Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1624

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
15/217 t/m 15/226
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:1072, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Opbrengst van de verhuur van (studenten)kamers door eiser dient in box 3 verantwoord te worden. Verweer maakt niet aannemelijk dat sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2016/0389 met annotatie van Almer de Beer
V-N Vandaag 2016/2152
V-N 2016/59.2.3
FutD 2016-2422 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2016/2610 met annotatie van Mr. R.S. Bekker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 15/217 t/m 15/226

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 april 2016 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor de jaren 2007 tot en met 2011 de volgende (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) aan eiser opgelegd:

Middel

Aanslag

Jaar

Dagtekening aanslag

Zaaknummer

IB/PVV

Navorderingsaanslag

2007

23-01-2014

15/217

IB/PVV

Navorderingsaanslag

2008

08-02-2014

15/219

IB/PVV

Navorderingsaanslag

2009

08-02-2014

15/221

IB/PVV

Aanslag

2010

13-02-2014

15/223

IB/PVV

Aanslag

2011

07-03-2014

15/225

ZVW

Navorderingsaanslag

2007

23-01-2014

15/218

ZVW

Navorderingsaanslag

2008

04-02-2014

15/220

ZVW

Navorderingsaanslag

2009

04-02-2014

15/222

ZVW

Aanslag

2010

13-02-2014

15/224

ZVW

Aanslag

2011

07-03-2014

15/226

Gelijktijdig met bovengenoemde (navorderings)aanslagen is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 december 2014 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren in 1953. Eiser is als metselaar in loondienst werkzaam geweest.
Als gevolg van ernstige rugklachten was eiser niet meer in staat om te werken. Hij geniet een WAO-uitkering.

1.2.

In 1986 heeft eiser een woning aangekocht en is die gaan verhuren. Vervolgens heeft hij geregeld een woning gekocht om die te gaan verhuren aan veelal – maar niet uitsluitend – studenten. De aankopen betroffen zowel woningen in verhuurde staat als woningen vrij van huur. In 2011 is het laatste pand aangekocht. Eiser heeft geen van de aangekochte woningen ooit verkocht.

1.3.

In een periode van 25 jaar is een portefeuille opgebouwd van 23 panden welke alle zijn gelegen in de stad [stad] . Het betreft 31 huisnummers (woonadressen) met in totaal 90 à 100 kamers. Drie appartementen op het adres [a-weg 1] worden namens eiser verhuurd door [vastgoedbedrijf] . In de jaren 1986 t/m medio 2013 heeft eiser voor 5 van zijn panden gebruik gemaakt van een externe beheerder. Met ingang van 1 augustus 2013 worden alle panden beheerd door een externe beheerder.

1.4.

Naast zijn eigen panden beheert eiser nog 3 panden voor een derde. Hij ontvangt hiervoor € 1.000 op jaarbasis. Deze inkomsten verantwoordt hij in zijn aangifte als resultaat uit overige werkzaamheden.

1.5.

Over de jaren 1986 tot en met 2000 zijn de verdiensten uit de verhuur van de panden als inkomsten uit vermogen aangegeven.

1.6.

Over de jaren 2001 tot en met 2012 zijn de verdiensten uit de verhuur van de panden aangegeven in box 3.

1.7.

In het jaar 2002 zijn de aangiften IB/PVV over de jaren 1999 en 2000 aan een extra controle onderworpen. Dat heeft geleid tot het opvragen van gegevens inzake eisers onroerende zaken hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een correctie van ƒ 4.500 voor onderhoudskosten en ƒ 540 vanwege een telfout.

1.8.

In het jaar 2004 is de aangifte IB/PVV uit 2002 aan een extra controle onderworpen. Toen zijn de gegevens met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden opgevraagd. Deze controle heeft niet tot correcties geleid.

1.9.

In het verslag d.d. 15 april 2015 van een informeel overleg inzake de fiscale kwalificatie van de panden van eiser staat, voor zover van belang, vermeld:
[eiser]
[…]
Ik betaal thans (nieuwe werkwijze) € 7.200 excl. Btw en nog eens € 5.000 voor mijn zoon.

Geschil en beoordeling

2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de opbrengst van de verhuur van (studenten)kamers door eiser in box 1 dan wel in box 3 verantwoord dient te worden, meer specifiek of sprake is van normaal dan wel meer dan normaal actief vermogensbeheer. Voor het geval de inkomsten aan box 1 dienen te worden toegerekend is voorts in geschil of sprake is van winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Voor de jaren 2007 tot en met 2009 is tussen partijen tevens in geschil of sprake is van enig nieuw feit dat de oplegging van navorderingsaanslagen over deze jaren rechtvaardigt.

3. Eiser is – kort samengevat – primair van mening dat geen sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer. Subsidiair is eiser van mening dat sprake is van opgewekt vertrouwen gezien het volgen van aangiften over eerdere jaren alsmede gelet op de controles door verweerder in eerdere jaren. Voorts is eiser van mening dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Meer subsidiair is eiser van mening dat geen sprake is van een nieuw feit en geen sprake is van een kenbare fout. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er een fiscaal compromis is afgesloten.

4. Verweerder is – kort samengevat – primair van mening dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt omdat de aangiften een verzorgde indruk maken en verzorgd zijn door professionals. Er is sprake van een redelijkerwijs kenbare fout. Er is geen beoordelingsfout gemaakt en aan het zogenoemde 30%-vereiste is voldaan. Voorts is verweerder van mening dat sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer hetgeen tot gevolg heeft dat de inkomsten uit verhuur in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden in de heffing dienen te worden betrokken en niet in box 3 belast dienen te worden. Verweerder bestrijdt dat dat in strijd gehandeld is met het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Ook bestrijdt verweerder dat er een fiscaal compromis zou zijn afgesloten.

5. Partijen hebben desgevraagd ter zitting verklaard in te stemmen met de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunt.


Normaal vermogensbeheer?

6. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank als eerste ingaan op de vraag of al dan niet sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer en derhalve de volgorde van geschilpunten aanhouden zoals door eiser weergegeven.

7. In een geval als het onderhavige is van normaal vermogensbeheer geen sprake indien het rendabel maken van de onroerende zaken mede geschiedt door middel van arbeid welke de eigenaar van de onroerende zaken verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar ten doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaken, welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan (vgl. HR 17 augustus 1994, nr. 29 755, BNB 1994/319).

8. De bewijslast dat sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer rust op verweerder. Verweerder heeft ter zitting echter het standpunt ingenomen dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat eiser over de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie kan worden afgeleid dat de vereiste aangifte niet is gedaan indien een aanzienlijk te lage aangifte is gedaan, zowel in absolute als in relatieve omvang. Aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast moet worden beoordeeld of sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vgl. HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat eiser de voordelen uit de onroerende zaken ten onrechte niet heeft aangegeven in box 1, omdat volgens verweerder sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer. De rechtbank constateert dat dit dezelfde bewijslast is, als die – als hoofdregel – al op verweerder rust. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in deze bewijslast geslaagd, hetgeen tevens met zich meebrengt dat het beroep van verweerder op omkering en verzwaring van de bewijslast niet slaagt. Verweerder heeft weliswaar gesteld dat sprake is van meer dan normaal actief vermogensbeheer, doch dit niet aannemelijk gemaakt. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

9. Verweerder beroept zich op een lijst van activiteiten die door eiser ten behoeve van zijn panden zouden zijn verricht, welke lijst is opgenomen in het controlerapport van 14 januari 2014 in § 3.1 op pagina 3. Aldaar staat weliswaar vermeld dat eiser genoemde werkzaamheden verricht, doch niet is vermeld of aannemelijk geworden dat, zoals verweerder stelt, deze lijst is opgetekend uit de mond van eiser. Daar komt bij dat eiser kort na het uitkomen van het controlerapport uitgebreid heeft weersproken dat hij deze werkzaamheden allemaal verricht. Hiertoe heeft hij een reactie geschreven op 5 maart 2014, welke als bijlage F3 bij het beroepschrift is opgenomen. Zo weerspreekt hij in deze reactie van een aantal werkzaamheden dat hij die heeft verricht, geeft hij van een aantal werkzaamheden aan dat deze nauwelijks tijd kosten, dat bepaalde werkzaamheden door een beheerder dan wel door zijn zoon worden verricht dan wel niet van toepassing zijn op zijn panden. Gelet op deze door eiser gemotiveerde weerspreking is niet aannemelijk geworden dat eiser (al) de in verweerders lijst genoemde werkzaamheden ten behoeve van zijn panden heeft verricht.

10. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de door eiser zelf aangegeven, door hem verrichtte, werkzaamheden niet worden gezegd dat deze normaal actief vermogensbeheer te boven gaan. Hierbij overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat eiser 23 panden verhuurt op zichzelf nog niet met zich brengt dat sprake zou zijn van meer dan normaal actief vermogensbeheer.

11. Hoewel op zichzelf bezien niet redengevend, acht de rechtbank in ondersteunende zin van belang dat de door eiser verrichtte werkzaamheden thans zijn uitbesteed aan een externe beheerder en voor het gehele jaar 2014, bij een gelijk gebleven aantal panden dat wordt verhuurd, daarvoor € 7.200 (excl. BTW) is betaald, naast de aan de zoon betaalde vergoeding van € 5.000 voor de door hem verrichte werkzaamheden ten behoeve van de verhuur van de panden. Deze bedragen zijn naar het oordeel van de rechtbank in verhouding tot het aantal te beheren panden dusdanig gering dat ook daaruit niet kan worden afgeleid dat de werkzaamheden in de onderhavige jaren waarin belanghebbende de werkzaamheden zelf, dan wel samen met zijn zoon verrichtte, een meer dan normaal actief vermogensbeheer te boven zouden zijn gaan.

12. Al hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede in aanmerking genomen dat verweerder ook overigens niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd dat de inkomsten uit verhuur van eiser aan box 1 zouden behoren te worden toegerekend, is het gelijk aan eiser. Verweerders standpunt wordt verworpen.

13. Nu eiser reeds hierom in het gelijk is gesteld, wordt aan eisers subsidiaire en meer subsidiaire standpunt alsmede de (overige) standpunten van verweerder niet toegekomen en kunnen deze dan ook onbesproken blijven. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd en de aanslagen voor de jaren 2010 en 2011 overeenkomstig de door eiser ingediende aangiften dienen te worden vastgesteld.

14. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen voor de jaren 2007 tot en met 2009 en vermindert de aanslagen voor de jaren 2010 en 2011 zoals hierna te melden.

15. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Nu de met de beschikkingen heffingsrente samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden vernietigd c.q. verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder de beschikkingen heffingsrente eveneens zal vernietigen c.q. het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

16. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank wijst verweerder erop dat in de zaken betreffende de (navorderings)aanslagen ZVW geen griffierecht is geheven in verband met de samenhang met de overige zaken.

17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Verweerder kan niet worden veroordeeld in de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten, omdat gesteld noch aannemelijk is geworden dat eiser in die fase heeft verzocht om vergoeding van deze kosten.

De rechtbank beschouwt voor wat betreft de beroepsfase de onderhavige tien zaken als samenhangende zaken waarvoor een proceskostenvergoeding per zaak wordt vastgesteld van een tiende van € 1.488 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken), derhalve per zaak € 148,80. Het verzoek om een integrale vergoeding van proceskosten wijst de rechtbank af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld of tegen beter weten in een beslissing heeft genomen die in rechte geen stand zou kunnen houden (zie HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, en HR 13 april 2007, nr. 41235, ECL:NL:HR:2007:BA2802).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslagen voor de jaren 2007 tot en met 2009;

- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.473 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 126.533;

- vermindert de aanslag ZVW voor het jaar 2010 tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 2.613;

- vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.662 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 122.736;

- vermindert de aanslag ZVW voor het jaar 2011 tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 5.352;

- vernietigt de beschikkingen heffingsrente voor de jaren 2007 tot en met 2009;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente voor de jaren 2010 en 2011 dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het voor de zaken 15/217, 15/219, 15/221, 15/223 en 15/225 betaalde griffierecht van € 45 per zaak aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.488.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.V.E.M. van der Wiel - Rammeloo, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M. Chin-Oldenziel, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.

w.g. griffier

Bij verhindering door de voorzitter

ondertekend door mr. G.B.A. Brummer

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.