n), (te weten (ondermeer)

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [naam 1] en/of [medeverdachte 1] ) welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als

bedoeld in artikel 10 eerste lid sub a van de Opiumwet namelijk

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) grote

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

7.

hij op of omstreeks 8 december 2014 te [pleegplaats 2] ,

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) (ongeveer) 5 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij naar voren gebracht dat op basis van door hem genoemde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij één voltooide invoer van cocaïne, twee pogingen daartoe en een voorbereiding van invoer van cocaïne. Deze feiten werden begaan met behulp van de inzet van koeriers. De officier van justitie acht eveneens te bewijzen dat verdachte gepoogd heeft een postpakket met cocaïne vanuit Argentinië naar Nederland te verzenden. Dat verdachte het feit met betrekking tot het eerste onder 5 aangeduide postpakket heeft verricht, acht de officier van justitie niet te bewijzen. Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie. Er was sprake van een gestructureerde vorm van samenwerking waarin volgens een vast patroon gedurende langere tijd strafbare feiten, te weten het plegen van misdrijven van de Opiumwet, werden beraamd en begaan. Het aandeel van verdachte bestond uit het onderhouden van contacten met leveranciers van cocaïne in Zuid-Amerika en uit het maken van afspraken met hen. Ook verzorgde verdachte het geld dat nodig was om de cocaïne te betalen en nam hij de drugs in ontvangst. De officier van justitie leidt het bewijs voor deze deelname af uit de begane feiten en daarnaast volgt uit diverse verklaringen, afgeluisterde telefoongesprekken en aangetroffen sporendragers, te weten een BlackBerry en een iPad, een duidelijk beeld van de organisatie. Ten slotte is de officier van justitie van mening dat bewezen kan worden dat verdachte in [pleegplaats 2] opzettelijk 5 kg cocaïne aanwezig heeft gehad. Dat de cocaïne die op diverse plaatsen in het door verdachte bewoonde pand lag aan een andere, niet nader bekend geworden, medehuurder toebehoorde, vindt hij in het geheel niet aannemelijk.

Anders dan de raadsman is de officier van justitie van mening dat de door de raadsman genoemde verklaringen niet van het bewijs hoeven te worden uitgesloten, nu er voldoende ondersteunend bewijs aanwezig is.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten. In de visie van de raadsman zijn de belastende verklaringen van diverse personen vanwege uiteenlopende redenen niet bruikbaar voor het bewijs. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] van het bewijs moet worden uitgesloten vanwege de onbetrouwbaarheid van deze getuige. Voorts wordt deze niet ondersteund door ander, onafhankelijk, bewijs. Onder verwijzing naar de Europese Vidgen-jurisprudentie en een arrest van de Hoge Raad van 22 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1020) is de raadsman van mening dat ook de verklaring van [persoon 1] moet worden uitgesloten van het bewijs, nu de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad de getuige te ondervragen. Gelet op de verklaring van de verdachte waarin hij alle betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde feiten ontkent, dient er sprake te zijn van steunbewijs voor alle onderdelen van de hem belastende verklaring. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] kan niet als steunbewijs worden gebezigd, nu deze persoon bij de rechter-commissaris zijn verklaring op een essentieel onderdeel heeft gewijzigd en niet is opgeroepen om ter terechtzitting een getuigenverklaring af te leggen. Bij gebreke van stevig onafhankelijk steunbewijs kan geen bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde volgen. De verklaring van [persoon 1] kan evenmin voor het bewijs worden gebruikt, aangezien aan deze getuige geen foto van verdachte is getoond, waardoor niet is vast te stellen of hij met [voornaam 2] verdachte bedoelt. Subsidiair heeft de raadsman met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit betoogd dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van een daadwerkelijke invoer van verdovende middelen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad bepleit dat geen sprake is van een poging tot invoer van cocaïne. Voorbereiding van de feiten 3 en 4 kan evenmin worden bewezen, nu er naast de verklaring van [medeverdachte 2] geen ander overtuigend bewijsmiddel voorhanden is waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding van die reizen volgt. [medeverdachte 1] heeft zich bij de rechter-commissaris beroepen op zijn verschoningsrecht, zodat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze verklaring op betrouwbaarheid te toetsen. De verklaring van [getuige] mag evenmin voor het bewijs worden gebezigd, nu deze getuige bij de rechter-commissaris zijn verklaring op een essentieel onderdeel heeft gewijzigd en niet is opgeroepen om ter terechtzitting een getuigenverklaring af te leggen. Dat de iPad van verdachte is, staat niet vast. Daarnaast is het niet ondenkbaar dat verdachte een vriendendienst voor [medeverdachte 2] heeft verricht door hem geld te lenen voor zijn plannen. Ook voor feit 5 dient vrijspraak te volgen, nu er geen bewijs ligt dat verdachte bij de verzending van de postpakketten betrokken is geweest. Verdachte dient voorts van feit 6 te worden vrijgesproken, nu er geen bewijs is dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur over een zeker tijdsverloop. Er lijkt daarnaast meer sprake te zijn van losse strafbare feiten die geen direct verband met elkaar houden. Ten slotte kan niet worden bewezen dat verdachte de in [pleegplaats 2] aangetroffen cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad, nu de woning waarin deze verdovende middelen werden aangetroffen door meerdere personen werd gebruikt. Niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de cocaïne.

Het oordeel van de rechtbank

Bruikbaarheid verklaringen getuigen/medeverdachten

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank neemt in aanmerking dat het hier gaat om verklaringen van een medeverdachte, hetgeen maakt dat de rechtbank bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen moet betrekken in hoeverre de verklarende medeverdachte er belang bij heeft om onjuist te verklaren ofwel een ander ten onrechte te belasten. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] in zijn verklaringen niet alleen verdachte belast, maar ook zichzelf. Van een situatie waarin de schuld geheel wordt afgeschoven op een ander, in casu op verdachte, is derhalve geen sprake. Voorts acht de rechtbank van belang dat de verklaringen van [medeverdachte 2] niet op zichzelf staan, maar telkens steun vinden in ander bewijsmateriaal. De rechtbank wijst op de verklaringen van [persoon 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en op de telecominformatie. Ook acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte 2] op hoofdlijnen consistente verklaringen heeft afgelegd. Dat hij over zijn andere nevenactiviteiten mogelijk geen volledige openheid van zaken heeft gegeven, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen met betrekking tot de onderhavige zaken niet af. De rechtbank acht de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [medeverdachte 2] betrouwbaar en geloofwaardig en derhalve bruikbaar voor het bewijs.

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de tegenover de politie in Colombia afgelegde verklaring van [persoon 1] overweegt de rechtbank het volgende. De getuige is tweemaal verschenen om via een videoverbinding te worden verhoord door de rechter-commissaris, in het bijzijn van de verdediging, maar heeft zich bij deze verhoren op zijn verschoningsrecht beroepen. Indien er geen gelegenheid tot ondervraging is geweest mag de getuigenverklaring worden gebruikt, mits de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt dat de door [persoon 1] tegenover de politie afgelegde verklaring niet het enige bewijsmiddel betreft waaruit verdachtes betrokkenheid bij een aantal ten laste gelegde feiten rechtstreeks kan volgen, maar dat die betrokkenheid en de onderdelen van de belastende verklaring die de verdachte betwist in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gewezen wordt op onder meer de verklaringen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en Facebookberichten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaring van [persoon 1] voor het bewijs gebezigd mag worden. Ook de omstandigheid dat aan de getuige geen foto van verdachte is getoond, brengt niet met zich dat de betreffende verklaring niet kan worden gebezigd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat gelet op de inhoud van de verklaring, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, buiten twijfel staat dat de getuige waar hij spreekt over “ [voornaam 2] ” doelt op de verdachte.

De rechtbank overweegt dat zij het verweer tot het uitsluiten van de verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] eveneens verwerpt. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs nu ook deze verklaringen niet het enige bewijsmiddel betreffen waaruit verdachtes betrokkenheid bij een aantal ten laste gelegde feiten rechtstreeks kan volgen, maar dat die betrokkenheid en de onderdelen van de belastende verklaringen die de verdachte betwist in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Bovendien overweegt de rechtbank dat ten aanzien van [medeverdachte 3] niet kan worden gezegd dat sprake is van een geval waarbij deze getuige ten tijde van zijn verhoor bij de rechter-commissaris zijn eerdere verklaring heeft ingetrokken dan wel op essentiële punten een ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, doch meer dat hij op bepaalde punten een nadere nuancering op zijn eerdere verklaringen heeft aangebracht.

Het verweer aangaande de uitsluiting van de verklaring van [getuige] behoeft geen bespreking, aangezien de rechtbank deze verklaring niet voor het bewijs zal bezigen.

Betrokkenheid verdachte

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte -die door medeverdachten wordt aangeduid als [verdachte ] , [voornaam 2] of [voornaam 1] - blijkt uit meerdere bewijsmiddelen.

De rechtbank wijst in het bijzonder op het volgende.

- Verdachte wordt door meerdere personen ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) aan de hand van een hen getoonde politiefoto herkend als de betreffende [verdachte ] , [voornaam 2] of [voornaam 1] ;

- Er wordt verwezen naar een [verdachte ] die, evenals verdachte, in [pleegplaats 1] , te weten in dezelfde straat als die van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en in [pleegplaats 2] verblijft;

- [verdachte ] is, evenals verdachte, van Chileense afkomst;

- In Chili wordt, hetgeen algemeen bekend verondersteld wordt, Spaans gesproken;

- op een iPad, gevonden in de woning waar verdachte verbleef, is Spaanstalige correspondentie aangetroffen die betrekking heeft op niet legale handel in Zuid-Amerika en waarin zowel de namen [medeverdachte 1] ( [bijnaam] ) als [medeverdachte 2] voorkomen. Daarnaast staan op deze iPad vluchtgegevens van [medeverdachte 1] opgeslagen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de persoon is die door anderen wordt aangeduid als [verdachte ] / [voornaam 2] / [voornaam 1] .

Medeplegen

De rechtbank overweegt in algemene zin het volgende over de rol en betrokkenheid van verdachte.

Verdachte wordt onder meer verweten met (onder andere) [medeverdachte 2] als medepleger betrokken te zijn geweest bij een viertal drugstransporten vanuit Colombia en Argentinië naar Nederland door middel van de inzet van drugskoeriers.

Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n), gericht op het plegen van -in casu- diverse misdrijven in het kader van de Opiumwet.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte [medeverdachte 2] heeft gevraagd iemand te zoeken die -in ruil voor een financiële tegenprestatie- naar Zuid-Amerika wilde vliegen om drugs naar Nederland te vervoeren. [medeverdachte 2] heeft vervolgens [persoon 1] bereid gevonden om als koerier te fungeren. Verdachte regelde de vliegtickets en het geld en de contacten in het buitenland. [medeverdachte 2] zorgde voor het vervoer van [persoon 1] naar het vliegveld en had als taak hem bij terugkomst op te halen. Tijdens het verblijf in Zuid-Amerika onderhield [medeverdachte 2] het contact met de koerier. [medeverdachte 2] ontving voor zijn diensten gelden van verdachte. De drugs werden uiteindelijk afgeleverd bij verdachte. Na het eerste transport heeft een tweede transport plaatsgevonden, waarbij de taakverdeling nagenoeg hetzelfde was. Voor het derde ten laste gelegde transport moest een nieuwe koerier gevonden worden. Hiervoor heeft [medeverdachte 2] -wederom op verzoek van verdachte- iemand gezocht die bereid was als koerier te fungeren. [medeverdachte 2] heeft vervolgens [medeverdachte 1] gevraagd. De taakverdeling was hier ook conform de eerdere taakverdeling. Toen [medeverdachte 1] onverrichter zake naar Nederland terugkeerde, was het de bedoeling hem voor een tweede maal naar Argentinië af te laten reizen, hetgeen door politieoptreden is voorkomen. Verdachte wordt door verschillende personen aangeduid als de baas achter de transporten.

De betrokkenheid van verdachte bij elk van de transporten volgt naast de verklaring van [medeverdachte 2] uit de verklaringen van de koeriers. Ook is op de iPad die in de door verdachte gebruikte woning in [pleegplaats 2] is aangetroffen correspondentie gevonden aangaande de eerste reis door [medeverdachte 1] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volgt voorts dat er na deze eerste reis een ontmoeting in de woning van laatstgenoemde heeft plaatsgevonden, waarbij het aan [medeverdachte 1] meegegeven geld is teruggegeven aan verdachte en het plan voor een tweede reis in aanwezigheid van in ieder geval deze drie personen, waaronder verdachte, is gemaakt.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte een belangrijke en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de feiten, waarbij hij zodanig bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachte(n) dat sprake is van medeplegen van de bewezenverklaarde feiten zoals deze hieronder staan vermeld.

iPad aangetroffen in [adres 2] te [pleegplaats 2]

De verdediging heeft betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de iPad die is aangetroffen in de woonkamer van de [adres 2] te [pleegplaats 2] aan verdachte toebehoort.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte een woning had in [pleegplaats 1] maar ook verbleef in een woning in [pleegplaats 2] op het adres [adres 2] en dat hij daar regelmatig aanwezig was. Verdachte is in dit pand aangehouden. De eigenaar van de woning verklaart dat verdachte een kamer van de woning van hem huurt, maar de gehele woning gebruikt. De rechtbank overweegt dat, onder verwijzing naar hetgeen hierover hierna bij feit 7 wordt overwogen, geenszins aannemelijk is geworden dat de iPad aan een andere persoon dan verdachte toebehoort. Opvallend is dat zich op deze iPad correspondentie bevindt die betrekking heeft en lijkt te hebben op diverse aan verdachte ten laste gelegde feiten. De correspondentie is voorts in de Spaanse taal gesteld; een taal die verdachte gezien zijn Chileense afkomst verondersteld wordt te beheersen. Daarnaast worden diverse berichten ondertekend met de naam [voornaam 1] . Dat is de naam die [medeverdachte 2] in zijn eerste verhoren voor [verdachte ] gebruikte.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het niet anders kan dan dat de aangetroffen iPad aan verdachte toebehoort.

Feit 1

Het onder 1 ten laste gelegde feit betreft het medeplegen van invoer van cocaïne door [persoon 1] .

De verdediging heeft naar voren gebracht dat niet kan worden bewezen dat de reis van [persoon 1] die in april 2014 heeft plaatsgevonden, heeft geleid tot een voltooide invoer van cocaïne.

De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van deze reis van [persoon 1] geen inbeslagname van ingevoerde middelen heeft plaatsgevonden, zodat evenmin een drugstest is uitgevoerd op basis waarvan na technisch onderzoek is komen vast te staan dat sprake is geweest van cocaïne.

Niettemin acht de rechtbank op grond van het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat in april 2014 cocaïne is ingevoerd. De rechtbank overweegt hiertoe dat [persoon 1] op de vragen van de politie over hoe de cocaïne in Argentinië verpakt was, waar hij deze heeft gekregen en bij wie hij de cocaïne heeft afgeleverd, heeft geantwoord dat de cocaïne in laptoptassen verpakt was, en dat deze aan hem is overgedragen in een restaurant in [plaats 3] te Argentinië en dat hij deze bij terugkomst in Nederland aan [verdachte ] heeft overgedragen. Voorts heeft [persoon 1] verklaard dat hij als tegenprestatie voor zijn verrichtingen een grote som geld heeft ontvangen, te weten een bedrag van achtduizend euro. Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de drugs in laptoptassen verpakt waren, terwijl dit bij de eerste reis van [medeverdachte 1] eveneens het plan was. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de onder feit 2 weergegeven reis van [persoon 1] is komen vast te staan dat de in te voeren stof cocaïne betrof, terwijl ook in de door verdachte gehuurde woonruimte in [pleegplaats 2] cocaïne is aangetroffen. Ook in het vanuit Argentinië verzonden postpakket zat cocaïne. De rechtbank acht het voorts een feit van algemene bekendheid dat indien drugs vanuit Zuid-Amerikaanse landen zoals Argentinië naar Nederland worden vervoerd, het veelal cocaïne betreft.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, en mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat de koerier een riante tegenprestatie heeft ontvangen, staat voor de rechtbank wel vast dat de verboden stof cocaïne betrof en dat het tot een voltooide invoer daarvan is gekomen, waarbij verdachte als medepleger betrokken is geweest.

Feit 2

Onder 2 is ten laste gelegd het medeplegen van een poging tot invoer van cocaïne door [persoon 1] .

De rechtbank overweegt dat uit de door de rechtbank te bezigen bewijsmiddelen volgt dat verdachte in juli 2014 in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] en [persoon 1] , zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft gepoogd cocaïne vanuit Colombia naar Nederland in te voeren.

Feit 3

Het onder 3 ten laste gelegde feit betreft het medeplegen van een poging, subsidiair voorbereiding, van invoer van cocaïne door [medeverdachte 1] .

Met betrekking tot de vraag of sprake is van een begin van uitvoering van invoer van verdovende middelen, overweegt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte 1] op 9 oktober 2014, terwijl hij in het bezit was van een aanzienlijk bedrag contant geld, door [medeverdachte 2] naar het vliegveld te [plaats 7] is gebracht en vervolgens via [plaats 1] en [plaats 2] naar [plaats 3] in Argentinië is gevlogen. Het doel was om in ruil voor het geld een verboden middel verpakt in laptophoesjes mee terug te nemen. De vliegtickets, het hotel en het geld zijn verzorgd door verdachte. Er heeft voorafgaand aan de reis geen rechtstreeks contact plaatsgevonden tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Het contact verliep via [medeverdachte 2] . Nadat [medeverdachte 1] reeds in Argentinië was aangekomen, heeft hij besloten onverrichter zake terug te keren. Hiertoe heeft hij op eigen initiatief een retourvlucht geboekt en is hij eerder dan in de planning lag naar Nederland teruggekeerd. Het geld heeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] teruggegeven. Deze heeft het bedrag vervolgens aan verdachte overhandigd.

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of bovenstaande gedragingen, zoals de officier van justitie heeft betoogd, als een begin van uitvoering van het medeplegen van invoer van verdovende middelen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat, nu niet is gebleken dat er contact tussen [medeverdachte 1] en de leverancier van de drugs is geweest en er derhalve evenmin een overdracht van deze verboden middelen heeft plaatsgevonden, het geheel van gedragingen onvoldoende de voltooiing van het misdrijf is genaderd om van een poging tot invoer te kunnen spreken. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het hem primair onder 3 ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van gedragingen zoals dat wordt bewezenverklaard wel een strafbare voorbereiding van invoer van harddrugs oplevert en dat het ook hier de bedoeling was om cocaïne in te voeren. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierover bij feit 1 heeft overwogen.

Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte dit feit heeft medegepleegd. De rechtbank verwijst ten aanzien van de rol van verdachte naar hetgeen zij hierboven over de betrokkenheid van verdachte heeft overwogen.

Het subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Onder 4 is ten laste gelegd het medeplegen van voorbereiding van invoer door [medeverdachte 1] .

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en de telecomgegevens, volgt dat concrete voorbereidingen waren getroffen voor een tweede reis naar Argentinië. Verdachte is bij de voorbespreking hiervan aanwezig geweest, terwijl de belangrijke rol en daarmee ook de betrokkenheid van verdachte voorts volgt uit tapgesprekken, waarin onder meer naar voren komt dat verdachte [medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven [medeverdachte 1] te zoeken, nadat deze door de politie was aangehouden.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

Onder 5 is ten laste gelegd het medeplegen van twee pogingen om via postpakketten cocaïne in te voeren.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de verzending van het eerste ten laste gelegde postpakket dat in 2013 verzonden is. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde postpakket overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [medeverdachte 2] heeft gevraagd of hij adresjes wist waarop hij postpakketjes kon ontvangen vanuit het buitenland en dat verdachte vervolgens twee adressen van [medeverdachte 2] heeft gekregen om die postpakketjes op af te laten leveren en dat hij verdachte ook zijn eigen adresgegevens heeft gegeven. Voorts slaat de rechtbank acht op gegevens die hieromtrent op de iPad in de door verdachte gebruikte woning te [pleegplaats 2] zijn aangetroffen en die verwijzen naar post vanuit Argentinië ( [plaats 5] ) en de wijze van verzending van het middel, te weten in flessen.

De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] heeft gepoogd middels een postpakket cocaïne vanuit Argentinië naar Nederland te vervoeren en aldus in te voeren.

Feit 6

Onder 6 is ten laste gelegd de deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van bepaalde misdrijven van de Opiumwet.

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van de betreffende misdrijven van de Opiumwet.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte vanaf april 2014 heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] met het doel cocaïne in te voeren uit Zuid-Amerikaanse landen en dat dit heeft geleid tot één voltooide invoer, twee pogingen daartoe en tweemaal voorbereiding daarvan. De rol van verdachte bestond hierbij telkens uit het onderhouden van contacten in het buitenland en het financieren van de reis en aankoop van de verdovende middelen. De rol van [medeverdachte 2] bestond uit het regelen van koeriers, het onderhouden van contacten met de koeriers en het vervoeren van de koeriers van en naar de luchthaven. Ook heeft hij zijn adres opgegeven om post met daarin verdovende middelen te ontvangen. Daarnaast namen er koeriers deel aan het samenwerkingsverband en heeft [medeverdachte 3] een aandeel geleverd in de organisatie. Het samenwerkingsverband heeft gedurende een periode van ruim een half jaar meerdere misdrijven voorbereid, gepoogd te plegen en/of gepleegd. Dit alles maakt, naar het oordeel van de rechtbank dat kan worden gesproken van een organisatie die tot oogmerk had het invoeren van cocaïne, aan welke organisatie verdachte heeft deelgenomen. Dat verdachte weet had van het oogmerk van de organisatie, volgt, gelet op zijn rol, eveneens uit de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 7

Onder 7 wordt verdachte verweten het opzettelijk aanwezig hebben van 5 kilogram cocaïne.

De verdediging heeft aangevoerd dat dit feit niet kan worden bewezen dat nu de woning waarin de verdovende middelen werden aangetroffen naast verdachte door andere personen werd gebruikt. Niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de cocaïne.

De rechtbank stelde op grond van de bewijsmiddelen hiervoor reeds vast dat verdachte een woning had in [pleegplaats 1] maar ook regelmatig verbleef in een woning aan de [adres 2] te [pleegplaats 2] . Verdachte is in dit pand aangehouden. Daarnaast verklaart de eigenaar van de woning dat verdachte weliswaar een kamer van de woning van hem huurt, maar de gehele woning gebruikt. Voorts zijn er diverse pakketten met daarin cocaïne gevonden op verschillende plaatsen in de betreffende woning. Er zijn pakketten aangetroffen in de keuken, te weten twee op de grond onder de eettafel, twee in een linkerlade van het keukenblok en twee pakketten in de linker onderkast van het keukenblok. Daarnaast is een pakket gevonden in een boodschappentas in een vaste kast.

Verdachte heeft bij monde van zijn raadsman gesteld dat de woning door anderen gebruikt werd, hetgeen door reisbescheiden en [bedrijfsnaam 1] papieren met daarop de naam van ene [naam 2] zou worden ondersteund. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is de rechtbank echter van oordeel dat deze omstandigheid geenszins duidt op de aanwezigheid van een tweede gebruiker van de woning, temeer niet nu uit het dossier blijkt dat ook anderen voor verdachte stortingen bij [bedrijfsnaam 1] deden. Bovendien had het op de weg van verdachte gelegen om dan de naam van de medebewoner aan te leveren.

Nu verdachte de bewoner van het pand was, gaat de rechtbank er vanuit dat hij op de hoogte was van de verboden middelen die zich ten tijde van de aanhouding op meerdere plaatsen in deze woning en deels in het zicht bevonden. Dat een andere persoon deze middelen die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen aldaar op deze wijze heeft neergelegd, is naar het oordeel van de rechtbank zeer onwaarschijnlijk, zodat zij aan deze stelling voorbij zal gaan.

De rechtbank acht het onder 7 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 8 januari 2015, opgenomen op pagina 122 e.v. van het dossier met nummer PL02GL02CL114050 d.d. 8 april 2015, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op bevel van de officier van justitie werden door [vliegmaatschappij] gegevens over de vluchten van [persoon 1] aangeleverd. Hieruit blijkt dat de heenreis via [plaats 7] op 11 april 2014 is geweest en dat hij is teruggevlogen via [plaats 7] op 24 april 2014. Aan de hand van deze gegevens is ook bekend geworden dat [persoon 1] is gevlogen vanaf [plaats 7] , via Portugal en Brazilië, naar Argentinië.

De in de woning van [medeverdachte 2] te [pleegplaats 1] inbeslaggenomen TomTom is onderzocht. Daaruit bleek dat in het navigatiesysteem triplog gegevens aanwezig zijn in de periode van 2 februari 2014 tot en met 3 augustus 2014. Hieruit bleek dat het navigatiesysteem op de volgende plaatsen was geweest:

3 april 2014: [pleegplaats 2] , parkeerplaats [adres 2]

11 april 2014: België, [plaats 7] / [vliegveld 1] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 25 november 2014, opgenomen op pagina 125 e.v. van voornoemd dossier d.d. 8 april 2015, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

Ik heb contact gehad met een [voornaam 1] . Deze woont in [pleegplaats 2] . Die [voornaam 1] heeft mij gevraagd of ik iemand wist die naar Zuid-Amerika wilde vliegen om daar drugs op te halen en naar Nederland te vervoeren. Ik wist wel iemand die op "vakantie" wilde gaan. Zo hadden [persoon 1] en ik het er over gehad. Hij had er wel oren naar om naar Zuid-Amerika te vliegen. [persoon 1] en ik zijn samen naar [pleegplaats 2] gereden. Daar hebben we met die [voornaam 1] afgesproken. We hebben afspraken gemaakt. De vluchten naar [plaats 7] zijn geregeld door [voornaam 1] . Ik heb gezien dat [voornaam 1] geld aan [persoon 1] heeft gegeven. [persoon 1] heeft ongeveer

€ 1000,-- voor de reis gekregen. De afspraak was dat [persoon 1] in Zuid-Amerika het geld voor die drugs kreeg. Mijn rol was dat ik [persoon 1] via [pleegplaats 2] naar [plaats 7] heb gereden. Ik heb hier € 500,-- voor gekregen. Later heb ik hem ook weer opgehaald. We gingen van [plaats 7] naar [pleegplaats 2] , daar heeft [persoon 1] zijn koffertje aan [voornaam 1] afgegeven. [persoon 1] heeft voor die trip een bedrag gekregen. Ik heb na deze trip nog € 200,-- van [persoon 1] gekregen, omdat ik [persoon 1] aan [voornaam 1] had voorgesteld.

Na drie of vier maanden heeft [persoon 1] weer een tripje naar Zuid-Amerika gemaakt. Dat is op dezelfde manier gegaan als de eerste keer. [voornaam 1] is toen in [pleegplaats 1] geweest. Daar heeft hij het geld aan [persoon 1] gegeven. Ik heb toen [persoon 1] rechtstreeks naar [plaats 7] gebracht. Ik zou geld krijgen als [persoon 1] weer terug in Nederland was, maar dat is niet gebeurd. [persoon 1] zit daar nog steeds vast. Ik heb een aantal keren telefonisch contact gehad met [persoon 1] . Ik was de contactpersoon tussen [persoon 1] en [voornaam 1] .

Na een aantal weken kwam [voornaam 1] weer bij mij thuis. Hij vroeg of ik nog een persoon wist die weer naar Zuid-Amerika wilde vliegen voor het transport van drugs. [medeverdachte 1] zei dat hij wel naar Zuid-Amerika wilde. [medeverdachte 1] zou voor deze trip € 3.000,-- of € 4.000,-- krijgen. Ik zou dan € 500,-- van [voornaam 1] krijgen. Ik heb toen een paspoort voor [medeverdachte 1] geregeld. Ik heb deze ook voor hem betaald. [voornaam 1] heeft de vliegtickets geregeld. [medeverdachte 1] heeft gekregen geld op een 'cash passport' gezet. Dat cash-passport heeft [voornaam 1] meegenomen naar [pleegplaats 2] . [voornaam 1] heeft vervolgens de vliegreis en het hotel daarvan betaald. Na een week is [voornaam 1] weer naar [pleegplaats 1] gekomen. Hij heeft mij toen € 16.000,- gegeven in coupures van

€ 500,-. Toen heb ik [medeverdachte 1] gebeld dat hij langs moest komen. Dat was begin oktober 2014. Daar heb ik [medeverdachte 1] direct die € 16.000,- gegeven. [medeverdachte 1] had geen koffer en heeft toen één van mij gekregen. Later die avond ben ik samen met [getuige] naar [medeverdachte 1] gegaan. Daar hebben we € 8.000,- in een sok en in zijn koffer gedaan en die andere € 8.000,- had hij gewoon bij zich. Vervolgens zijn we via [pleegplaats 2] naar [plaats 7] gereden.

Een paar dagen later heb ik contact gezocht met [voornaam 1] . Van [voornaam 1] heb ik gehoord dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 1] het geld in [hotel 1] in Zuid-Amerika zou overdragen. Maar [medeverdachte 1] was daar niet aangekomen. Op verzoek van [voornaam 1] heb ik contact gezocht met [medeverdachte 1] . Ik ben een aantal keren aan de deur geweest bij [medeverdachte 1] . We wisten niet waar hij was. [medeverdachte 1] is vervolgens weer bij mij thuis geweest en heeft die € 16.000,- aan mij teruggegeven. Ik heb vervolgens dat geld weer aan [voornaam 1] gegeven.

[medeverdachte 1] wilde wel weer terug om de kosten te vergoeden. [medeverdachte 1] had gezegd dat hij wel weer wilde "vliegen".

Ik realiseer mij dat ik heb meegedaan aan de voorbereidingen van transport van verdovende middelen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 26 november 2014, opgenomen op pagina 133 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

De man die ik gisteren in mijn verklaring [voornaam 1] noemde, is eigenlijk genaamd [verdachte ] .

U toont mij twee foto's. (De rechtbank merkt op dat dit dezelfde foto's betreffen als de foto's die zijn opgenomen op p. 664 en 665 van het dossier. Over deze laatste foto heeft de verbalisant gerelateerd dat de persoon op de foto is genaamd: [verdachte ] , geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] met Chileense nationaliteit, wonende op de [adres 3] te [pleegplaats 1] .) Ik herken de man op de foto's als zijnde de [voornaam 1] waar ik over sprak. [verdachte ] heeft in [pleegplaats 1] een woning, achterin de [adres 3] . Als ik voor [verdachte ] aan het werk ben, ik bedoel de vliegreisjes zoals ik bij [persoon 1] en [medeverdachte 1] heb gedaan, dan krijg ik daar geld voor van [verdachte ] . De grote man achter deze drugstransporten is [verdachte ] . Ik werk in opdracht van hem.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 27 november 2014, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

V: We hebben gegevens van [bedrijfsnaam 1] opgevraagd, waaruit blijkt dat jij stortingen hebt gedaan naar het buitenland, totaal € 7722.

A: Ik kreeg dat geld cash van [verdachte ] . Ik kreeg een briefje van [verdachte ] met een naam en dat geldbedrag. Ik ging naar de [bedrijfsnaam 1] , kreeg een stortingsbewijs en gaf dat aan [verdachte ] . Ik kreeg 20 à 30 euro per transactie.

[verdachte ] had mij gevraagd iemand te zoeken voor een vliegreisje nadat [persoon 1] in Zuid-Amerika vastzat. Ik heb contact gehad met [verdachte ] over [medeverdachte 1] . Dat vond [verdachte ] toen prima. De eerste keer heeft [verdachte ] [medeverdachte 1] niet persoonlijk gezien. Ik heb deze eerste zaak met [medeverdachte 1] geregeld. De tweede keer heeft [verdachte ] [medeverdachte 1] wel gezien. Ik en een andere persoon zijn via [pleegplaats 2] gegaan om de vliegtickets en een telefoon voor [medeverdachte 1] in ontvangst te nemen. Toen zijn we naar [plaats 7] gegaan en hebben daar [medeverdachte 1] afgeleverd. Het geld was al eerder geregeld. Toen [medeverdachte 1] in een hotel in Argentinië zat, heb ik [medeverdachte 1] gebeld om hem het adres door te geven waar hij het geld moest afleveren. Ik had van [verdachte ] al gehoord dat er mensen in het hotel zouden komen. [medeverdachte 1] zou dat geld dan af moeten geven. De bedoeling zou zijn dat [medeverdachte 1] wat mee terug moest nemen. Dat zou een vloeibaar middel zijn dat in laptophoesjes zou worden vervoerd. Ik zou [medeverdachte 1] weer uit [plaats 7] halen. Toen [medeverdachte 1] bij mij thuis was, heeft [verdachte ] met [medeverdachte 1] gesproken. Ze hebben toen geregeld dat [medeverdachte 1] nog wel een keer naar Zuid-Amerika zou gaan om het voorgaande reisje goed te maken.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 8 januari 2015, opgenomen op pagina 157 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

V: Op 26-11-2014 is er een postpakket vanuit Argentinië verstuurd naar jouw adres aan de [adres 1] te [pleegplaats 1] .

A: [verdachte ] heeft mij wel eens gevraagd of ik adresjes wist waar ik postpakketjes op kon ontvangen vanuit het buitenland. [verdachte ] had het er over dat ik 100 of 150 euro zou krijgen per postpakketje. [verdachte ] heeft twee adressen van mij gekregen, om die postpakketjes op af te laten leveren. Ik heb hem ook mijn adresgegevens gegeven. Zodra een pakketje zou komen, moest ik [verdachte ] inlichten. We hebben het niet gehad over de inhoud. Die zal vast niet legaal zijn geweest. Anders had hij het wel naar zijn eigen adres laten sturen. Ik heb een proefpakketje ontvangen. Ik heb contact gehad met [verdachte ] , maar deze zending was bestemd om te controleren of de route van het pakketje goed was gegaan.

[persoon 1] zou laptoptassen meenemen vanuit Argentinië en Colombia. Volgens mij heeft [persoon 1] de keer dat hij in Argentinië was geweest, één laptoptas meegenomen. Deze is rechtstreeks afgeleverd bij [verdachte ] in [pleegplaats 2] .

6. Een geschrift, te weten de vertaling van een verhoor van [persoon 1] door de Colombiaanse politie, d.d. 19 februari 2015, opgenomen op p. 608 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [persoon 1] :

V: In opdracht van wie heb jij in juli 2014 geprobeerd cocaïne te vervoeren vanuit Colombia naar Nederland?

A: Deze persoon ken ik slechts als [voornaam 2] . Ik heb hem via [medeverdachte 2] ontmoet in zijn woning. Ik heb mijn paspoort aan [voornaam 2] gegeven en hij heeft alles geregeld en betaald. Ik had een BlackBerry-telefoon om contact te houden met [medeverdachte 2] die op zijn beurt alles aan deze [voornaam 2] doorgaf. Het was een telefoon van [voornaam 2] , ik heb hem van [voornaam 2] gekregen. [medeverdachte 2] heeft mij naar het vliegveld gebracht in opdracht van [voornaam 2] . [voornaam 2] heeft de reis betaald. Ik heb ter voorbereiding mijn paspoort ingeleverd en later hebben ze mijn paspoort aan mij teruggegeven. Ze hebben ook papieren van het hotel, van het vliegtuig en het geld voor de uitgaven aan mij gegeven.

V: Hoe was de cocaïne verpakt?

A: In Colombia: dubbele bodem in één of ander soort steen.

V: Hoe was de cocaïne in Argentinië verpakt?

A: In laptoptassen.

V: Wie heeft jou van het vliegveld in [plaats 7] opgehaald?

A: [medeverdachte 2] , gebracht en opgehaald.

V: Waar en bij wie heb jij de cocaïne afgeleverd?

A: In Nederland aan deze [voornaam 2] .

V: Hoeveel heb jij verdiend met het vervoer uit Argentinië?

A: Achtduizend euro.

V: Waar hebben ze de cocaïne in Argentinië aan je gegeven?

A: In een restaurant in [plaats 3] .

V: Waar hebben ze de cocaïne in Colombia aan je gegeven?

A: In een hotel in [plaats 8] .

7. Een geschrift, te weten de vertaling van een verslag van het observatie team van de politie te Colombia, opgenomen op pagina 613 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant(en):

Op 28 juli 2014, [vliegveld 2] , kwam reisbagage aan op naam van [persoon 1] . Aan de heer [persoon 1] wordt toestemming gevraagd om een perforatie met een stalen priem te maken, waarop hij antwoordt dat hij er niets op tegen heeft. Nadat de koffer is geperforeerd, is er binnenin deze koffer een zwarte substantie aangetroffen, die na een test een kleuring (positief voor verdovende middelen) oplevert.

Aangehouden persoon: [persoon 1] . In bewaring gegeven voorwerp: boardingpassen [plaats 9] - [plaats 10] - [plaats 7] op naam van [persoon 1] en koffer die een substantie bevat met een bruto gewicht van ongeveer 10200 gram.

8. Een geschrift, te weten de vertaling van een verslag van het Forensisch Scheikundig Laboratorium te [plaats 9] , d.d. 11 september 2014, opgenomen op p. 624 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende: De substantie die verborgen zat in de wanden van de koffer bevat cocaïne in de concentratie van 14,7%, hetgeen overeenkomt met een netto gewicht van 801 gram cocaïne.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 10 december 2014, opgenomen op pagina 369 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3] :

Ik heb [persoon 1] nog gewaarschuwd. Ik dacht: "Straks wordt hij nog gepakt". Mijn vader zei dat hij naar Colombia ging en dan wat mee terug moest nemen. Ik weet dat je een risico neemt als je met drugs reist. Rond de zomervakantie ging [persoon 1] naar Colombia, [plaats 9] . Ik heb daar een paar keer geld naar overgemaakt via [bedrijfsnaam 1] . [persoon 1] was eerder een keer naar Argentinië geweest. Het is me wel bekend dat je naar Colombia gaat om heroïne of cocaïne. Ik heb via Facebook contact met [persoon 1] gehad, terwijl hij in het buitenland zat.

10. Een geschrift, te weten een uitdraai van Facebookgesprekken tussen [medeverdachte 3] en [persoon 1] , opgenomen als bijlage achter de verklaring van [naam 1] v.a. p. 498 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

[persoon 1] : Hoe ga ik ze uitleggen dat ik vakantie aan het vieren ben in het buitenland. Ze weten dat ik daar geen geld voor heb.

[medeverdachte 3] : Dat je met een vriend meeging waar iemand op het laatste moment afzegde.

20 juli

[persoon 1] : Hey [medeverdachte 3] . Heb hier wel internet, maar verzend de berichten niet via [bedrijfsnaam 2] . Alles gaat hier prima. Denk dan maar zo. Al data wanneer die gasten hier komen?

[medeverdachte 3] : weet ik niet. En kan wel kloppen. Me vader heeft straks weer [bedrijfsnaam 2] . En mooi om te horen dat het goed gaat. Als hij weer [bedrijfsnaam 2] heeft laat ik hem jou gelijk [bedrijfsnaam 2] . Hij [bedrijfsnaam 2] jou vanavond na 9 uur dan weet hij meer. Fijne vakantie nog ;-)

27 juli

[persoon 1] : Hallo kan je via [voornaam 2] nog wat geld ritselen?

[medeverdachte 3] : Is al geregeld, had me vader ook al gezegd toch.

[persoon 1] : Ben telefoon kwijt

[medeverdachte 3] : jaja jij je telefoon kwijt. Hoe dom kun je zijn. Hoe komt het dat jij je telefoon kwijt bent. Meld dat dan wat eerder anders was er nu geld overgemaakt. Probeer je al dagen te bereiken. Welke telefoon ben je kwijt dan?

[persoon 1] : die witte die ik mee kreeg.

[medeverdachte 3] : Oké morgen vlieg je terug toch?

[persoon 1] : Ja.

[medeverdachte 3] : Oké dan hoeven wij dus geen geld meer over te maken want dan heb jij dat pas als je in het vliegtuig zit. Meld dat dan eerder sukkel.

[medeverdachte 3] : [voornaam 2] had gezegd kan je vandaag geld overmaken, maar moesten we weten waar je zat en alles. Maar dat lukt nu niet eerder als morgenmiddag en dan zit jij al vliegtuig.

[medeverdachte 3] : Oké plaats van het hotel? Hotelnaam?

[persoon 1] : [hotel 2] .

[medeverdachte 3] : Dan ga ik morgenvroeg GKW met 100 kom jij wel vliegveld toch. Want meer heb ik niet kunnen regelen.

28 juli

[medeverdachte 3] : Als jij gaat vliegen, meld het dan even want dan zijn wij ook op de hoogte.

11. Een geschrift, te weten een transactieoverzicht [bedrijfsnaam 1] , opgenomen op p. 409 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

2014/07/28: [medeverdachte 3] - [persoon 1] Colombia - € 120.00.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 18 november 2014, opgenomen op pagina 193 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik heb het paspoort aangevraagd, maar [medeverdachte 2] heeft dat voor mij betaald. Ik heb geld van [medeverdachte 2] gekregen, daarvoor heb ik kleding gekocht.

V: Volgens de tapgesprekken was de tweede reis ook al voor je geregeld.

A: Dat klopt. Ik heb weer geld van [medeverdachte 2] gekregen om kleding te kopen. Gisteren 17 november 2014 zou ik worden opgehaald door [medeverdachte 2] en nog iemand die mij vervolgens weer naar [plaats 7] zou brengen om vervolgens weer naar Argentinië te vertrekken. Ik moest daar weer hetzelfde doen wat ik in eerste instantie ook voor [medeverdachte 2] moest doen.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 20 november 2014, opgenomen op pagina 202 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik heb op de dag van vertrek, begin oktober 2014, in de flat bij [medeverdachte 2] een bedrag van 8.000 euro gekregen. Op het vliegveld in [plaats 7] kreeg ik van [medeverdachte 2] nogmaals een bedrag van 8.000 euro.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 2 december 2014, opgenomen op pagina 206 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 2] vroeg mij of ik wel betaald naar het buitenland wilde gaan. Het leek mij wel wat want ik had dringend geld nodig. [medeverdachte 2] noemde dat vakantie. Ik vond het vreemd dat ik

€ 150 per dag zakgeld zou krijgen. Dat was veel voor mij. Mijn tegenprestatie was dat ik in Zuid-Amerika mensen zou ontmoeten. De reis is voor mij betaald. Ik had wel door dat ik daar wat moest doen. Ik zou een geldbedrag meekrijgen. Ik moest dan die mensen daar het geld geven. Ik kreeg ook een gescrambelde GSM mee. Ik moest twee laptophoesjes met iets erin mee terugnemen naar Nederland. Ik had wel door dat het niet legaal was. Ik ben net op tijd teruggegaan omdat ik wel door had dat het niet deugde. Ook had ik wel het idee dat het veel geld zou opleveren in Nederland. Ik heb met opzet niet gevraagd wat ik mee terug moest nemen.

Het voornoemde voorstel van de reis naar Zuid-Amerika ben ik dus wel op ingegaan. Nadat de voorbereidingen waren getroffen ben ik op reis gegaan. Ik heb € 1000 gekregen om daar van te leven. Tijdens het inchecken in [plaats 7] kreeg ik van [medeverdachte 2] de vliegtickets.

[medeverdachte 2] vertelde mij dat ik het geld op een bijzondere plaats aan een paar mensen moest afgeven. Daar zou ik toen van die mensen twee laptophoesjes krijgen. Deze zou ik dan terug moeten nemen naar Nederland. Voordat [medeverdachte 2] weer zou bellen om de plaats van overdracht door te geven, heb ik het hotel verlaten en ben ik weggegaan. Ik heb van mijn eigen geld een retourticket gekocht. Een uur of tien later stond [medeverdachte 2] al voor mijn deur. Hij wilde weten hoe het zat. Ik heb het geld, die € 16.000, weer teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Ik zou die € 4000 die de reis gekost had, terug moeten betalen. Voordat ik voor de tweede keer op reis zou, wilde [verdachte ] mij zien. Ik heb hem in de woning van [medeverdachte 2] ontmoet.

O: Wij tonen verdachte [medeverdachte 1] een foto van [verdachte ] . (opmerking rechtbank: dit betreft dezelfde foto als de foto die is opgenomen op p. 664 van het dossier. Over deze foto heeft de verbalisant gerelateerd dat de persoon op de foto grote gelijkenis vertoont met een persoon genaamd: [verdachte ] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] met Chileense nationaliteit, wonende [adres 3] te [woonplaats 1] , van wie een foto is bijgevoegd)

U toont mij een foto, de man op deze foto is de man die ik in mijn verklaringen [verdachte ] noem. Het is een Chileen. Ik heb [verdachte ] het verhaal verteld wat me tijdens de reis was overkomen. [verdachte ] vertelde mij dat het een dure reis is geweest. Wij hebben het er over gehad dat ik nog een keer naar Zuid-Amerika moest gaan. Ik heb gezegd dat ik wel zou gaan. Het was voor mij duidelijk dat [verdachte ] de baas was. Dat bleek onder andere uit het feit dat hij alles over het geld wist en de vliegtickets. Drie weken na onze eerste ontmoeting heb ik [verdachte ] weer gezien.

15. Een door de politie uitgewerkt tapgesprek, opgenomen op p. 601 van voornoemd dossier, inhoudende:

Tapgesprek d.d. 30 oktober 2014, beller [persoon 1] (W), gebelde [medeverdachte 2] (H):

W: ik hoop dat [voornaam 2] een leuke beloning heeft als ik terug kom.

H: dat zit wel goed.

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 5 februari 2015, opgenomen op pagina 690 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van de verbalisant:

Tijdens de doorzoeking van de woning [adres 2] te [pleegplaats 2] werd een iPad inbeslaggenomen. Deze iPad werd door de Divisie Recherche Ondersteuning, Unit observatie en digitale expertise, Team digitale expertise, veiliggesteld en onderzocht en op dvd gezet. Tijdens het uitlezen van deze dvd bleek dat er mailtjes waren met betrekking tot de vluchtgegevens van [medeverdachte 1] .

e-mail: [emailadres]

TAP PORTUGAL.

Boeking Details, mr. [medeverdachte 1] . Reserveringsdatum: 3 okt. 2014.

Vluchtinformatie:

[plaats 7] - [plaats 1] 09 okt.

[plaats 1] - [plaats 2] 09 okt.

[plaats 2] - [plaats 3] 09 okt.

[plaats 3] - [plaats 2] 23 okt.

[plaats 2] - [plaats 1] 23 okt.

[plaats 1] - [plaats 7] 24 okt.

Totaal € 1419,85.

e-mail Booking.com

Bedankt [medeverdachte 1] ! Uw reservering is nu bevestigd; [hotel 3] , [plaats 3] Argentinië. Inchecken 9 oktober 2014, uitchecken 20 oktober 2014. Totaalprijs € 466,94.

U heeft uw reservering bevestigd en gegarandeerd met uw creditcard.

Vlucht: [plaats 3] - [plaats 2] - [plaats 1] - [plaats 7] ; betalingswijze: creditkaart [medeverdachte 1] .

17. geschriften, bestaande uit door de politie uitgewerkte tap- en sms gesprekken, opgenomen op p. 752 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Tapgesprek d.d. 7 november 2014, beller [medeverdachte 2] (H), gebelde [medeverdachte 1] (J).

H: Ja [medeverdachte 1] , we hebben dat paspoort nodig. Want vanavond is je ticket geboekt, maar we moeten wat gegevens van je paspoort hebben.

J: Ja

H: Kun je dat paspoort nog brengen?

J: Dat zal wel moeten hè?

H: Ja, en dan ga je de 17e weg.

J: De 17e ok. Het paspoort doe ik in je bus oké?

Tapgesprek d.d. 8 november 2014, beller [medeverdachte 2] , gebelde [medeverdachte 1]

[medeverdachte 2] belt uit met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] zegt dat alles geregeld is, alles is klaar. [medeverdachte 1] zegt dat het goed klinkt.

Tapgesprek d.d. 10 november 2014, sms bericht van [medeverdachte 1] naar het nummer in gebruik bij [medeverdachte 2]

Het wordt nu tijd voor een voorschot. Voor ik weg ga wil ik kleding kopen op internet.

Tapgesprek d.d. 11 november 2014, beller [medeverdachte 1] , gebelde [naam 4] .

[medeverdachte 1] zegt dat hij er volgende week niet is. Dan gaat hij naar Argentinië voor de duur van 10 dagen.

Sms bericht d.d. 13 november 2014, [medeverdachte 1] naar onbekend nummer.

Ik ga nu naar België/Portugal/ Brasil/ [plaats 2] , b.a. Argentina.

Tapgesprek d.d. 17 november 2014, [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2]

zegt dat hij [medeverdachte 1] straks even zal ophalen.

Tapgesprek d.d. 17 november 2014, [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2]

zegt dat er niet wordt opengedaan bij [medeverdachte 1] en dat de ramen van de voordeur eruit liggen.

Tapgesprek d.d. 17 november 2014, [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2]

: Nou ik heb [verdachte ] al een berichtje gestuurd. Nou, die zal het vast fijn vinden.

[medeverdachte 3] : Die slaat straks door de rooie heen.

[medeverdachte 2] : Nou daar gaat mijn zakgeld weer.

Tapgesprek d.d. 17 november 2014, [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3]

[medeverdachte 2] : we moeten hem opzoeken van [verdachte ] .

Sms bericht d.d. 17 november 2014 door [medeverdachte 2]

Ik ben ook nog thuis. [plaats 7] ging ook niet door.

18. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van algemeen relaas van Politie Noord-Nederland d.d. 8 april 2015, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 9 december 2014 kwam via Douane Liaison Duitsland het bericht binnen dat er tussen 26 november 2014 en 30 november 2014 een postpakket was onderschept in [vliegveld 3] in een vlucht vanaf [plaats 5] , Argentinië, voorzien van pakketnummer EE004440348AR. Het bleek dat er 500 gram cocaïne in een wijnfles zat, met als eindbestemming het adres [adres 1] te [pleegplaats 1] . Zowel het vermelde telefoonnummer als het adres behoren bij [medeverdachte 2]

19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 2 maart 2015, opgenomen op pagina 888 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van de verbalisant:

Tijdens de doorzoeking van de woning [adres 2] te [pleegplaats 2] werd een iPad in beslag genomen. Tijdens het uitlezen bleek dat er e-mailtjes waren die in het Spaans waren geschreven. Deze e-mails werden door een erkende en geregistreerde tolk vertaald naar het Nederlands:

Received 13/10/2014

Vriend, geef me alstublieft nog een keer de gegevens door van [bijnaam] . De naam, de nationaliteit en namens wie komt hij naar zijn zeggen.

voornaam: [medeverdachte 1] achternaam: [medeverdachte 1] nationaliteit: Nederlandse namens: [medeverdachte 2]

Received 09/09/2014.

Ze zullen u 1 ding aanleveren zodat je 2 flessen á 750 ml. per fles met de helft van dat ding kunt maken. En deze flessen stuur je vervolgens per post naar de adressen die ik je ga geven, oké? De groeten, [voornaam 1] .

Received 09/09/2014

Het appartement in [plaats 5] heb ik beschikbaar wanneer je wilt. Ik kan een andere identiteit voor mijzelf regelen ten behoeve van de flessen. Alles zal perfect gaan.

20. Een geschrift, te weten een adresetiket, opgenomen op p. 828 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Correo Argentino; EE004440348AR.

Expediteur: [naam 3] , [plaats 5] Argentinië.

Destinataire: [medeverdachte 2] , [adres 1] , [plaats 6] - Hollanda.

Declaration de douane: 2 botellas vino

21. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van Politie [pleegplaats 2] d.d. 8 december 2014, opgenomen op pagina 225 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Wij verbalisanten hebben [verdachte ] op 8 december 2014 aangehouden te [adres 2] te [pleegplaats 2] .

22. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 5 maart 2015, opgenomen op pagina 288 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Binnen het onderzoek naar [verdachte ] werd de personenauto van verdachte, een Volkswagen Golf, voorzien van een peilbaken in de periode van 25 oktober 2015 tot en met 7 december 2015. Het bleek dat deze auto in deze periode op de navolgende dagen in de directe omgeving van de woning [adres 2] te [pleegplaats 2] heeft gestaan:

25 t/m 31 oktober 2014

1. t/m 4, 6, 9 t/m 13, 17 t/m 20, 24 t/m 30 november 2014

1. t/m 7 december 2014.

23. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 13 januari 2015, opgenomen op pagina 293 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [persoon 2] :

Ik heb de woning op het adres [adres 2] al ruim een jaar verhuurd aan een persoon die ik ken als [verdachte ] . Hij maakt gebruik van de hele woning vanaf december 2013. Ik kreeg elke maand 250 euro huur van hem.

24. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, in combinatie met een bijlage behorend bij een lijst van inbeslaggenomen goederen RC, opgenomen op pagina 252 e.v. en 280 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Inbeslagneming op [adres 2] te [pleegplaats 2] op 8 december 2014:

- PL0100-2014152257-457859: (ongeveer) 1 kilo cocaïne, pakket in krant, vindplaats 050101: in de keuken op de grond onder de eettafel;

- PL0100-2014152257-457861: (ongeveer) 1 kilo cocaïne, pakket in krant, vindplaats 050201: in de keuken in de linker lade van het keukenblok;

- PL0100-2014152257-457884: (ongeveer) 1 kilo cocaïne, pakket bruin, vindplaats 050201: in de keuken in de linker onderkast van het keukenblok;

- PL0100-2014152257-457887: (ongeveer) 500 gram cocaïne, pakket brokken, vindplaats 050301: in de keuken in de linker onderkast van het keukenblok;

- PL0100-2014152257-457897: (ongeveer) 500 gram cocaïne, pakket brokken, vindplaats 050302: in de keuken in de linker onderkast van het keukenblok;

- PL0100-2014152257-457928: (ongeveer) 1 kilo cocaïne, pakket in krant, vindplaats 070101: in een boodschappentas in een vaste kast, gelegen naast de wc;

- PL0100-2014152257-457930: 5 stuks losse verpakkingen kleine hoeveelheden, vindplaats 050202, in de keuken in de linker lade van het keukenblok;

- PL0100-2014152257-457658: een Apple iPad, vindplaats 020501, in de woonkamer op de grond in de hoek bij balkon 1.

25. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen van Politie Noord-Nederland d.d. 9 december 2014, opgenomen op pagina 798 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

- PL0100-2014152257-457859: netto gewicht: 934,5 gram cocaïne, SIN: AAHS9101NL

- PL0100-2014152257-457861: netto gewicht: 944,06 cocaïne, SIN: AAHS9336NL

- PL0100-2014152257-457884: netto gewicht: 1005,41 gram cocaïne, SIN: AAHS9346NL

- PL0100-2014152257-457887: netto gewicht: 499,26 gram cocaïne, SIN: AAHS9345NL

- PL0100-2014152257-457897: netto gewicht: 505,16 gram cocaïne, SIN: AAHS9335NL

- PL0100-2014152257-457928: netto gewicht: 955,71 gram cocaïne, SIN: AAHS9330NL

- PL0100-2014152257-457930: netto gewicht: in totaal 4,371 gram. SIN: AAHS9331NL, AAHS9332NL, AAHS9333NL, AAHS9334NL en AAHS9337NL

Totaal: 4848,471 gram

Alle bovenstaande goederen werden getest met de MMC cocaïne/cracktest. Resultaat: positief op cocaïne.

26. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, d.d. 23 december 2014 opgemaakt door Ing. A.G.A. Sprong, opgenomen op pagina 813 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring:

De monsters met SIN-nummers AAHS9335NL, AAHS9101NL, AAHS9345NL, AAHS9346NL, AAHS9336NL, AAHS9330NL, AAHS9334NL, AAHS9333NL, AAHS9332NL, AAHS9331NL en AAHS9337NL bevatten cocaïne.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de maand april 2014, in de gemeente Leeuwarden en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet

behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met

anderen

- voor [persoon 1] (onder meer) een ticket voor een vlucht naar Argentinië geboekt en betaald en

- voor [persoon 1] een grote hoeveelheid geld geregeld en dat geld aan [persoon 1]

verstrekt en

- die [persoon 1] naar een luchthaven gebracht, waarna die [persoon 1]

naar Argentinië is afgereisd en

- die [persoon 1] na diens reis en met medebrenging van een hoeveelheid cocaïne weer opgehaald;

2.

hij in de maand juli 2014 te [pleegplaats 1] en elders in Nederland en buiten Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I van die wet,

opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen

- voor [persoon 1] geld heeft geregeld en dat geld aan die [persoon 1] heeft verstrekt en

- voor [persoon 1] een ticket heeft geboekt of heeft laten boeken naar Colombia en een

hotelaccommodatie in Colombia heeft geboekt of heeft laten boeken en

- die [persoon 1] naar het vliegveld heeft gebracht waarna die [persoon 1] is afgereisd naar Colombia en

- met die [persoon 1] heeft overlegd over de wijze waarop hij het geld moest afleveren en vervolgens in ruil voor dat geld de cocaïne in ontvangst moest nemen en vervoeren naar Nederland,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

Subsidiair:

hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 18 oktober 2014 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en

- zich of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en vervoermiddelen en gelden en andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden, dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk

- voor die [medeverdachte 1] een creditcard met daarop geld en contant geld geregeld en aan die [medeverdachte 1] verstrekt en

- die [medeverdachte 1] een koffer gegeven en geld voor de aanschaf van kleding gegeven en

- via internet vluchten voor die [medeverdachte 1] geboekt naar [plaats 1] en [plaats 2] en [plaats 3] en

- die [medeverdachte 1] naar een luchthaven gebracht waarna die [medeverdachte 1] is afgereisd naar Argentinië en

- die [medeverdachte 1] in afwachting van de leverancier(s) van de cocaïne en in afwachting van de retourvlucht naar Nederland) in een hotel in [plaats 3] gehuisvest en

- met die [medeverdachte 1] en verdachtes mededader(s) overlegd over de wijze waarop die [medeverdachte 1] het geld moest afleveren en in ruil voor dat geld de cocaïne in ontvangst moest nemen en vervoeren naar Nederland en

- voorafgaande aan en tijdens de reis van [medeverdachte 1] en tijdens het verblijf van [medeverdachte 1] in (onder meer) Argentinië contact met die [medeverdachte 1] gelegd en gehouden en die [medeverdachte 1] van informatie voorzien;

4.

hij in de periode van 19 oktober 2014 tot en met 17 november 2014 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te

bevorderen

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en

- zich of een ander gelegenheid en middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

hebbende verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk

- geld voor [medeverdachte 1] , geregeld en aan die [medeverdachte 1]

verstrekt en

- voor die [medeverdachte 1] (een) vliegticket(s) geboekt en betaald en

- met een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) overlegd over de wijze van aflevering van het geld en/of in ruil daarvoor het in ontvangst nemen van de cocaïne en/of het vervoeren van die cocaïne naar Nederland;

5.

hij in de periode van 21 augustus 2013 tot en met 30 november 2014 te [pleegplaats 1] en/of elders in Nederland en buiten Nederland, eenmaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen een postpakket, met als inhoud (onder meer) 500 gram cocaïne, vanaf een adres in [plaats 5] (Argentinië) heeft verzonden of heeft laten verzenden, naar een adres in [pleegplaats 1] (Nederland), te weten: naar het adres van [medeverdachte 2] , [adres 1] , [woonplaats 2] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in de periode van 1 april 2014 tot en met 8 december 2014, te [pleegplaats 1] , in de gemeente Leeuwarden en te [pleegplaats 2] , in de gemeente [pleegplaats 2] en elders in Nederland en/of buiten Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door hem verdachte en anderen, te weten onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [naam 1] en [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als

bedoeld in artikel 10 vierde en vijfde lid van de Opiumwet namelijk

- opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- het opzettelijk vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

7.

hij op 8 december 2014 te [pleegplaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer

5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen zijn verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

2. medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

3. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

4. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

5. medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

6. deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, lid 3-5, artikel 10a, lid 1, of artikel 11, lid 3-5 van de Opiumwet;

7. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, in combinatie met het feit dat het in het onderhavige geval niet (steeds) gaat om geslaagde invoeren, een gevangenisstraf wordt opgelegd van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het invoeren van cocaïne vanuit Zuid-Amerikaanse landen. Hiertoe werden koeriers vanuit Nederland naar Zuid-Amerika gezonden, die de drugs in hun bagage mee terug moesten nemen. Ook is getracht cocaïne in te voeren door het versturen van een postpakket. Dit heeft geleid tot één voltooide invoer, twee pogingen daartoe en tweemaal voorbereiding daarvan. Daarnaast is in de door verdachte gebruikte woonruimte een hoeveelheid van nagenoeg 5 kilogram cocaïne aangetroffen. De rol van verdachte bestond hierbij telkens uit het onderhouden van contacten in het buitenland, het financieren en organiseren van de reis en aankoop van de verdovende middelen en het vervolgens in ontvangst nemen van die middelen. De medeverdachten omschrijven verdachte als hun (uiteindelijke) opdrachtgever en stonden allen onder diens instructie.

Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen, hetgeen de criminaliteit bevordert. Bovendien leiden dergelijke delicten tot verspreiding van harddrugs, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd. Voor het verkrijgen van koeriers werd onder zwakkere personen gerekruteerd en één van de koeriers is tot op heden gedetineerd in Colombia. Na aanhouding van deze koerier is in opdracht van verdachte door de medeverdachte meteen een nieuwe koerier gerekruteerd. Dit alles is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar en rechtvaardigt een forse strafrechtelijke sanctie.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor -onder meer- overtreding van de Opiumwet. Eerder aan hem opgelegde forse gevangenisstraffen hebben hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De reclassering heeft geadviseerd, indien verdachte mocht blijven ontkennen, maar niettemin schuldig mocht worden bevonden, aan hem een (deels) onvoorwaardelijke straf op te leggen zonder reclasseringsbemoeienis.

De rechtbank neemt voorts de proceshouding van verdachte in aanmerking. Verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven, maar heeft zich gedurende het gehele onderzoek op zijn zwijgrecht beroepen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande en in het bijzonder vanwege de ernst van de feiten, de belangrijke rol die verdachte hierbij heeft ingenomen en de omstandigheid dat verdachte hardnekkig blijft recidiveren, van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. Anders dan de raadsman heeft betoogd kan in het onderhavige geval, vanwege de aard en hoeveelheid feiten en de rol van verdachte, voor de bepaling van de duur van de gevangenisstraf geen aansluiting worden gevonden bij de LOVS-oriëntatiepunten.

Alles overwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

5 jaren passend en geboden is.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de auto, de telefoons en toebehoren, de laptop, de iPad, de TomTom, het sealapparaat, de weegschalen, de tester, de thermometer en een geldbedrag van € 2650,00 verbeurd worden verklaard. Voorts heeft de officier van justitie verzocht het beslag op de bankkaarten en cashkaarten te handhaven in verband met het onderzoek naar een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De verdediging heeft de teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen goederen bepleit.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

de personenauto (VW Golf), GSM (Nokia), creditcard, 2x GSM BlackBerry, zak geld buitenlands, munten/papiergeld), papier met vluchtgegevens, TomTom, 4x geheugenkaart, 2x losse simkaart, 3x GSM (2x BlackBerry en lx Nokia), 2x GSM (Selectron en Nokia), 4x GSM (1x BlackBerry, 2x Nokia, 1x Samsung), lx GSM BlackBerry (Curve), 1 GSM BlackBerry Gold, lx GSM BlackBerry, navigatiesysteem TomTom, lx GSM Samsung, geld (1680 euro), bankbescheiden [bedrijfsnaam 1] , Computer Notebook (Apple), tablet (Apple iPad), 2x simkaart, 2x GSM BlackBerry, 1 simkaart (Ortel), 1 simkaart (Lebara), 2x betaalkaart (ABN-AMRO), 1 creditkaart (ABN-AMRO), 2x creditcard (prepaid cashcard), 1 klantenpas [bedrijfsnaam 1] Gold, 1 simkaart, 1 simkaart (HI), geld 830 euro, 140 euro, 84 Reals (buitenlands geld), diverse documenten (GWK, Iberia, D-reizen etc) en een navigatiesysteem (Tomtom),

vatbaar voor verbeurdverklaring, nu de hiervoor bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en/of daartoe waren bestemd en deze toebehoren aan verdachte.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

een sealapparaat + bags, een weegschaal, 4x weegschaal, (in totaal) 5 kilo cocaïne, 5x losse verpakkingen cocaïne, gereedschap (cocaïnetester, thermometer), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu de hiervoor bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en/of daartoe waren bestemd en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een ansichtkaart Ronald (Roemeens telefoonnummer), moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

De rechtbank zal niet overgaan tot de beslissing inhoudende handhaving van het beslag, zoals door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 353 Sv een dergelijke beslissing ten aanzien van de met toepassing van artikel 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen niet kan nemen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a, 11a en 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair en onder het eerste gedachtestreepje van feit 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 tweede gedachtestreepje, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen goederen:

een personenauto (VW Golf), GSM (Nokia), creditcard, 2x GSM BlackBerry, zak geld buitenlands, munten/papiergeld), papier met vluchtgegevens, TomTom, 4x geheugenkaart, 2x losse simkaart, 3x GSM (2x BlackBerry en lx Nokia), 2x GSM (Selectron en Nokia), 4x GSM (1x BlackBerry, 2x Nokia, 1x Samsung), lx GSM BlackBerry (Curve), 1 GSM BlackBerry Gold, lx GSM BlackBerry, navigatiesysteem TomTom, lx GSM Samsung, geld (1680 euro), bankbescheiden [bedrijfsnaam 1] , Computer Notebook (Apple), tablet (Apple iPad), 2x simkaart, 2x GSM BlackBerry, 1 simkaart (Ortel), 1 simkaart (Lebara), 2x betaalkaart (ABN-AMRO), 1 creditkaart (ABN-AMRO), 2x creditcard (prepaid cashcard), 1 klantenpas [bedrijfsnaam 1] Gold, 1 simkaart, 1 simkaart (HI), geld 830 euro, 140 euro, 84 Reals (buitenlands geld), diverse documenten (GWK, Iberia, D-reizen etc) en een navigatiesysteem (Tomtom).

Verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen goederen:

een sealapparaat + bags, een weegschaal, 4x weegschaal, (in totaal) 5 kilo cocaïne, 5x losse verpakkingen cocaïne en gereedschap (cocaïnetester, thermometer).

Gelast de teruggave van de in beslag genomen ansichtkaart Ronald (Roemeens telefoonnr.) aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. M. Jansen en

mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2016.

Mr. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.