Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1633

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
4736851 AR VERZ 16-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Lage billijke vergoeding na ten onrechte ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1073
RAR 2016/170
AR-Updates.nl 2016-0394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummers: 4736851 AR VERZ 16-4 en 4739916 AR VERZ 16-10

beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:681 BW d.d. 6 april 2016

[verzoekster]

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. E.C.M. Roelvink

tegen

de besloten vennootschap [verweerster]

gevestigd te [vestigingsplaats verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.T. Slofstra

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerster] worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.1.

[verzoekster] heeft bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 8 januari 2016

- samengevat weergegeven - primair verzocht om [verweerster] binnen twee dagen na de beschikking te veroordelen tot:

a. a) betaling van een billijke vergoeding ad € 85.000,00 bruto;

b) betaling van de transitievergoeding ad € 26.860,00 bruto;

c) betaling van een bedrag ad € 15.646,50 bruto bestaande uit het achterstallig salaris over de periode 1 tot 8 december 2015 inclusief vakantiegeld vermeerderd met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging gelijk aan het loon over de opzegtermijn;

d) het opmaken van de eindafrekening en betaling van hetgeen op grond van de eindafrekening is verschuldigd, waaronder onder meer de (vijf) openstaande vakantiedagen;

e) betaling van de maximale wettelijke verhoging over de onder sub c en d gevorderde bedragen;

f) verstrekking van schriftelijke en deugdelijke bruto-netto specificaties waarin de bedragen en betalingen van sub a tot en met e zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van

€ 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;

g) betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

h) betaling van de proceskosten, een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand ad € 10.000,00 ex BTW daarbij inbegrepen;

i. i) betaling van de wettelijke rente over de onder sub a tot en met e genoemde bedragen.

1.1.2.

Subsidiair heeft [verzoekster] - samengevat weergegeven - verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerster] binnen twee dagen na de beschikking te veroordelen tot:

a. a) nakoming van de afspraken volgend uit de vaststellingsovereenkomst van 24 augustus 2015;

b) betaling van de maximale wettelijke verhoging over het onder sub a gevorderde;

c) verstrekking van schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties waarin de bedragen en betalingen van sub a en b zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag en met een maximum van € 10.000,00;

d) betaling van de wettelijke rente over de onder sub a en b genoemde bedragen;

e) betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

f) betaling van de proceskosten, een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand ad € 10.000,00 ex BTW daarbij inbegrepen.

1.2.

[verweerster] heeft op 28 januari 2016 een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 10 februari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder besproken is. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen beiden nog stukken toegezonden.

1.4.

De behandeling is ter zitting aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen overleg te plegen. Na een tweemaal verleend uitstel hebben partijen bij schrijven van 2 maart 2016 bericht dat zij niet tot een regeling zijn gekomen en hebben zij de kantonrechter verzocht alsnog een beschikking te wijzen.

1.5.

De beschikking is hierop bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een klein advocatenkantoor dat zich richt op ondernemers.

De heer [directeur verweerster] (hierna: [directeur verweerster] ) en de heer [voormalig directeur verweerster]

(hierna: [voormalig directeur verweerster] ) waren vanaf 2006 beiden directeur van het kantoor.

In 2014 is [directeur verweerster] afgetreden als statutair directeur. Vanaf die tijd was

[voormalig directeur verweerster] alleen directeur van het kantoor.

2.2.

[verzoekster] , geboren op 9 augustus 1959, is op 1 juli 1995 in dienst getreden bij [verweerster] . De laatste functie die zij vervulde, is die van office manager, met een salaris van € 2.897,50 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag op basis van een dienstverband van 34 uur per week.

2.3.

[verzoekster] heeft de eerste jaren van haar dienstverband als secretaresse voor

[directeur verweerster] gewerkt. Sinds 2010 werkte zij voor [voormalig directeur verweerster] .

2.4.

In de loop der jaren zijn de verhoudingen tussen [directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] verslechterd. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat zij in het najaar van 2015 afspraken hebben gemaakt om hun samenwerking te beëindigen. [voormalig directeur verweerster] is in november 2015 bij het kantoor vertrokken. Sinds 17 december 2015 is [directeur verweerster] weer directeur van het kantoor.

2.5.

[verweerster] heeft [verzoekster] in november 2015 een vaststellingsovereenkomst met de datum 24 augustus 2015 aangeboden ter beëindiging van haar dienstverband per 24 december 2015. [voormalig directeur verweerster] heeft de onderhandelingen hiertoe namens [verweerster] gevoerd en de vaststellingsovereenkomst getekend. [verzoekster] heeft deze vaststellingsovereenkomst ook getekend.

In deze vaststellingsovereenkomst staat onder meer het volgende vermeld:

"(…) In aanmerking nemende dat:

- Werkgeefster heeft de laatste tijd in toenemende mate moeten ervaren dat er tussen haar en werkneemster een verschil van inzicht bestaat omtrent de invulling en vervulling door werkneemster van haar functie, in het licht van het door werkgeefster gevoerde beleid;

(…)

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt: (…)

2. Dat de arbeidsovereenkomst per 24 december 2015 zal zijn beëindigd;

3. Dat bij einde van het dienstverband regulier zal worden afgerekend. (…);

4. Dat aan werkneemster een transitievergoeding ad in totaal € 5.795,00 bruto toekomt in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

5. De aanspraak op de hiervoor genoemde transitievergoeding vervalt in zijn geheel indien sprake is van een dringende reden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst voor de in artikel 2 genoemde beëindigingsdatum eindigt. (…)".

2.6.

Op 8 december 2015 heeft [verweerster] [verzoekster] op staande voet ontslagen. In haar brief van die datum vermeldt [verweerster] onder meer:

"(…) U heeft indertijd uw e-mailbox gewist. De e-mailbox van [voormalig directeur verweerster] is gebleven. Daarmee is mij het volgende gebleken. U heeft steevast meegedeeld dat u nooit iets uit eigener beweging heeft gedaan, altijd op aangeven van de voormalig directeur [voormalig directeur verweerster] . Onderzoek in de mailbox van [voormalig directeur verweerster] heeft recentelijk uitgewezen dat deze mededeling onjuist is. U heeft zelf bedacht. Een en ander blijkt met name uit bijgaande mail van u zelf van 29 april 2015 aan [voormalig directeur verweerster] omtrent de kosten van het serviesgoed. Uit eigener beweging boekt u eerst maar op de paasaankleding, vervolgens op kantinekosten, uiteindelijk is het geboekt over verschillende grootboekrekeningen. Dit is niet op instructie van [voormalig directeur verweerster] gebeurd. Dit heeft u zelf bedacht en verzonnen. (…) Deze gedraging(en) niet alleen in onderlinge samenhang en in onderling verband bezien, doch ook afzonderlijk van elkaar rechtvaardigen het ontslag op staande voet. (…) Voor de goede orde meld ik u ook dat de vaststellingsovereenkomst (…) teniet wordt gedaan. (…)".

2.7.

De in de ontslagbrief genoemde "bijgaande mail van 29 april 2015" betreft een

e-mail van [verzoekster] aan [voormalig directeur verweerster] waarin het volgende staat vermeld:

"Ik had deze eerst geboekt op iets van paasaankleding, tot ik me net op tijd bedacht, dat het al lang pasen was geweest. Ik had het dus maar op kantinekosten gezet als div. serviesgoed, bestek, etc..Maar ook dat ging niet, omdat als het bedrag hoger is dan € 750,-- ik het op inventaris moet boeken. Dus uiteindelijk € 430,-- op algemene kosten, en dan zoiets van div. kantooraankleding, en het restant op kantinekosten serviesgoed, bestek e.d..Een kwestie dus van de dood of de gladiolen . We zullen het wel merken."

2.8.

Bij e-mail van 18 december 2015 heeft [verzoekster] zich per die datum ziek gemeld bij [verweerster] .

2.9.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de heer [accountant] , accountant van [accountantskantoor] , [directeur verweerster] het volgende bericht:

"(…) Je weet dat ik waarde hecht aan het eerlijk open en oprecht optreden als accountant. (…) Er is door mijn kantoor een onderzoek ingesteld naar de uitgaven over de jaren 2013, 2014 en 2015 t/m juli/augustus. Hierbij zijn alle facturen, bonnetjes, declaraties, kosten op zijn merites beoordeeld, alsmede is de zakelijkheid hiervan getoetst, zulks op uw verzoek. (…) Vervolgend op de verificatie van de respectievelijke facturen etc. is er een lijst opgesteld met een splitsing tussen de uitgaven voor kantoor, respectievelijk [directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] . (…) De constatering was dat beide partijen privé-uitgaven via de bankrekening van [verweerster] lieten lopen, zij het dat de onttrekkingen van [voormalig directeur verweerster] een veelvoud was van de uitgaven van [directeur verweerster] . De lijsten zijn partijen bekend. De boekhouding werd bijgehouden door mevrouw [verzoekster] . Uit een aantal Mailwisselingen tussen haar en de leveranciers geeft zij aan, dat er privéhandelingen van [voormalig directeur verweerster] zakelijk gefactureerd dienen te worden. (…) Op uw verzoek heb ik op 13 november 2015 een bespreking over deze vorm van inboeken gehad met mevrouw [verzoekster] . Zij gaf aan geen boekhoudkundige kennis te hebben, doch slechts een trucje geleerd te hebben nl. het inboeken, de consequenties en de gevolgen van deze boekingen ontging haar. Verder gaf zij aan, dat beide partijen betalingen verrichten via de bv-rekeningen o.a. de loonbelasting van uw Cadans bv. Ik heb haar verteld, dat deze betalingen dan worden verwerkt als aflossing van de lening, die Cadans aan [verweerster] heeft ter financiering van [verweerster] bv. Volgens haar was dit nu duidelijk, doch voor haar een nieuw feit. Ik zie niet hoe ik hard zou kunnen maken dat [verzoekster] dit willens en wetens heeft gedaan om [voormalig directeur verweerster] in de gelegenheid te stellen om jou financieel te benadelen. (…) Ik ben het met je eens, dat je onrecht is aangedaan. Dit onrecht is je echter aangedaan door [voormalig directeur verweerster] , voor mij is nog niet overtuigend vast komen te staan dat [verzoekster] bewust hierin heeft bijgedragen om jou onrecht aan te doen of dat zij gewoon gebruikt is door [voormalig directeur verweerster] . Een verklaring door mij op te laten stellen, waarin ik verklaar dat [verzoekster] [voormalig directeur verweerster] bewust heeft geholpen om jou te benadelen, lijkt mij niet gepast zonder gedegen onderzoek. (…)".

2.10.

In een brief van 27 januari 2016 heeft voornoemde accountant onder meer nog verklaard:

"(…) U heeft ons gevraagd om een toelichting te geven op een aantal feiten omtrent de administratie van mr. [verweerster] (…) Daarbij is gebleken dat over de jaren 2013, 2014 en 2015 (tot augustus) privé-uitgaven van de heer [voormalig directeur verweerster] door de administratrice, mevrouw [verzoekster] , onder zakelijke kosten van [verweerster] waren ingeboekt, zodat ze als zakelijke kosten in de boekhouding verwerkt werden en niet werden aangeduid als privé-uitgaven om via zijn rekening-courant als privé-uitgaven verantwoord te worden. (…)"

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] betwist - samengevat weergegeven - dat de door [verweerster] genoemde gedragingen die zij ten grondslag heeft gelegd aan het aan haar gegeven ontslag op staande voet een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 en 7:678 BW oplevert en stelt daarnaast dat het ontslag niet onverwijld gegeven is. [verzoekster] stelt onder verwijzing naar verklaringen van [voormalig directeur verweerster] , dat zij altijd op zijn instructie en nooit op eigen initiatief heeft gehandeld. [verzoekster] stelt tevens - onder verwijzing naar diverse voorbeelden - dat zij zowel in opdracht van [directeur verweerster] als van [voormalig directeur verweerster] boekingen heeft verricht en dat het binnen het bedrijf duidelijk was dat privé aankopen - op instructie van de desbetreffende directeur - zakelijk werden geboekt. [verzoekster] benadrukt hierbij dat de handelingen die zij voor [voormalig directeur verweerster] heeft verricht, niet afweken van de handelingen die zij eerder voor [directeur verweerster] heeft verricht. Nu zij het idee had dat beide heren liquiditeiten uit de vennootschap haalden, zag zij niet in waarom dit later door [directeur verweerster] ten aanzien van de boekingen betreffende [voormalig directeur verweerster] als fout zou worden bestempeld. Het nu bovendien door [verweerster] stellen dat zij dit op eigen houtje heeft gedaan, vindt [verzoekster] misplaatst.

[verzoekster] acht het gegeven ontslag vernietigbaar. Omdat [verweerster] [verzoekster] echter op dusdanige wijze heeft behandeld dat het voor haar onmogelijk is om nog terug te keren naar de werkvloer en zij hiervan ook ziek geworden is, verzoekt zij primair betaling van de billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW en doet zij subsidiair een beroep op de vernietiging van het ontslag. [verzoekster] heeft het idee dat zij vermorzeld is in de ruzie tussen

[directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] en zij acht het ontslag na 20 jaar trouwe en loyale dienst onterecht en uiterst beschadigend.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] concludeert - samengevat - primair tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. [verweerster] voert naar aanleiding van de stellingen van [verzoekster] aan dat [directeur verweerster] de bedrijfsvoering via Cadans Beheer & Management B.V. financierde en het daarnaast binnen het bedrijf gebruikelijk was dat beide aandeelhouders kleine uitgaven en de auto ten laste van de vennootschap brachten. [verweerster] geeft aan dat deze uitgaven jaarlijks werden verrekend en de grotere uitgaven van [directeur verweerster] /Cadans werden verrekend op de kapitaalrekening. Onder verwijzing naar diverse voorbeelden stelt [verweerster] dat er in dit verband een verschil ontstond ten aanzien van de privé uitgaven van [voormalig directeur verweerster] ten opzichte van die van [directeur verweerster] en dat bleek dat [voormalig directeur verweerster] in de loop der jaren steeds grotere privé uitgaven voor zijn eigen huishouding, die van zijn moeder en zijn nieuwe gezin ten laste van de vennootschap als zakelijke uitgaven had gepresenteerd. Toen [verweerster] hier in het najaar van 2015 achter kwam heeft zij een onderzoek ingesteld en gesprekken met [verzoekster] gevoerd.

Uit vervolgens ingesteld nader onderzoek naar berichten uit de mailbox van [voormalig directeur verweerster] bleek, aldus [verweerster] , dat [verzoekster] bij de boekingen van [voormalig directeur verweerster] niet slechts in opdracht van [voormalig directeur verweerster] heeft gehandeld, maar ook zelfstandig en/of samen met

[voormalig directeur verweerster] . Deze bevindingen vormden voor [verweerster] aanleiding voor het ontslag op staande voet. Dat [verzoekster] veelvuldig zelfstandig heeft gehandeld en hiervoor door

[voormalig directeur verweerster] ook werd beloond (in de vorm van onder meer sieraden, wijn en kleding), blijkt volgens [verweerster] voldoende uit de bij de ontslagbrief gevoegde e-mail van 29 april 2016 alsmede uit de nadien door haar overgelegde e-mailberichten waarvan zij diverse voorbeelden in haar verweerschrift en ter zitting heeft benoemd. Omdat [verweerster] de gedraging genoemd in de e-mail van 29 april 2015 pas op 7 december 2015 na nader onderzoek heeft geconstateerd, betwist zij dat het ontslag niet onverwijld gegeven zou zijn. [verweerster] houdt [verzoekster] bovendien aansprakelijk voor de bij haar opgetreden schade en zij betwist dat [verzoekster] op negatieve wijze betrokken is geraakt in de overeenkomst tussen [directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] .

4.2.

Voor het geval de kantonrechter het ontslag toch vernietigd, verzoekt [verweerster] voor recht te verklaren dat de vaststellingsovereenkomst van 24 augustus 2015 geldig is en de hierin vastgelegde rechtsgevolgen per die datum in werking zijn getreden. Bij een toekenning van bedragen, verzoekt [verweerster] de wettelijke rente en wettelijke verhoging niet toe te kennen, althans deze te matigen. [verweerster] betwist daarnaast ook de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten en de vergoeding van proceskosten. [verweerster] verzoekt de kantonrechter ten slotte een in goede justitie te bepalen regeling vast te leggen voor wat betreft de datum einde dienstverband en daarbij te bepalen dat aan [verzoekster] geen transitievergoeding en/of billijke vergoeding toekomt.

5. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hieronder nader ingegaan.

6 De beoordeling

6.1.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat nu het verzoek binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd ter griffie is ontvangen, [verzoekster] haar verzoek tijdig heeft ingediend.

6.2.

Kern van het geschil is of met het door [verweerster] aan [verzoekster] op 8 december 2015 op staande voet gegeven ontslag sprake is geweest van een rechtsgeldig gegeven ontslag.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling hiervan voorop dat het ontslag op staande voet een uiterst middel is en dat het slechts mag worden gegeven als van de werkgever op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Verder geldt dat de dringende reden onverwijld aan de werknemer moet worden meegedeeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is aan het laatste vereiste niet voldaan en kan met het door [verweerster] op

8 december 2015 aan [verzoekster] gegeven ontslag niet gesproken worden van een onverwijlde opzegging, als bedoeld in artikel 7:677 BW.

6.3.

De kantonrechter acht hiertoe het volgende redengevend. Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat de tussen [directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] ontstane problemen dusdanig hoog zijn opgelopen dat zij in november 2015 hebben besloten uit elkaar te gaan. Vast staat in dit verband dat [verzoekster] op dat moment een vaststellings-overeenkomst is aangeboden ter beëindiging van haar dienstverband per 24 december 2015 en dat [voormalig directeur verweerster] deze overeenkomst uitonderhandeld en getekend heeft namens [verweerster] . De kantonrechter leidt uit de stukken en stellingen van partijen (ter zitting) af dat de reden voor het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst met [verzoekster] ook was gelegen in de tussen [directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] ontstane problemen. [verweerster] heeft ter zitting nader verduidelijkt dat hoewel zij er op dat moment al van op de hoogte was dat [verzoekster] verschillende malen privéboekingen van [voormalig directeur verweerster] als zijnde zakelijke had afgeboekt, zij op dat moment nog in de veronderstelling was dat [verzoekster] dit enkel in opdracht van [voormalig directeur verweerster] had gedaan en daarom nog het voordeel van de twijfel van [verweerster] kreeg. Toen [verweerster] vervolgens op 7 december 2015 na onderzoek in de e‑mailbox van [voormalig directeur verweerster] op de bewuste e-mail van [verzoekster] van 29 april 2015 stuitte, was het - zo begrijpt de kantonrechter [verweerster] - voor [verweerster] duidelijk dat [verzoekster] ook zelfstandig had gehandeld en was dit voor haar de reden om haar de dag erop - op 8 december 2015 - op staande voet te ontslaan. Nu uit de door [verweerster] overgelegde brief van haar accountant van 14 januari 2016 echter blijkt dat de account reeds op 13 november 2015 een bespreking met [verzoekster] heeft gehad en zij hem tijdens dit gesprek ook heeft toegelicht op welke wijze zij de boekhouding deed, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk geworden dat [verweerster] daar in ieder geval vanaf die datum ook van op de hoogte was. De accountant heeft het gesprek met [verzoekster] immers op verzoek van [verweerster] gevoerd en [verzoekster] heeft - aldus de accountant - in dit gesprek duidelijk aangegeven dat zij "een trucje had geleerd, nl. het inboeken." Waarom [verweerster] vervolgens tot 8 december 2015 heeft gewacht met het door haar gegeven ontslag is door [verweerster] onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Dat de reden hiervoor het nader onderzoek in de e-mailbox van [voormalig directeur verweerster] was, ligt gelet op de uitkomst van het gesprek met de accountant niet in de rede. Dat uit de aan het ontslag ten grondslag liggende e-mail van 29 april 2015 van [verzoekster] aan [voormalig directeur verweerster] zou blijken dat [verzoekster] zelfstandig en zonder de instructie van [voormalig directeur verweerster] zou hebben gehandeld, zoals door [verweerster] aangevoerd, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit deze e-mail. Uit deze e-mail blijkt enkel op welke wijze [verzoekster] de in deze e-mail benoemde en door [voormalig directeur verweerster] opgevoerde kosten heeft afgeboekt. Naar het oordeel van de kantonrechter is het daarbij voldoende duidelijk dat [verzoekster] hiermee in opdracht van [voormalig directeur verweerster] handelde. De door [verweerster] aangehaalde reactie van [voormalig directeur verweerster] op deze e-mail, waarin hij [verzoekster] antwoordt dat dit "heel creabea" is, bevestigd voor de kantonrechter - anders dan door [verweerster] gesteld - ook dat [verzoekster] niet zelfstandig heeft gehandeld, maar dat [voormalig directeur verweerster] hierbij wel degelijk betrokken is geweest. Dat [verzoekster] volledig op eigen initiatief heeft gehandeld, zoals door [verweerster] gesteld bij het door haar gegeven ontslag, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval niet voldoende uit deze e-mail.

6.4.

Gelet op de inhoud van de verklaring van de accountant, waarin duidelijk wordt dat uit onderzoek naar de uitgaven over de jaren 2013, 2014 en een deel van 2015 is gebleken dat ook [directeur verweerster] "privé-uitgaven via de bankrekening van [verweerster] liet lopen", is naar het oordeel van de kantonrechter daarnaast onvoldoende gebleken dat het aan [verzoekster] gegeven ontslag subjectief dringend is geweest. Dit temeer nu [verweerster] de stelling van [verzoekster] dat haar handelswijze in dit verband niet anders is geweest dan toen zij nog de secretaresse voor [directeur verweerster] was, niet gemotiveerd heeft bestreden. Dat de door

[voormalig directeur verweerster] opgevoerde uitgaven hoger waren dan die van [directeur verweerster] , zoals door [verweerster] aangevoerd en ook wordt ondersteund door de verklaring van de accountant, maakt dit voor onderhavige beoordeling niet anders en betreft een kwestie tussen

[directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] .

6.5.

Nu [verweerster] in haar brief van 8 december 2015 de e-mail van 29 april 2015 ten grondslag heeft gelegd aan het door haar gegeven ontslag, dient slechts deze reden te worden beoordeeld. (vgl. Hoge Raad 12 december 1986, NJ 1987/905). De kantonrechter acht hierbij van belang dat [verweerster] in haar ontslagbrief geen andere specifieke gestelde gedragingen van [verzoekster] heeft genoemd, dan wel hierin nader heeft geconcretiseerd waarop haar vermoeden dat [verzoekster] zelfstandig heeft gehandeld - anders dan op de e-mail van 29 april 2015 - precies is gebaseerd. Voor [verzoekster] kan het gelet daarop niet duidelijk zijn geweest welke andere gedragingen voor [verweerster] hebben bijgedragen tot het besluit om haar op staande voet te ontslaan. De kantonrechter gaat voorbij aan de door [verweerster] nader overgelegde e-mails waaruit volgens haar eveneens zou blijken dat [verzoekster] zelfstandig heeft gehandeld. Dit geldt ook voor de ter zitting door [verweerster] gestelde omstandigheid dat het antidateren van de in november 2015 gesloten vaststellingsovereenkomst (naar 24 augustus 2015) voor haar de directe aanleiding vormde om [verzoekster] op staande voet te ontslaan. Dat dit zo is, blijkt niet uit de aan het ontslag ten grondslag liggende brief van 8 december 2015.

6.6.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat het door [verweerster] op 8 december 2015 aan [verzoekster] gegeven ontslag, behalve op het punt van de onverwijldheid, ook wat betreft de inhoud van de beweerde dringende reden ten onrechte is geweest.

De kantonrechter zal gelet daarop de gevorderde vergoeding wegens de onregelmatige opzegging toewijzen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 9 BW is [verweerster] deze vergoeding aan [verzoekster] verschuldigd, omdat is opgezegd zonder instemming of toestemming, terwijl geen rekening is gehouden met de in lid 2 onder d bepaalde opzegtermijn van vier maanden. [verzoekster] heeft aangegeven dat het door haar in dit verband verzochte bedrag van € 15.646,50 bruto bestaat uit de vergoeding gelijk aan het loon over de opzegtermijn vermeerderd met het achterstallig salaris over de periode 1 tot 8 december 2015 inclusief vakantiegeld. Nu [verweerster] heeft erkend dat dat zij [verzoekster] tot 1 december 2015 heeft uitbetaald en de door [verzoekster] gemaakte berekening van voormeld bedrag vermeerderd met de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging niet gemotiveerd heeft betwist, zal de kantonrechter het bedrag van € 15.646,50 bruto toewijzen. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW eveneens toewijzen, vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde

8 december 2015. Nu [verzoekster] dit bedrag niet heeft opgesplitst en dit voor het grootste gedeelte ziet op de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging, wat niet aan te merken is als loon, is de over dit totale bedrag gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW naar het oordeel van de kantonrechter niet toewijsbaar.

6.7.

Uit artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW volgt dat een werkgever aan een werknemer onder meer een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is opgezegd. Aangezien hiervan in dit geval sprake is, zal de kantonrechter de vordering tot betaling van het door [verzoekster] berekende bedrag ad € 26.860,00 bruto, waarvan [verweerster] de juistheid niet gemotiveerd heeft betwist, eveneens toewijzen. Nu de verschuldigdheid van de transitievergoeding uit de wet voortvloeit, gaat de kantonrechter voorbij aan het door [verweerster] gevoerde verweer dat [verzoekster] door akkoord te gaan met de vaststellingsovereenkomst geen aanspraak meer kan maken op de transitievergoeding. Nu de kantonrechter in de voorgaande overwegingen verder heeft geoordeeld dat aan het door [verweerster] gegeven ontslag de nodige gebreken kleven, gaat de stelling van [verweerster] dat [verzoekster] wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten geen aanspraak kan maken op deze vergoeding, evenmin op. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 26.860,00 op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW eveneens toewijzen, vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zijnde 6 januari 2016 en tot de dag van volledige betaling.

6.8.

De kantonrechter stelt vervolgens vast dat [verzoekster] primair berust in het ontslag en op grond van het bepaalde in artikel 7:681 BW betaling verzoekt van een billijke vergoeding. Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met het bepaalde in artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist, maar is in een geval als bedoeld in dat artikel reeds invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd en in strijd met artikel 7:671 heeft opgezegd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, is dus als zodanig al ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het door [verweerster] op 8 december 2015 op staande voet gegeven ontslag niet rechtsgeldig is geweest, kan het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen.

6.9.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2104, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kunnen niet tot uitdrukking komen de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat die al zijn verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen.

6.10.

De kantonrechter zal de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 500,00. De kantonrechter neemt daarbij het volgende in aanmerking. Ongeacht dat het wellicht zo zou kunnen zijn dat het zakelijk afboeken van privé-aankopen door de directeuren van [verweerster] in de loop der jaren de bedrijfscultuur van [verweerster] is geworden, is evident dat [verzoekster] door hieraan mee te werken, in de mate en omvang als [voormalig directeur verweerster] betreffend, onjuiste handelingen heeft verricht. Dat dit zo is, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk uit de verklaringen van de [accountant] van 14 en 26 januari 2016 waarin weergegeven wordt dat [verzoekster] over de jaren 2013, 2014 en een deel van 2015 diverse privé-uitgaven van [voormalig directeur verweerster] als zakelijke kosten van [verweerster] heeft ingeboekt en zonder nadere aanduiding in de boekhouding van [verweerster] heeft verwerkt. Hoewel het de kantonrechter in het licht van de feitelijke gang van zaken duidelijk is geworden dat [verzoekster] op enige wijze negatief betrokken is geraakt in de vete tussen [directeur verweerster] en [voormalig directeur verweerster] , leidt dit gegeven niet tot een ander oordeel. Dit geldt temeer nu eveneens vast staat dat [verzoekster] in de vaststellingsovereenkomst van november 2015 akkoord is gegaan met een voor haar ongunstige regeling waarin een afwijking heeft plaatsgevonden van de wettelijke transitievergoeding en zij haar beweegredenen daarvoor niet voldoende inzichtelijk zijn geworden. Het feit dat aan [verzoekster] middels deze beschikking de beduidend hogere transitievergoeding zal worden toegekend dan de vergoeding overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, weegt voor de kantonrechter ten slotte ook mee bij zijn beslissing om de billijke vergoeding op een bedrag van € 500,00 te bepalen. Omdat de handelswijze van [verzoekster] "tezamen en in vereniging" met haar achtereenvolgende bazen is geschied, vormt deze geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Omdat het echter niet moreel verantwoord handelen is, voelt de kantonrechter er niet voor een hoge billijke vergoeding toe te kennen. De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 500,00 zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na de datum van betekening van deze beschikking.

6.11.

Nu [verzoekster] primair berust in haar ontslag en de kantonrechter haar primaire vordering tot toekenning van een billijke vergoeding ook toewijsbaar acht, wordt niet meer toegekomen aan haar subsidiaire vordering tot vernietiging van het ontslag. Deze vordering en hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd behoeft om die reden geen nadere bespreking. Nu [verweerster] haar verzoek eveneens heeft ingesteld voor zover de kantonrechter het ontslag zou vernietigen, geldt dat ook voor dit verzoek. Voor zover [verweerster] met haar andere verzoek tot vastlegging van een in goede justitie te bepalen regeling voor wat betreft de datum einde dienstverband, een zelfstandig tegenverzoek heeft willen doen, kan dit vanwege voorgaande overwegingen en het onvoorwaardelijke karakter niet slagen.

6.12.

Het door [verzoekster] gevorderde opmaken van de eindafrekening en betaling van hetgeen op grond van de eindafrekening nog is verschuldigd, waaronder onder meer de (vijf) openstaande vakantiedagen, kan gelet op het voorgaande worden toegewezen. Nu [verzoekster] berust in haar ontslag is het dienstverband per 8 december 2016 beëindigd en is het de plicht van [verweerster] om een eindafrekening op te maken. [verweerster] heeft in dit verband niet betwist dat er nog vijf vakantiedagen open staan. De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, zoals in de beslissing te bepalen, met dien verstande dat de wettelijke verhoging gelet op de omstandigheden zal worden gematigd tot 10%.

6.13.

De gevorderde verstrekking van schriftelijke en deugdelijke bruto-netto specificaties waarin alle door [verweerster] op grond van deze beschikking te betalen bedragen zijn verwerkt, zal ook worden toegewezen. Nu gesteld noch gebleken is dat [verweerster] hieraan niet zal voldoen, ziet de kantonrechter geen aanleiding de door [verzoekster] in dit verband gevorderde dwangsom toe te wijzen.

6.14.

Nu voldoende duidelijk is geworden dat [verzoekster] onderhavige procedure kort na het aan haar gegeven ontslag is gestart, zal de kantonrechter de door [verzoekster] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afwijzen. Onvoldoende gesteld en onderbouwd is dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van de procedure.

6.15.

[verweerster] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij tot betaling van de proceskosten worden veroordeeld. Anders dan door [verzoekster] verzocht ziet de kantonrechter bij de begroting daarvan geen aanleiding om af te wijken van de tarieven van het liquidatietarief. De proceskosten worden, tot op heden aan de zijde van de [verzoekster] vastgesteld op:

griffierecht € 471,00

salaris gemachtigde € 500,00

-----------

€ 971,00

7 De beslissing

De kantonrechter:

1. veroordeelt [verweerster]

A. tot betaling van het bedrag van € 15.646,50 bruto ter zake het achterstallig salaris van 1 tot en met 8 december 2015 en de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 9 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2015 tot aan de dag van volledige betaling;

B. tot betaling van het bedrag van € 26.860,00 bruto ter zake de transitievergoeding ex artikel 7: 673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2016 tot aan de dag van volledige betaling;

C. tot betaling van het bedrag van € 500,00 ter zake de billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van betekening van deze beschikking;

D. tot het opmaken van de eindafrekening en betaling van hetgeen op grond van de eindafrekening nog is verschuldigd, waaronder onder meer de (vijf) openstaande vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 10 % vanaf 14 dagen na de datum van betekening van deze beschikking;

E. tot het verstrekken van schriftelijke en deugdelijke bruto-netto specificaties waarin alle door [verweerster] op grond van deze beschikking te betalen bedragen zijn verwerkt;

2. veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de [verzoekster] vastgesteld op € 971,00;

3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven te Assen en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016 door

mr. R.TJ. Terpstra, kantonrechter.

c: 368/ie