Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1501

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
Awb 15/2663
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO. Huishoudelijke hulp. De toekenning in het primaire besluit met als resultaat het wonen in een schoon (en leefbaar) huis, een zogenoemde resultaatsbeschikking, houdt niet in een op de individuele situatie van eiseres toegespitste toekenning. Dat is echter wel vereist, gelet op het in artikel 4 van de Wmo 2007 neergelegde compensatiebeginsel. Voor eiseres was niet duidelijk wat haar was toegekend. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2663 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2016 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Hardegarijp, eiseres

(gemachtigde: mr. L. Orie),

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel, verweerder

(gemachtigde: J. Jorritsma).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat met ingang van 1 januari 2015 het eerder afgegeven indicatiebesluit wordt ingetrokken en dat eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) een toekenning krijgt met als resultaat het wonen in een schoon huis.

Bij besluit van 17 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2015. Eiseres noch haar gemachtigde zijn verschenen, met voorafgaand bericht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 9 juli 2012 heeft verweerder eiseres aan hulp bij het huishouden 3 uur en 30 minuten per week toegekend.

2. In de brief van 26 juni 2014 staat dat de gemeente voor schoonmaakondersteuning

(HH1) tot en met drie uur per week geen ondersteuning biedt, dat wordt namelijk als een algemene voorziening gezien. In voormelde brief heeft verweerder vastgesteld dat de voor eiseres bestaande indicatie voor gespecialiseerde huishoudelijke ondersteuning, een zogenoemde HH2-indicatie, ongewijzigd wordt voortgezet.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat het eerder afgegeven indicatiebesluit met ingang van 1 januari 2015 wordt ingetrokken en dat eiseres een toekenning krijgt met als resultaat het wonen in een schoon huis. Daarbij heeft verweerder verwezen naar artikel 11, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2015 (hierna: het Besluit). In het besluit heeft verweerder eiseres er op gewezen dat zij de inzet van de huishoudelijke hulp met ingang van 1 januari 2015 samen met de thuiszorgorganisatie bepaalt.

4. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat met het primaire besluit onduidelijk is op welke categorie hulp in het huishouden zij nu recht heeft. Eiseres vindt dat zij recht heeft op HH2. Verweerder heeft ten onrechte niet in het besluit opgenomen dat het gaat om een ongewijzigde voortzetting van de al toegekende uren en categorie. Eiseres heeft verzocht dit alsnog expliciet op te nemen, zodat in de toekomst geen onduidelijkheden ontstaan over de uren en categorie. Eiseres beroept zich op de uitspraak van 7 oktober 2014 van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2014:8133).

5. In het advies van de gemeente aan de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft de gemeente onder meer opgenomen: “In 2012 is betrokkene 3 uur en 30 minuten hulp bij het huishouden toegekend. Op dit moment ontvangt betrokkene eveneens 3 uur en 30 minuten hulp per week. De thuiszorgorganisatie ( [naam thuiszorgorganisatie] ) heeft aangegeven niet voornemens te zijn de inzet te verminderen. Het gaat daarbij om zogenaamde HH2 (gekwalificeerde beroepskracht die ondersteunt bij de regievoering van het huishouden) die door dezelfde persoon als voorheen wordt verleend. De huishoudelijke hulp is in dit opzicht ongewijzigd voortgezet.”. Het advies luidt het bezwaar ongegrond te verklaren.

6. Onder verwijzing naar de onder 4 aangehaalde tekst heeft de commissie zich op het standpunt gesteld dat eiseres in bezwaar de aangehaalde tekst heeft bevestigd, in die zin dat zij nog steeds 3 uur en 30 minuten aan hulp bij het huishouden ontvangt, categorie HH2. Omdat eiseres krijgt waar zij om gevraagd heeft en in het besluit geen rekening gehouden hoeft te worden met toekomstige belangen of theoretische aangelegenheden, heeft de commissie geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. In het geval eiseres niet tevreden is over het resultaat en dat niet kan worden opgelost door een gesprek met de zorgaanbieder, kan eiseres een klacht bij de gemeente indienen, aldus de commissie. In het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de commissie beslist.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. In het bestreden besluit zijn ten onrechte niet de normtijden en de categorie hulp opgenomen. Al met de brief van 26 juni 2014 is eiseres kenbaar gemaakt dat haar situatie niet zou wijzigen, zij blijft recht houden op een HH2 indicatie. Met het bestreden besluit is onduidelijk welke categorie hulp in het huishouden eiseres blijft ontvangen. Behalve op de onder 3 vermelde uitspraak beroept eiseres zich op de uitspraak van 1 april 2015 van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2015:2196).

8. In het verweerschrift heeft verweerder er op gewezen dat met ingang van 1 januari 2015 geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen HH1 en HH2 en dat een dergelijk onderscheid dus niet meer relevant is. Beide soorten huishoudelijke hulp zijn per die datum opgegaan in de maatwerkvoorziening Zelfstandig Leven 6 (ZL6). In voorkomende gevallen bestaat in het geval van toekenning van ZL6 tevens aanspraak op ondersteuning bij de organisatie van het huishouden. Ten aanzien van de uitspraken waar eiseres zich op beroept voert verweerder aan dat daarin sprake is van andere omstandigheden. In beide uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake was van ontoereikende compensatie. In het geval van eiseres is de toereikendheid van de geboden compensatie niet in geschil. Daarbij heeft verweerder overwogen: “De inzet van de zorgaanbieder is naar ons oordeel in dit geval toereikend (zowel in kwantitatief opzicht als kwalitatief) en is in ieder geval door belanghebbende niet betwist.”

en

“Naar ons oordeel hebben wij met de toekenning van de maatwerkvoorziening Zelfstandig Leven 6 toereikende compensatie geboden waarmee voldaan is aan de in de wet en verordening opgenomen uitgangspunten.”

9. Ter zitting heeft verweerder haar standpunt toegelicht als volgt. In het besluit neemt verweerder niet het aantal uren aan huishoudelijke hulp op, omdat de zorgaanbieder gehouden is op basis van de overeenkomst tussen de gemeente en de zorgaanbieder toereikende compensatie te bieden. Dat betekent dat de zorgaanbieder, in overleg met de cliënt, bepaalt wat er moet gebeuren. Verweerder wil niet in het vaarwater van de zorgaanbieder zitten. Zogenoemde dorpenteams, die in dienst zijn bij de gemeente, onderhouden regelmatig contact met de clíënt. Als tijdens een dergelijk contact blijkt dat er iets niet goed gaat, is het aan de cliëntondersteuner om daar wat aan te doen.

10. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

11. De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit dateert van vóór 1 januari 2015 en kan dus uitsluitend berusten op de Wmo 2007. Ingevolge artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 moet het bestreden besluit worden getoetst aan de bepalingen in de Wmo 2007.

12. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door verweerder berust op het standpunt dat eiseres heeft gekregen waar zij om heeft gevraagd. Dat standpunt is gebaseerd op het advies van de gemeente aan de commissie, in welk advies staat dat eiseres 3 uur en 30 minuten hulp per week ontvangt. Verweerder stelt dat eiseres recht is blijven behouden op hetgeen haar eerder was toegekend.

13. Voormeld standpunt kan echter niet uit het primaire besluit worden afgeleid en was voor eiseres dus niet kenbaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar miskend dat met het primaire besluit voor eiseres niet duidelijk was wat haar door verweerder is toegekend. Zij wist dan ook niet waar zij aan toe was. Allereerst is daarbij van belang dat verweerder met het primaire besluit het eerder afgegeven indicatiebesluit heeft ingetrokken. Voorts is van belang dat met de toekenning in het primaire besluit met als resultaat het wonen in een schoon (en leefbaar) huis onvoldoende concreet bepaald is hoe dat resultaat moet worden bereikt. Vermeld is dat zij de inzet van de huishoudelijke hulp samen met de thuiszorgorganisatie bepaalt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wel degelijk sprake is van procesbelang bij een beslissing op het bezwaar: eiseres heeft er recht op te weten waar zij aan toe is. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is dan ook gegrond, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder dient een nieuw beslissing op bezwaar te nemen.

14. De rechtbank wijst er op dat (ook) verweerder zelf een en ander niet geheel duidelijk was: in het onder 4 genoemde advies aan de commissie wordt nog steeds gesproken over uren en HH2, terwijl verweerder - eerst - in het verweerschrift heeft meegedeeld dat met ingang van 1 januari 2015 geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen HH1 en HH2 en dat beide soorten huishoudelijke hulp met ingang van die datum zijn opgegaan in ZL6. In het verweerschrift stelt verweerder dat met de toekenning van ZL6 een toereikende compensatie is geboden. Uit het primaire besluit blijkt echter niet van een toekenning van ZL6. Daar heeft eiseres de gronden van bezwaar dus ook niet op kunnen richten.

15. Naar het oordeel van de rechtbank houdt de toekenning met als resultaat het wonen in een schoon huis, een zogenoemde resultaatsbeschikking, niet in een op de individuele situatie van eiseres toegespitste toekenning. Dat is echter wel vereist, gelet op het in artikel 4 van de Wmo 2007 neergelegde compensatiebeginsel. Met een indicatie in een resultaatsgebied laat verweerder de verdere uitvoering aan een niet onder hem ressorterende instelling en onttrekt verweerder zich daarmee aan de hem gegeven rol bij de uitvoering van de Wmo. Verweerder laat met andere woorden de totstandkoming van het specifieke rechtsgevolg van zijn besluit over aan een ander, hetgeen betekent dat sprake is van onvolledige besluitvorming waardoor eiseres niet weet wat haar concrete rechten zijn. Dat de thuiszorginstelling in feite de door haar verlangde huishoudelijke hulp biedt, maakt niet dat hiermee de bestuursrechtelijke aanspraak vastligt, hetgeen van een bestuursrechtelijk besluit mag worden verwacht.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken weken na de dag van verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze

uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, rechter, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2016.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op: