Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1734

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
4748438 en 4824583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- ontbinding arbeidsovereenkomst op g-grond;

- duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, onherstelbaar;

- billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever;

- betaling niet overeenkomstig de CAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1069
AR-Updates.nl 2016-0407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4748438 AR VERZ 16-9 en 4824583 AR VERZ 16-39

beschikking van de kantonrechter d.d. 23 maart 2016

inzake

de stichting

STICHTING NHL,

gevestigd te Leeuwarden,

verzoekster in het verzoek tot ontbinding, verweerster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het verzoek tot ontbinding, verzoeker in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. A.L. Poortman.

Partijen zullen hierna NHL en [verweerder] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

NHL heeft een verzoek ex artikel 7:671b BW ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ingekomen ter griffie op 14 januari 2016.

1.2.

[verweerder] heeft op 16 februari 2016 een verweerschrift ingediend tevens inhoudende een zelfstandig tegenverzoek ex artikel 7:686a BW strekkende tot - kort gezegd - betaling van achterstallig salaris en wettelijke verhoging vanaf 1 juni 2014 tot 1 maart 2016 en tot inschaling van [verweerder] in salarisschaal 14, trede 2 per 1 maart 2016.

1.3.

Op 25 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Daarnaast hebben partijen pleitnota's overhandigd. Voorafgaande aan de zitting heeft de gemachtigde van NHL nog nadere producties toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 november 2013 in dienst getreden bij NHL, alwaar hij (onderzoek)werkzaamheden is gaan verrichten aan het instituut 'Techniek' op de afdeling 'Duurzame Energie'. Directeur van het instituut Techniek is de heer H. [A] (hierna: [A] ). Voorafgaande aan zijn indiensttreding bij NHL verrichtte [verweerder] promotieonderzoek aan de universiteit Twente en werd hij (vanaf 2009) vanuit deze universiteit regelmatig ingezet op projecten bij NHL. [verweerder] is op 1 november 2013 bij de NHL in dienst getreden in een zogenaamde 'persoonsgebonden functie' en is ingedeeld in functieschaal 12. In april 2014 is hij gepromoveerd aan de universiteit Twente.

2.2.

Binnen de NHL wordt gewerkt met lectoren, die veelal zijn gekoppeld aan zogenaamde kenniscentra. Lectoraten worden aangegaan voor bepaalde tijd en worden gefinancierd deels vanuit het onderwijs en deels vanuit het bedrijfsleven. In de organisatie van de NHL zijn de functies van 'Associate Lector' en 'Lector' beschreven. De functie van associate lector is daarbij ingedeeld in salarisschaal 14, die van lector in schaal 15. Volgens de functiebeschrijvingen gaat het in beide functies - onder andere - om het verzorgen van onderwijs op topniveau waarbij een directe vertaling kan worden gegeven van de theorie naar de praktijk. Het zwaartepunt van de functie kan ook structureel liggen bij ontwikkelings- of contractactiviteiten waarbij de nadruk zal liggen op zeer complexe en veelal multidisciplinaire adviesopdrachten of hooggespecialiseerd toegepast onderzoek van wetenschappelijk niveau met een uitgesproken innovatief en breed bedrijfskundig karakter. Een verschil tussen de associate lector en de lector is dat laatstgenoemde gelet op de functiebeschrijving specifiek belast is met het schrijven van onderzoeksplannen.

2.3.

Per 1 juni 2014 is de toenmalige lector 'Zonnestroom en Vervoer' vertrokken van de NHL. In verband hiermee heeft het College van Bestuur van de NHL (hierna: CvB) besloten om [verweerder] met ingang van 1 juni 2014 voor de resterende lectoraatsperiode (tot 1 oktober 2015) te benoemen als associate lector 'Zonnestroom en Vervoer' en de bekostiging van het lectoraat Zonnestroom en Vervoer in 2014 en 2015 te continueren overeenkomstig de oorspronkelijke looptijd van het lectoraat. De benoeming van [verweerder] heeft plaatsgevonden met het uitzicht op een benoeming van hem als lector. Bij zijn benoeming als associate lector is [verweerder] ingedeeld in salarisschaal 13.

2.4.

In de loop van 2015 is door het CvB besloten om het lectoraat 'Zonnestroom en Vervoer' met vier jaar te verlengen. Tussen NHL en [verweerder] zijn in verband hiermee gesprekken gevoerd en onder ander op 12 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [A] en mevrouw [B] (hierna: [B] ), de HRM-adviseur van NHL, over - onder meer - de continuering van het dienstverband tussen [verweerder] en NHL per 1 november 2015 (zijn contract liep op deze datum af) en over de wijze waarop een nieuwe aanstelling en de invulling van het lectoraat gestalte zou moeten krijgen. Van het gesprek is door [A] verslag gedaan in een brief van 14 oktober 2015. Hierin vermeldt [A] - voor zover van belang -

"Als eerste hebben we geconstateerd dat er een verschil in beeldvorming is bij de intentie van de initiële afspraken. Daar waar wij jou zien als startende professional voor wie de functie van associate lector nog veel perspectief kan bieden, hebben we geconstateerd dat dit niet geheel overeenkomt met jouw beeld hierin. Ook bleek er een interpretatieverschil van het CvB besluit over de voortzetting van het lectoraat. We hebben onze beelden hierover uitgewisseld en afgesproken hier in het vervolg meer concrete afspraken in te maken. Vanuit HRM stelt Wanda hier een ontwikkeltraject in voor. Een ontwikkeltraject waar, gelet op de zwaarte van de functie, vanuit een breder organisatieperspectief het nodige draagvlak in verkregen dient te worden. Te denken valt aan de afdeling OOK, het hoofd HRM, jouw begeleidend lector en het CvB.

Met betrekking tot jouw contract hebben we het volgende toegelicht en besproken: Met de nieuwe CAO en de gewijzigde wet Werk en Zekerheid is het op dit moment niet mogelijk jouw contract tijdelijk te verlengen. De functie van associate lector is vastgesteld als een tijdelijk functie binnen de NHL waarmee van een vaste benoeming geen sprake kan zijn. Tenminste, niet in de functie van associate lector.

(…)

De optie van een vaste benoeming in de functie van senior docent met een waarneming (kantonrechter: in de functie van associate lector) kwam hierbij als beste naar voren."

2.5.

[verweerder] heeft bij e-mail van 17 oktober 2015 gereageerd op het gespreksverslag. Hij heeft onder meer gemeld dat er geen afspraken zijn gemaakt over het door [B] voorgestelde 'ontwikkeltraject' en dat in het gesprek uitdrukkelijk (ook) is gesproken over het punt van [verweerder] dat hij naar zijn mening onrechtmatige in een te lage schaal zit (kantonrechter: namelijk schaal 13), hetgeen volgens hem niet conform de CAO is.

2.6.

Naar aanleiding van een nader gesprek tussen [verweerder] en [A] op 26 oktober 2015 heeft [A] een tweetal concept werkvoorstellen aan [verweerder] verzonden over de wijze waarop het associate lectorschap contractueel zou kunnen worden vormgegeven. In het tweede werkvoorstel van 27 oktober 2015 heeft [A] de optie uiteengezet inhoudende een vaste aanstelling per 1 november 2015 in de functie van senior docent, met een waarneming in de functie van associate lector, conform artikel H-10 van de CAO HBO. [A] schrijft - voor zover van belang:

"Bij volledige waarneming is er voor deze periode van waarneming sprake van een volledige inschaling in salarisschaal 14 en is dus van een toelage geen sprake. In het geval van volledige waarneming wordt het salaris, uitgaande van voldoende beoordeling, jaarlijks met een normpercentage van schaal 14 verhoogd en is hier geen extra artikel in het contract voor nodig. De inschaling bij een volledige waarneming als associate lector wordt gebaseerd op de huidige inschaling."

2.7.

Op 28 oktober 2015 heeft [B] aan [verweerder] zijn arbeidsovereenkomst uitgereikt, waarin ten aanzien van het salaris het volgende is bepaald:

"De werknemer wordt voor de waarneming ingeschaald in de tweede aanloopschaal van schaal 14, te weten het bedrag van € 4.631,03. Bij een voldoende beoordeling wordt de werknemer in 2016 ingeschaald in de volgende trede van salarisschaal 14."

2.8.

[verweerder] is niet akkoord gegaan met de inschaling in de aanloopschaal. Hij heeft dit mondeling op 28 oktober 2015 aan [B] gemeld en vervolgens per e-mailbericht van 29 oktober 2015 aan [A] . [verweerder] heeft in zijn e-mail uiteengezet dat hij plaatsing in de aanloopschaal niet juist acht, omdat hij de functie van associate lector goed vervult. Verder heeft [verweerder] benoemd dat hij in het verleden ten onrechte aan het werk is geweest als associate lector in schaal 13. Tot slot heeft [verweerder] benadrukt dat hij in feite ook al de taken van lector - zoals het schrijven van onderzoeksplannen - uitvoert of ten uitvoer gaat leggen, waardoor hij ook hoger ingeschaald zou moeten worden. [verweerder] schrijft:

"Ik neem aan dat je, met onze gesprekken in het achterhoofd, met de invulling van mijn functie en werkzaamheden, met inachtneming dat ik als associate lector de functie vervul van een lector, het met mij eens moet zijn dat een aanlooptrede in schaal 14 voor associate lector, waaruit zou blijken dat ik nog niet geschikt ben voor mijn werkzaamheden, terwijl ik de functie beoefen van een hogere schaal (en daar dus niet voor betaald word!), niet aan de orde kan zijn."

2.9.

Naar aanleiding van voornoemd e-mailbericht heeft op 30 oktober 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [verweerder] , waarin de door [verweerder] aangekaarte punten zijn besproken. In dit gesprek is onder andere aan de orde gekomen dat gedurende een periode van twee jaar zal worden onderzocht of [verweerder] in de functie van lector kan worden aangesteld. [verweerder] heeft vervolgens de aan hem uitgereikte arbeidsovereenkomst getekend, partijen hebben elkaar de hand gedrukt en zijn uit elkaar gegaan.

2.10.

Op 2 november 2015 heeft [verweerder] echter opnieuw per e-mail gericht aan [A] bezwaar gemaakt tegen zijn plaatsing in de aanloopschaal van salarisschaal 14. [verweerder] schrijft - voor zover van belang -:

"Omdat ik het belangrijk vind dat mijn werkzaamheden passen bij mijn functie en de aanlooptrede waarin ik zit, denk ik dat er twee zaken doorgesproken moeten worden.

1) Met betrekking tot de aanlooptrede, citeer ik nogmaals uit de CAO: "Aanloopsalaris: de voor de werknemer geldende periode waarin nog niet wordt voldaan aan alle bij een volwaardige vervulling van de functie passende vereisten" (CAO HBO 2014-2016, pagina 15)

Blijkbaar voldoe ik nog niet aan een volwaardige vervulling van mijn functie. Ik heb dit niet goed kunnen identificeren naar aanleiding van mijn laatste functioneringsgesprek, waarbij mijn functioneren als 'goed' is omschreven. Het lijkt mij dus zaak zo snel mogelijk boven water te krijgen op welke punten ik nog niet voldoe en wat ik moet verbeteren om toch mijn functie volwaardig te vervullen (in de eerste trede van schaal 14 in de functie van associate lector).

2) Met betrekking tot de functie van associate lector

(…)

Om uiteindelijk door te stromen naar een positie van lector, zodat het lectoraat zonnestroom en vervoer meer vorm kan krijgen, denk ik dat de doelstellingen om dit te realiseren, kenbaar gemaakt moeten worden. Kortom wat zijn de prestatie indicatoren en wat is de zwaarte van deze (nog te identificeren) indicatoren om deze doelstellingen te halen?

(…)

In de tussentijd wacht ik af en deel ik mijn werkzaamheden naar eigen inzicht in."

2.11.

Eveneens op 2 november 2015 heeft [verweerder] via een e-mail aan [A] laten weten dat het hem verstandiger lijkt niet aan te schuiven bij het voor de daarop volgende dag geplande overleg van de onderzoeksgroep 'Duurzame Energie'. [verweerder] schrijft:

"Voordat ik actief mee ga werken aan de formulering van de onderzoekslijnen voor de onderzoeksgroep Duurzame Energie, lijkt het me verstandiger dat wij eerst overeenstemming hebben over de invulling van mijn werkzaamheden."

[A] heeft [verweerder] evenwel te kennen gegeven dat laatstgenoemde wel bij het overleg verwacht wordt.

2.12.

Op 3 november 2015 heeft het overleg van de onderzoeksgroep 'Duurzame Energie' plaatsgevonden. Na afloop hiervan heeft [A] via e-mail aan [verweerder] bericht dat de houding van [verweerder] tijdens het overleg niet professioneel was, hetgeen door [A] onacceptabel is bevonden. [A] heeft [verweerder] daarom uitgenodigd voor een gesprek om dit te bespreken. [verweerder] heeft hierop op 3 november 2015 per e-mail gereageerd en aangestuurd op een gesprek met een derde persoon, bijvoorbeeld een mediator. Vervolgens schrijft [A] bij e-mailbericht van 4 november 2015 - onder meer - aan [verweerder] :

"In je reactie op mijn mail dd. 03-11-2015 geeft je aan dat je niet bij het overleg "onderzoeksgroep duurzame energie" had willen zijn omdat je positie onduidelijk zou zijn maar dat je wel gekomen bent omdat ik daarop aangedrongen zou hebben. Dit vind ik een bijzondere stellingname omdat er volgens mij geen enkele onduidelijkheid is over je positie. Deze is ondanks het nieuwe contract namelijk nog steeds associate lector "zonnestroom en vervoer". Je positie is dus niet veranderd en dat je daarom niet weg kan blijven bij het overleg over en de ontwikkeling van het onderzoeksplan van de groep waartoe je behoort lijkt mij dan ook evident. Met je ervaring tot nu toe en de plannen die reeds gemaakt zijn zou je een belangrijke bijdrage kunnen en moeten hebben aan de ontwikkeling van deze onderzoeksgroep."

[A] heeft in deze e-mail voorts herhaald dat hij een gesprek met [verweerder] over diens houding tijdens het overleg noodzakelijk acht. Daarnaast heeft [A] aangegeven dat tijdens een gesprek ook zal worden gesproken over het ontwikkeltraject van maximaal twee jaar en dat hij op dit moment geen gebruik wil maken van een mediator, omdat er volgens hem geen sprake is van een persoonlijk conflict waarmee een mediator iets zou kunnen doen en gewoon overleg om te komen tot heldere werkafspraken voldoende is. Op 5 november 2015 heeft [A] opnieuw een e-mail aan [verweerder] gestuurd met het verzoek om op korte termijn tot een gesprek te komen. [verweerder] had zich evenwel op 4 november 2015 ziekgemeld. Op de e-mails van [A] heeft hij niet gereageerd. Tot een gesprek tussen [verweerder] en [A] is het niet gekomen.

2.13.

[verweerder] is gezien door de bedrijfsarts op 13 november 2015. Deze bedrijfsarts heeft geadviseerd om de arbeidsongeschiktheid op medische gronden per 17 november 2015 te beëindigen. Voorts heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een bemiddelaar in te schakelen, nu volgens hem de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] verband houdt met werk gerelateerde factoren.

2.14.

[A] heeft vervolgens bij brief van 17 november 2015 zijn visie op de kwestie in de richting van [verweerder] weergegeven en waarbij hij de houding en toonzetting van [verweerder] benoemd als 'negatief en dwingend' en 'op geen enkele wijze gepast (…) binnen onze arbeidsverhouding en of organisatie'. [verweerder] heeft hierop bij e-mailbericht van 19 november 2015 gereageerd met zijn visie en daarbij onder andere aangegeven 'mijn belang wordt in de wind geslagen'. [verweerder] heeft zijn werkzaamheden hervat, maar tevens aangegeven niet persoonlijk met [A] in gesprek te willen gaan zonder een onpartijdige externe deskundige.

2.15.

Bij brief van 24 november 2015 heeft [A] aan [verweerder] medegedeeld dat hij alsnog heeft besloten gehoor te geven aan het verzoek van [verweerder] om een mediation te laten plaatsvinden. Daarbij heeft hij [verweerder] verzocht om tot die tijd thuis te blijven en geen werkzaamheden voor of namens NHL uit te voeren, omdat [verweerder] niet op zinvolle wijze invulling kan geven aan het docentschap c.q. associate lectorschap. [A] heeft in voornoemde brief gewezen het gesprek op 30 oktober 2015, waarmee volgens hem alle irritaties uit het verleden werden afgesloten. Dat het tot een onwerkbare verhouding is gekomen ligt volgens [A] aan de gebeurtenissen hierna, namelijk de houding van [verweerder] tijdens het overleg op 3 november 2015, zijn afwijzende reacties op verzoeken tot overleg, zijn ongemotiveerde ziekmelding en zijn weigering om met [A] te communiceren. [verweerder] is onder protest akkoord gegaan met het verzoek om thuis te blijven.

2.16.

Op 2 december 2015 hebben [verweerder] en [A] ieder apart een intakegesprek gevoerd met een mediator en op 7 december 2015 heeft een gezamenlijk gesprek tussen [verweerder] , [A] en deze mediator plaatsgevonden. De mediation heeft evenwel niet tot een oplossing van het geschil tussen partijen geleid en is beëindigd. Werkhervatting door [verweerder] heeft niet meer plaatsgevonden.

2.17.

NHL heeft vervolgens het onderhavige verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ingediend.

3. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

3.1.

NHL verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW, onder toekenning van de transitievergoeding aan [verweerder] als bedoeld in artikel 7:673 BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt NHL ten grondslag dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Samengevat gaat het volgens NHL om het volgende. Tussen partijen heeft een discussie bestaan over de functie die [verweerder] tot 1 november 2015 vervulde en het niveau van zijn werkzaamheden. Voor NHL was duidelijk dat [verweerder] nog (lang) niet in staat was om een lectoraat in te vullen en dat hij enkel opvolging heeft gegeven aan de door de voormalige lector uitgezette onderzoekslijnen. NHL stelt dat met de ondertekening van het contract op 30 oktober 2015 een eind leek te zijn gekomen aan deze discussie, maar dat uit de houding en het gedrag van [verweerder] nadien blijkt dat hij toch nog een zekere wrok koestert jegens NHL en [A] . Door zijn onprofessionele houding tijdens het overleg op 3 november 2015, het onbeantwoord blijven van diverse uitnodigingen voor overleg, de ziekmelding door [verweerder] , zijn weigering om persoonlijk in gesprek te gaan met [A] en zijn laakbare werkhouding is het volgens NHL niet meer mogelijk om invulling te geven aan het dienstverband. Ook met de hulp van een mediator is het niet gelukt om tot een oplossing te komen. Hoewel NHL meent dat [verweerder] een verwijt kan worden gemaakt van de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, heeft NHL de bereidheid om in het kader van de ontbinding aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen.

3.3.

Ter zitting heeft NHL aan het vorenstaande toegevoegd dat [verweerder] , die jong en onervaren was, een unieke kans heeft gekregen om binnen de NHL op te klimmen naar lector via een pad waarbij hij in eerste instantie aankomend associate lector en associate lector zou zijn. [verweerder] heeft echter zijn eigen positie volledig miskend en het ontbreekt hem aan organisatiesensitiviteit. Het is volgens NHL onbegrijpelijk dat er onduidelijkheid heeft bestaan over de inhoud van zijn functie, dat hij daarom niet wenst aan te schuiven bij het overleg van de onderzoeksgroep 'Duurzame Energie', waarin hij een leidende rol moet spelen en dat hij heeft aangegeven de werkzaamheden naar eigen inzicht in te zullen delen. Het uiteindelijk optreden van [verweerder] tijdens het overleg van de onderzoeksgroep heeft een ernstige, maar - zo heeft [A] ter zitting aangegeven - nog niet onherstelbare deuk in de arbeidsverhouding tussen [A] en [verweerder] teweeg gebracht. Na de ziekmelding door [verweerder] is in het kader van de mediation echter vastgesteld dat het verschil tussen partijen onoverbrugbaar is. NHL heeft voorts gesteld dat met [verweerder] in 2014 een duidelijke afspraak gemaakt is over zijn inschaling in schaal 13, gelet op het feit dat hij aankomend associate lector was. Overigens rechtvaardigt een discussie over het salaris nog niet de handelwijze van [verweerder] zoals hij die begin november 2015 heeft laten zien en kon het voor hem geen excuus zijn om werkzaamheden naar eigen inzicht in te vullen en een van de kerntaken, namelijk het verrichten van onderzoek, niet meer te willen doen.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1.

[verweerder] heeft tot zijn verweer - samengevat - het volgende aangevoerd. Aan [verweerder] is - na het vertrek van de toenmalige lector - gevraagd om diens lectoraat af te ronden. [verweerder] stelt dat hem tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek door [B] en [A] is voorgehouden dat de bij de functie van associate lector schaal 13 hoort. Later is gebleken dat de juiste schaal bij de functie van associate lecor schaal 14 was. De onjuiste inschaling heeft vervolgens doorgewerkt in de arbeidsvoorwaarden per 1 november 2015. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden met veel plezier heeft gedaan en dat hij steeds uitstekend heeft gefunctioneerd ook in de taken die eigenlijk horen bij de functie van lector en niet bij een associate lector. Hij wijst op het functioneringsgesprek dat met hem gevoerd is, waarbij zijn functioneren als goed is beoordeeld. [verweerder] heeft diverse onderzoeksvoorstellen geschreven en beschikt over een professioneel netwerk bij (buitenlandse) universiteiten en (buitenlandse) kennisinstellingen. [verweerder] wordt ook door NHL naar buiten toe gepresenteerd als lector. Een en ander heeft ertoe geleid dat partijen de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die op 1 november 2015 zou eindigen, hebben willen voortzetten. [verweerder] heeft aangevoerd dat door hem diverse keren is aangekaart dat hij verkeerd is ingeschaald. De contractbesprekingen over de nieuwe arbeidsovereenkomst vonden kort voor 1 november 2015 plaats, waardoor een zekere druk op die besprekingen is komen te staan. [verweerder] heeft duidelijk te kennen gegeven niet akkoord te kunnen gaan met benoeming in een aanloopschaal, omdat aanloopjaren zijn bedoeld voor de situatie waarin nog geen volwaardige invulling aan de functie kan worden gegeven. Hiervan was in de visie van [verweerder] geen sprake. Hij heeft desondanks het hem aangeboden arbeidscontract getekend, omdat hij geen andere keus had en anders per 1 november 2015 op straat zou staan. De benoeming in de aanloopschaal heeft evenwel geleid tot veel onduidelijkheid bij [verweerder] ten aanzien van zijn rol en zijn taken. Hij heeft hierover met [A] willen spreken, echter - gezien diens opstelling en de toonzetting in de e-mails - alleen in het bijzijn van een mediator. De mediation is tot teleurstelling van [verweerder] echter al na één gesprek geëindigd. Voor [verweerder] is het de vraag waarom NHL hem werkzaamheden als lector laat uitvoeren, waarom NHL hem in- en extern presenteert als lector en waarom zij hem desondanks beschrijft als een 'aankomend associate lector' met een dienovereenkomstige inschaling in een aanloopschaal. Tezamen met de van [verweerder] verwachte werkzaamheden, heeft dit tot vragen en verwarring bij [verweerder] geleid, hetgeen door [A] nooit serieus is genomen, aldus [verweerder] . [verweerder] heeft zich ondergewaardeerd gevoeld.

4.2.

[verweerder] stelt dat NHL een arbeidsconflict tracht te forceren om zodoende de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te kunnen laten ontbinden. Van een verstoorde arbeidsrelatie is in de visie van [verweerder] evenwel geen sprake. Hij ziet nog wel mogelijkheden om zijn werkzaamheden binnen het kenniscentrum duurzame energie te hervatten. Bovendien is geen herplaatsingsonderzoek verricht, hetgeen ook een reden is om het ontbindingsverzoek af te wijzen. Subsidiair - namelijk voor het geval de kantonrechter wel aanleiding ziet voor een ontbinding - verzoekt [verweerder] om betaling (naast de transitievergoeding) van een billijke vergoeding ter grootte van drie maal de wettelijke transitievergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag. [verweerder] legt hieraan ten grondslag dat NHL verantwoordelijk is voor de ontstane situatie die is veroorzaakt door [A] .

4.3.

[verweerder] heeft bij wijze van zelfstandig tegenverzoek gevorderd NHL te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van achterstallig salaris vanaf 1 juni 2014 tot 1 maart 2016 ad

€ 5.328,14, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente en tot betaling aan [verweerder] van het salaris conform salaris schaal 14, trede 2 per 1 maart 2016 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft een berekening van het volgens hem te weinig betaalde salaris overgelegd.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek tot ontbinding

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding alsmede of hem een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5.3.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Uit artikel 7:669 lid 3 onder g BW volgt dat van de hierin genoemde "redelijke grond" voor een ontbinding slechts sprake is indien een verstoorde arbeidsverhouding zodanig is dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uitgangspunt voor de kantonrechter is dat er sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring. Naarmate de verstoring ernstiger is kan onder omstandigheden aan de duurzaamheid ervan minder zwaar worden getild. Het is daarbij in beginsel niet van belang wat de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding is, en ook niet aan wie die is te wijten. Dit neemt niet weg dat de kantonrechter de nodige terughoudendheid zal betrachten in gevallen waarin de verstoorde verhouding(en) in overwegende mate is (zijn) veroorzaakt door de werkgever. In een dergelijk geval zal niet snel worden geoordeeld dat het in redelijkheid niet van de werkgever gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.4.

De kantonrechter is met inachtneming van het vorenstaande van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een ernstige en duurzame verstoorde arbeidsrelatie nu NHL [verweerder] heeft aangenomen om op termijn (zo mogelijk) de in 2014 vertrokken lector op te volgen en om - bij het toewerken daar naartoe bij wijze van een ontwikkeltraject - alle voorkomende werkzaamheden te vervullen, terwijl [verweerder] - die van mening is dat hij onderbetaald wordt - geen andere werkzaamheden meer wil verrichten dan alleen de werkzaamheden behorend bij de functie van (aankomend) associate lector waarvoor hij wordt betaald. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een onoverbrugbaar verschil van inzicht over de invulling en de inschaling van de functie van [verweerder] en - gelet op het niveau van de functie - een onwerkbare situatie. De kantonrechter neemt voorts in aanmerking dat de tussen [verweerder] en [A] gerezen problemen ook met behulp van mediation niet opgelost konden worden. De inhoud van het mediationgesprek is voor de kantonrechter echter onbekend en niet duidelijk is of het gesprek gericht is geweest op vertrek of terugkeer van [verweerder] naar NHL. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het onder de gegeven omstandigheden - en mede gelet op de terughoudende opstelling die door [verweerder] sedert 3 november 2015 wordt ingenomen met betrekking tot de door hem uit te voeren werkzaamheden - in redelijkheid niet van NHL gevergd worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is voorts van oordeel dat herplaatsing van [verweerder] gelet op de aard van zijn functie, zijn specialisme en zijn werkrelatie met [A] niet realistisch geacht kan worden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook op de hiervoor genoemde g-grond ontbinden met ingang van 1 mei 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging (uitgaande van een opzegtermijn van 3 maanden) zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.

5.5.

Voor het geval de ontbinding wordt uitgesproken heeft NHL de bereidheid uitgesproken om aan [verweerder] de transitievergoeding te betalen. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de hoogte van de te betalen transitievergoeding en de kantonrechter kan de transitievergoeding ook niet zelf berekenen, nu de hoogte van het laatstelijk [verweerder] genoten salaris (€ 3.704,83 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en andere emolumenten) onderwerp van het geschil tussen partijen is. De kantonrechter volstaat daarom met de toekenning van de wettelijke transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW. De kantonrechter merkt hierbij voor de goede orde nog wel op dat deze transitievergoeding moet worden berekend aan de hand van het salaris zoals dat laatstelijk aan [verweerder] betaald had moeten worden. De kantonrechter verwijst naar haar overwegingen hieromtrent later in deze beschikking (zie overweging 5.13).

5.6.

De kantonrechter dient vervolgens te oordelen over de vraag of er aanleiding is om aan [verweerder] , naast de transitievergoeding, een billijke vergoeding toe te kennen, zoals door [verweerder] is verzocht. Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NHL. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Hieromtrent overweegt de kantonrechter het volgende.

5.7.

In de eerste plaats neemt de kantonrechter in aanmerking dat het CvB heeft besloten om [verweerder] aan te stellen als associate lector. Bij zijn aanstelling is [verweerder] ingedeeld in schaal 13, terwijl volgens de CAO de bij deze functie behorende schaal 14 is. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat [verweerder] heeft ingestemd met een inschaling in afwijking van de CAO. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van [verweerder] dat hij aanvankelijk in de veronderstelling verkeerde dat de aangeboden schaal 13 behoorde bij de functie, maar dat hij er pas later achter is gekomen dat schaal 14 de juiste schaal was behorende bij de functie van associate lector. [verweerder] heeft meerdere malen uitdrukkelijk - in ieder geval tijdens het gesprek op 12 oktober 2015 - kenbaar gemaakt dat hij naar zijn mening te laag was ingeschaald, maar dit heeft niet tot een correctie in enigerlei vorm geleid. NHL heeft overigens geen afdoende verklaring gegeven voor de te lage inschaling van [verweerder] . Voor zover NHL met de inschaling tot uitdrukking heeft willen brengen dat [verweerder] ten tijde van zijn aanstelling nog moest worden aangemerkt als aankomend associate lector, omdat hij nog niet voldeed aan alle eisen die aan een associate lector mogen worden gesteld, dan was een onderbouwing op dit punt op zijn plaats geweest en had [verweerder] in de aanloopschaal van schaal 14 ingedeeld kunnen worden. Dat is niet gebeurd. De kantonrechter neemt dan ook aan dat [verweerder] vanaf 1 juni 2014 onterecht in schaal 13 is ingedeeld.

5.8.

De kantonrechter neemt voorts in aanmerking dat [verweerder] in het kader van de contractonderhandelingen in oktober 2015 zijn inschaling uitdrukkelijk tot onderwerp van gesprek heeft gemaakt en dat hij heeft aangegeven dat hij - mede gezien het feit dat hij al ruim een jaar als associate lector heeft gefunctioneerd en gelet op de initiële onjuiste inschaling - in schaal 14 dient te worden ingedeeld. Uit het werkvoorstel van [A] van 27 oktober 2015 kan worden afgeleid dat partijen hebben afgesproken dat [verweerder] een volledige waarneming als associate lector zal krijgen met een volledige inschaling in salarisschaal 14. In het werkvoorstel is niet vermeld dat [verweerder] zal worden geplaatst in de aanlooptrede behorende bij deze salarisschaal. Ook in de hiervoor tussen partijen gewisselde stukken is niet vermeld dat [verweerder] (al dan niet nog steeds) als aankomend associate lector wordt beschouwd. Desondanks heeft NHL in een heel laat stadium, namelijk vlak voor de dag waarop het contract van [verweerder] voor bepaalde tijd afliep, kenbaar gemaakt dat [verweerder] in de tweede aanlooptrede van schaal 14 zou worden geplaatst. [verweerder] is hierop boos weggelopen, maar heeft na een gesprek met [A] het contract toch getekend. Hem kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden verweten dat hij hierna op 3 november 2015 heeft gemaild met de vraag op welke punten hij niet voldoet aan de vereisten van associate lector. Door NHL is weliswaar gesteld dat de indeling in de aanloopschaal in dit geval (nog steeds) gerechtvaardigd was omdat [verweerder] nog niet aan alle eisen voldeed, maar de kantonrechter is van oordeel dat NHL deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De stukken wijzen naar het oordeel van de kantonrechter eerder op het tegendeel, nu het functioneren van [verweerder] in een met hem gehouden functioneringsgesprek onweersproken als 'goed' is beoordeeld, het onweersproken de intentie van NHL is geweest dat [verweerder] door zou groeien naar de functie van lector, hij ook al deels taken als lector vervulde en als zodanig ook wel door NHL werd aangeduid. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de kantonrechter niet een indeling in de aanlooptrede van schaal 14. Daar komt nog bij dat niet eerder dan bij de uitreiking van het contract op 28 oktober 2015 concreet de salariëring in de aanlooptrede van schaal 14 (als aankomend associate lector) aan de orde is gekomen en dat op de vraag van [verweerder] op welke punten hij nog niet voldeed geen antwoord is gekomen. Al het vorenstaande maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat sprake is ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van NHL, die door haar handelwijze het risico op het ontstaan van een verstoorde arbeidsrelatie zelf in het leven heeft geroepen. Dat [verweerder] zich vervolgens terughoudend heeft opgesteld en vragen heeft gesteld over zijn positie bijvoorbeeld in het kader van de overleggroep 'Duurzame Energie' is naar het oordeel van de kantonrechter bezien vanuit zijn positie niet onbegrijpelijk. Dit overleg had in zijn visie betrekking op werkzaamheden op het niveau van lector, terwijl de aanwezigheid en inzet van [verweerder] in zijn functie van aankomend associate lector gewenst en noodzakelijk werd geacht. De kantonrechter wijst er tot slot op dat het zo kan zijn dat NHL de houding en de opstelling van [verweerder] tijdens het overleg op 3 november 2015 heeft afgekeurd en dat zij zijn houding heeft aangemerkt als onprofessioneel en (kennelijk) niet in lijn met de hem geboden kansen en het leertraject dat hij volgens NHL nog verder moest doorlopen, maar dit neemt naar het oordeel van de kantonrechter niet weg dat het feit dat de arbeidsovereenkomst thans beëindigd moet worden grotendeels is veroorzaakt door het handelen dan wel nalaten aan de zijde van NHL met betrekking tot de salariëring van [verweerder] . NHL heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende oog gehad voor de positie van [verweerder] , die zich - zoals hij ter zitting heeft verklaard - niet gewaardeerd en niet gehoord heeft gevoeld. Dit alles heeft tot gevolg dat NHL een billijke vergoeding aan [verweerder] dient te betalen.

5.9.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van NHL, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor [verweerder] (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding ligt volgens het kabinet uitdrukkelijk níet het criterium besloten of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen om deze gevolgen te ondervangen (het 'gevolgencriterium'), omdat deze elementen al geacht worden te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 4, pag. 61). De hoogte van een toe te kennen billijke vergoeding dient voorts niet te worden bepaald aan de hand van een formule, maar dient per geval te worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband in beginsel geen rol hoeven te spelen. De kantonrechter heeft bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding in dit geval mee laten wegen het ernstige verwijt dat NHL gemaakt kan worden ter zake van de onjuiste inschaling van [verweerder] , hetgeen tevens kan worden aangemerkt als de oorzaak voor het ontstane conflict. Aan de andere kant heeft de kantonrechter echter eveneens meegewogen dat [verweerder] door zijn houding en gedrag ook een aandeel heeft gehad in het voortbestaan en onopgelost blijven van het conflict. Alles afwegende heeft de kantonrechter in het onderhavige geval de billijke vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 7.500,00 bruto.

5.10.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal NHL gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.11.

De kantonrechter ziet gelet op de uitkomst van de onderhavige procedure aanleiding om de proceskosten voor rekening van NHL te laten komen. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden tot op heden vastgesteld op € 600,00 voor salaris gemachtigde.

in de zaak van het tegenverzoek

5.12.

[verweerder] heeft aan zijn vordering tot betaling van achterstallig salaris ten grondslag gelegd dat hij sinds 1 juni 2014 de functie van associate lector bekleedt en dat hij conform de functiebeschrijving FUWAHBO en artikel H-1 CAO-HBO 2014-2016 per die datum in schaal 14 had moeten worden geplaatst. NHL heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de vordering van [verweerder] .

5.13.

De kantonrechter is van oordeel dat gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen kan worden vastgesteld dat de inschaling van [verweerder] per 1 juni 2014 in schaal 13 onjuist is geweest én dat [verweerder] met ingang van 1 november 2015 ingedeeld had moeten worden in de eerste trede van schaal 14 (in plaats van in een aanlooptrede). De kantonrechter zal thans [verweerder] in de gelegenheid stellen zijn vordering nader te specificeren aan de hand van deze uitgangspunten. Daarna mag NHL hierop reageren.

5.14.

Nu nog niet kan worden beslist op het tegenverzoek, zal dit verzoek worden gesplitst van het ontbindingsverzoek en afzonderlijk verder worden behandeld onder zaak-/rolnummer 4824583 AR 16-39. Daarbij zal het verzoek worden aanhouden in afwachting van de nadere onderbouwing van de vordering door [verweerder] en de hierop door NHL te geven reactie.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek tot ontbinding

6.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 mei 2016, tenzij het ontbindingsverzoek voor de hierna te noemen datum wordt ingetrokken;

6.2.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen NHL het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 15 april 2016;

6.3.

veroordeelt NHL, indien het verzoek niet wordt ingetrokken, om aan [verweerder] de wettelijke transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW te betalen;

6.4.

kent, indien het verzoek niet wordt ingetrokken, aan [verweerder] ter gelegenheid van de ontbinding toe een door NHL te betalen billijke vergoeding van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend en vijfhonderd euro) bruto;

6.5.

veroordeelt NHL tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 wegens salaris gemachtigde, zowel in geval NHL het verzoek handhaaft als indien dit wordt ingetrokken;

in de zaak van het tegenverzoek

6.6.

bepaalt dat het tegenverzoek afzonderlijk verder zal worden behandeld onder zaak-/rolnummer 4824583 AR 16-39;

6.7.

bepaalt dat [verweerder] in de gelegenheid gesteld zal worden om zijn vordering nader te onderbouwen binnen twee weken na verzending van deze beslissing en dat NHL in de gelegenheid gesteld zal worden hierop te reageren binnen twee weken;

6.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016 door mr. J.A. Werkema, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c: 518