Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1822

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
C18/164693 / PR RK 16-41
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking n.a.v. de mondelinge behandeling.

Verzoek is niet tijdig, verzoekster is niet-ontvankelijk in haar verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/164693 / PR RK 16-41

Beschikking van 16 februari 2016

op het verzoek van

DE STICHTING EL ELOHIM,

gevestigd te Leens,

verzoekster.

1 De procedure

1.1.

Bij brief van 25 januari 2016 heeft [A] namens verzoekster, als bewindvoerder van [B] en [C] , het verzoek tot wraking ingediend van mr. M.A.B. Faber-Siermann als behandelend kantonrechter van de zaken die voor de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Groningen, dienen onder de registratienummers 4653669/ VO VERZ 15-2259 (wat betreft [B] ) en
4042876/ VO VERZ 15-454 (wat betreft [C] ).

Mr. Faber-Siermann heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.2.

Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. P.J. Duinkerken,
mr. R.L. Vucsán en mr. S.B. van Baalen.

Op 11 februari 2016 is het verzoek ter terechtzitting behandeld door de wrakingskamer.

1.3.

Ter terechtzitting heeft [A] voornoemd het wrakingsverzoek toegelicht.
Mr. Faber-Siermann heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht en is niet ter zitting verschenen.

2 Beoordeling

2.1.

Naar aanleiding van de mondelinge behandeling van de hiervoor vermelde zaken, die plaatsvond op 22 januari 2016, heeft verzoekster bij brief van 25 januari 2016 aangevoerd dat zij van mening was dat de kantonrechter niet onpartijdig was en heeft daarom verzocht deze rechter te wraken.
Dat wrakingsverzoek is door de rechtbank op 27 januari 2016 ontvangen.

2.2.

Zoals op de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek door de voorzitter aangegeven, staat in de eerste plaats ter beoordeling of verzoekster in haar wrakingsverzoek kan worden ontvangen, gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop verzoekster naar haar zeggen heeft ervaren dat de rechter volgens haar partijdig was (de zitting van 22 januari 2016) en het moment waarop het wrakingsverzoek is gedaan (27 januari 2016).

2.3.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, Rv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Dit laatstbedoelde artikellid borgt daarmee dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt.

2.4.

In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat dienaangaande dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat dan pas feiten of omstandigheden blijken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de toelichting volgt dat de mogelijkheid om na afloop van de behandeling een wrakingsverzoek in te dienen in beginsel niet geboden hoeft te worden indien terstond tijdens de zitting zich dergelijke feiten of omstandigheden voordoen.

2.5.

Omtrent het tijdstip van indiening heeft verzoekster op de onderhavige zitting desgevraagd aangegeven dat zij op de zitting van 22 januari 2016 reeds het gevoel had dat de rechter vooringenomen was en dat zij na de zitting over het aldaar verhandelde heeft nagedacht en vervolgens tot de conclusie is gekomen dat een verzoek tot wraking tot de mogelijkheden behoorde.

2.6.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gestelde feiten en omstandigheden waarop verzoekster haar wrakingsverzoek heeft gebaseerd zich alle tijdens de zitting van 22 januari 2016 hebben voorgedaan en dat eerst op 27 januari 2016 een wrakingsverzoek is ingediend. Daarmee is het verzoek niet gedaan zodra die feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Dat klemt te meer daar verzoekster in hoedanigheid van bewindvoerder optreedt en in die hoedanigheid als professionele procespartij kan worden aangemerkt. Bovendien heeft verzoekster zich ter zitting van 22 januari 2016 voorzien van rechtskundige bijstand van een advocaat.

Bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zijn door verzoekster niet gesteld en zijn ook overigens niet gebleken.

2.7.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat verzoekster in haar verzoek tot wraking niet kan worden ontvangen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot wraking komt de rechtbank daarom niet toe.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;

3.2.

bepaalt dat de hoofdzaken (met registratienummers 4653669/ VO VERZ 15-2259 en 4042876/ VO VERZ 15-454) worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevonden;

3.3.

beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en aan
mr. Faber-Siermann, aan [B] , aan [C] , aan mr. E.Tj. van Dalen, aan de Stichting Sprank en aan Werktheater Môi.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.J. Duinkerken, mr. R.L. Vucsán en mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.

js