Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1443

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
C/17/140813 / HA ZA 15-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap moeder. Geen vordering op zoon uit hoofde van onttrekkingen aan hervermogen van moeder tijdens haar leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/140813 / HA ZA 15-84

Vonnis van 30 maart 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S. Sikkema te Leeuwarden,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.W. van Weert te Assen.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    het tussenvonnis van 1 juli 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering/verandering van eis in conventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 oktober 2015

  • -

    de akte naar aanleiding van eisvermeerdering/eisverandering zijdens [gedaagde 1]

  • -

    de rolbeslissing waarbij het door [eisers] gedane verzoek om (middels bewijsstukken) bij akte te mogen reageren is afgewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het geschil betreft de nalatenschap van de op [geboortedatum] in de [gemeente] geboren, en op [overlijdensdatum] in de [gemeente] overleden [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster). Erflaatster was gehuwd met de op 11 juni 1993 te [woonplaats] overleden [echtgenoot erflaatster] (hierna te noemen: [echtgenoot erflaatster] ) Uit het huwelijk zijn zes kinderen geboren, namelijk [eisers] en [gedaagde 1] .

2.2.

Bij beschikking van 7 oktober 2003 van de kantonrechter bij de rechtbank Leeuwarden, [locatie] , is een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan erflaatster, onder benoeming van [gedaagde 1] tot bewindvoerder. De door [gedaagde 1] in verband met het overlijden van erflaatster ingediende eindrekening en verantwoording is op 21 november 2007 door de kantonrechter "voor gezien" getekend.

2.3.

Partijen hebben het beheer van de nalatenschap uitbesteed aan Notariskantoor A. de Vries te Ureterp (hierna te noemen: de notaris). Bij brief van 23 april 2015 heeft de notaris rekening en verantwoording afgelegd over het door haar gevoerde beheer over de nalatenschap in de periode van 25 juni 2007 tot en met 19 maart 2015.

2.4.

In het testament van 24 januari 2000 van erflaatster is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

II. Ik legateer aan mijn zonen [gedaagde 1] , [eiser 4] en [eiser 5] , tezamen en voor gelijke delen:

de boerenhuizinge met garage, bijgebouw, erf en grond, staande en gelegen te [adres] , onder de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van de waarde daarvan in bewoonde staat (…). Voor het geval één of meer van mijn hiervoor genoemde zonen het legaat niet aanvaardt/aanvaarden, dan legateer ik het vorenomschreven registergoed aan de andere genoemde zo(o)n(en).

III. Onder bezwaar van gemeld legaat benoem ik tot mijn erfgenamen, voor gelijke delen en bij aanwas - behoudens plaatsvervulling als bij de Nederlandse wet geregeld - mijn kinderen.

IV. Indien één van mijn erfgenamen, op welke grond dan ook, de uitvoering van mijn uiterste wilsbeschikking schriftelijk betwist, zal hij/zij niet meer ontvangen dan zijn/haar legitieme portie in mijn nalatenschap (…).

2.5.

[eiser 5] (eiser sub 5) heeft voormeld legaat niet aanvaard. Tussen [eiser 4] (eiser sub 4) en [gedaagde 1] is vervolgens een discussie ontstaan omtrent de vraag aan wie het legaat zou worden afgegeven. Daarnaast konden partijen het niet eens worden over de waardebepaling van de boerenbehuizinge c.a. in verband met de uit het legaat voortvloeiende inbrengverplichting.

2.6.

In een vaststellingsovereenkomst, neergelegd in het proces-verbaal van comparitie van 16 oktober 2015, zijn partijen ter gedeeltelijke beëindiging van het geschil het navolgende overeengekomen:

1. Partijen komen overeen dat het in de uiterste wil van [erflaatster] opgenomen legaat met betrekking tot de boerenhuizinge c.a. gelegen te [adres] zal worden afgegeven aan [gedaagde 1] onder gehoudenheid om in de nalatenschap van erflaatster een bedrag van € 225.000,-- in te brengen. De afgifte van het legaat zal uiterlijk 1 januari 2016 plaatsvinden bij een door [gedaagde 1] aan te wijzen notaris. [gedaagde 1] draagt de kosten van deze notaris.

2. [gedaagde 1] zal genoemd bedrag van € 225.000,--, onder aftrek van zijn aandeel daarin (een/zesde), vóór of bij de levering van het gelegateerde overmaken op de derdengeldrekening van de notaris, die vervolgens direct tot uitbetaling hiervan aan de overige erfgenamen, overeenkomstig ieders aandeel daarin, zal overgaan. Voor zover nodig verplichten partijen zich over en weer tot medewerking aan het voorgaande.

3. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting ter zake van al hetgeen zij in het kader van deze procedure met betrekking tot vermeld legaat gevorderd hebben.

4. [gedaagde 1] doet afstand van het door hem gedane beroep op artikel IV in de uiterste wil van [erflaatster] .

3 De vordering in conventie

3.1.

[eisers] vordert bij dagvaarding dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde 1] veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan afgifte van het legaat: zijnde de boerenbehuizinge met garage bijgebouw, erf en grond, staande en gelegen te [adres] , aan [eiser 4] tegen een nog te bepalen waarde door een door de rechtbank te benoemen deskundige, indien en voor zover [eiser 4] bereid en in staat is de onroerende zaak tegen de door de deskundige vastgestelde waarde te betalen;

2. voor het geval [gedaagde 1] zijn medewerking uiterlijk 1 juni 2015 niet heeft verleend aan afgifte van het legaat aan [eiser 4] , bepaalt dat het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de voor afgifte van het legaat noodzakelijke wilsverklaringen met betrekking tot voornoemde boerderij zoals bedoeld in artikel 3:330 lid 2 BW;

3. indien en voor zover [eiser 4] op 1 juni 2015 niet in staat of bereid is het legaat af te nemen, bepaalt dat [gedaagde 1] voor 1 juli 2015 zorg draagt voor aanbieding van de onroerende zaken, bestaande uit de boerenbehuizinge met garage bijgebouwd, erf en grond, staande en gelegen te [adres] , op de vrije woningmarkt middels een NVM-makelaar die gespecialiseerd is in agrarische onroerende zaken, dan wel een andere door de rechtbank te benoemen makelaar, tegen een door de makelaar geadviseerde waarde;

4. bepaalt dat partijen in de situatie dat [eiser 4] het legaat niet afneemt, met een op een woning uitgebracht bod dienen in te stemmen indien de makelaar oordeelt dat een door een potentiële koper gedaan bod, ook al is dat onder de vraagprijs, redelijk is;

5. om na de verkoop van de onroerende zaken mee te werken aan de notariële levering daarvan;

6. op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [gedaagde 1] in gebreke blijft aan de veroordelingen onder 3, 4 en 5 te voldoen;

7. [gedaagde 1] veroordeelt om binnen één maand na betekening van dit vonnis aan [eisers] een opgave te verstrekken van een deugdelijke boedelbeschrijving voorzien van bewijsstukken, waaronder een kopie van alle bankafschriften van erflaatster en informatie over het vee, gereedschappen, inboedelgoederen, sieraden en liquide middelen op het moment van overlijden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] daarmee in gebreke blijft;

8. bepaalt de zaak enige tijd aan te houden om partijen de gelegenheid te geven alsnog in onderling overleg tot een verdeling te komen en indien dat niet mogelijk blijkt te zijn, partijen in de gelegenheid te stellen de rechtbank nader te informeren over de verdeling en over de wijze van (verder) procederen;

9. [gedaagde 1] veroordeelt in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten.

3.2.

[eisers] vordert na eiswijziging dat de rechtbank bepaalt dat de nalatenschap van erflaatster wordt verdeeld, in die zin dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld een bedrag van € 100.000,-- te betalen aan de nalatenschap, zodat de omvang van de nalatenschap vervolgens € 325.000,-- bedraagt, waarna alle erfgenamen een bedrag van
€ 54.166,66 per persoon krijgen uitgekeerd. Ter comparitie heeft de raadsvrouwe van [eisers] desgevraagd toegelicht dat de gewijzigde eis moet worden gezien als primair en de verdelingsvordering in de dagvaarding als subsidiair.

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer met conclusie dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eisers] in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaart, althans haar deze ontzegt, met veroordeling van [eisers] in de kosten en nakosten van de procedure in conventie en reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW in zoverre betaling binnen veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis uitblijft tot de dag der algehele voldoening.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad:

II. [eisers] veroordeelt mee te werken tot afgifte van onder andere aan [gedaagde 1] gelegateerde boerenbehuizinge met garage bijgebouw, erf en grond, staande en gelegen te [adres] , tegen inbreng van:

- primair: de recent getaxeerde waarde in bewoonde staat ad € 225.000,--;

- subsidiair: de waarde in bewoonde staat nadat deze is vastgesteld door drie, door de rechtbank te benoemen, deskundigen;

III. indien een of meerdere eisers binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis niet tot medewerking aan afgifte van het legaat is overgegaan, bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke medewerking van de betreffende eiser;

IV. voor recht verklaart dat [eisers] uit de nalatenschap van erflaatster niet meer zullen ontvangen dan hun legitieme portie;

V. met veroordeling van [eisers] in de kosten en nakosten van de procedure in conventie en reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW in zoverre betaling binnen veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis uitblijft tot de dag der algehele voldoening.

4.2.

[eisers] voert verweer met conclusie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans hem deze ontzegt, met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis, alsmede te vermeerderen met de nakosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie en conventie

5.1.

De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

De vorderingen in verband met de afgifte van het legaat

5.2.

Ter comparitie zijn partijen ter gedeeltelijke beëindiging van het geschil overeengekomen dat het legaat zal worden afgegeven aan [gedaagde 1] , onder gehoudenheid om in de nalatenschap van erflaatster in te brengen een bedrag van
€ 225.000,--. Gelet hierop behoeven de vorderingen van [eisers] in conventie zoals weergegeven onder 3.1 sub 1 tot en met 6, alsook de vorderingen van [gedaagde 1] in reconventie zoals weergegeven onder 4.1 sub II en III, geen bespreking meer. Deze vorderingen zullen dan ook, wegens gebrek aan belang, worden afgewezen.

5.3.

In de vaststellingsovereenkomst, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van
16 oktober 2015 (r.o. 2.6), heeft [gedaagde 1] voorts afstand gedaan van het door hem gedane beroep op artikel IV in de uiterste wil van erflaatster. Gelet hierop zal de vordering van [gedaagde 1] in reconventie zoals weergegeven onder 4.1 sub IV, die op die bepaling gebaseerd is, eveneens worden afgewezen.

De verdeling van de nalatenschap

5.4.

[eisers] legt - samengevat - het volgende aan de hiervoor onder 3.2 weergegeven (primaire) vordering en de onder 3.1 sub 7 en 8 weergegeven (subsidiaire) vorderingen ten grondslag. De nalatenschap van erflaatster bestaat in ieder geval uit de in het testament genoemde onroerende zaken, vee, gereedschappen, inboedelgoederen, sieraden en liquide middelen. [eisers] heeft het sterke vermoeden dat [gedaagde 1] , mogelijk ook al tijdens het leven van erflaatster, is overgegaan tot verkoop van onder meer het vee en het melkquotum. De omvang van de nalatenschap kan niet worden vastgesteld en er kan dus ook niet tot verdeling worden overgegaan, zolang [gedaagde 1] weigert openheid van zaken te geven. In het kader van de eiswijziging heeft [eisers] in aanvulling hierop gesteld meer informatie te hebben verkregen over het vee en het melkquotum, zodat zij (primair) aan de hand van de thans beschikbare gegevens verdeling van de nalatenschap vordert. Naast de inbrengverplichting uit hoofde van het legaat van € 225.000,-- die op [gedaagde 1] rust, is hij volgens [eisers] gehouden tot inbreng van € 100.w000,-- wegens onttrekking van goederen/zaken met een waarde van tot in elk geval dat bedrag. Ter onderbouwing van dat laatste bedrag voert [eisers] het volgende aan:

Ten tijde van het overlijden van erflaatster stond er vee op naam van erflaatster, waarvan de waarde door een deskundige is geschat op € 75.625,--. Hiertoe verwijst [eisers] naar de door haar als productie 4 en 5 bij dagvaarding overgelegde landbouwtelling c.q. berekening. [gedaagde 1] heeft nadien het vee verkocht.

Erflaatster beschikte in 2004 over een melkquotum ter waarde van € 24.500,--, dat aan een derde verhuurd werd totdat [gedaagde 1] in 2009 het melkquotum heeft verkocht. Met de opbrengst heeft [gedaagde 1] een Fries paard gekocht ter waarde van in ieder geval € 10.000,--. [eisers] betwist naar aanleiding van het door [gedaagde 1] gevoerde verweer dat van de opbrengst een shovel is gekocht. [eiser 4] heeft zelf, van eigen geld, een shovel gekocht. De door [gedaagde 1] als productie 14 overgelegde factuur is volgens [eisers] vals, in welk verband [eisers] als productie 9 bij de conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering/verandering van eis in conventie een andere factuur heeft overgelegd.

5.5.

[gedaagde 1] voert - samengevat - het volgende tot zijn verweer aan. In verband met het overlijden van erflaatster heeft [gedaagde 1] de eindrekening en verantwoording van zijn bewind ingediend bij de kantonrechter, die deze heeft goedgekeurd, waarna de administratie aan de notaris is overgedragen.

De grondslag voor de gewijzigde vordering is niet duidelijk. De vermeende € 100.000,-- behoort niet tot de nalatenschap en kan daarom als zodanig niet worden verdeeld, nog daargelaten dat er geen verdeling conform het bepaalde in artikel 3:178 BW of artikel 3:185 BW is gevorderd. Voor zover [eisers] vordert dat [gedaagde 1] genoemd bedrag aan haar betaalt, staat artikel 3:171 BW eraan in de weg dat een rechtsvordering namens de nalatenschap tegen een mede-deelgenoot wordt ingesteld.

Inhoudelijk voert [gedaagde 1] het volgende tot zijn verweer aan:

Erflaatster had volgens [gedaagde 1] ten tijde van haar overlijden geen vee meer. Zij heeft namelijk in 2000 om gezondheidsredenen de onderneming (een landbouwbedrijf) gestaakt, waartoe [gedaagde 1] verwijst naar de door hem als productie 13 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie overgelegde aangifte voor de inkomstenbelasting 2000. In dat kader heeft [gedaagde 1] onder meer het vee van erflaatster overgenomen, waarbij er is verrekend met bedragen die hij uit eigen middelen had betaald onder meer in verband met de aanschaf van een nieuwe tractor. Aanvankelijk is [gedaagde 1] gebruik blijven maken van het bedrijfsnummer van [echtgenoot erflaatster] - en na diens overlijden in 1993: van erflaatster - en in 2008 is het vee op een eigen nummer geregistreerd. Op de door [eisers] als productie 4 en 5 overgelegde landbouwtelling c.q. berekening staan ook schapen en paarden vermeld die eigendom van [gedaagde 1] zijn, aangezien erflaatster deze nooit heeft gehouden.

Voor wat betreft het melkquotum is er sprake geweest van een geleidelijke verkoop in de jaren 2000, 2002 en 2005, onder meer in verband met het vervallen van de mogelijkheid om het melkquotum te blijven verhuren omdat er zelf moest worden gemolken. De opbrengst hiervan is iedere keer op de rekening van erflaatster overgemaakt. De laatste liters zijn in 2005 middels een huur-/leaseconstructie aan [koper] verkocht, waarbij de jaarlijkse termijnen tot aan het overlijden van erflaatster ook op de bankrekening van erflaatster zijn overgemaakt. Van de opbrengst is € 8.000,-- door [eiser 4] en [gedaagde 1] gebruikt om gezamenlijk een shovel te kopen. [gedaagde 1] verwijst hiertoe naar een factuur, door hem overgelegd als productie 14, en hij voegt daaraan toe dat deze factuur om fiscale redenen op naam van [eiser 4] is gezet.

5.6.

Gelet op de wijze waarop de hiervoor onder 3.2 weergegeven (primaire) vordering is geformuleerd en hetgeen [eisers] hieraan ten grondslag legt, begrijpt de rechtbank dat [eisers] tot verdeling van de nalatenschap wenst te geraken. Op grond van artikel 3:185 BW kan de rechter, indien deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling gelasten dan wel zelf de verdeling vaststellen. Voorts overweegt de rechtbank dat bij die verdeling op grond van artikel 4:228 lid 1 BW schulden van een erfgenaam aan de erflater op zijn aandeel kunnen worden toegerekend. De rechtbank volgt [gedaagde 1] dan ook niet in zijn betoog dat de grondslag voor de gewijzigde vordering niet duidelijk is c.q. niet deugt.

5.7.

Vaststaat dat [gedaagde 1] ingevolge de ter comparitie totstandgekomen vaststellingsovereenkomst gehouden is om een bedrag van € 225.000,-- in de nalatenschap van erflaatster in te brengen. Dat bedrag zal dan ook bij de verdeling door de rechtbank in aanmerking worden genomen.

5.8.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de nalatenschap een vordering op [gedaagde 1] heeft in verband met onttrekkingen van goederen en/of gelden uit het vermogen van erflaatster voorafgaande aan haar overlijden, zonder instemming daarmee van erflaatster c.q. [eisers] Hierover oordeelt de rechtbank als volgt.

5.9.

Voor wat betreft het vee heeft [eisers] , mede gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde 1] , onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de door haar als productie 4 en 5 overgelegde landbouwtelling c.q. berekening betrekking heeft op vee dat eigendom was van erflaatster. Zo heeft [eisers] ter comparitie niet de stelling van [gedaagde 1] weerlegd dat erflaatster in 2000 het landbouwbedrijf heeft gestaakt, noch dat [gedaagde 1] daarna zelf is doorgegaan met het vee met gebruikmaking van het bedrijfsnummer van [echtgenoot erflaatster] c.q. erflaatster. Evenmin heeft [eisers] ter comparitie weersproken dat erflaatster geen paarden of schapen hield, terwijl die wel op de door haar overgelegde landbouwtelling c.q. berekening zijn opgenomen. Nu [eisers] ten aanzien van dit punt is tekortgeschoten in haar stelplicht, is voor nadere bewijslevering geen plaats. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat er ter zake van het vee sprake is geweest van onttrekkingen uit het vermogen van erflaatster.

5.10.

Voor wat betreft het melkquotum overweegt de rechtbank dat [eisers] , in het bijzonder gelet op het verweer van [gedaagde 1] dat de verkoopopbrengst steeds op de bankrekening van erflaatster is overgemaakt, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de opbrengst van het door [gedaagde 1] verkochte melkquotum - behoudens een hierna te bespreken gedeelte daarvan - uit het vermogen van erflaatster is gevloeid. Voorts heeft [eisers] , althans [eiser 4] , in reactie op de door [gedaagde 1] gegeven toelichting op de gang van zaken ter comparitie verklaard dat het klopt dat het melkquotum is verkocht. Nu [eisers] ook op dit punt is tekortgeschoten in haar stelplicht, is voor nadere bewijslevering geen plaats.

5.11.

Alleen ten aanzien van een bedrag van € 8.000,-- volgt uit het verweer van [gedaagde 1] dat een gedeelte van de opbrengst van het melkquotum niet ten goede van erflaatster is gekomen. Waar duidelijk is dat gelden niet ten behoeve van erflaatster zijn besteed, maar ten goede zijn gekomen van (in elk geval) [gedaagde 1] , rust naar het oordeel van de rechtbank op hem de stelplicht en bewijslast dat dit met instemming van erflaatster c.q. [eisers] is gebeurd. Over de vraag wat er met genoemd bedrag is gebeurd, lopen de stellingen van partijen uiteen. Volgens [gedaagde 1] heeft hij daarmee samen met [eiser 4] een shovel gekocht, maar volgens [eisers] heeft [eiser 4] die shovel voor zichzelf en met eigen geld gekocht en is de verkoopopbrengst van het melkquotum geheel ten goede van [gedaagde 1] gekomen. De rechtbank constateert dat de door partijen overgelegde facturen (productie 14 van [gedaagde 1] en productie 9 van [eisers] ) beide betrekking hebben op de aankoop van een kniklader (Giant V452T), maar dat onder meer de daarop vermelde factuurdatums en -nummers verschillen en ook dat er een andere ingeruilde tractor wordt vermeld. Daaruit kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de door [gedaagde 1] overgelegde factuur vals zou zijn, temeer omdat op het door [eisers] bijgevoegde bankafschrift nog weer een ander (derde) factuurnummer is vermeld. Maar bij deze stand van zaken kan de rechtbank ook niet vaststellen hoe (en door wie) de aangekochte shovel gefinancierd is. Nu [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan de in het kader van het door hem gevoerde verweer op hem rustende stelplicht, wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de nalatenschap een vordering ter grootte van € 8.000,-- op [gedaagde 1] heeft in verband met onttrekkingen van goederen en/of gelden uit het vermogen van erflaatster voorafgaande aan haar overlijden, zonder instemming daarmee van erflaatster c.q. [eisers]

5.12.

[eisers] heeft bij dagvaarding gesteld dat de nalatenschap in elk geval bestaat uit de in het testament genoemde onroerende zaken, vee, gereedschappen, inboedelgoederen, sieraden en liquide middelen. Nadere gegevens hierover zijn door [eisers] niet aangedragen. Hieruit volgt dat de rechtbank onvoldoende inzicht is verschaft over de volledige omvang van de nalatenschap en zij niet kan overgaan tot een verdeling van de gehele nalatenschap. De rechtbank begrijpt de gewijzigde (primaire) vordering van [eisers] dan ook aldus dat zij verdeling vordert van de hierboven genoemde twee vorderingen op [gedaagde 1] die tot de nalatenschap behoren, in die zin dat [gedaagde 1] na verrekening van zijn schuld die in de nalatenschap valt, met zijn vordering op de nalatenschap, niets meer te vorderen heeft.

5.13.

In het onderhavige geval staat vast dat de vorderingen op [gedaagde 1] uit hoofde van zijn inbrengverplichting (hiervoor in r.o. 5.7 vastgesteld op € 225.000,--) en uit hoofde van onttrekkingen (hiervoor in r.o. 5.11 vastgesteld op € 8.000,--) in de nalatenschap vallen en dus voor verdeling in aanmerking komen. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de verdeling van de nalatenschap vaststellen door voormelde vorderingen ten bedrage van € 233.000,-- in totaal te verdelen over partijen. Met toepassing van het bepaalde in artikel 4:228 BW zal de schuld van [gedaagde 1] aan de nalatenschap op zijn aandeel worden toegerekend, zodat hij enerzijds niets meer te vorderen heeft uit hoofde van verdeling daarvan en anderzijds aan [eisers] ieder 1/6e deel van de vorderingen op [gedaagde 1] zal worden toebedeeld, zijnde voor een bedrag van (€ 233.000 : 6 =) € 38.833,33. Nu de verdeling aldus tot stand is gebracht, is [gedaagde 1] geen bedrag meer aan de nalatenschap verschuldigd en zal de door [eisers] gevorderde betaling aan de nalatenschap worden afgewezen. Voorts zal - bij gebrek aan een daarop gerichte vordering - geen veroordeling van [gedaagde 1] kunnen worden uitgesproken tot betaling aan [eisers] uit hoofde van het aan ieder van hen toebedeelde deel van de vorderingen op [gedaagde 1] .

5.14.

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze zaak, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

stelt de verdeling van de in r.o. 5.13 vermelde vorderingen op [gedaagde 1] die in de nalatenschap van erflaatster vallen vast in die zin dat aan hem uit dien hoofde niets toekomt en aan [eisers] ieder wordt toebedeeld een zesde deel van die vorderingen op [gedaagde 1] ;

6.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

6.5.

wijst het gevorderde af;

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2016.1

1 type: 588 coll: 18