Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1502

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
C18/16150/HA RK 15-383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure – ernstig letsel opgelopen tijdens voetbalwedstrijd – causaal verband – verhoogde drempel voor onrechtmatigheid in sport en spelsituaties

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/177
JA 2016/99
TvS&R 2016, afl. 1-2, p. 29
PS-Updates.nl 2016-0114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/161509 / HA RK 15-383

Beschikking van 11 maart 2016

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. A. Kolder,

tegen

1 [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

verweerders,

advocaat mr. M.S.E. van Beurden.

Partijen zullen hierna [A] , [B] , Reaal of in enkelvoud [B] c.s. (indien gedaagden gezamenlijk worden bedoeld) genoemd worden.

1 De procedure

Op 23 oktober 2015 heeft [A] een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv ter griffie ingediend. [B] c.s. heeft zich bij verweerschrift, ontvangen ter griffie op 14 januari 2016, tegen het verzoek verzet. De zaak is behandeld ter zitting van 21 januari 2016. Partijen (Reaal deugdelijk vertegenwoordigd) en hun advocaten zijn ter zitting verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. Van Beurden heeft daartoe zittingsaantekeningen in het geding gebracht. Van het verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden. Vervolgens is de behandeling gesloten en heeft de rechtbank beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 10 april 2005 heeft een voetbalwedstrijd plaatsgevonden tussen het team van de toen 32-jarige [A] (FVV) en het team van [B] (Muntendam). Beide teams kwamen uit in de 3e klasse KNVB.

2.2.

In de 25ste minuut van de wedstrijd heeft [A] de bal aangespeeld gekregen vanaf de linkerflank. [A] bevond zich toen in een (zeer) kansrijke positie voor het doel van Muntendam.

2.3.

[B] (rugnummer 4) en zijn medespeler met rugnummer 12 hebben richting [A] een verdedigende actie ingezet. Zij hebben [A] niet van scoren weten te weerhouden. Nadat [A] de bal met zijn rechtervoet in het doel schoot is hij met een gecompliceerde linkerenkel/onderbeenfractuur op het gras achtergebleven. De scheidsrechter heeft hierop de wedstrijd gestaakt.

2.4.

Als gevolg van de fractuur heeft [A] een groot aantal operaties moeten ondergaan. Uiteindelijk is amputatie van het linker onderbeen van [A] noodzakelijk gebleken.

2.5.

Een van de toeschouwers heeft de wedstrijd en het incident waarbij [A] het letsel opliep vastgelegd. Deze video-opname is in het geding gebracht.

2.6.

Uit het proces-verbaal van 11 mei 2005 volgt dat [A] naar aanleiding van het incident aangifte van zware mishandeling heeft gedaan jegens [B] . De zaak is geseponeerd wegens een gebrek aan bewijs.

2.7.

[A] heeft [B] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en te lijden schade. Namens [B] heeft zijn verzekeraar Reaal bij brieven van 17 april 2009 en 9 september 2010 aansprakelijkheid van de hand gewezen. In deze laatste brief schrijft Reaal dat [B] op normale wijze heeft deelgenomen aan de wedstrijd, dat hij geen absurde sliding heeft gemaakt en [B] noch zijn medeverdediger hiervoor een kaart van de scheidsrechter heeft ontvangen.

2.8.

Op verzoek van [B] heeft [C] , (oud)scheidsrechter betaald voetbal, het videofragment geanalyseerd. In zijn verklaring van 30 september 2014 heeft [C] (voor zover hier van belang) geschreven:

(…) De actie van speler met nr. 4 (zwart/wit) is niet te kwalificeren als een overtreding, omdat hij het duel om de bal op dat moment aangaat. (…)

2.9.

Bij schrijven van 2 februari 2015 heeft prof. dr. S.K. Bulstra, hoofd Orthopedie Universitair Medisch Centrum Groningen, het volgende verklaard:

Ik ontving uw brief d.d. 19-01-2015 met röntgenfoto’s uit het Martini ziekenhuis, deze blijken te zijn uit het jaar 2007, waarschijnlijk na verwijderen van het osteosynthese materiaal. Ik heb ook printjes gekregen van de foto’s ten tijde van de fractuur en een foto van de open enkelfractuur, waarschijnlijk luxatiefractuur van de enkel links.

Ook het politierapport heb ik gelezen. Ik begrijp dat het hier betreft de heer [A] ,

geboren 18-04-1972, welke op 10-04-2005 betrokken was bij het voetbal ongeval.

Klaarblijkelijk is hij van achteren getackeld terwijl hij op zijn linkerbeen stond en met rechts een goal maakte. Volgens het verhaal is de geweldsinwerking van achteren geweest, op het linkerbeen van cliënt en het is voor mij volstrekt niet te beoordelen of de geweldsinwerking van rechts of links is gekomen. Het lijkt waarschijnlijk dat dit het standbeen van de cliënt was, waarbij door fixatie op de grond natuurlijk een geweldige kracht wordt uitgeoefend op het onderbeen waardoor de luxatie fractuur is ontstaan.

In ieder geval is dit een ernstig letsel, zoals ik al eerder meldde, hetgeen ook verregaande blijvende gevolgen voor cliënt heeft gehad.

De vraag of het inwerkend letsel van links of van rechts achter is gekomen kan ik echt niet

beantwoorden en lijkt me eerder iets voor de forensisch specialist dan voor de orthopedisch chirurg met verstand van fracturen.

2.10.

Op basis van het medisch dossier, röntgenfoto’s en de beschikbare videobeelden heeft dr. A.D.P. van Walsum, als traumachirurg verbonden aan het Medisch Spectrum Twente, de oorzaak van het letsel op verzoek van [A] onderzocht. In zijn rapport van

12 juli 2015 heeft dr. Van Walsum geschreven (voor zover hier van belang):

(…)

Het traumamechanisme van dit letsel kan gefaseerd als volgt beschreven worden:

1. Betrokkene staat op linker been.

2. Er vindt een hoog energetisch direct trauma plaats met een impact van links achter juist boven de enkel.

3. Door dit directe letsel treed een verbrijzeling breuk op van het kuitbeen boven het enkelgewricht.

4. Door de inwerkende kracht wordt het onderbeen naar binnen gedrukt terwijl de voet van het standbeen in de grond blijft staan waardoor de enkel naar buiten kantelt.

5. Door deze geforceerd kantel beweging van de enkel naar buiten treedt een dwarse afscheuring breuk op van de binnenknokkel van de enkel waardoor de enkel nog verder naar buiten schuift en kantelt.

6. Hierdoor scheuren vervolgens de banden die het scheenbeen en het kuitbeen boven het

enkelgewricht aan elkaar verbinden.

7. Hierdoor ontstaat vervolgens een volledige ontwrichting van het enkelgewricht plaats naar buiten.

8. Door deze complete ontwrichting perforeert het onderste uiteinde van het scheenbeen aan de binnenzijde door de huid naar buiten.

Causaliteitsvraag

Met betrekking tot de causaliteit van het onderhavige letsel kan, op basis van bovenstaande bevindingen, met een aan zekerheid grenzende stelligheid vastgesteld worden dat hier sprake is geweest van een direct letsel ten gevolge van hoog energetisch direct inwerkend geweld. Dit leidt tot de vaststelling dat, in de fictieve situatie waarbij geen sprake zou zijn geweest van direct contact, dit letsel niet opgetreden zou zijn.

De luxatiestand naar lateraal, de dorso-laterale angulatie stand van de fibula, de avulsie fractuur van de mediale malleolus, de perforatie van de distale tibia aan de mediale zijde van de enkel, duiden vervolgens op direct inwerkend geweld van dorso-laterale zijde van de linker enkel; in dit geval dus van links achter.

Conclusie

Het letsel van de linker enkel van betrokkene was het gevolg van een hoog energetisch direct trauma met uitwendig inwerkend geweld vanaf de linker achter zijde van betrokkene.

Beantwoording van de vragen:

1. Wat is, gelet op de aard en het ontstaan van het letsel op 10 april 2005, de precieze geweldsinwerking geweest op het linker been van cliënt?

De geweldsinwerking bestond uit een direct trauma ten gevolge van hoog energetisch direct inwerkend lokaal uitwendig krachtwerking op het linker standbeen van betrokkene.

2. Wie is in uw ogen, mede gelet op uw antwoord op vraag 1, de vermoedelijke veroorzaker van het letsel als ontstaan bij cliënt op 10 april 2005? Wilt u uw antwoord zo uitvoerig mogelijk toelichten?

De fractuurkarakteristiek duidt op direct trauma van de linker achter zijde juist boven de linker enkel. Op de video opname is op het tijdstip 25:14 min zichtbaar dat speler met het rugnummer 4 van linksachter, ten opzichte van betrokkene, met zijn gestrekte linker been inkomt op enkel hoogte.

3. Hebt u voor het overige nog opmerkingen over de veroorzaking/het ontstaan van het letsel bij cliënt op 10 april 2005?

Zie de beschouwing hierboven.

2.11.

Op verzoek van [B] heeft medisch adviseur dr. A.J.G. Nollen aan de hand van een drietal aan hem voorgelegde vragen de videobeelden van het incident geanalyseerd. Hij concludeert in zijn schrijven van 12 januari 2016 als volgt:

1. Wat is, gelet op de aard en het ontstaan van het letsel op 10-04-2005, de precieze

geweldsinwerking geweest op het linker been van betrokkene?

Er was gewelds-/krachtsinwerking op het linker been van betrokkene met als

punctum maximum de linker enkelregio. Het kan een directe krachtsinwerking zijn

geweest vanuit lateraal (buitenzijde boven de enkel) of vanuit mediaal ter hoogte

van de voetrand, bijvoorbeeld een forse slag/klap (al vallend) op de grasmat.

Betrokkene valt immers achterover.

2. Wie is in uw ogen, mede gelet op uw antwoord op vraag 1, de vermoedelijke

veroorzaker van het letsel als ontstaan bij betrokkene op 10-04-2005? Wilt u uw

antwoord zo uitvoerig mogelijk toelichten?

Indien er al een direct voet-beencontact plaatsvond vanuit lateraal dan kan ik op

grond van deze videobeelden niet ontwarren (welk been van) welke tegenspeler

hier bij betrokken was. Ook is niet evident hoe de positie en beweging was van

het been van betrokkene ten opzichte van de onderlaag. Er is een zodanige

samenkomst van extremiteiten dat door mij niet kan worden gedetecteerd welke

van de spelers bij het eventuele directe contact was betrokken.

3. Hebt u voor het overige nog opmerkingen over de veroorzaking/het ontstaan van

het letsel bij betrokkene op 10-04-2005?

Behalve het bovenvermelde heb ik geen opmerkingen.

2.12.

Op verzoek van [A] heeft dr. Van Walsum gereageerd op het rapport van dr. Nollen. Dr. Van Walsum schrijft in zijn aanvullende rapport van 16 januari 2016 (voor zover thans van belang):

(…) Om het ongevalsmechanisme te analyseren heb ik in mijn voorgaande advies gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

- Anamnese van betrokkene

- Video opname van het voetbal trauma

- Foto’s van letsel op SEH

- Primaire Röntgenopnames

In algemene zin valt mij op dat in het medisch advies van de wederpartij slechts gebruik wordt gemaakt van de video beelden en niet van de beschikbare andere informatie bronnen zoals de gemaakte foto’s op de SEH en bovenal de Röntgendiagnostiek. Dit terwijl laatstgenoemde bronnen juist in eerste instantie geschikt zijn licht te werpen op de oorzaak van het letsel. (…)

1. Fictieve situatie zonder actie tegenspelers

Door een actie waarbij twee tegenspelers betrokken waren, van welke aard dan ook, is het letsel van betrokkene opgetreden. In de fictieve situatie zonder actie van de twee tegenspelers zou geen letsel bij betrokkene zijn ontstaan. (…)

2. Is sprake van een direct of indirect trauma

Bij een direct trauma treedt letsel op de hoogte van de locatie van het direct inwerkend geweld. (bijvoorbeeld onderbeenfractuur door bumperletsel bij aanrijding). Bij een indirect trauma treedt het letsel op een andere hoogte op dan de inwerkende kracht (bijvoorbeeld onderbeenfractuur bij rotatieletsel skiën).

Video

Ik deel de mening van collega Nollen dat de video geen direct uitsluitsel geeft welk been van welke speler eventueel de oorzaak is geweest van een trauma van het onderbeen van betrokkene. Er zijn op de video echter wel aanwijzingen dat er sprake was van een indirect [rechtbank: kennelijk is hier direct bedoeld] trauma met geweld inwerking van een tegenspeler op de betrokkene. Immers, de video laat duidelijk zien dat betrokkene, nadat hij op het doel geschoten heeft, ten gevolge van een actie van twee tegenspelers ten val wordt gebracht. Logischerwijs moet er dus sprake zijn geweest van een vorm van direct lichamelijk contact tussen de tegenspeler(s) en betrokkene. Ook collega Nollen stelt terecht dat een direct trauma hier zeker suspect is. Echter collega Nollen stelt ook dat er ook sprake zou kunnen zijn van een indirect ongevalsmechanisme waarbij betrokkene al vallend - en het linker been belastend - met grote kracht met zijn mediale voetrand de grond aanraakte, waarna de enkel luxeerde. Dit indirecte ongevalsmechanisme dunkt mij echter uiterst onaannemelijk daar betrokkene immers op het moment van de actie van de twee tegenspelers stond op zijn linker voet en pas na de actie van de tegenspelers ten val kwam en daarbij niet op zijn linker voet terecht kwam maar op zijn linker zijde/rug.

Röntgenfoto

Er bestaat onder andere een uiterst comminutieve (verbrijzeling) fractuur van de fibula boven de syndesmose van de enkel. De mate van de comminutie is goed te zien op de eerste voor-achterwaartse Röntgenfoto postoperatief. De comminutie van de fractuur, met vele losse fractuur fragmenten en splinterd past bij een direct hoogenergetisch letsel ten gevolge van direct lokaal uitwendige contact. Collega Nollen stelt, zonder de Röntgenfoto te beschrijven, dat een dergelijke fractuur van de fibula (kuitbeen) ook zou kunnen ontstaan door een indirect trauma. Ik deel de mening dat door een indirect trauma inderdaad ook een meervoudige fractuur van de fibula kan optreden. De mate van comminutie (verbrijzeling) van fractuur van betrokkene is echter dermate ernstig dat er sprake is van versplintering van de fibula hetgeen uiterst suggestief is voor direct inwerkend hoogenergetisch geweld. Dit in tegenstelling tot indirecte letsel van de fibula welke veelal gekenmerkt wordt door een spiraalfractuur, korte schuine fractuur van de fibula of een zogenaamd vlinderfragment maar in ieder geval niet door ernstige comminutie. Verder is de zeer forse diastase (verwijding) tussen de tibia (scheenbeen) en fibula (kuitbeen) ter hoogte van de syndesmose (duidend op een ruptuur van zowel de voorste als achterste syndesmose van de enkel) indicatief voor een hoogenergetisch letsel en derhalve passend bij een direct trauma dan een indirect trauma. 3. Wat was locatie van het directe trauma?

Video De video toont dat beide tegenspelers laag inkomen op enkel niveau of juist daarboven. Ook collega Nollen stelt dat er was gewelds-/krachtinwerking op het linker been van betrokkene met als punctum maximum de linker enkelregio.

Röntgenfoto’s

Het betreft een uiterst comminutieve (verbrijzeling) fractuur van de fibula boven de syndesmose van de enkel. Dit past bij het laag inkomen op de enkel van betrokkene.

4. Wat was de richting van het directe trauma?

Video

De video toont een actie van twee tegenspelers die beide laag van achteren inkomen, één van de linker achterzijde en één van rechtsachter, op het moment dat betrokkene juist met zijn rechter been op het doel geschoten heeft en terwijl zijn linker been zijn standbeen is. Door deze actie wordt betrokkene ten val gebracht waarbij hij naar links achter valt en op zijn linker zij/rug terecht komt.

Deze richting van de val van betrokkene is uiterst suggestief voor laag inwerkend geweld van links/achter ten opzichte van betrokkene. De video toont direct na de val een forse standsafwijking van linker enkel van betrokkene waarbij de voet naar buiten verplaatst is ten opzichte van het onderbeen. Ook collega Nollen beaamt dat het mechanisme zeker suspect voor een direct trauma met een mogelijke krachtsinwerking vanuit lateraal ten opzichte van het getroffen linker been van betrokkene.

Röntgenfoto

Bij de fibulafractuur is er sprake van een standsafwijking in de vorm van een translatie ad axim met een forse angulatie (hoekstand van het distale (onderste) botdeel ten opzichte van het proximale botdeel). Op de voor-achterwaartse Röntgenopnames is te zien dat er sprake is van angulatie van het distale botdeel naar lateraal; een valgus stand. Op de zijdelingse Röntgenopnames is te zien dat er sprake is van een angulatie van het distale botdeel naar dorsaal; een antecurvatie stand. Er is dus sprake van een samengestelde angulatie naar lateraal-dorsaal. De richting van de hoekstand van de fibula, met een angulatie van het distale botdeel naar lateraal en dorsaal, leidt tot de conclusie dat de richting van het uitwendige inwerkende geweld van dorso-lateraal is gekomen; met andere woorden

van links achter ten opzichte van betrokkene. Tevens is er is sprake van een avulsie fractuur van de mediale malleolus (binnenste enkelknokkel) welke passend is bij een eversie (naar buiten kantelen) letsel van de enkel.

Foto’s van letsel op SEH

Deze foto’s tonen een gecompliceerde (open) luxatie (ontwrichting) waarbij de enkel naar lateraal (naar buiten) geluxeerd staat en de distale tibia (onderste gedeelte van het scheenbeen) aan de mediale (binnen) zijde van de enkel door een dwarse traumatische wond naar buiten perforeert. Ook dit past bij uitwendig geweld komend vanaf linksachter op het enkelgebied van betrokkene.

Beschouwing

Gezien bovenstaande analyse van het traumamechanisme kom ik (wederom) tot de volgende conclusies:

1. Het letsel van betrokkene is ontstaan door toedoen van een tegenspeler.

2. Het letsel is opgetreden ten gevolge van een direct trauma door uitwendig inwerkend uitwendig geweld.

3. Het uitwendig geweld greep aan juist boven de enkel van betrokkene.

4. De richting van waarmee het uitwendig geweld aangreep ten opzichte van betrokkene kwam van links achter.

3 Het verzoek

[A] verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar te verklaren beschikking:

I. te bepalen dat [B] (hoofdelijk) aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het [A] op 10 april 2005 overkomen sportongeval;

II. [B] en Reaal te veroordelen de nog nader vast te stellen aan het ongeval gerelateerde schade, zowel geleden als nog te lijden alsmede materieel en immaterieel, aan [A] te vergoeden;

III. [B] en Reaal te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans de kosten te begroten op de hierna onder 4.8 vermelde wijze.

4 Het standpunt [A]

4.1.

[A] verzoekt de rechtbank middels onderhavig verzoekschrift ex art. 1019w Rv te oordelen dat [B] aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het hem door [B] op 10 april 2005 toegebrachte letsel. Reaal, is de verzekeraar van [B] . Op grond van artikel 7:954 BW heeft [A] een directe actie jegens Reaal. Lid 3 van artikel

1019w Rv bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie als voornoemd bestaat in de deelgeschilprocedure kan worden betrokken. Indien de discussie over de aansprakelijkheid door Uw Rechtbank in de onderhavige deelgeschilprocedure wordt beslecht, zal zulks een navenante bijdrage kunnen leveren aan het uiteindelijk bereiken van een vaststellingsovereenkomst.

4.2.

[A] baseert de aansprakelijkheid van [B] op artikel 6:162 BW. [A] had niet bedacht hoeven te zijn op de sliding zoals uitgevoerd door [B] . Daartoe wijst [A] op de volgende feiten en omstandigheden. Het letsel werd toegebracht in een zeer overzichtelijke situatie. Van een rechtstreeks duel/gevecht om de bal tussen [A] en [B] was geen sprake. Pas nadat [A] de bal vanaf korte afstand met rechts in het lege doel had

geschoten, werd hij door [B] - van achteren en met gestrekt been - neergehaald. De bal was dus al weggespeeld voordat [A] door [B] werd geraakt en een doelpunt was door [B] reglementair niet meer te voorkomen. De tackle door [B] werd (schuin) van achteren met gestrekt been en met grote kracht en hoge snelheid uitgevoerd. De positie van [A] was zodanig, dat hij zich tussen de bal en de van linksachter komende [B]

in bevond. [B] heeft met zijn sliding niet de bal, maar het linker (stand)been van [A] geraakt. De tackle was dus niet (goed) gericht op de bal, en kon dat de facto ook niet zijn, simpelweg omdat de bal te zeer buiten het bereik van [B] was. Juist omdat in dit geval het standbeen werd geraakt en de voet van [A] ‘vaststond’ op de grond, is het letsel ontstaan. Het handelen van [B] moet derhalve als onrechtmatig worden aangemerkt. Daarmee is de aansprakelijkheid van [B] jegens [A] gegeven.

4.3.

Ter nadere adstructie verwijst [A] naar HR 28 juni1991, NJ 1992, 622 waarbij een voetballer zich schuldig maakte aan natrappen en deze gedraging werd onrechtmatig geacht. Het ging volgens de Hoge Raad niet om het in het leven roepen van een gevaar dat ‘eigen’ is aan een sport als voetballen - ook als deze volgens de spelregels wordt gespeeld - en dat de deelnemers aan de sport over en weer van elkaar te verwachten hebben, maar om een gevaar dat zich bij de voetbalsport, als zij normaal wordt beoefend, niet zal voordoen.

4.4.

Op de video-opname is te zien dat [A] kort nadat hij de bal met rechts in het lege doel schiet, hard van achteren wordt getackeld door twee spelers van Muntendam. Het gaat daarbij om [B] (rugnummer 4) en een andere speler van Muntendam (rugnummer 12). Uit de beelden valt op te maken dat [B] inkomt met een gestrekt been vanaf de linker achterzijde van [A] en dat hij het linker (stand)been van [A] raakt, waarbij [A] ten val komt. De andere speler zet vanaf de rechterachterzijde van [A] een tackle in. Op de beelden is zichtbaar dat [A] gelijktijdig wordt getackeld door beide spelers van Muntendam. Als gevolg van deze tackle heeft [A] aan zijn linkerbeen zodanig ernstig letsel opgelopen, dat het betreffende onderbeen uiteindelijk is geamputeerd. Op het moment dat de tackle door beide verdedigers wordt ingezet is de bal reeds via de voet van [A] onderweg naar het doel.

4.5.

Uit het rapport van dr. Van Walsum volgt dat bij de overtreding op [A] sprake was van een hoogenergetisch letsel ten gevolge van direct lokaal uitwendig contact, komend vanaf linksachter vlak boven de linker enkel van [A] . Door de inwerkende kracht is het onderbeen van [A] naar binnen gedrukt, terwijl de voet van het standbeen in de grond blijft staan, waardoor de enkel naar buiten kantelt. Hierbij vond een dwarse afscheuring/breuk plaats van de binnenknokkel van de enkel, waardoor de enkel nog verder naar buiten schuift en kantelt. Uiteindelijk vond een volledige ontwrichting plaats van het linker enkelgewricht naar buiten, waarbij het onderste uiteinde van het linker scheenbeen aan de binnenzijde door de huid naar buiten perforeerde. Van Walsum wijst erop dat de aard en ernst van het letsel duidt op inwerkend geweld van linksachter op de linker enkel van [A] . Hiermee heeft ook volgens Van Walsum [B] (speler met rugnummer 4) als veroorzaker van het letsel te gelden. Indien de speler met rugnummer 12 (komend vanaf rechtsachter) het letsel zou hebben veroorzaakt, zouden de verwondingen van [A] anders zijn geweest. Nu gaat het om een naar binnen gedrukt linker onderbeen en een aan de binnenzijde naar buiten gekantelde (binnenknokkel van de) enkel. Zou de speler met rugnummer 12 het letsel veroorzaakt hebben, dan had sprake moeten zijn van een naar buiten gedrukt linker onderbeen en een aan de buitenzijde naar buiten gekantelde (buitenknokkel van de) enkel.

4.6.

Voor zover de rechtbank oordeelt dat het letsel mede door de voetballer met rugnummer 12 (wiens identiteit niet voor [A] te achterhalen was) is veroorzaakt beroept [A] zich op artikel 6:99 BW. Indien de schade het gevolg kan zijn van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is, en vaststaat dat de schade door ten minste één van die gebeurtenissen is ontstaan, rust ingevolge artikel 6:99 BW op ieder van deze personen de verplichting tot schadevergoeding, tenzij hij bewijst dat de schade niet het gevolg is van de gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is. Deze bepaling komt [A] tegemoet, door de bewijslast van het causaal verband tussen het letsel en de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis om te keren en bij [B] te leggen.

4.7.

Als subsidiaire grondslag stelt [A] dat [B] als deelnemer van een groep ingevolge artikel 6:166 BW mede aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door onrechtmatig handelen van de medespeler met rugnummer 12. Die aansprakelijkheid vloeit voort uit de enkele overtreding van de norm dat de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Indien die norm is overtreden, staat niet alleen de onrechtmatigheid vast, maar tevens dat er voldoende verband bestaat tussen het groepsoptreden en het toebrengen van de schade.

4.8.

[A] verzoekt de rechtbank de kosten van de behandeling van het onderhavige verzoek te begroten, zulks ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv. Daarbij dienen alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te worden genomen.

Als productie 14 heeft [A] het overzicht van de kosten van rechtsbijstand ad € 9.959,95 overlegd (inclusief btw en kantoorkosten). Als productie 16 is een aanvullende kostenbegroting van € 1.715,00 (exclusief btw en kantoorkosten) in het geding gebracht. Ter nadere toelichting geldt dat door de raadsman van [A] een uurtarief van € 245,00, te vermeerderen met 6,5% kantoorkosten en BTW wordt gehanteerd. [A] meent dat ter zake van de onderhavige deelgeschilprocedure de reeds gemaakte en verder nog te maken kosten aan zijn zijde voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets als bedoeld in art. 6:96 BW en derhalve voor volledige vergoeding in aanmerking komen.

5 Het verweer

5.1.

[B] c.s. betwist dat het letsel van [A] door het handelen van [B] is veroorzaakt. Zo er al sprake is van causaal verband betwist [B] c.s. onrechtmatig te hebben gehandeld.

5.2.

Uit de verklaring van orthopedisch chirurg prof. dr. Bulstra volgt dat op basis van de beschikbare informatie niet beoordeeld kan worden of het inwerkend letsel op het been van [A] van links of van rechtsachter is gekomen. Prof. dr. Bulstra schrijft:

(…) Klaarblijkelijk is hij van achteren getackeld terwijl hij op het linker been stond en met rechts een goal maakte. Volgens het verhaal is de geweldsinwerking van achteren geweest, op het linker been van cliënt en het is voor mij volstrekt niet te beoordelen of de geweldsinwerking van rechts of links is gekomen. (…)

5.3.

Uit de verklaring van medisch adviseur dr. A.J.G. Nollen volgt eveneens dat niet is vast te stellen dat een direct inwerkend geweld door een voet/been van een medespeler zou hebben plaatsgevonden en evenmin wie van de twee spelers die betrokken waren dat zou zijn geweest. Dr. Nollen houdt naast een direct inwerkend effect nog de mogelijkheid open dat [A] al vallend en het linker been belastend met grote kracht de grond met zijn mediale voetrand heeft geraakt, waarbij de enkel luxeerde en het kuitbeen fragmenteerde.

5.4.

De rapportage van Dr. Van Walsum is niet afkomstig van een onafhankelijk deskundige omdat [A] in de aan het rapport ten grondslag liggende aanbiedingsbrief zijn standpunt reeds heeft geformuleerd. [B] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dr. Van Walsum zich in zijn advies door deze informatie heeft laten leiden en dat is toe geredeneerd naar de conclusie dat hij de veroorzaker van het letsel moet zijn geweest.

5.5.

Op basis van het voorgaande kan het causaal verband tussen het handelen van [B] en het letsel bij [A] niet worden aangenomen. Aan [A] komt geen beroep op de omkeringsregel toe.

5.6.

[B] c.s. betwist de gestelde onrechtmatigheid omdat geen abnormale of gevaarlijke actie door [B] is gemaakt die buiten het normale risico van een voetbalwedstrijd valt. Op de videobeelden is te zien dat drie spelers richting de bal rennen. [B] , die op gelijke hoogte staat als [A] , [A] en de nummer 12 van Muntendam. Zowel [B] als de nummer 12 zetten een sliding in om [A] het scoren te beletten. De spelers komen ten val. Op dat zelfde moment wordt de bal richting doel geschoten. [B] c.s. betwist dat [B] [A] van achteren met een gestrekt been heeft getackeld nadat de bal door hem in het doel is geschoten. Uit het videofragment volgt dat [A] de bal nog niet heeft gespeeld op het moment dat de verdedigende actie door beide spelers van Muntendam werd ingezet. [B] bevond zich op dat moment niet achter [A] maar naast hem. Op basis van die omstandigheden kan niet gezegd worden dat [A] geen ingrijpen van verdedigende spelers van Muntendam behoefde te verwachten. [B] heeft getracht de bal weg te spelen en te verhinderen dat [A] op het doel kon schieten. Die handeling is in overeenstemming met de regels van het voetbalspel. Dat volgt ook uit het feit dat de scheidsrechter in deze actie geen overtreding heeft gezien. [B] c.s. heeft (oud)scheidsrechter betaald voetbal [C] verzocht de beelden te analyseren. [C] komt tot de conclusie dat het handelen van [B] niet te kwalificeren valt als een overtreding omdat sprake is van een duel om de bal.

5.7.

Uit het beschikbare videofragment kan worden opgemaakt dat de speler met rugnummer 12 een sliding van achteren heeft ingezet. Er lijkt daarbij sprake te zijn van een gestrekt been van deze speler. Niet uitgesloten is dat [A] door deze sliding ten val is gekomen en het letsel dientengevolge is ontstaan.

5.8.

[B] c.s. betwist voorts dat sprake is van in groepsverband onrechtmatig toegebrachte schade. Artikel 6:166 BW kan [A] derhalve niet baten.

[B] c.s. stelt dat geen sprake is van een groep in de zin van artikel 6:166 BW. Niet vast staat voorts dat de speler met rugnummer 12 een onrechtmatige daad heeft gepleegd, hetgeen een vereiste is voor toepassing van dat artikel. In de onderhavige situatie - een voetbalwedstrijd - kan niet gesproken worden van “in groepsverband toegebrachte schade”. [B] wist niet, en behoorde ook niet te begrijpen dat het gedrag van de speler met rugnummer 12 een gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals deze door [A] is geleden en waardoor [B] zich van zijn gedraging had moeten onthouden.

5.9.

[B] c.s. voert verweer tegen het aantal uren en het uurtarief van de advocaat van [A] dat in deze procedure aan de kostenbegroting ten grondslag heeft gelegd. Voor een kostenveroordeling is in onderhavige procedure geen plaats.

6 De beoordeling

Inleiding

6.1.

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen kunnen in een deelgeschilprocedure de rechtbank verzoeken op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv). De rechtbank stelt vast dat onderhandelingen tussen partijen zijn vastgelopen omdat verdeeldheid bestaat over het antwoord op de vraag of [B] het letsel van [A] veroorzaakt heeft en - indien zulks het geval is - of zijn handelen als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Het feit dat partijen hierover van mening verschillen kan een drempel zijn voor het op gang komen van onderhandelingen. Om de impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen. [A] is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank zal hierna ingaan op beide geschilpunten.

Causaal verband

6.2.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of sprake is van causaal verband tussen de verdedigende actie (sliding of tackle) die [B] in de 25ste minuut van de voetbalwedstrijd heeft ingezet en het been/enkelletsel dat bij [A] is ontstaan.

6.3.

[B] heeft in zijn verweer aangevoerd dat het letsel mogelijk het gevolg is geweest van de verdedigende actie (sliding of tackle) die door de verdediger met rugnummer 12 is ingezet ofwel dat het letsel is ontstaan als gevolg van indirect trauma door de val van [A] waarbij zijn voet met grote kracht op het gras is beland. Ter onderbouwing van dat verweer verwijst [B] naar verklaringen van prof. dr. Bulstra en dr. Nollen.

6.4.

Naar het oordeel van de oordeel van rechtbank volgt uit de videobeelden dat het letsel ontstaat op het moment dat beide verdedigers van Muntendam ( [B] en de anoniem gebleven verdediger met rugnummer 12) een sliding richting [A] en/of de bal maken. [B] zet zijn verdedigende actie in vanaf de linkerzijde van [A] . De verdediger met het rugnummer 12 tracht [A] van scoren af te houden door een sliding van de rechterachterzijde van hem in te zetten. Na de actie belanden de drie spelers op het gras, waar [A] met zichtbaar zwaar letsel achterblijft.

6.5.

Prof. dr. Bulstra schrijft in zijn verklaring dat het waarschijnlijk is dat het letsel is veroorzaakt door geweldsinwerking op het linkerbeen (het standbeen) van [A] . Hij verklaart voorts dat voor hem niet te beoordelen is of dit geweld van links of van rechtsachter is gekomen.

6.6.

Dr. Van Walsum heeft onderzoek verricht naar de oorzaak van het letsel. Het onderzoek is gebaseerd op de anamnese van [A] , het videofragment, foto’s van het letsel en de primaire röntgenfoto’s. Met betrekking tot de causaliteit stelt dr. Van Walsum met een aan zekerheid grenzende stelligheid vast dat sprake is geweest van een direct letsel ten gevolge van hoog energetisch direct inwerkend geweld. Dit leidt - zo concludeert dr. Van Walsum - tot de vaststelling dat, in de fictieve situatie waarbij geen sprake zou zijn geweest van direct contact, dit letsel niet opgetreden zou zijn. Hij analyseert het letsel en maakt naar aanleiding daarvan een reconstructie van hetgeen zich op het veld moet hebben voorgedaan. De luxatiestand naar lateraal, de dorso-laterale angulatie stand van het kuitbeen (de fibula), de avulsie fractuur van de binnenzijde van de enkelknokkel (mediale malleolus), de perforatie van de onderzijde van het scheenbeen (distale tibia) aan de mediale zijde van de enkel, duiden volgens hem op direct inwerkend geweld van dorso-laterale zijde van de linker enkel. Dr. Van Walsum concludeert dat het letsel het gevolg is van een hoog energetisch direct trauma met uitwendig inwerkend geweld vanaf de linker achter zijde van betrokkene, derhalve de zijde waar [A] zich bevond.

6.7.

Het aanvullende rapport van dr. Van Walsum omvat een nadere analyse van het videofragment. Dr. Van Walsum concludeert dat de valrichting van [A] uiterst suggestief is voor laag inwerkend geweld van links/achter. In het aanvullende rapport van 16 januari 2016 concludeert dr. Van Walsum voorts het volgende:

De richting van de hoekstand van de fibula, met een angulatie van het distale botdeel naar lateraal en dorsaal, leidt tot de conclusie dat de richting van het uitwendige inwerkende geweld van dorso-lateraal is gekomen; met andere woorden van links achter ten opzichte van betrokkene. Tevens is er is sprake van een avulsie fractuur van de mediale malleolus (binnenste enkelknokkel) welke passend is bij een eversie (naar buiten kantelen) letsel van de enkel.

Foto’s van letsel op SEH

Deze foto’s tonen een gecompliceerde (open) luxatie (ontwrichting) waarbij de enkel naar lateraal (naar buiten) geluxeerd staat en de distale tibia (onderste gedeelte van het scheenbeen) aan de mediale (binnen) zijde van de enkel door een dwarse traumatische wond naar buiten perforeert. Ook dit past bij uitwendig geweld komend vanaf linksachter op het enkelgebied van betrokkene.

6.8.

De rechtbank stelt vast dat de bevindingen van dr. Van Walsum mede zijn gebaseerd op de primaire röntgenfoto’s van het onderbeen van [A] , welke foto’s niet ter beschikking van prof. Dr. Bulstra hebben gestaan. Op grond van de uitvoerig onderbouwde en overtuigende analyse van dr. Van Walsum acht de rechtbank bewezen dat het letsel is veroorzaakt door de sliding althans verdedigende actie die [B] vanaf de linkerzijde van [A] heeft ingezet. De inhoud van het rapport geeft de rechtbank geen aanleiding te veronderstellen dat de belangen van opdrachtgever [A] richtinggevend zijn geweest voor de conclusies die dr. Van Walsum daarin heeft geformuleerd.

6.9.

Het door [B] gevoerde verweer dat letsel mogelijk het gevolg is geweest van de verdedigende actie van de speler met rugnummer 12 vindt geen steun in de uitvoerige analyse die dr. Van Walsum op grond van de hem ter beschikking staande gegevens van het letsel heeft gemaakt. Prof. dr. Bulstra heeft weliswaar verklaard dat voor hem niet duidelijk is of het uitwendig geweld van links dan wel van rechts is gekomen maar die verklaring legt naar het oordeel van de rechtbank minder gewicht in de schaal aangezien hij niet de beschikking heeft gehad over de röntgenfoto’s die direct na het incident van het onderbeen van [A] zijn gemaakt. Het verweer van [B] dat het letsel mogelijk door de speler met rugnummer 12 is toegebracht zal derhalve als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd.

6.10.

[B] heeft ter weerlegging van het causaal verband nog voorgehouden dat mogelijk sprake is geweest van indirect trauma waarbij letsel van [A] is ontstaan door een harde landing van zijn voet op het gras. Uit de rapporten van zowel prof. dr. Bulstra als

dr. Van Walsum volgt dat die verklaring weinig plausibel is. Beide deskundigen verklaren dat de oorzaak van het letsel moet worden gevonden in directe krachtsinwerking op het linkerbeen. Weliswaar houdt dr. Nollen in zijn verklaring de mogelijkheid open dat het letsel een gevolg is van een forse slag/klap door een val op de grasmat maar daaromtrent heeft dr. Van Walsum na analyse van het letsel gemotiveerd verklaard dat de mate van verbrijzeling (comminutie) van de fractuur en de versplintering van het kuitbeen uiterst suggestief zijn voor direct hoogenergetisch geweld. Aldus dr. Van Walsum is de zeer forse verwijding (diastase) tussen het scheenbeen (tibia) en het kuitbeen (de fibula) indicatief voor een hoogenergetisch letsel en derhalve passend bij een direct trauma.

De rechtbank volgt dr. Van Walsum in zijn analyse dat een indirect ongevalsmechanisme onwaarschijnlijk moet worden geacht omdat [A] op het moment van de verdedigende actie op zijn linker been stond en na de actie op zijn rug/zij viel. Dit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.

6.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is het causaal verband tussen het handelen van [B] en het letsel van [A] hiermee gegeven. Nu in rechte is komen vast te staan dat het letsel is veroorzaakt door [B] en het een gevolg is geweest van laag inwerkend geweld komend vanaf links/achter, is eveneens gegeven dat dit letsel niet is veroorzaakt door de verdedigende actie van de speler met rugnummer 12 die vanaf de rechterzijde van [A] is ingezet.

Onrechtmatige daad

6.12.

Vervolgens ligt voor de vraag of het handelen van [B] kwalificeert als onrechtmatige daad. Uitgangspunt bij die beoordeling moet zijn dat de vraag of een deelnemer aan een sport als voetballen onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in het kader van de sportbeoefening zou hebben plaatsgevonden. De deelnemers aan een sport als voetballen hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl gedragingen die een overeenkomstig gevaar in het leven roepen, buiten het kader van de sport door de deelnemers aan het maatschappelijk verkeer als regel niet van elkaar behoeven te worden verwacht en mede daarom veelal niet aanvaardbaar zijn (vergelijk HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, NJ 1992/622).

6.13.

Voetbal is een contactsport. Inherent aan deze sport is dat getrokken en geduwd wordt en dat een sliding of tackle wordt geplaatst. Voetballers kunnen door de tegenstander geraakt worden tijdens duels hetgeen regelmatig tot blessures leidt. Een sliding als de onderhavige waarbij - zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen - uiteindelijk de tegenstander in plaats van de bal wordt geraakt is weliswaar volgens de spelregels ongeoorloofd maar leidt, ook als lichamelijk letsel het gevolg is, nog niet tot civiele aansprakelijkheid wanneer die handeling als het ware nog door het spel wordt bepaald of in zekere zin in dienst staat van het nagestreefde resultaat en niet buiten de grenzen valt van wat in sport en spel over en weer nog te verwachten is. Deze acceptatie over en weer gaat echter niet zover dat de tegenstander binnen deze grenzen in feite vogelvrij wordt verklaard. Wanneer het fysiek ingrijpen van één van de deelnemers redelijkerwijs niet meer geacht kan worden nog verbonden te zijn met het spel, komen onrechtmatige daad en juridische aansprakelijkheid in beeld.

6.14.

Voor de beantwoording van de hier in het geding zijnde vraag of [B] een binnen de voetbalsport geldende zorgvuldigheidsnorm heeft overtreden, bieden de beschikbare gedingstukken en met name het videofragment houvast. Uit het fragment volgt dat [B] zijn sliding in de richting van de bal en [A] heeft ingezet. Anders dan [A] stelt oordeelt de rechtbank dat op basis van de beelden niet kan worden geconcludeerd dat de sliding pas is ingezet nadat de bal door [A] richting het doel is geschoten. [B] heeft - zo volgt uit de beelden - in een uiterste poging getracht [A] met een sliding het scoren te beletten, maar is daarin niet geslaagd. Hoewel op grond van de beelden verdedigd kan worden de sliding laat is ingezet, kan niet worden geconstateerd dat deze zodanig kansloos was dat [A] deze niet meer behoefde te verwachten. [A] bevond zich in een zeer kansrijke positie toen hij de bal kreeg aangespeeld. Een voetballer in een dergelijke situatie weet en mag verwachten dat verdedigers het nodige in het werk zullen stellen een doelpunt te voorkomen en dat is - zo oordeelt de rechtbank - hetgeen [B] met zijn handelen heeft getracht. Dat die handeling heeft geresulteerd in de verstrekkende consequenties die [A] heeft en zal blijven ervaren valt te betreuren maar maakt niet dat sprake is van een onrechtmatige daad.

6.15.

De vergelijking met de casus die tot het arrest heeft geleid waarin de strafrechtelijke veroordeling van voetballer [D] (Sparta) stand heeft gehouden

(HR 22 april 2008, LJN BB7087) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. In die situatie werd een - zoals het gerechtshof te ’s-Gravenhage die handeling heeft omschreven - vliegende tackle ingezet richting Go Ahead Eagles-speler [E] , waarbij [D] met zijn lichaam een halve meter boven de grond kwam en hij zijn hoog opgeheven rechterbeen naar voren strekte. In het onderhavige geval heeft [A] de tackle ingezet over de grond, althans op enkel hoogte, en niet door met zijn volledige gewicht in de richting van [A] te springen, zoals in die casus het geval was. Of [B] in het voorliggende geval de tackle heeft geplaatst met gestrekt been is op basis van het videofragment onvoldoende duidelijk geworden.

Onrechtmatige daad in groepsverband (6:166 BW)

6.16.

Als subsidiaire grondslag stelt [A] dat [B] als deelnemer van een groep ingevolge artikel 6:166 BW aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door het handelen van zijn medespeler met rugnummer 12.

6.17.

De verzochte toerekening van schade aan [B] veroorzaakt door zijn medespelers zal worden afgewezen omdat - zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen - de schade is veroorzaakt door het handelen van [B] en niet door de speler met rugnummer 12. Een beroep op de subsidiaire grondslag kan derhalve niet tot onrechtmatig handelen aan de zijde van [B] leiden.

Kosten

6.18.

Het verzoek ziet voorts op toewijzing van de kosten die [A] in het kader van deze procedure heeft gemaakt. [A] begroot zijn advocaatkosten inclusief btw en kantoorkosten op (€ 9.959,95 + € 2.186,63 =) € 12.146,58. In dit bedrag is begrepen de kosten voor het inwinnen medisch advies (€ 961,95).

6.19.

[B] c.s. voert aan dat de door [A] opgevoerde advocaatkosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Hij acht het uurtarief en de opgevoerde uren, gelet op de complexiteit van het geschil, te hoog. Voorts stelt hij dat de kosten dienen te worden begroot en dat in deze procedure geen ruimte is voor een veroordeling in de kosten.

6.20.

De rechtbank overweegt als volgt. Het aantal uren dat mr. Kolder aan dit deelgeschil heeft besteedt acht de rechtbank gezien de complexe aard van deze procedure verdedigbaar en niet onredelijk. De rechtbank acht het geclaimde uurtarief voor een als ‘expert’ aan te merken advocaat eveneens redelijk. De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil derhalve op de voet van artikel 1019aa Rv begroten op een bedrag van

€ 12.146,58. Waar [A] in deze procedure in het ongelijk is gesteld zal het verzoek [B] te veroordelen in betaling van dit bedrag worden afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1.

begroot de kosten van de onderhavige procedure op € 12.146,58,

7.2.

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.A.M. Dijkers, mr. L.T. de Jonge en mr. J. Wichers en in het openbaar uitgesproken door mr. W.J.A.M. Dijkers op

11 maart 2016.

rh