Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1656

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C18/165005/KG ZA 16-38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ouders van chronisch ziek kind vorderen veroordeling van de school om er voor te zorgen dat hun kind passend onderwijs (overeenkomstig door de ouders geformuleerde voorwaarden) krijgt bij een externe instelling dan wel veroordeling van de school tot overleg over passend onderwijs onder door de ouders geformuleerde uitgangspunten. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2016/506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/165005 / KG ZA 16-38

Vonnis in kort geding van 8 april 2016

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat: mr. J. van den Brink,

tegen

de stichting

STICHTING OPENBAAR ONDERWIJS GROEP GRONINGEN,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat: mr. M.M. Janssen.

Partijen zullen hierna [B] c.s. en O2G2 genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de door [B] c.s. nader overgelegde producties alsmede een wijziging van eis;

  • -

    de door O2G2 overgelegde producties;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [B] c.s.;

  • -

    de pleitnota van O2G2.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[B] c.s. zijn de ouders en wettelijke vertegenwoordigers van de zestienjarige [C] (geboren op [geboortedatum] ).

2.2.

[C] is chronisch ziek. Zij is bekend met gastroparese en spina bifida met wervelafwijkingen. Als gevolg hiervan zijn er aanpassingen nodig om de schoolgang voor [C] mogelijk te maken.

2.3.

Het werk- en denkniveau van [C] is hoog; zij heeft een IQ van 145 +.

2.4.

[C] is in het schooljaar 2011-2012 toegelaten als leerlinge van het Zernike College (hierna: de school), een openbare school voor voortgezet onderwijs die onder het bevoegd gezag valt van O2G2. Vanwege haar gezondheidssituatie heeft [C] extra ondersteuning nodig op school.

2.5.

In november 2013 is [C] vanwege haar gezondheids langere tijd uitgevallen. Vervolgens is zij in het schooljaar 2013-2014 gedoubleerd.

2.6.

In het schooljaar 2014-2015 heeft [C] , na een aanvankelijke uitgestelde bevordering, de vierde klas van het atheneum gevolgd.

2.7.

In augustus 2014 is [C] met rugpijn en door een daaropvolgende operatie opnieuw uitgevallen. In die periode zijn de school en de ouders in het kader van een op te stellen ontwikkelingsperspectief in gesprek gegaan over de (gewijzigde) ondersteuningsbehoefte van [C] en de mogelijkheden binnen school. Ook heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de belastbaarheid van [C] in het onderwijs.

2.8.

Op 2 oktober 2014 hebben de ouders een voorstel voor een ontwikkelingsperspectief (hierna: OPP) ontvangen. De ouders hebben op 8 oktober 2014 hun visie op het OPP aan de school doen toekomen. Vervolgens heeft de school het OPP voorgelegd aan het Expertise en Consultatie Team (ECT), die de school op 28 november 2014 heeft geadviseerd om een toelaatbaarheidsverklaring aan te vragen voor speciaal voortgezet onderwijs, cluster 3.

2.9.

De ouders en de school hebben geen overeenstemming bereikt over het toe te passen OPP.

2.10.

In november 2014 is [C] geopereerd aan haar rug. In januari 2015 is [C] weer naar school gegaan, maar zij is door te hoge belasting in maart 2015 weer uitgevallen.

2.11.

Op 4 mei 2015 hebben de ouders een verzoekschrift ingediend bij de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO). Daarin is door de ouders verzocht om O2G2 te adviseren voor [C] een passend OPP op te stellen dat voldoet aan de wettelijke vereisten en waarin wordt beschreven op welke onderdelen bij de inrichting van het onderwijs aan [C] wordt afgeweken van het normale onderwijsprogramma.

2.12.

Op 14 juli 2015 heeft de GPO het verzoek van de ouders gegrond verklaard en heeft partijen daarbij geadviseerd om in samenhang met de ondersteuningsmogelijkheden van het samenwerkingsverband en met inachtneming van het schoolprofiel een voor [C] adequaat ontwikkelingsperspectief op te stellen. In haar uitspraak heeft de GPO onder meer het volgende overwogen:

[…]

Alles overziend is de Commissie van oordeel, dat voor [C] onvoldoende op overeenstemming gericht overleg is gevoerd, gevraagde doeltreffende aanpassingen niet zijn verricht, er geen ontwikkelingsperspectief is vastgesteld en het concept ontwikkelingsperspectief inhoudelijk onvoldoende aansluit op de ondersteuningsbehoefte van [C] .

[…]

2.13.

Begin juli 2015 heeft de heer [D] (directeur van het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs) op verzoek van mevrouw [E] (rector van de school) de regie op zich genomen met betrekking tot het door de school vast te stellen OPP voor [C] .

2.14.

Na gezamenlijk overleg hebben de ouders en het samenwerkingsverband op 19 augustus 2015 definitieve overeenstemming bereikt over het OPP, versie 5.

2.15.

Op 18 juli 2015 hebben de ouders bij de leerplichtambtenaar een beroep gedaan op vrijstelling van geregeld schoolbezoek op basis van gewichtige omstandigheden. Bij besluit van 23 oktober 2015 heeft de leerplichtambtenaar te kennen gegeven geen vrijstelling te verlenen van geregeld schoolbezoek voor [C] . De ouders hebben tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

2.16.

Bij e-mailbericht van 24 augustus 2015 heeft de heer [D] laten weten dat het samenwerkingsverband een onderwijsoplossing bij een particuliere school, zoals het LUZAC, niet met middelen kan ondersteunen en dat zij enkel een oplossing kan aanbieden bij een reguliere of speciale school. Daarnaast heeft de heer [D] de ouders geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot het vinden van passend onderwijs voor [C] .

2.17.

In reactie op voormeld e-mailbericht van de heer [D] hebben de ouders diezelfde dag aan hem laten weten dat zij, anders dan de heer [D] in zijn bericht lijkt te veronderstellen, geen bezwaren hebben tegen onderwijs bij het Zernike College of Christelijke onderwijs.

2.18.

Op 26 augustus 2015 hebben de ouders een gewijzigd OPP (versie 6) ontvangen van het samenwerkingsverband.

2.19.

Op 31 augustus 2015 heeft tussen de ouders en de school een overleg plaatsgevonden. Daarbij is door het samenwerkingsverband, bij monde van de heer [D] , aangegeven dat het Zernike College tot de conclusie is gekomen dat het Zernike College als beste alternatief kan worden aangemerkt om uitvoering te geven aan het OPP.

2.20.

Op 2 september 2015 heeft het samenwerkingsverband het OPP versie 6 overgedragen aan het Zernike College. Het Zernike College heeft daarop het handelingsdeel van de OPP geschreven, dat heeft geresulteerd in OPP versie 7. O2G2 heeft vervolgens op 7 september 2015 aan de ouders verzocht om een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het OPP. Tot een afspraak in dat verband is het niet gekomen. Het Zernike College heeft vervolgens het OPP versie 7 (inclusief het handelingsdeel) op 21 september 2015 ongewijzigd vastgesteld.

2.21.

De ouders hebben op 18 september 2015, aangevuld op 14 oktober 2015, opnieuw een verzoekschrift ingediend bij de GPO, waarin zij bezwaar maken tegen het OPP 7. Volgens de ouders wijkt versie 7 van het OPP af van versie 5 van het OPP waarover partijen het eens waren en is versie 7 niet passend voor [C] en ontoereikend voor het behalen van een vwo-diploma.

2.22.

Op 14 oktober 2015 heeft het Zernike College, nadat zij de ouders van [C] tevergeefs had opgeroepen om [C] weer naar school te laten gaan, een zorgmelding gedaan bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).

2.23.

Bij advies van 17 november 2015 heeft de GPO het verzoek van de ouders gegrond verklaard en heeft partijen geadviseerd om de mogelijkheid van onderwijs aan langdurig zieke kinderen te verkennen. In het advies heeft de GPO onder meer het volgende overwogen:

In geschil is of het door de school vastgestelde opp 7 een inhoudelijk juiste weergave bevat van de benodigde aanpassingen voor het onderwijs aan [C] . Verzoekers betwisten dat en wijzen erop dat de geformuleerde aanpassingen van opp 7 aanmerkelijk afwijken van de formulering van de aanpassingen in opp 5, waarover partijen het eens waren. De school stelt daarentegen dat het slechts om een marginale aanpassing van de uitgangspunten gaat die is aangebracht om de match tussen de onderwijskundige behoeften van [C] en de onderwijskundige aanpassingen van de school te kunnen maken.

Uit het dossier en het ter zitting verhandelde leidt de Commissie af dat opp 5 een zo volledig mogelijke beschrijving bevat van de onderwijskundige behoeften van [C] . Daarover hebben verzoekers op overeenstemming gericht overleg (oogo) gevoerd met de opsteller, de directeur van het samenwerkingsverband. Bij het schrijven van het handelingsdeel heeft de school zich genoodzaakt gezien enkele uitgangspunten te herformuleren om zo tot een passend onderwijskundig aanbod voor [C] te kunnen komen.

De Commissie stelt vast dat in opp 5 de onderwijskundige behoeften van [C] juist zijn verwoord en dat opp 7 een juiste beschrijving is van de mogelijkheden van het Zernike College om onderwijskundige aanpassingen aan te brengen. Ook stelt de Commissie op basis van het dossier en het ter zitting verhandelde vast dat het door het Zernike College geschreven handelingsdeel onvoldoende voorziet in de beschreven behoefte van [C] . De Commissie komt tot deze conclusie, omdat het Zernike College zich genoodzaakt heeft gezien enkele uitgangspunten in opp 5 zodanig te herformuleren, dat daar een binnen de mogelijkheden van de school passend onderwijsaanbod bij kon worden gedaan. De Commissie wijst dan met name, maar niet uitputtend, op het ‘individueel rooster met een eigen lesprogramma en een aangepast programma van toetsing en afsluiting’ (opp 5) dat in opp 7 is gewijzigd in de mogelijkheid om ondanks parttime schoolgang en verzuim wegens ziekte een vwo-diploma te halen middels, waar mogelijk, het afleggen van reguliere examens, aangevuld met het afleggen van staatsexamens voor die vakken waarvoor een regulier examen niet haalbaar blijkt’.

Gelet op de uitgesproken bewoordingen van de ondersteuningsbehoefte van [C] (met individueel rooster en aangepast programma van toetsing en afsluiting’) zijn

- het faciliteren van uren coördinatie door het samenwerkingsverband,

- het instellen van onderzoek naar de mogelijkheden van Onderwijs aan Zieke Leerlingen

- de eventuele inzet van Klassencontact

als aanpassingen onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het aanbod van de school passend is voor de onderwijsbehoeften van [C] .

Uitgaande van de uitgangspunten uit opp 5 is het Zernike College er niet in geslaagd een aanbod te formuleren dat voorziet in de onderwijsbehoefte van [C] . Aangezien verzoekers en de opsteller van opp 5 overeenstemming hebben bereikt over deze in opp 5 beschreven onderwijsbehoefte, gaat de Commissie ervan uit dat opp 5 de reële onderwijsbehoefte van [C] weergeeft. De Commissie is daarom van oordeel dat de bezwaren van verzoekers tegen opp 7 gegrond zijn.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (de WGBH/CZ) door de inzet van doeltreffende en redelijke aanpassingen [C] passend onderwijs kan bieden. Wat doeltreffende aanpassingen zijn, moet van geval tot geval worden beoordeeld. Wanneer de aanpassingen voor de school onevenredig belastend zijn, hoeft de school deze niet te verrichten. Daarvan is in deze situatie naar het oordeel van de Commissie sprake. Als gevolg van het langdurig verzuim en het ziektebeeld van [C] is een onderwijsbehoefte geformuleerd die een zodanig individuele aanpak vraagt, dat in redelijkheid niet van de school kan worden gevraagd daarin te voorzien.

De Commissie vraagt zich af of [C] niet, net als voorheen, moet worden aangemerkt als een langdurig zieke leerling (cluster 3). De Commissie acht het niet onwaarschijnlijk dat het verkennen van de mogelijkheden van onderwijs aan langdurig zieke leerlingen vruchtbaarder zal blijken te zijn dan het verder zoeken naar een passende vorm van regulier onderwijs. In dit verband acht de Commissie het zinvol [C] zelf nauw bij deze verkenning te betrekken. Overigens brengt de aanspraak op de zorgplicht van de school voor verzoekers de plicht mee om de school adequaat te informeren over de situatie van [C] .

Dat het samenwerkingsverband geen middelen ter beschikking wenst te stellen voor het volgen van een vorm van particulier onderwijs, is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen ter zake.

2.24.

O2G2 heeft de ouders op 24 november 2015 een brief gestuurd met de volgende inhoud:

[…]

Wij nemen niet de opmerking van de commissie over dat, kort gezegd, het aanbod van het Zernike College onvoldoende beschreven is en niet passend is voor [C] . De reden dat wij dit niet overnemen is dat wij van mening blijven dat de aanpassingen in OPP 7 ten opzichte van OPP 5 marginaal zijn en voorts dat wij van mening blijven dat het Zernike College de best passende plek van waaruit een onderwijstraject voor [C] geregeld kan worden. Het samenwerkingsverband heeft dat ook onderzocht en met zoveel woorden aangegeven. De commissie oordeelt dat dit niet voldoet aan de behoeften van [C] .

De commissie vervolgt door te oordelen dat in deze situatie de aanpassingen voor de school onevenredig belastend zijn zodat zij deze niet hoeft te verrichten. Het advies van de commissie om de mogelijkheid van onderwijs aan langdurig zieke kinderen te verkennen nemen wij dan ook over.

In het licht van het voorgaande liggen er thans een aantal opties voor die wij graag mondeling met u zouden willen verkennen. Wij hebben de heer [D] , […], gevraagd de mogelijkheden samen met de school te verkennen. Hieronder begrepen het voorstel van Timpaan zoals reeds door u ontvangen.

[…]

2.25.

In reactie op voormelde brief van O2G2 heeft de toenmalige advocaat van [B] c.s. bij brief van 17 december 2015 gemeld dat er een patstelling is ontstaan, nu O2G2 de ondersteuningsbehoefte van [C] miskent. Verder is in de brief verwoord dat onderwijs voor langdurig zieke leerlingen binnen het regulier onderwijs onevenredig bezwarend blijkt vanwege de gevraagde doeltreffende aanpassingen voor [C] en dat er binnen een redelijke afstand van het ouderlijk huis geen school voor speciaal onderwijs is die passend is bij de hoogbegaafdheid van [C] . Daarom wordt in het vervolg van de brief door [B] c.s. aan O2G2 een zorgarrangement voorgesteld met OPP versie 5 als basis. Een uitwerking daarvan is als bijlage 3 bij de brief gevoegd.

2.26.

Bij brief van 23 december 2015, waarvan een afschrift is verstuurd naar de leerplichtambtenaar, heeft O2G2 aan [B] c.s. gemeld dat zij in navolging van het advies van de GPO de heer [D] van het Samenwerkingsverband heeft benaderd en dat de heer [D] [C] en [B] c.s. tevergeefs heeft uitgenodigd om de mogelijkheden voor onderwijs aan langdurig zieke leerlingen te verkennen, waaronder de optie van een zorgarrangement. O2G2 heeft [B] c.s vervolgens opnieuw uitgenodigd om met het Samenwerkingsverband in gesprek te gaan over de wijze waarop een onderwijszorgarrangement gerealiseerd kan worden.

2.27.

Nadien heeft tussen partijen over en weer correspondentie plaatsgevonden. Een gesprek over de onderwijsmogelijkheden heeft niet plaatsgevonden. Tot op heden krijgt [C] geen onderwijs.

2.28.

[B] c.s. hebben Feniks Talent benaderd. Feniks Talent is een organisatie die leerlingen met een hoog ontwikkelingspotentieel begeleidt door middel van dagbesteding en de mogelijkheid tot het volgen van (afstands)onderwijs. Bij e-mailbericht van 21 januari 2016 heeft de directeur van Fenix Talent aan [B] c.s. laten weten dat Fenix Talent in beginsel uitvoering kan geven aan het door hen gewenste zorgarrangement.

3 Het geschil

3.1.

[B] c.s. vorderen samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om O2G2:

I. primair:

te veroordelen om voor [C] in zowel feitelijke als financiële zin mogelijk te maken de door [B] c.s. voorgestelde, bij Feniks Talent uit te voeren, passende onderwijsoplossing, inhoudende:

  1. het creeren van een passend onderwijszorgarrangement voor [C] ;

  2. waarbij een passende maatwerkoplossing is gebaseerd op de reële ondersteuningsbehoefte van [C] (OPP versie 5), dat wordt opgenomen in een op [C] 's ondersteuningsbehoefte gebaseerd ontwikkelingsperspectief (OPP versie 5), waarin een doorgaande leerlijn voor [C] wordt gegarandeerd en thuisinstructie mogelijk is wanneer nodig;

  3. waarbij zij tijdelijk dagbesteding volgt, gericht op terugkeer in een passende onderwijssetting;

  4. waarbij het uitstroomprofiel wetenschappelijk onderwijs is, en

  5. zij ook na het behalen van de leeftijd van 18 jaar in de gelegenheid wordt gesteld haar VWO-diploma te behalen;

zoals nader beschreven in bijlage 3 bij de brief van 17 december 2015 van [B] c.s. aan O2G2;

subsidiair:

te veroordelen om voor [C] in zowel feitelijke als financiële zin mogelijk te maken de door [B] c.s. voorgestelde, bij Feniks Talent uit te voeren, passende onderwijsoplossing, inhoudende:

  1. het creëren van een passend onderwijszorgarrangement voor [C] ;

  2. waarbij een passende maatwerkoplossing is gebaseerd op de reële ondersteunlngsbehoefte van [C] (0PP versie 5), dat wordt opgenomen in een op [C] ’s ondersteuningsbehoefte gebaseerd ontwikkelingsperspectief (OPP versie 5), waarin een doorgaande leerijn voor haar wordt gegarandeerd en thuisinstructie mogelijk is wanneer nodig;

  3. waarbij zij tijdelijk dagbesteding volgt, gericht op terugkeer in een passende onderwijssetting;

  4. waarbij het uitstroomprofiel wetenschappelijk onderwijs is, en

  5. zij ook na het behalen van de leeftijd van 18 jaar in de gelegenheid wordt gesteld haar VWO-diploma te behalen;

  6. waarbij materiaal en expertise voor afstandsonderwijs wordt ingehuurd, bij voorkeur middels IVIO-pakketten;

  7. per vak wordt omgezien naar een geschikte onderwijsvorm, een geschikte aanbieder en een voor [C] geschikt moment;

  8. voor [C] een aangepast PTA wordt vastgesteld en de mogelijkheid om toetsen flexibel af te nemen of bij particuilere Instellingen of middels staatsexamens af te nemen;

  9. inhuur van expertise voor begeleiding van vakken wanneer de flexibiliteit voor [C] dit vereist;

meer subsidiair:

te veroordelen tot het voeren van op overeenstemming gericht overleg

over onderwijs aan [C] met als vaststaande uitgangspunten;

  1. [C] is op dit moment ziek en niet belastbaar;

  2. er is eerst een dagbestedingstraject noodzakelijk voordat zij onderwijs kan krijgen;

  3. de behoeften van [C] zijn weergegeven in OPP 5 en O2G2 is gehouden een bekostigde maatwerkoplossing aan te bieden;

  4. het onderwijs moet zodanig worden ingericht dat continu rekening kan worden gehouden met haar beperkte lichamelijke belastbaarheid maar tevens optimaal gebruik wordt gemaakt van haar bovengemiddelde intelligentie en leervermogen;

  5. inschakelen van speciaal onderwijs is niet passend voor [C] voor zover dit geen uitzicht biedt op een VWO-diploma;

II. te veroordelen zich te onthouden van “ongeoorloofd verzuimmeldingen” aan de leerplichtambtenaar en eerder gedane “ongeoorloofd verzuimmeldingen” aan de leerplichtambtenaar om te zetten in “geoorloofd verzuimmeldingen”;

III. te veroordelen eerder gedane zorgmelding (productie 23) aan het CJG te betitelen als de communicatiestoring die het is en als zorgmelding te herroepen;

IV. een dwangsom op te leggen van € 1.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat zij nalaat overeenkomstig dit vonnis te handelen;

V. te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

O2G2 voert verweer.

4 De beoordeling

4.1.

In navolging van partijen gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat hij "absoluut" bevoegd is van deze zaak kennis te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is gevorderd enige beoordeling van de uitspraak van de Geschillencommissie Passend Onderwijs van 17 november 2015. Nu beide partijen geen bezwaren hebben aangevoerd tegen de overwegingen en de beslissing van genoemde commissie, en de voorzieningenrechter evenmin bedenkingen heeft bij deze overwegingen en beslissing, merkt de voorzieningenrechter genoemde uitspraak van de Geschillencommissie aan als inhoudelijk juiste beslissing. Gelet op de centrale plaats die de commissie en haar uitspraken blijkens art. 27c Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter het thans aan hem voorgelegde geschil mede vanuit het perspectief dat de uitspraak van 17 november 2015 biedt.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat er voor [C] zo snel als mogelijk een passende plek binnen het onderwijs moet worden gerealiseerd. In dit kort geding ligt met name de vraag voor of O2G2 gehouden kan worden uitvoering te geven aan het door [B] c.s. gewenste zorg-arrangement bij Feniks Talent dan wel of O2G2 gehouden kan worden om met hen een op overeenstemming gericht overleg te voeren met de door hen geformuleerde uitgangspunten.

4.4.

Voor de beantwoording van voormelde vraag geldt als wettelijk kader de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) (waarvan de Wet passend onderwijs (Wpo) sinds augustus 2014 deel van uitmaakt), het Inrichtingsbesluit Wvo en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ).

4.5.

In artikel 17b van de Wvo is in de eerste volzin het volgende bepaald:

Ten aanzien van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, is het onderwijs gericht op individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerling.

4.6.

Artikel 26 van de Wvo luidt - voor zover relevant - als volgt:

1. Het bevoegd gezag stelt nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders een ontwikkelingsperspectief vast:

a. voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven, voor zover het betreft leerlingen die voorbereidend beroepsonderwijs, middelbaar of hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgen, […]

[…]

4. Nadat op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de ouders kan het bevoegd gezag het ontwikkelingsperspectief bijstellen.

4.7.

In het eerste lid van artikel 15c van het Inrichtingsbesluit Wvo is het volgende bepaald:

1. Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 26 van de wet, bevat ten minste informatie over naar welk vervolgonderwijs, en indien het een leerling betreft die praktijkonderwijs volgt naar welke soort arbeid uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan.

4.8.

In artikel 2 WGBH/CZ is het volgende bepaald:

Het verbod van onderscheid houdt mede in dat degene, tot wie dit verbod zich richt, gehouden is naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor hem een onevenredige belasting vormen.

4.9.

Vaststaat dat partijen overeenstemming hebben over de ondersteuningsbehoefte van [C] als geformuleerd in het OPP versie 5. Ook zijn partijen het er echter over eens dat het Zernike College, van welke school [C] thans leerling is, in redelijkheid niet in staat is in de ondersteuningsbehoefte van [C] zoals geformuleerd in het OPP versie 5 te voorzien.

4.10.

Uit de Memorie van Toelichting op de Wpo (TK 2011-2012, 33106, nr. 3: hierna MvT) volgt dat er een zorgplicht is ingevoerd voor de bevoegde gezagsorganen voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte. Op pagina 11 van de MvT is in dit verband het volgende opgenomen:

De zorgplicht

De invoering van passend onderwijs betekent dat wanneer ouders hun kind dat extra ondersteuning behoeft op een bepaalde school aanmelden, deze school de taak heeft dit kind een zo goed mogelijke plek in het onderwijs te bieden. Als de school zelf geen passend onderwijs kan bieden, heeft de school de verantwoordelijkheid om een zo goed mogelijke plek op een andere school aan te bieden. Ouders hoeven op deze manier niet zelf alle scholen af om een plek voor hun kind te vinden.

4.11.

Uit deze toelichting volgt dat O2G2, indien zij zelf geen passend onderwijs kan bieden, gehouden is om [C] een zo passend mogelijke plek op een andere school aan te bieden. Over dit punt zijn partijen verdeeld.

4.12.

Hoewel OPP versie 5 niet kan worden uitgevoerd door het Zernike College, meent O2G2 dat OPP versie 7, dat volgens haar slechts marginaal afwijkt van OPP versie 5 en wel door het Zernike College kan worden uitgevoerd, ook als (zo) passend (mogelijk) onderwijs voor [C] kan worden aangemerkt. Desalniettemin is O2G2 bereid om met [B] c.s. in overleg te gaan over een zorgarrangement op een andere plek.

4.13.

Met de primaire en subsidiaire vorderingen wensen [B] c.s. te bewerkstelligen dat het door hun bij brief van 17 december 2015 (in bijlage 3) voorgestelde zorgarrangement, dat zij als passend voor [C] zien, wordt uitgevoerd door Feniks Talent.

4.14.

O2G2 heeft ten aanzien van de primaire en subsidiaire vorderingen als verweer gevoerd dat de Wpo haar enkel verplicht passend onderwijs aan te bieden en zij niet gehouden is te voorzien in zorg, zoals een dagbesteding, voor [C] . Voorts stelt O2G2 dat Feniks Talent geen op basis van de Wvo erkende onderwijsorganisatie is en dat de ondersteuning die deze organisatie biedt ten laste van de Jeugdwet dan wel Wmo 2015 komt en dus wordt bekostigd via de gemeente. Volgens O2G2 miskennen [B] c.s. met bedoelde vorderingen bovendien de noodzakelijke betrokkenheid van de gemeente als uitvoerder van de Jeugdwet en de Wmo. Daarbij stelt O2G2 ook dat het volgen van particulier onderwijs niet valt binnen het door het Rijk bekostigde stelsel en O2G2, die enkel de beschikking heeft over Rijksbekostiging voor (regulier of speciaal) onderwijs, dergelijk onderwijs aldus niet financieel kan/mag faciliteren. Ook geeft O2G2 aan dat de vorderingen zowel uitvoering van OPP versie 5 als een dagbesteding omvat, terwijl deze twee gezien de inhoud niet tegelijkertijd kunnen worden uitgevoerd.

4.15.

[B] c.s. hebben niet, althans niet gemotiveerd betwist dat uitvoering van het door hun gevorderde zorgarrangement bij Feniks Talent niet valt binnen het bekostigde stelsel en het voor O2G2 daarom niet, althans niet zonder aanvullende financiering en medewerking van de gemeente, mogelijk is om Feniks Talent uitvoering te laten geven aan het door [B] c.s. gewenste zorgarrangement. Dat de aan O2G2 ter beschikking gestelde Rijksbekostiging (nog) niet is bestemd voor een passende onderwijsoplossing bij instellingen die geen onderdeel uitmaken van het bekostigde stelsel volgt ook uit de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 november 2015 (Kamerstuk 34 000 VIII, nr. 35, pagina 4). Alleen al om deze reden komen de primaire en de subsidiaire vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.

4.16.

Ter zitting hebben [B] c.s. aangegeven dat met de primaire en subsidiaire onderdelen van het onder I gevorderde wordt beoogd te bewerkstelligen dat de school meewerkt aan de bij Feniks Talent uit te voeren onderwijsoplossing; bedoeld wordt, aldus [B] c.s., dat de school zich moet inspannen om te bereiken dat de gemeente deze oplossing betaalt. Ook een veroordeling zoals hier omschreven kan evenwel niet worden uitgesproken, omdat (1e) het gevorderde zowel de uitvoering van OPP versie 5 als dagbesteding (een zorgcomponent) omvat, terwijl deze begripsmatig niet tegelijkertijd kunnen worden uitgevoerd en (2e) van O2G2 niet kan worden gevergd dat zij verantwoordelijkheid draagt voor het (opstarten van) zorg voor [C] , terwijl [B] c.s. (zie hierna onder 4.18) O2G2 onvoldoende gelegenheid hebben geboden om vast te stellen welke zorg noodzakelijk is.

4.17.

Meer subsidiair vorderen [B] c.s. om O2G2 te veroordelen tot het voeren van een op overeenstemming gericht overleg omtrent passend onderwijs voor [C] waarbij zij een aantal uitgangspunten hebben geformuleerd.

4.18.

O2G2 heeft in dit verband te kennen dat zij altijd bereid is geweest tot overleg en dat dit in haar ogen ook zeer urgent en noodzakelijk is. Aangezien zij echter gedurende een jaar geen contact meer met [C] heeft gehad, stelt zij dat zij zich geen oordeel kan vormen over de door [B] geformuleerde uitgangspunten.

4.19.

De meer subsidiaire vordering kan evenmin worden toegewezen. O2G2 en de school zijn bereid om “op overeenstemming gericht overleg” als bedoeld in art. 26 Wvo met [B] c.s. te voeren; in zoverre is het gevorderde een open deur. O2G2 wenst evenwel dat overleg niet te voeren op basis van de door [B] c.s. geformuleerde uitgangspunten; gelet op de uitspraak van de GPO van 17 november 2015, is dat standpunt van O2G2 niet onterecht. Het komt er op neer dat [B] c.s. zich in de gegeven omstandigheden moeten schikken, in plaats dat anderen regels en mogelijkheden moeten negeren om hen ter wille te zijn.

4.20.

Voorts hebben [B] c.s. gevorderd om O2G2 te veroordelen zich te onthouden tot het doen van ongeoorloofde verzuimmeldingen aan de leerplichtambtenaar en om eerder gedane ongeoorloofde verzuimmeldingen aan de leerplichtambtenaar ongedaan te maken. De voorzieningenrechter overweegt in verband met deze vordering dat [B] c.s. geen gevolg hebben gegeven aan het verzoek van O2G2 om na de totstandkoming van OPP 7 een op overeenstemming gericht overleg te voeren. Door vervolgens het voorgestelde OPP 7 ongewijzigd vast te stellen, heeft O2G2 gehandeld overeenkomstig hetgeen ingevolge de Wvo van haar wordt verwacht. Nu er een ontwikkelingsperspectief voor handen was waarin zo veel mogelijk door de school is voorzien in de behoeften van [C] , was er in dat opzicht geen reden om [C] niet naar school te laten gaan. In het licht van het voorgaande kan voorshands niet worden geoordeeld dat O2G2, die op grond van de Leerplichtwet verplicht is melding te doen aan de leerplichtambtenaar van verzuim zonder geldige reden, ten onrechte een ongeoorloofd verzuimmelding heeft gedaan bij de leerplichtambtenaar. Deze vordering komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.21.

Ook hebben [B] c.s. gevorderd om O2G2 te veroordelen de gedane zorgmelding aan het CJG te herroepen. Uit artikel 7.1.4.1. van de Jeugdwet volgt dat O2G2 een melding bij het CJG kan doen indien de jeugdige veelvuldig van school verzuimt (sub e) en zij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige daardoor in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd. Vaststaat dat [C] sinds het begin van 2015 - dus ook na het terecht vaststellen van het OPP 7 - niet op school is geweest. Daar komt bij dat [B] c.s. niet in overleg gaan met O2G2, om de bij O2G2 ontstane en door haar geuite zorgen over de ontwikkeling van [C] weg te nemen en om tot een oplossing voor de ontstane kwestie te komen. In dit licht kan voorshands dan ook niet worden geconcludeerd dat de zorgmelding bij CJG ten onrechte door O2G2 is gedaan en deze moet worden herroepen. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [B] c.s. in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Aan de zijde van O2G2 worden deze kosten begroot op € 619,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris voor de advocaat, aldus op een totaalbedrag van € 1.435,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [B] c.s. in de kosten van dit geding, aan de zijde van O2G2 tot op heden begroot op € 1.435,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2016.1

1 type: mb coll: