Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1742

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
LEE 14/4718 en LEE 14/4719
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid inlener op grond van artikel 34 van de Invorderingswet 1990. Faillissement uitleners. Storting op G-rekening. Beschikken over eigen administratie.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/832
AR 2016/1100
V-N 2016/34.26.6
NTFR 2016/1376 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 14/4718 en 14/4719

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 april 2016 in de zaak tussen

[eiseres] [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.R.C. Prummel),

en

de ontvanger van de Belastingdienst/kantoor Venlo, verweerder

(gemachtigde: P.M.J.H. Pubben).

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij beschikkingen met dagtekening 26 oktober 2010, met nummers 599ART342010190 en 599ART342010194 (hierna: de beschikkingen), aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen (LB/PVV), die werden opgelegd aan [bedrijf 3] Uitzendbureau VOF over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2002 (hierop ziet beschikking 599ART342010190) en [bedrijf 3] Uitzendbureau BV over het tijdvak 1 april 2002 tot en met 31 december 2002 (hierop ziet beschikking 599ART342010194).

Bij uitspraken op bezwaar van 10 september 2014 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Namens eiseres is verschenen mevrouw T. [eiseres] , alsmede de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan E.J.F.G. Martens, mr. B.J.J. Toonen en M. Tolic.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

De activiteiten van eiseres bestaan grotendeels uit het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden op grotere recreatieparken in Nederland.

1.2.

[bedrijf 3] Uitzendbureau VOF ( [bedrijf 1] ) en [bedrijf 3] Uitzendbureau BV ( [bedrijf 2] ) hebben in de onderhavige jaren 2001 en 2002 aan eiseres personeel ter beschikking gesteld voor het verrichten van de bij 1.1. bedoelde schoonmaakwerkzaamheden.

1.3.

[bedrijf 1] exploiteerde een uitzendbureau en op enig moment zijn de ondernemingsactiviteiten voortgezet door [bedrijf 2] . [bedrijf 1] heeft tot 1 april 2002 aangifte LB/PVV gedaan voor het onder 1.2 genoemde personeel. Met ingang van 1 april 2002 heeft [bedrijf 2] de aangiften LB/PVV gedaan. Op 5 juli 2005 is [bedrijf 2] in staat van faillissement verklaard. Op 4 april 2007 is het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten.

1.4.

Tegen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is door de FIOD-ECD en de SIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dit kader is het kantoorpand van deze vennootschappen doorzocht en is de administratie die in het pand aanwezig was in beslag genomen. Op 16 november 2004 is op grond van artikel 96a van het Wetboek van Strafvordering door de FIOD-ECD van onder meer eiseres mondeling en schriftelijk de uitlevering ter inbeslagneming gevorderd van alle vastleggingen, administratie en correspondentie met betrekking tot het inlenen van personeel van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over de periode 1 januari 2001 tot en met 14 oktober 2004. De ‘Vordering Uitlevering ter inbeslagneming’, met dagtekening 16 november 2004, behoort tot de gedingstukken. Vervolgens zijn deze bescheiden in beslag genomen. De bewijzen van inbeslagneming met dagtekeningen 16 november 2004 en 22 november 2004, alsmede het proces-verbaal van de ambtshandelingen ter zake, ambtsedig op gemaakt op 23 november 2004 door G. Bredeweg en H. Simmelink, medewerkers van de FIOD-ECD, behoren tot de gedingstukken. De inslaggenomen bescheiden zijn op 8 maart 2005 teruggeven en door J.M. [naam 5] , medewerker van eiseres, in ontvangst genomen.

1.5.

Met toestemming van de officier van justitie heeft de inspecteur inzage gekregen in de inbeslaggenomen bescheiden en de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek opgemaakte processen-verbaal. De bevindingen van het door de inspecteur uitgevoerde onderzoek zijn vastgelegd in afzonderlijke brieven aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] van 25 oktober 2005. Tot de gedingstukken behoren onder meer de processen-verbaal van 8 maart 2005 van de getuigenverhoren van J.M. [naam 5] ( [naam 5] ), op dat moment werkzaam bij eiseres als manager verblijfsrecreatie, en R.R. [naam 6] ( [naam 6] ), op dat moment als senior controller werkzaam bij [eiseres] Exploitatie BV, een aan eiseres geleerde vennootschap.

In het proces-verbaal van [naam 5] staat onder meer:

“Het uitzendbureau werd dus ingeschakeld op het moment dat wij mensen tekort kwamen. Op de vakantieparken zitten objectleidsters en assistent objectleiders, groepsleidster en schoonmaaksters. De groepsleidster werkt niet mee. De groepsleidster zorgt voor de daadwerkelijke aansturing van de uitvoering van het werk en het opleiden van mensen en controleren van het werk. De objectleidster zorgt voor de administratie en de aansturing van het geheel.

(…)

De inzet van personeel van [bedrijf 3] werd dus feitelijk bepaald door de objectleidster. Zij zorgt ook voor het verstrekken van opdrachten aan deze mensen en controleert ook de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Als het werk niet goed uitgevoerd was, was zij ook degene die de mensen van [bedrijf 3] hierover aansprak en opdracht gaf tot verbetering of aanpassing. Zij is bevoegd mensen van het park te verwijderen.

(…)

In het begin als er nieuwe mensen van [bedrijf 3] komen dan is er nog wel eens een leidinggevende van [bedrijf 3] bij, doch later niet meer. Controle ligt binnen onze eigen organisatie.

[eiseres] bepaalt de werktijden en daar moest [bedrijf 3] zich aan houden.”.

In het proces-verbaal van [naam 6] staat onder meer:

“Door Jan [naam 5] wordt bepaald hoeveel mensen er worden ingeleend voor een bepaald park. Dit zal hij ongetwijfeld in samenspraak doen met de objectleidster op het park. Dit is de voorwerkster die in onze dienst is.

De objectleidster maakt de planning voor het ingeleende personeel en verstrekt dan ook de werkopdrachten. Zij controleert ook de door deze mensen verrichte werkzaamheden. (…) De objectleidster is degene die bij onjuist geleverd werk de mensen hierop aanspreekt en zonodig verwijderd van het object.”

1.6.

Aan [bedrijf 1] zijn met dagtekening 13 juli 2005 naheffingsaanslagen LB/PVV voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 (met aanslagnummer 8083.94.952.A01.1506) en voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 maart 2002 (met aanslagnummer 8083.94.952.A01.2506) opgelegd conform de bevindingen van het onder 1.5 vermelde onderzoek. Tegen deze naheffingsaanslagen heeft [bedrijf 1] bezwaar en beroep ingesteld. Bij uitspraken van de rechtbank Breda van 20 januari 2010, AWB 08/1466 en 08/1467, heeft die rechtbank de beroepen van [bedrijf 1] ongegrond verklaard. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.

1.7

Aan [bedrijf 2] is met dagtekening 13 juli 2005 een naheffingsaanslag LB/PVV voor het tijdvak 1 april 2002 tot en met 31 december 2002 (met aanslagnummer 0011.05.103.A01.2506) opgelegd, eveneens conform de bevindingen van het hiervoor onder 1.5 vermelde onderzoek. Hiertegen is geen bezwaar en beroep ingesteld.

1.8

Er zijn namens verweerder bij eiseres in verband met een mogelijke toepassing van de inlenersaansprakelijkheid ex artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) onderzoeken (inlenersaansprakelijkheidsonderzoeken) ingesteld. Tot de gedingstukken behoort een brief van 23 februari 2010 – in eerste instantie stond er 10 februari 2010, maar de “10” is met de pen veranderd in “23” – waarin P.C.M. Veraa (Veraa) namens verweerder naar aanleiding van het lopende onderzoek inzake [bedrijf 2] aan eiseres heeft verzocht een aantal vragen te beantwoorden en verder onder meer het volgende heeft geschreven:

“(…) verzoek ik u de volgende gegevens over de periode 1 januari 2002 t/m 31 december 2003 te verstrekken, tenzij de gegevens (1 t/m7) reeds aan de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD) of de FIOD-ECD zijn verstrekt.

1 Kopieën van de aan u uitgereikte facturen in deze periode.

2 Kopieën van de op deze facturen betrekking hebbende mandagenstaten of urenverantwoordingslijsten.

3 Kopieën van de contracten voor de werkzaamheden verricht in bovengenoemde periode.

4 Kopieën van de door u opgevraagde verklaringen omtrent het betalingsgedrag bij fiscus en bedrijfsvereniging van F.T.U. B.V.

5. Kopieën van het door u opgevraagde uittreksel van inschrijving bij de Kamer van Koophandel van F.T.U. B.V.

6 Een kopie van een recent uittreksel van de inschrijving van uw bedrijf bij de Kamer van Koophandel.

7 Kopieën van de identiteitsbewijzen van het ingeleende personeel.

(…)”.

1.9

Namens eiseres heeft H. [naam 7] , destijds financieel manager bij eiseres, bij brief van 1 april 2010 gereageerd op de onder 1.8 genoemde brief van Veraa. Blijkens de onderhavige uitspraken op bezwaar heeft eiseres de door verweerder gestelde vragen als volgt beantwoord:

“Waaruit bestonden de te verrichten werkzaamheden?

Antwoord [eiseres] : Wissel en schoonmaak onderhoud bungalows

Waar werden de werkzaamheden uitgevoerd?

Antwoord [eiseres] : [betrokkene]

Werden dezelfde werkzaamheden op hetzelfde werk ook door anderen (eventueel eigen personeel) uitgevoerd?

Antwoord [eiseres] : Dat klopt

Wie bepaalde wanneer, wat en hoe het werk gedaan moest worden?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres]

Wie stelde het te gebruiken materiaal/gereedschap ter beschikking?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres]

(…)

Bij wie moesten de werknemers van de opdrachtnemer zich melden?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres]

Wie gaf leiding aan de werknemers van de opdrachtnemer en waaruit bestond het leiding geven?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres] , aansturen schoonmaakwerkzaamheden

Wie hield toezicht op de hoeveelheid en kwaliteit van de verrichtingen van de werknemers van de opdrachtnemer en waaruit bestond dit toezicht?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres] Kwaliteitscontroles schoonmaakwerkzaamheden bungalows

Vond er controle plaats en door wie?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres]

Waaruit bestond die controle?

Antwoord [eiseres] : Projectleiding [eiseres] Controle schoongemaakte bungalows”.

1.10

Van de onder 1.8 genoemde onderzoeken zijn rapporten opgemaakt door controlemedewerker Veraa. In deze rapporten is het bedrag aan door respectievelijk [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet betaalde LB/PVV, waarvoor eiseres aansprakelijk gesteld zou kunnen worden, berekend op een bedrag van respectievelijk € 71.618 en € 11.582. De rapporten zijn voorzien van bijlagen, waarin de berekeningen zijn opgenomen van voormelde bedragen. Blijkens deze berekeningen is rekening gehouden met een vermindering in verband met stortingen op de G-rekening en een matiging met betrekking tot de toepassing van het anoniementarief. In de rapporten is vermeld dat telefonisch de afspraak werd gemaakt dat de onderdelen genoemd in de punten 1 tot en met 7 van de vragenbrief van 10 februari 2010 – naar de rechtbank begrijpt wordt daarmee de hiervoor onder 1.8 vermelde brief van Veraa bedoeld – achterwege kunnen blijven.

1.11

Verweerder heeft eiseres bij beschikking met dagtekening 26 oktober 2010, met nummer 599ART342010190, overeenkomstig de bevindingen in het rapport (zie 1.10) aansprakelijk gesteld voor een bedrag ter grootte van € 71.618 aan onbetaald gebleven naheffingsaanslagen LB/PVV, die werden opgelegd aan [bedrijf 1] over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2002 (zie 1.6).

1.12

Verweerder heeft eiseres bij beschikking met dagtekening 26 oktober 2010, met nummer 599ART342010194, overeenkomstig de bevindingen in het rapport (zie 1.10) aansprakelijk gesteld voor een bedrag ter grootte van € 11.582 voor een onbetaald gebleven naheffingsaanslag LB/PVV, die is opgelegd aan [bedrijf 2] over het tijdvak 1 april 2002 tot en met 31 december 2002 (zie 1.7).

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres terecht en tot de juiste bedragen aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 34 van de IW 1990. Eiseres heeft ter zitting haar beroep op schending van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) laten varen.

3. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder bij het nemen van de beschikkingen te lang heeft gewacht, waardoor sprake is van verjaring en verweerder daarom niet meer bevoegd is om eiseres aansprakelijk te stellen. Eiseres voert daartoe aan dat de door verweerder gehanteerde methode om de verjaring te stuiten onrechtmatig is en voorts een zeer gekunsteld karakter heeft. Volgens eiseres zou de systematiek bij het opleggen van de belastingaanslagen ook moeten gelden voor het aansprakelijk stellen voor deze belastingaanslagen, hetgeen betekent dat voor het nemen van een beschikking aansprakelijkstelling ook een vijf jaarstermijn zou moeten gelden, aldus eiseres. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat de verjaring van de desbetreffende naheffingsaanslagen rechtsgeldig is gestuit, daarbij verwijzend naar de tijdig verstuurde brieven (mededelingen).

4. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiseres ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij niet (meer) betwist dat een en ander conform de in de IW 1990 opgenomen regels is gegaan, waardoor de verjaring van de belastingaanslagen waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld, rechtsgeldig is gestuit. Nu de belastingschuld niet is verjaard, kan verjaring, naar het oordeel van de rechtbank, ook geen grond zijn voor het oordeel dat geen bevoegdheid bestaat om voor deze schulden aansprakelijk gesteld te worden. De wet biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Dat een en ander in de perceptie van eiseres anders is, zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting nog heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Eiseres’ beroepsgrond faalt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de hoogte van de naheffingsaanslagen LB/PVV waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld op zichzelf niet betwist.

6. Artikel 34, eerste lid, van de IW 1990 luidt:

“Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel — in geval doorlening plaatsvindt — de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.”.

7. Ingevolge het derde lid van artikel 34 van de IW 1990 kan de inlener zijn aansprakelijkheidsrisico, zoals volgt uit het eerste lid van dat artikel, beperken door met de uitlener een overeenkomst te sluiten op grond waarvan hij een gedeelte van het ter zake van de inlening van arbeidskrachten aan de uitlener verschuldigde overmaakt op een geblokkeerde bankrekening (de zogenoemde G-rekening) die door die uitlener ten behoeve van de betaling van loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies wordt gehouden. Het bedrag van de aansprakelijkheid van de inlener wordt dan verminderd met dat overgemaakte bedrag. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van de IW 1990 geldt de aansprakelijkheid op grond van het eerste lid van dat artikel niet met betrekking tot de loonbelasting en de omzetbelasting verschuldigd door de uitlener, indien aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener noch aan hem noch aan een inlener is te wijten (disculpatiemogelijkheid).

8. Eiseres heeft gesteld dat het voor haar een schier onmogelijke bewijsopdracht is om aan te tonen dat geen sprake was van leiding geven of toezicht houden in de zin van artikel 34 van de IW 1990. Volgens eiseres is in veel van de gevallen zowel de leiding als het toezicht bij de uitlener gebleven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat werknemers door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (de uitlener) ter beschikking zijn gesteld aan eiseres (de inlener), om onder eiseres’ toezicht of leiding werkzaam te zijn. Daartoe verwijst verweerder onder meer naar de brief van eiseres van 1 april 2010 (zie 1.9) en de onder 1.5 genoemde getuigenverklaringen.

9. De rechtbank acht gelet op de feiten en omstandigheden omtrent de gang van zaken bij het ter beschikking stellen van personeel door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zoals die onder andere uit het inlenersaansprakelijkheidsonderzoek (zie 1.9 en 1.10), en de getuigenverklaringen bij het FIOD-ECD-onderzoek (zie 1.5) naar voren komen, waarvan eiseres de inhoud met hetgeen zij daar tegenover heeft gesteld niet of geenszins afdoende heeft bestreden, aannemelijk dat gedurende de onderhavige tijdvakken door eiseres leiding is gegeven of toezicht is gehouden. Nu de overige elementen voor inlenerschap, naar de rechtbank begrijpt, niet in geschil zijn, kwalificeert eiseres daarmee als inlener in de zin van artikel 34 van de IW 1990. Eiseres’ stelling dat in veel gevallen zowel de leiding als het toezicht bij de uitlener is gebleven, slaagt niet nu geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit de conclusie getrokken zou kunnen worden dat [bedrijf 1] of [bedrijf 2] deze rol zouden hebben vervuld. De rechtbank verwerpt bovendien eiseres’ betoog dat de leiding en het toezicht structureel dient te zijn, nu deze eis niet in de wet is opgenomen.

10. Ter zitting heeft eiseres verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om te onderzoeken of wel in alle gevallen feitelijk door haar leiding is gegeven of toezicht is gehouden, en om een en ander zo mogelijk aan te tonen. De rechtbank passeert dit eerst ter zitting gedane bewijsaanbod en overweegt daartoe als volgt. Reeds in de rapporten van de inlenersaansprakelijkheidsonderzoeken heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat naar zijn mening door eiseres leiding is gegeven of toezicht is gehouden en verweerder heeft deze stelling daarna steeds herhaald. Eiseres heeft kennelijk nagelaten om vanaf dat moment zelf nader te onderzoeken hoe een en ander feitelijk is gegaan, hetgeen gelet op het voorgaande wel voor de hand had gelegen. Eiseres is er voorts door de rechtbank op gewezen dat zij uiterlijk de elfde dag vóór de zitting nieuwe stukken kon indienen, maar zij heeft van die gelegenheid evenmin gebruik gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres ruimschoots voldoende gelegenheid heeft gehad nader bewijs te leveren en dat zij onder die omstandigheden niet alsnog in de gelegenheid behoeft te worden gesteld tot nadere bewijsvoering (vgl. Hoge Raad, 2 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA3007). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres niet heeft gesteld, en de rechtbank niet is gebleken, dat sprake is van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan eiseres in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij van die mogelijkheid in een eerdere fase geen gebruik heeft gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres, door dit eerst ter zitting gedane verzoek, in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde.

11. Eiseres heeft aangevoerd dat zij altijd met een G-rekening heeft gewerkt. Volgens eiseres is het mogelijk dat niet geheel rekening is gehouden met de stortingen op de G-rekening, maar dat zij dat niet kan aantonen wegens het ontbreken van een eigen administratie. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat het bedrag van de aansprakelijkheid conform artikel 34, derde lid, van de IW 1990 is verminderd met de stortingen op de G-rekening van de uitlener. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat hij beschikt over de afschriften van de G-rekening van de belastingschuldige (de uitlener). De rechtbank overweegt dat uit de berekeningen die zijn opgenomen als bijlage bij de rapporten (zie 1.10) blijkt dat met betalingen op de G-rekening rekening is gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de bedragen waarvoor eiseres aansprakelijkheid is gesteld. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in zijn berekeningen met te lage stortingen op de G-rekening rekening heeft gehouden. Eiseres heeft voor haar stelling geen enkele inhoudelijke onderbouwing gegeven. Deze stelling van eiseres faalt.

12. Eiseres heeft een beroep gedaan op de disculpatiemogelijkheid op de voet van artikel 34, vijfde lid, van de IW 1990. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat redelijkerwijs geen sprake dient te zijn van een sanctie als er geen schuld is. De rechtbank overweegt dat ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van de IW 1990 de aansprakelijkheid niet geldt indien aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener noch aan de uitlener noch aan de inlener te wijten is. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het niet betalen aan de uitlener is te wijten, slaagt eiseres’ beroep op disculpatie gelet op het voorgaande niet. Hieraan doet niet af dat eiseres zich heeft ingespannen om aan haar verplichtingen te voldoen. Dit doet immers niet af aan de verwijtbaarheid aan de zijde van de uitlener.

13. Eiseres heeft nog aangevoerd dat een redelijke rechtspleging met zich mee brengt dat er geen sanctie wordt opgelegd, nu zij geen adequaat verweer kan voeren door het niet meer aanwezig zijn van de relevante administratie over de betreffende periode. Dat deze administratie niet meer aanwezig is, kan haar niet verweten worden, aldus eiseres. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling. De rechtbank overweegt allereerst dat voor zover eiseres’ stelling ziet op de op haar rustende bewijslast ten aanzien van onder 12. genoemde disculpatiemogelijkheid, haar dit niet kan baten, reeds omdat een en ander niet afdoet aan de – niet in geschil zijnde – verwijtbaarheid aan de zijde van de uitlener. Voor zover eiseres met haar stelling heeft willen betogen dat als zij beschikte over alle administratie, zij had kunnen bewijzen dat zij ten onrechte (voor de onderhavige bedragen) aansprakelijk is gesteld, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd dat de boekhouding van de jaren tot en met 2004 door haar niet langer dan de bewaartermijn van zeven jaar is bewaard. Nu pas in oktober 2010 tot aansprakelijkheidsstelling is overgegaan, kan een en ander haar niet worden verweten, aldus eiseres. In dit verband betwist eiseres verweerders stelling dat er geen bewijsmateriaal verloren is gegaan en dat alle relevante feiten bekend waren. Eiseres stelt dat niet bewezen is dat de volledige dossiers door de FIOD-ECD op het moment van inbeslagneming werden meegenomen. Daarbij wijst eiseres op de brief van Veraa (zie 1.8) van 23 februari 2010, waaruit eiseres de conclusie trekt dat niet alle administratieve bescheiden zijn meegenomen bij de inbeslagneming in 2004, want waarom zou Veraa anders nog nadere vragen stellen, aldus eiseres. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat uit niets blijkt dat eiseres op het moment van het vorderen door de FIOD-ECD over meer administratie en/of andere bescheiden beschikte dan welke door eiseres aan de FIOD-ECD zijn afgegeven. Verweerder heeft gesteld dat de Belastingdienst kopieën van alle gegevens heeft bewaard. Deze gegevens zijn gebruikt bij de inlenersaansprakelijkheidsonderzoeken. Kopieën van de door eiseres later, na afloop van de bewaartermijn, vernietigde gegevens bevinden zich derhalve volgens verweerder in zijn dossier en deze gegevens zijn aan eiseres ter inzage verstrekt. De rechtbank overweegt dat uit de onder 1.4 genoemde ‘Vordering Uitlevering ter inbeslagneming’ blijkt dat alle vastleggingen, administratie en correspondentie ter zake van het inlenen van personeel zijn gevorderd van eiseres. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder onbetwist ter zitting heeft gesteld dat de brief van Veraa (zie 1.8) aldus moet worden gelezen dat de eerste 7 punten niet behoefden te worden verstrekt als deze al waren verstrekt aan (onder meer) de FIOD-ECD en dat hiervan in het onderhavige geval sprake was. Een bevestiging leest de rechtbank in de vermelding in het rapport dat telefonisch met eiseres is besproken dat de in punten 1 tot en met 7 van de brief vermelde stukken niet meer behoefden te worden overgelegd (zie 1.10). Dat eiseres naast de in beslag genomen administratie over nog meer administratie beschikte, heeft eiseres onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de brief van Veraa is daartoe onvoldoende. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande van uit dat bij eiseres de gehele administratie in beslag is genomen en dat deze administratie na de aansprakelijkstelling aan eiseres ter inzage is verstrekt, nu de kopieën van deze administratie waarover verweerder beschikte – eiseres heeft dit niet betwist – aan eiseres ter inzage zijn verstrekt. Dat eiseres de door de FIOD-ECD op 8 maart 2005 teruggegeven eigen administratie na het verstrijken van de bewaartermijn heeft weggegooid, blijft, wat daar verder van zij, voor rekening en risico van eiseres. Deze beroepsgrond van eiseres faalt.

14. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de aansprakelijkstellingen naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Volgens eiseres is geen of onvoldoende inzicht verschaft in de berekening van de bedragen en is ten onrechte bij de berekening uitgegaan van het anoniementarief. Een meer nadrukkelijker matiging zou gerechtvaardigd zijn, aldus eiseres. De rechtbank overweegt dat in het rapport (zie 1.10) aan de hand van – onder meer – de eigen administratie van eiseres is berekend voor welk bedrag aan niet betaalde loonbelasting eiseres over de betreffende jaren aansprakelijk gesteld zou kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het door hem in het rapport berekende bedrag voldoende onderbouwd en is niet gemotiveerd gesteld, en is evenmin gebleken, dat hij daarbij van onjuiste uitgangspunten of feiten is uitgegaan. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht verschaft in de berekeningen. Dat verweerder een onvoldoende matiging van de aansprakelijkstelling met betrekking tot de toepassing van het anoniementarief heeft toegepast, heeft eiseres, nu zij geen enkele onderbouwing voor deze stelling heeft gegeven, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangedragen ook overigens geen aanleiding voor een verdere matiging dan door verweerder is toegepast. De rechtbank betrekt bij het voorgaande nog dat eiseres de in het rapport opgenomen berekeningen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De stelling van eiseres dat zij niet meer over de benodigde bewijsmiddelen kan beschikken, doet daaraan, gelet op het onder 13. overwogene, niet af.

15. Eiseres heeft verder nog gesteld dat:

- zij redelijkerwijs geen aansprakelijkstelling kon of mocht verwachten;

- zij zich heeft ingespannen op het gebied van scholingskosten en dergelijke;

- eerst in 2003 bekend is geworden dat de inlener altijd kopieën van de ID-bewijzen in de administratie diende te bewaren;

- pas sinds 1 januari de identificatieverplichtingen zijn uitgebreid;

- zij in 2007 is onderworpen aan een uitgebreid boekenonderzoek over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 en dat is vastgesteld, dat van alle werknemers van eiseres de identiteit is vastgesteld aan de hand van een voorgeschreven document;

- zij marktconforme tarieven betaalde aan de uitlener;

- de beschikking niet deugdelijk is gemotiveerd;

- de beschikking is opgelegd in strijd met wet- en regelgeving, alsmede in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

- zij niet op de hoogte is gesteld van alle van belang zijnde gegevens in het kader van de bestreden aansprakelijkstelling;

- verweerder pas tot aansprakelijkstelling kan overgaan als de belastingschuldige in gebreke is;

- verweerder onvoldoende heeft aangegeven dat hij zich voldoende heeft ingespannen om betaling door de belastingschuldigen te laten plaatsvinden;

- verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door de nog lopende inhoudelijke discussie plotseling te beëindigen, hetgeen van een tunnelvisie getuigt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, al deze stellingen onvoldoende gemotiveerd en nog geen begin van bewijs geleverd voor de juistheid dan wel relevantie daarvan voor de onderhavige aansprakelijkstellingen.

16. Gelet op het voorgaande is eiseres terecht aansprakelijk gesteld en zijn de aansprakelijkstellingen tot de juiste bedragen vastgesteld. De beroepen zijn ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van den Bosch, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

fn 41