Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2016:1377

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
18.104485-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte te zake; belaging, diefstal en vernieling tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen met aftrek waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de straf worden bijzondere voorwaarden gekoppeld waaronder een verplichte ambulante behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/104485-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 februari 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzitting van

28 augustus 2015 (politierechterzitting) en 25 januari 2016.

De verdachte is verschenen, en laatstelijk bijgestaan door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks 7 april 2015 tot 16 mei 2015 te [pleegplaats] althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met het oogmerk [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

door

- meermalen ongewenst, hinderlijk en/of dreigend smsberichten en/of whatsappberichten naar [slachtoffer] te sturen en/of

- meermalen ongewenst en/of hinderlijk te bellen naar [slachtoffer] ;

2.

hij op of omstreeks 7 april 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 20 april 2015 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt deze beperkt dient te worden tot de periode 7 april 2015 tot 12 april 2015.

Ten aanzien van het meermalen en ongewenst bellen met aangeefster, zoals opgenomen onder het tweede gedachtestreepje, is de raadsvrouw van mening dat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen en dient verdachte van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat er rekening gehouden dient te worden gehouden met de omstandigheden waaronder het feit gepleegd is. Er was sprake van veel dynamiek binnen de relatie waarbij er door beide partijen over en weer, middels Whatsapp-berichten en sociale media zeer heftig op elkaar werd gereageerd. Uit de tot het dossier behorende berichten van de zijde van aangeefster blijkt dat ook zij meerdere malen op de berichten van verdachte heeft gereageerd en daarbij verdachte niet op enig moment expliciet heeft laten weten dat hij met zijn handelen jegens hem moest stoppen. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Feit 1

De door verdachte op de terechtzitting van 25 januari 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik in een korte tijd heel veel Whatsapp-berichten heb verstuurd naar [slachtoffer] .

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 april 2015, opgenomen op pagina 17 e.v. van dossier nummer PL0100-2015156523 d.d. 18 juni 2015, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Ik heb [verdachte] in 2012 leren kennen en heb ongeveer drie en een half jaar een relatie

met hem gehad. Na 7 april 2015 bedreigde [verdachte] mij via de WhatsApp.

Door de volgende WhatsApp-berichten voel ik mij niet meer veilig en voel ik mij dus

ook bedreigd

Op 7 april 2015:

18:33 - slaap lekker vannacht

18:33 - of morgen nacht en die nacht erna

18:33 - ik hoop dat je kinderen wordt afgepakt jij verdiend dat.

18:34 - Jij zal in de goot eindigen

18:35 - En ik zal je daar graag mee helpen om jou de afgrond in zien te gaan.

op 8 april 2015:

00:04 - Jij bent de gene die dit alles heeft veroorzaakt.

00:04 - Jij moet van de aardbodem verdwijnen

00:05 - Vieze vuile slet dun lelijk wijf magere broodplank

12:02 - Maar bij deze ik hoef jou ook niet meer je kan dood vallen

12:23 - Ik zal maar gaan verhuizen als ik jou waas ver weg van hier

12:23 - Voor je eigenveiligheid

12:34 - En niet vragen of ik jou kinderen. Wil ophalen

12:35 - je mag ze houden

12:35 - Ik hoef ze niet meer

12:35 - Wil niks meer met je te maken hebben

12:35 - En als ik je ergens zie trap ik je in elkaar

12:36 - Dus ga maar verhuizen

15:36 - Kom 1 van deze dagen me spullen ophalen. De rest dus. voordat je bij je

moeder zit en moet blijven of dat je dood bent. En ik krijg nog 40 euro van je. Dus

ga maar op zoek naar een eigen tv.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 28 mei 2015, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik onderstaande berichten via mijn telefoon aan [slachtoffer] heb verstuurd

08 april 12.23 uur: "Ik zal maar gaan verhuizen als ik jou was ver weg van hier",

"voor je eigen veiligheid"

08 april 12.35 uur: "ik wil niks meer met je te maken hebben en als ik je ergens

zie trap ik je in elkaar, dus ga maar verhuizen"

09 april 20.37 uur: "Als je niet gaat antwoorden kom ik je opzoeken en stomp je egt

waar" Ik snap dat dit bedreigend voor haar overkomt.

Een schriftelijk stuk als bijlage 1 opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de WhatsApp-berichten verstuurd in de periode van 7 april 2015 tot 12 april 2015.

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feiten 2 en 3 de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

Feit 2

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 25 januari 2016 afgelegd.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 april 2015, opgenomen op pagina 17. e.v. van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Feit 3

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 25 januari 2016 afgelegd.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 april 2015, opgenomen op pagina 20. e.v. van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan in de periode van 7 april 2015 tot 12 april 2015. De rechtbank overweegt daarbij dat, zo blijkt uit het strafdossier, er na 12 april 2015 zowel door aangeefster als door verdachte over en weer berichten zijn geplaatst waardoor niet kan worden bewezen dat verdachte in die ten laste gelegde periode wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Aangeefster heeft immers zelf bijgedragen aan het in stand houden van de situatie.
De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte versturen van de berichten tussen 7 april 2015 en 12 april 2015, gelet op de aard en de frequentie van die berichten, dient te worden aangemerkt als belagingshandeling in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is voorts van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte meermalen ongewenst en/of hinderlijk gebeld heeft met aangeefster, zoals ten laste gelegde onder het tweede gedachtestreepje. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 7 april 2015 tot 12 april 2015 te [pleegplaats] althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] met het oogmerk [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door meermalen ongewenst, hinderlijk en dreigend WhatsApp-berichten naar [slachtoffer] te sturen.

2.

hij op 7 april 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer] .

3.

hij op 20 april 2015 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, toebehorende aan [slachtoffer] , heeft vernield.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1Belaging.

2Diefstal.

3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 18 november 2015, opgemaakt door H.R.J. ter Borg, GZ-psycholoog. De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis. Hij functioneert vanuit een aandacht tekort (ADHD) met impulsiviteit en er is daarnaast een al langer bestaand alcoholprobleem. Ook is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en oordeelt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals opgenomen in de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage. Daarnaast heeft de officier van justitie een contactverbod gevorderd voor de duur van 1 jaar en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarde gevorderd. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten.

In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat verdachte op dit moment een positieve weg aan het bewandelen is en dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, in geval van bewezenverklaring, aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin, waarbij hij tevens haar fiets heeft vernield en geld van haar heeft gestolen. Verdachte heeft door deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Aangeefster voelde zich, doordat verdachte op een dwingende wijze contact met haar bleef zoeken, angstig en onveilig. De stalking bleek van dien aard dat het slachtoffer zich uiteindelijk gedwongen heeft gezien te vluchten voor verdachte en zich elders is gaan vestigen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 18 november 2015, opgemaakt door drs. H.R.J. Ter Borg, GZ-psycholoog, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het tenlastegelegde was een uiting van (de door hemzelf slecht onderkende) gefrustreerde en

gekrenkte gevoelens. Er was voorts, samenhangend met zijn stoornis en gebrekkige

ontwikkeling, sprake van een overmatige gerichtheid op zichzelf en een zich verminderd kunnen inleven in de ander. Door zijn gebrek aan sociale vaardigheden en slechte impulsbeheersing, terwijl hij zeer prikkelgevoelig is, wordt de kans op recidive als hoog ingeschat.
De onderzoeker acht een meervoudige behandeling aangewezen. In ambulante zin werd eerder al gedacht aan een (deels psychiatrische) behandeling bij de VNN, die net aangevangen is en primair gericht is op terugdringen van alcoholgebruik. Tevens is persoonlijke coaching gerealiseerd. Essentieel is dat hij in zijn doen en laten ook door de reclassering nauwgezet gevolgd gaat worden. Betrokkene dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering waaronder het volgen van een ambulante behandeling. Indien hij recidiveert (middelengebruik, belaging, fysiek- of materieel geweld) dan is het advies hem klinisch te behandelen.

Tenslotte heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsrapport d.d. 24 november 2015, ter zitting van 25 januari 2016 bevestigd en nader toegelicht door de [maatschappelijk werker] , waarin wordt geadviseerd om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling.

De rechtbank overweegt dat er sprake was een ongunstige dynamiek binnen de relatie van verdachte en zijn (thans) ex-partner.
De rechtbank acht het aannemelijk dat deze dynamiek een rol speelde en mede leidde tot de verweten gedragingen van verdachte waarbij de rechtbank niet uitsluit dat ook het slachtoffer binnen deze relatie een negatieve bijdrage heeft geleverd. Hoewel dit alles het handelen van de verdachte niet kan rechtvaardigen, zal de rechtbank met deze omstandigheden rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

De rechtbank heeft voorts overwogen oog te hebben voor de problematiek waarmee verdachte te kampen heeft hetgeen blijkt uit de voornoemde rapportages en zoals blijkt uit hetgeen verdachte ter zitting heeft aangegeven. Het lijkt erop dat verdachte tot het inzicht is gekomen dat de door hem bewandelde weg niet de juiste was en hij heeft expliciet aangegeven zich niet meer aan dit soort gedrag schuldig te willen en zullen maken. Verdachte heeft zelf hulp gezocht en is aangemeld bij de VNN. Daarnaast is er een toezichthouder aangesteld waar verdachte veel baat bij heeft. Ter zitting heeft verdachte aangegeven het zonder hulp niet te redden en mee te willen werken aan behandeling.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten.

Alles overwegend acht de rechtbank een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Verdachte dient zich daarbij wel te realiseren, dat wanneer hij weer mocht vervallen in soortgelijk strafbaar gedrag, hem een vrijheidsstraf van lange duur boven het hoofd hangt.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel onder andere de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals opgenomen in voornoemd reclasseringsrapport.
De rechtbank ziet, gelet op het verhandelde ter zitting, geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod, zoals geëist door de officier van justitie.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 300,00 aan materiële schade en

€ 1000,00 aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (ten aanzien van feit 1), nu zij voor vrijspraak danwel beperking van een groot gedeelte van de tenlastegelegde periode heeft gepleit, betoogd dat de benadeelde partij in de vordering die ziet op de immateriële schade niet ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering te ingewikkeld is om af te doen binnen deze strafzaak, aangezien rekening gehouden zou moeten worden met het eigen aandeel van de benadeelde partij.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op grond van de stukken en de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij aannemelijk is geworden dat zij immateriële schade heeft geleden, dat deze in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit en dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank is, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat een bedrag van € 250,- toewijsbaar is. Gelet op het verweer van de verdediging dat rekening gehouden moet worden met het eigen aandeel van de benadeelde partij, is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen daarvan een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee zou brengen, in zoverre zal de rechtbank het overige deel van de immateriële vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal de gevorderde materiële schade toewijzen, met dien verstande dat de post die ziet op "geldbedrag" gematigd zal worden tot een bedrag van € 160,00. Het overige deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 91 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen. Hierna zal veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 dat veroordeelde zich zal laten behandelen voor zijn verslavingsproblematiek bij de (forensische ) verslavingszorg van VNN en zich ambulant laat begeleiden door Terwille- of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt deelname aan een medicamenteuze behandeling en controles op middelengebruik.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 460,00 (zegge: vierhonderdzestig euro).

- Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard.

- Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

- Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 460,00 (zegge: vierhonderdzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 9 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 210,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade.

- Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F. de Jong, voorzitter, P.H.M. Smeets en A. Jongsma, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 februari 2016.